|
De E-commerce
richtlijn lijkt maar een klein stukje van het
reclamerecht online te regelen. In werkelijkheid gaat
het om een veel groter gebied, wordt het online-recht
inzake oneerlijke mededinging zeer tersluiks meegenomen
en heeft de nog jonge richtlijn nu al verwoestende
consequenties gehad voor enkele bijzondere
reclameregels. Onderstaand wordt bezien wat reclame op
het internet en op enkele andere online-media nu zo
nieuw en attractief maakt, wat de praktische problemen
zijn die zich thans al op basis van het bestaande recht
voordoen in de (binnen- en buitenlandse) rechtspraak,
c.q. in theorie worden gesteld in de (binnen- en
buitenlandse) literatuur en onderzocht in hoeverre de
nieuwe richtlijn geschikt is om die problemen aan te
pakken. Als waar is wat offline geldt, ook online gelden
moet, dan is daarmee nog geen oplossing gegeven, omdat
in de offline-wereld dezelfde problemen soms op
verschillende wijze worden opgelost. Ik noem maar wat:
sluikreclame in bioscoopfilms wordt op een intelligenter
manier opgelost dan sluikreclame op televisie. Het
vervelende is echter dat met de richtlijn elektronische
handel weer nieuwe, afzonderlijke reclameregimes lijken
te worden geschapen. Nu het internet als medium dichter
tegen printmedia aanligt dan tegen omroep en de
internetgebruiker als een redelijk oplettende consument
mag worden gezien, dienen al te beschermende maatregelen
kritisch tegen het licht te worden gehouden. Opruimen
van wettelijke regels leidt anderzijds weer tot meer
werk voor de rechter en tot rechtsonzekerheid. Gelet op
de hoeveelheid gesignaleerde problemen is het onderwerp
gesplitst in twee delen.
Ontwikkelingen en
technieken
Het begrip
online-reclame
Online-reclame (webvertising,
publicité en ligne, Internet-Werbung) wordt meestal
vereenzelvigd met reclame op een website op het
beeldscherm van een personal computer. In de praktijk
komen er ook enkele andere vormen van online-reclame
voor: M(obile)-Commerce (SMS-berichtjes) en
T(elevision)-commerce. De laatste vorm combineert het
computerscherm met het televisiescherm. Alle drie kunnen
worden gekwalificeerd als vormen van elektronische
reclame, maar er zijn al veel oudere vormen van
elektronische reclame. Telefoon, fax, radio en televisie
kunnen immers ook als een elektronisch medium worden
gekwalificeerd. Wanneer het echter om online-media gaat,
wordt vaak als bijzonder en dus onderscheidend kenmerk
genoemd dat het bij die media gaat om diensten die op
individueel verzoek van een afnemer van die dienst
worden verricht. De straks te bespreken E-commerce
richtlijn [1]
verwijst naar zo een kenmerk, doordat zij als object
heeft 'diensten van de informatiemaatschappij', welke
diensten op hun beurt weer worden gedefinieerd als
'diensten die (…) via elektronische apparatuur voor de
verwerking en opslag van gegevens, op individueel
verzoek van een afnemer van diensten worden verricht.'
De richtlijn bevat
echter ook als object ongevraagde commerciële
communicatie (bijvoorbeeld via e-mail berichten), regelt
wellicht ook irritante, niet direct te verwijderen
'interstitials' [2]
en dat zijn allebei
diensten die juist niet
op individueel verzoek worden verricht. Wat er dan voor
online-reclame overblijft als criterium dat haar van
andere vormen van elektronische reclame onderscheidt, is
uiteraard toch vooral het gebruik van het internet als
medium. Daarmee zijn de typische kenmerken van
internetcommunicatie tevens bepalend voor
online-reclame. Belangrijkste kenmerk van die vorm van
communicatie is het 'many to many'-model: [3]
het medium kan zowel publiek als privé worden gebruikt
en de rollen van zender en ontvanger wisselen
voortdurend. Het medium is dus tegelijkertijd geschikt
voor openbare én voor privé-communicatie, voor
mededelingen op verzoek én voor ongevraagd toegezonden
mededelingen. Het verenigt daardoor bijna alle vormen
van bestaande reclame; bijna: iets wat lijkt op
ongeadresseerd verspreid drukwerk is er niet bij. Maar
verder kan bewegend beeld en geluid worden vertoond
zoals bij omroepreclame, plaatjes en veel tekst worden
opgeroepen zoals bij drukpersreclame, geadresseerde en
gepersonifieerde mail worden verzonden zoals bij
brievenbusreclame en rechtstreekse bestellingen worden
gedaan zoals bij couponadvertenties of teleshopping. Wat
internet extra bevat, is de mogelijkheid om direct
gebruikersgegevens te verzamelen (cookies), gemakkelijk
wereldwijd informatie op te zoeken via zoekmachines,
door te linken naar andere websites alsmede uiteraard
zijn niet-plaatsgebonden en dus per definitie
grensoverschrijdende karakter. Dat laatste wil overigens
niet zeggen, dat geografische bepaling voorgoed verleden
tijd is op het net. Er zijn programma's ontwikkeld die
claimen van bijna 100% van de internetgebruikers het
land van herkomst te kunnen localiseren. [4]
Dat het internet ons voorgoed heeft bevrijd van de
geografie, is dan ook een mythe.
Ontwikkelingen
E-commerce is nog niet
hét marketing wonderkind geworden. Volgens recente
cijfers van het CBS stelt het aandeel van e-commerce in
de totale detailhandelsomzet in Nederland nog niet veel
voor. [5] Het budget
voor reclame op internet is navenant: 1,3% van de totale
reclamebestedingen. [6]
Het valt voorts niet op korte termijn te verwachten dat
interactieve (digitale) televisie die het moet hebben
van dezelfde frequenties waar analoge televisie en radio
op worden uitgezonden, het zonder 'Analoger Switch-Off'
zal kunnen redden. [7]
T(elevisie)-Commerce zal dus nog even op zich laten
wachten. Niettemin zijn de verwachtingen voor de periode
na 2005 hoog gespannen. Het huidige home shopping-aanbod
op televisie zou ruimschoots door T-Commerce worden
overtroffen. [8] Home
shopping maakt echter vooralsnog niet bepaald een groot
deel van de markt uit. M(obile)-Commerce lijdt nog zeer
onder standaardiseringsproblemen en lijkt vooralsnog
niet als zelfstandig marketinginstrument voor de gehele
markt geschikt. [9]
Al met al zullen de hier besproken vormen van
elektronische commerciële communicatie als zelfstandig
marketinginstrument toch steeds beperkt blijven tot
specifieke goederen en diensten en bepaald niet
beschouwd kunnen worden als een volledig substituut voor
printreclame en omroepreclame. Dat pleit bepaald niet
voor een geïsoleerde en technologie-specifieke aanpak
van online-reclame.
Technieken en
financiering
De reclametechnieken op
het Internet zijn te onderscheiden, net zoals elke
andere reclametechniek, in zogenaamde push- en pulltechnieken.
Het onderscheid tussen beide begrippen heeft te maken
met de mate van interactiviteit die van de consument
wordt verwacht. In het laatste geval dient de consument
actief naar informatie te zoeken, op internet via het
intikken van een adres of het geven van opdrachten aan
een zoekmachine, in het eerste geval bestaat het
communicatieproces uit eenrichtingsverkeer: er wordt een
boodschap gestuurd aan de consument. Massamedia als
radio en televisie zijn push media, printmedia bieden de
gebruiker de mogelijkheid zelf te bepalen welke
informatie hij leest en in welk tempo. Internet is zowel
een push als een pull medium; het kan immers zowel
gebruikt worden om informatie naar de gebruiker te
sturen zonder dat hij daar enige invloed op kan
uitoefenen (ongevraagde e-mail), als om zelf informatie
op te zoeken. De laatste functie is echter dominant.
Internet is meer een pull dan een push medium. [10]
Het juridisch instrumentarium zou dus meer moeten worden
gezocht in de sfeer van die media (printmedia) dan bij
de pull media (televisie en radio). De meest
gebruikelijke vorm van adverteren op het internet
geschiedt via een pull methode, die van de zogenaamde banners
en buttons, balkjes of knopjes op een site
waarmee doorgeklikt kan worden naar een andere
internetpagina met informatie van de
banner-adverteerder. Banners en buttons kennen allerlei
varianten: ze staan stil of bewegen, ze bevatten meer of
minder interactieve mogelijkheden, ze dwingen de
gebruiker de site te verlaten dan wel laten hem daar,
bevatten audiovisuele programma's of vertonen bij
aanklikken een minipagina, die wordt uitgerold onder de
banner waardoor meer informatie kan worden gegeven.
Reclame is betaalde
informatie; de vraag is wie er op het net aan wie en
voor wat betaalt. Net zoals offline betaalt ook de
online-adverteerder aan een medium voor
advertentieruimte, dan wel creëert hij zelf
advertentieruimte door een eigen website te openen. Het
bijzondere bij reclame online is dat de reclamemedia
niet alleen te vinden zijn bij online-uitgevers
(commercieel zowel als particulier) van redactionele
inhoud, maar dat advertentieruimte ook beschikbaar wordt
gesteld door bedrijven die andere diensten aanbieden.
Co-branding, het plaatsen van een banner op de site van
een ander merk komt dan ook veel voor. [11]
Ten slotte komt naast gewone reclame ook sponsoring
voor. De sponsor geeft dan een financiële bijdrage aan
het opzetten en onderhouden van een website in ruil
waarvoor zijn naam of logo als sponsor wordt vermeld op
de site. Het gaat daarbij niet om louter
naamsvermelding: doorgaans kan op de naam van de sponsor
worden doorgeklikt naar andere informatie over diens
(bedrijfs)activiteiten.
De technieken op
interactieve televisie gaan in de richting van een
volstrekt door elkaar lopen van gewone programma's en
handel. Er worden systemen ontwikkeld waarbij de kijker
naar een 'gewoon' televisieprogramma zoals Baywatch aantrekkelijke
producten (badpakken, auto's, horloges, e.d.) op het
scherm kan aanklikken en vervolgens rechtstreeks
bestellen. [12]
Interactieve televisie vervangt dan het gebruik van de
telefoon bij home shopping. Het zapbare karakter van
home shopping, kan dus technisch gezien, net zoals bij
gewone televisiereclame het geval is, worden ingeruild
voor niet-zapbare vormen waarbij op basis van product
placement producten direct kunnen worden besteld.
Het gebruik van
M-commerce via mobiele telefoons en soortgelijke
systemen staat nog in de kinderschoenen. De gebruikte
techniek is vooral een pushtechniek die om de aandacht
te trekken, vaak vergezeld gaat van spelletjes en andere
vormen van promotionele actie. [13]
Juridische
problemen rondom online-reclame
Rechtspraak
Rechtspraak is
uiteraard niet de enige bron op grond waarvan een
overzicht van mogelijke juridische problemen kan worden
samengesteld. Niettemin is het een bron die duidelijk
maakt waar onzekerheden schuilen; een analyse van
binnen- en buitenlandse rechtspraak [14]
kan dus illustratief zijn voor inzicht in de vraag welke
problemen een zekere realiteitswaarde hebben. Als
zodanig verschijnen achtereenvolgens:
- de vraag welke
online-informatie juridisch gezien als reclame kan
worden bestempeld;
- de vraag hoe online
moet worden omgegaan met reclameverboden en andere
absolute beperkingen, bijvoorbeeld het
publieksreclameverbod voor geneesmiddelen of de
bestaande beperkingen voor tabaksreclame;
- de toelaatbaarheid
van ongevraagde e-mail;
- de vraag naar de
toepasselijkheid van andere beperkingen,
bijvoorbeeld die inzake misleidende en
verwarringwekkende reclame;
- de vraag naar de
toelaatbaarheid van vergelijkende en aanhakende
reclame;
- de vraag welke
accessoire verplichtingen een rechterlijk verbod met
zich mee brengt;
- de vraag naar de
aansprakelijkheid van het online-medium voor
ontoelaatbare reclameboodschappen;
- de vraag naar de
relatieve competentie van de rechter.
Wat opvalt is
allereerst het ontbreken van rechtspraak over het
gebruik van persoonsgegevens. Tegenover de vloed van
geschriften, beleidsnota's en wet- en regelgeving over
het gebruik van persoonsgegevens op het Internet, [15]
verbleken de werkelijke conflicten, erger nog: mij is
geen enkele rechterlijke uitspraak bekend die
rechtstreeks [16]
betrekking heeft op de bescherming van persoonsgegevens
tegen het commercieel gebruik daarvan in een
online-omgeving. Dat moet te denken geven over de wijze
waarop de bescherming van persoonsgegevens in een
online-omgeving dient te worden benaderd. Een tweede
opvallend punt is dat het probleem van een scheiding
tussen online-reclame en andere vormen van
Online-informatie in de
rechtspraak tot nu toe uitsluitend is opgelost langs de
weg van het verbod op misleiding.
Literatuur
In de literatuur wordt
vooral druk gediscussieerd over het land van herkomst
principe dat in navolging van de TV-Richtlijn en de
Satellietrichtlijn [17]
in de Richtlijn elektronische handel is neergelegd en
over de vraag wat de convergentie van media betekent
voor de juridische regulering. Bij het laatste speelt
vooral de vraag naar de toepasselijkheid van
omroepregimes op webcasting. Eerder genoemd principe
lijkt reclamereguleringsparadijzen te scheppen in de EU,
interne discriminatie tussen nationale en buitenlandse
bedrijven te bevorderen, consumentenbescherming te
verzwakken, te collideren met het internationale
privaatrecht, en vooral een gefragmenteerd reclamerecht
te creëren, d.w.z. een reclamerecht dat ten onrechte
verschillend uitpakt voor online- en offline-reclame, en
dat niet alleen wat de materiële regels betreft, maar
ook wat het aansprakelijkheidsregime betreft. [18]
Wetgeving
De Richtlijn
elektronische handel laat nog veel open. Zij bevat
enkele zeer algemene en vanzelfsprekende, al bestaande
reclameregels, die zich zeer wel voor nadere uitwerking
lenen, een oproep tot zelfregulering en een oproep tot
meer vrijheid voor reclame in het vrije beroep. De
reclameregels bevatten niet meer dan een
herkenbaarheidsplicht (reclame moet als reclame
herkenbaar zijn), een identificatieplicht voor de
adverteerder en een algemene informatieplicht ter
voorkoming van misleiding voor promotionele acties.
Daarnaast wordt nog eens een herkenbaarheidsplicht en
een 'opt-out' systeem vastgelegd voor ongevraagde
e-mail, iets dat wij al kennen uit eerdere richtlijnen. [19]
Het bestaande geheel aan richtlijnen die voor reclame
van belang zijn, blijft van toepassing. Dat alles
betekent dat de richtlijn voor het onderwerp
online-reclame nader moet worden uitgewerkt en dat
problemen van overlapping moeten worden opgelost. Het
venijn in de Richtlijn schuilt in een rigoreuze
toepassing van het land van oorsprong beginsel. Rigoreus
in die zin dat niet, zoals bijvoorbeeld in de
Televisierichtlijn, precies is aangegeven wat de
gecoördineerde gebieden zijn waarop dat beginsel van
toepassing is, maar heel in het algemeen het beginsel
wordt toegepast op alle algemene en specifieke vereisten
waaraan een dienstverlener moet voldoen bij het starten
of uitoefenen van een activiteit van een dienst van de
informatiemaatschappij, zonder dat altijd sprake is van
harmonisering van die vereisten. [20]
Dat leidt uiteraard tot de vraag hoe dit beginsel zich
verhoudt tot de conflictregels uit het internationaal
privaatrecht en dan met name tot de bepalingen die gaan
over oneerlijke mededinging. Intussen zijn al complete
implementatievoorstellen voor de Richtlijn elektronische
handel gepubliceerd in Frankrijk en in Duitsland. [21]
Het juridische
begrip online-reclame
Commerciële
communicatie en diensten van de informatiemaatschappij
Het is van belang het
begrip (online-) reclame juridisch te definiëren
vanwege de verschillende rechtsregimes die van
toepassing zijn op enerzijds reclame, anderzijds op
andere vormen van informatie over goederen en diensten.
De Richtlijn elektronische handel geeft in artikel 2 sub
f een eigen definitie van reclame. Zij gebruikt
de term 'commerciële communicatie' en verstaat
daaronder: 'elke vorm van communicatie bestemd voor het
direct of indirect promoten van de goederen, diensten of
het imago van een onderneming, organisatie of persoon,
die een commerciële, industriële of ambachtelijke
activiteit of een gereglementeerd beroep uitoefent.'
Niet als zodanig wordt beschouwd: adresinformatie,
d.w.z. 'informatie die rechtstreeks toegang geeft tot de
activiteiten van een onderneming, organisatie of
persoon, in het bijzonder een domeinnaam of een
elektronisch postadres'; en: 'mededelingen over de
goederen of diensten of het imago van een onderneming,
organisatie of persoon, die onafhankelijk van deze en in
het bijzonder zonder financiële tegenprestatie zijn
samengesteld.' Het laatste element voegt een zeer zinnig
criterium toe, dat niet, zoals zo vaak in wetgeving,
gericht is op intentie of effect van de mededeling maar
op de feitelijke tot- standkoming, de productie van de
mededeling.
Het gaat hier om een
algemene omschrijving. Wil de richtlijn van toepassing
zijn, dan moeten wij op zijn minst te maken hebben met
elektronische vormen van reclame. Van die vormen regelt
de richtlijn echter niet alle. Zij regelt deze vormen
slechts voorzover zij deel uitmaken van een dienst van
de informatiemaatschappij, dan wel te kwalificeren zijn
als elektronische post. [22]
Onder diensten van de informatiemaatschappij verstaat de
Richtlijn ingevolge artikel 2 sub a jo. 1 lid 2
Richtlijn 98/34/EG 'alle diensten die normaal tegen
vergoeding, op afstand, via elektronische apparatuur
voor de verwerking en opslag van gegevens, op
individueel verzoek van een afnemer van diensten worden
verricht.' Dat betekent dat telefonische reclame en
faxreclame niet onder de richtlijn vallen. Daarbij vindt
immers niet aan beide zijden (zender- en
ontvangerszijde) verwerking en opslag van gegevens
plaats. SMS-berichtjes op het display van een mobiele
telefoon voldoen echter weer wel aan het opslag- en
verwerkingscriterium. [23]
Juridische adviezen via SMS, e-mail of chatboxen zijn
dus diensten van de informatiemaatschappij; worden de
adviezen telefonisch of per fax gegeven, dan is dat niet
het geval. [24] Wat
andere vormen van elektronische reclame betreft
(televisie- en radioreclame): nu de definiëring van een
dienst van de informatiemaatschappij gericht is op
diensten op individueel verzoek, vallen de normale
omroepdiensten buiten de richtlijn en dus ook
omroepreclame. Overweging 18 sluit die diensten dan ook
uitdrukkelijk uit. Dat neemt niet weg dat soortgelijke
diensten (video on demand bijvoorbeeld, waarin ook
gewone reclameboodschappen, c.q. product placement
kunnen voorkomen) wel als een dienst van de
informatiemaatschappij kunnen worden beschouwd. Het
maakt daarbij echter weer verschil hoe die soortgelijke
dienst wordt verleend: echt op individueel verzoek of op
basis van een vast tijdrooster. In het laatste geval
hebben wij weer niet te maken met een dienst van de
informatiemaatschappij. [25]
De afbakening is niet eenvoudig; Spindler merkt op: 'Die
Probleme auf grund der Konvergenz der Medien sind
vorprogrammiert'. [26]
En dan hebben wij nog niet eens gesproken over de vraag
hoe diensten van omroeporganisaties op het net moeten
worden gekwalificeerd. Als diensten van de
informatiemaatschappij uiteraard; de vraag is dan echter
klemmend of voor die zeer op omroep gelijkende diensten
(webradio bijvoorbeeld) een ander regime moet gelden dan
het (nationale) omroepregime.
Commerciële
communicatie en hyperlinks
Nu een
online-adverteerder voor een groot deel afhankelijk is
van links op webpagina's van anderen, doet zich de vraag
voor wat de uitsluiting van adresinformatie betekent
voor het begrip online-reclame. Commerciële
communicatie wordt gedefinieerd als betaalde
communicatie. Een banner of button bevat per definitie
een hyperlink naar informatie van de adverteerder.
Wanneer de adverteerder voor banner of button betaalt
aan de houder van de website, kan banner of button
zonder meer worden beschouwd als commerciële
communicatie in de zin van de Richtlijn elektronische
handel. Tegelijkertijd is de banner als een hyperlink te
beschouwen, d.w.z. als adresinformatie die rechtstreeks
toegang geeft tot de activiteiten van de adverterende
onderneming en in die zin dus is uitgesloten van het
begrip commerciële communicatie. Wanneer de banner
uitsluitend door de houder van de website ter informatie
is opgenomen, zonder dat voor die opname een financiële
tegenprestatie wordt gevraagd, kan men daar vrede mee
hebben. Wanneer het echter gaat om co-branding of
soortgelijke, transacties waarbij voor opname van de
banner wordt betaald, is de desbetreffende
adresinformatie, ondanks de uitzondering die de
Richtlijn maakt voor deze informatie, mijns inziens als
commerciële communicatie te beschouwen met als gevolg
dat het richtlijn regime volledig van toepassing is.
Reclame in de
Richtlijn elektronische handel en in andere richtlijnen
Overweging (11) van de
Richtlijn bepaalt dat het in de communautaire
vastgestelde niveau van bescherming van met name
volksgezondheid en consumentenbelangen onverlet blijft.
Dat betekent dat naast de Richtlijn elektronische handel
andere richtlijnen die bepalingen omtrent reclame
bevatten, ook op online-reclame van toepassing blijven,
zoals die inzake misleidende en vergelijkende reclame,
reclame voor geneesmiddelen en reclame voor
levensmiddelen; waarschijnlijk zal dat ook het geval
zijn met de nieuw voorgestelde richtlijn inzake
tabaksreclame en sponsoring. [27]
Deze richtlijnen bevatten eveneens definities van
reclame of noemen het begrip zoals de
Levensmiddelenrichtlijn. De definities sporen niet
altijd met de definitie van de Richtlijn elektronische
handel. Die discrepantie wordt voornamelijk veroorzaakt
doordat enerzijds wordt gekeken naar de inhoud van de
boodschap, anderzijds naar de manier waarop zij wordt
geproduceerd. Het laatste criterium is dat van de
Richtlijn elektronische handel die immers vooral oog
heeft voor criteria als (on)afhankelijkheid en het al
dan niet gefinancierd zijn van de mededeling. Het eerste
is doorgaans het criterium van andere richtlijnen. De
Geneesmiddelenreclame richtlijn spreekt van de bedoeling
tot verkoopbevordering, de Richtlijn misleidende en
vergelijkende reclame spreekt over mededelingen ter
bevordering van de afzet van goederen en diensten, en
het voorstel voor een tabaksreclamerichtlijn over
commerciële mededelingen die de aanprijzing van een
tabaksproduct tot doel dan wel tot rechtstreeks of
onrechtstreeks gevolg heeft. Dergelijke definities
openen meer mogelijkheden tot conflicten over de vraag
of een bepaalde mededeling nu als reclame dan wel als
een andere vorm van informatie valt te beschouwen en
beperken in een aantal gevallen de vrijheid van
meningsuiting, zoals de ervaring bij de beoordeling van
sluikreclame op televisie leert. [28]
Uit een oogpunt van gelijkheid tussen off- en
online-reclame, ware de definitie van de richtlijn
steeds als uitgangspunt te nemen.
Reclameverboden
Reclame op het net
als openbare mededeling
Toepasselijkheid van
regels met betrekking tot reclame vereist uiteraard dat
de desbetreffende mededelingen als reclame zijn te
beschouwen. De noodzaak van een antwoord op die vraag
speelt vooral in gevallen waarin reclame gedeeltelijk
verboden is, zoals bij publieksreclame voor
recept-geneesmiddelen of, in de nabije toekomst, voor
tabaksreclame. Probleem bij internet lijkt in de eerste
plaats dat het bij de informatie die daarop te vinden
is, steeds gaat om informatie die actief wordt gezocht
en opgehaald en in die zin wellicht niet voldoet aan het
doorgaans gestelde vereiste dat reclame openbare
mededelingen betreft war de ontvanger doorgaans niet om
heeft gevraagd. Dat gaat niet op voor de al genoemde interstitials,
noch voor ongevraagde e-mailreclame, maar wel voor
andere vormen van reclame op het web. Het gegeven dat
het bij die andere vormen altijd om actieve medewerking
van de gebruiker gaat en dat er daarom geen sprake van
reclame zou zijn, wordt evenwel standaard in de
rechtspraak verworpen. Zowel de Duitse rechter als de
Nederlandse Reclame Code Commissie zijn daar niet
gevoelig voor, zelfs niet als een site alleen maar
toegankelijk is via een wachtwoord of door middel van
registratie. [29]
Onderscheid
publieksreclame en andere vormen van reclame
Gaat het echter om
reclame voor geneesmiddelen, dan valt een tegengestelde
trend te constateren. Volgens de Codecommissie van de
Stichting Code Geneesmiddelenreclame (CGR) is er géén
sprake van een openbare aanprijzing, als het wachtwoord
alleen beschikbaar is voor een beperkte groep van
beroepsbeoefenaren, waarbij de adverteerder er echter
wel voor moet zorgen dat het wachtwoord niet volstrekt
voor de hand ligt, zoals bijvoorbeeld de naam van het
geneesmiddel waarover de site gaat. De Utrechtse
President oordeelt in de Roche-zaak dat het verwijzen
naar voorlichtende productinformatie over een
merkgeneesmiddel, welke informatie op zichzelf niet als
publieksreclame kan worden aangemerkt, niettemin wel als
zodanig kan worden aangemerkt, wanneer die
productinformatie direct via één link op een algemene
banner (in dit geval: 'het gevaar van te zwaar') wordt
gegeven. Daaruit leidt de president af dat wanneer die
productinformatie niet onverwijld bij raadpleging van de
banner wordt gegeven, maar via meer verwijzingen, er
geen sprake is van (openbare) publieksreclame. [30]
De problemen bij
reclame voor geneesmiddelen worden veroorzaakt door het
feit dat in bepaalde nationale regelingen, zoals die in
de landen van de EU, publieksreclame voor
recept-geneesmiddelen wel verboden is maar op vakgenoten
gerichte reclame niet. Datzelfde geldt bijvoorbeeld ook
voor tabaksreclame. [31]
Voorts wordt elders (bijvoorbeeld in de Verenigde
Staten) dat onderscheid niet altijd gemaakt en is
publieksreclame voor recept-geneesmiddelen in beginsel
toelaatbaar. Bovendien kunnen zich gemakkelijk gevallen
voordoen waarin in het ene land een recept-geneesmiddel
is toegelaten (en dus ook de bijbehorende publiciteit)
en in het andere land (nog) niet en dus ook de
bijbehorende publiciteit geheel is verboden. Gegeven de
algemene toegankelijkheid van internet levert dat
problemen op, zowel wat betreft een louter nationale
situatie als een grensoverschrijdende situatie. In het
laatste geval moet worden beoordeeld welk recht
toepasselijk is; dat is een algemener probleem dat ik
dan ook afzonderlijk behandel. In de louter nationale
situatie moet onderzocht worden of er nog nadere,
bijzondere regels moeten worden gegeven teneinde een
verbod van publieksreclame online te handhaven. De
Richtlijn elektronische handel geeft op dit punt geen
bijzondere aanwijzingen, maar gaat er van uit dat de
richtlijn een aanvulling is op bestaande richtlijnen ten
aanzien van de informatieverstrekking. De definitie van
commerciële communicatie uit de richtlijn is niet
beperkt tot publieksreclame.
Het bestaande systeem
is gebaseerd op (intentionele) doelgroepcriteria. De
Nederlandse Code Publieksreclame voor geneesmiddelen
bijvoorbeeld omschrijft publieksreclame als '(e)lke
reclame-uiting die niet uitsluitend gericht is op
beroepsbeoefenaren (zoals apothekers, apotheekhoudende
artsen, apothekers-assistenten, drogisten, artsen,
tandartsen, verloskundigen, etc.)'. [32]
De voorgestelde regelingen voor tabaksreclame beperken
toelaatbare reclame eveneens tot reclame die uitsluitend
bestemd is voor de bedrijfstak. In de offline-
wereld wordt dat doelgroepcriterium voor een deel
verwezenlijkt doordat niet in publieksmedia mag worden
geadverteerd. In online-reclame zou dat criterium echter
ook technisch (toegangscontrole door wachtwoord of
registratie, de meerdere klikken van de Utrechtse
President) kunnen zijn, naast het plaatsen op de site
van beperkende doelgroepclausules. De vraag is welke
afschermende maatregelen de houder van de site getroffen
moet hebben om aan aansprakelijkheid voor overtreding
van het verbod van publieksreclame te ontkomen. Het
systeem van meerdere klikken lijkt mij in dit verband
niet voldoende. De discussie over dit probleem loopt nog
in Nederlands en ook in Europees verband, voorzover het
publieksreclame voor geneesmiddelen betreft. [33]
Het voorstel voor een richtlijn inzake tabaksreclame en
sponsoring past eenvoudigweg de verboden voor pers en
andere gedrukte publicaties toe op de diensten van de
informatiemaatschappij.
Publieksreclameverboden
en elektronische handel
Publieksreclameverboden
en waarschuwingsplichten zoals bij tabaksreclame
behoeven uiteraard de handel in de desbetreffende
producten niet onmogelijk te maken. Voor producten en
diensten die voor hun marketing grotendeels van het
internet afhankelijk zijn, betekent een verbod van
elektronische reclame in feite een verbod van
elektronische verkoop. Gelet op de ruime definitie van
commerciële communicatie, is immers gemakkelijk voor te
stellen dat ook de meest eenvoudige, betaalde informatie
over producten of diensten als reclame wordt bestempeld.
Een verbod van elektronische reclame moet voor de
lidstaten van de Raad van Europa ingevolge het EVRM
beantwoorden aan de eis dat het noodzakelijk is in een
democratische samenleving. Overweging (9) van de
Richtlijn zegt uitdrukkelijk dat zij geldt onverminderd
het fundamentele beginsel van de vrijheid van
meningsuiting. Zolang de handel in die producten of
diensten op zichzelf niet verboden is, lijkt een
dergelijk verbod zonder meer disproportioneel. Het is op
het moment overigens nog moeilijk voor te stellen of die
casus zich zal voordoen.
De toelaatbaarheid
van ongevraagde reclame via e-mail
In het voorstel voor
een richtlijn over privacy in de sector elektronische
communicatie, [34]
werd e-mail ten behoeve van direct-marketing waarom de
abonnee niet heeft gevraagd (de zogenaamde spam),
aanvankelijk onder dezelfde soort bescherming gebracht
als die welke voor faxberichten bestaat. Dit betekende
dat spamming verboden zou zijn, behalve voor abonnees
die hebben aangegeven dat zij ongevraagde e-mails ten
behoeve van direct-marketing wensen te ontvangen (de
zogenaamde opt-in). Voor dit opt-in systeem werd gekozen
omdat het vanuit het standpunt van de interne markt
onbevredigend zou zijn, gelet op het naast elkaar
bestaan van opt-in en opt-out (ongevraagde mail
toegestaan, tenzij bezwaar betrokkene) systemen, dat
direct-marketing-bedrijven in opt-in-landen geen
e-mail-adressen mochten benaderen in hun eigen land,
maar wel ongevraagde commerciële e-mail zouden kunnen
blijven sturen naar landen met een opt-out-systeem.
Aangezien voorts e-mailadressen heel vaak geen indicatie
geven van de woonplaats van de ontvanger, zou een
systeem met verschillende stelsels op de interne markt
in de praktijk niet werkbaar zijn. Een geharmoniseerde
opt-in regeling zou dan een oplossing voor dit probleem
bieden. Dit voorstel is door het Europees Parlement
verworpen. Daarmee blijft de gesignaleerde interne
marktproblematiek overeind. De Richtlijn elektronische
handel biedt geen oplossing voor dit probleem, omdat
daarin het spam-probleem uitdrukkelijk wordt
uitgezonderd van het land van oorsprong-beginsel. Dat
laatste betekent dat de lidstaten hun nationale regels
mogen toepassen op adverteerders die in de lidstaat zijn
gevestigd en op adverteerders die vanuit een andere
lidstaat of een derde land e-mail verzenden naar
adressen binnen de lidstaat. De nationale regels en de
zelfreguleringsregels op dit punt in de lidstaten en in
derde landen lopen overigens nog meer uiteen dan alleen
op het verschil in opt-in of opt-out. Zo is bijvoorbeeld
commerciële e-mail gericht op kinderen zonder
voorafgaande toestemming van de ouders verboden in de
Engelse DMA Code. Voor financiële dienstverlening op
afstand blijft de discussie over opt-in of opt-out
actueel. [35]
Wat te doen? Een
verspreidingsbeperking die alleen maar is gestoeld op
het gegeven dat het om reclame gaat, lijkt in strijd met
artikel 10 EVRM, omdat reclame door het eerste lid wordt
beschermd en de beperkingsgronden van lid 2 van dat
artikel niet in zo'n simpele beperking voorzien.
Verspreiding per e mail kan mijns inziens in het
informatietijdperk worden gezien als een zelfstandig
verspreidingsmiddel en beperkingen op die verspreiding
dienen dus in overeenstemming te zijn met de
beperkingsgronden van artikel 10 EVRM. Het
Kabinetstandpunt over vernieuwing van de Grondwet [36]
bevat in dit verband twee beperkingsgronden die
gedelegeerde wetgeving mogelijk maken: gezondheid en
veiligheid. Dat betekent dat andere beperkingsmotieven
– bijvoorbeeld een verbod van verspreiding van reclame
per e-mail zonder voorafgaande toestemming ter
bescherming van de rechten van anderen – bij formele
wet geregeld zullen moeten gaan worden.
De Nederlandse
rechtspraak kent nauwelijks uitspraken op dit punt. De
Duitse rechtspraak [37]
bevat daarentegen wel een aantal argumenten die
duidelijk maken waarin de mogelijke (on)toelaatbaarheid
van reclame via e-mail zou kunnen schuilen. Die
rechtspraak is mede gestoeld op een lange rij van
uitspraken over meer klassieke verspreidingsmiddelen
zoals brievenbusreclame en faxreclame. LG Traunstein, de
eerste rechter die zich over de toelaatbaarheid van
e-mailreclame uitlaat, oordeelt in een op die eerdere
rechtspraak gebaseerd vonnis, dat de ongevraagde
verzending van reclame aan een privé e-mailadres een
vorm is van oneerlijke mededinging in de zin van par. 1
UWG. Het belang dat grote bevolkingsgroepen hebben bij
informatieve reclame was indertijd voor het BGH reden
geweest brievenbusreclame principieel toelaatbaar te
achten. [38] LG
Traunstein acht dat argument voor e-mail niet valide,
vanwege de ontzaggelijke toeneming van reclame in het
algemeen, het gegeven dat e-mail onvergelijkbaar
goedkoper, sneller en doelgerichter is dan
brievenbusreclame en daardoor meer belastend kan zijn
voor de ontvangers, rechtstreeks op het bureaublad
beland, gecontroleerd moet worden op de inhoud door de
ontvanger, mede ook een communicatiemiddel is geworden
voor belangrijke post, filterprogramma's niet altijd
geschikt zijn om dergelijke e-mail te ontgaan en al met
al het gevaar bestaat dat dergelijke methoden op grote
schaal door concurrenten zullen worden gebruikt, wanneer
zij zonder meer worden toegelaten. Het verbod van
ongevraagde telefonische reclame [39]
is niet van toepassing op ongevraagde e-mail, omdat er
daarbij, anders dan bij het medium telefoon, geen sprake
is van een inbreuk op de privésfeer. Het kosten- en
transportblokkerings-argument dat reden was ongevraagde
telex- en teletextreclame alsmede Btx-reclame [40]
ontoelaatbaar te verklaren, speelt bij e-mail niet in
diezelfde mate en is dus geen reden om ongevraagde
e-mailreclame ontoelaatbaar te achten. Wat tenslotte
blijft staan als ontoelaatbaarheidsgrond is vooral, zo
lijkt het, de vrees dat zonder ingrijpen gebruikers
overspoeld worden met e-mailreclame en dat er niet meer
van kan worden uitgegaan dat het grootste deel van de
privé-e-mailgebruikers ongevraagde e-mailreclame als
een acceptabel euvel ziet. Ziedaar de grond voor een
opt-in constructie: alleen wanneer de gebruiker tevoren
te kennen geeft wel reclame in zijn elektronische
mailbox te willen ontvangen, is het verzenden daarvan
toelaatbaar. Ongevraagde e-mailreclame bestaat dan
rechtens niet meer.
Die opvatting wordt
langzamerhand ook in Duitsland bestreden. [41]
Toegegeven moet worden dat de vermelde gronden voor
ontoelaatbaarheid van ongevraagde e-mail vaag en in
ieder geval niet empirisch hard gemaakt zijn. Bovendien
zijn zij moeilijk te brengen onder de toelaatbare
beperkingsgronden van artikel 10 lid 2 EVRM. De latere
Duitse rechtspraak [42]
gaat al ietsje soepeler met het probleem om en oordeelt
t.a.v. een privé-persoon die zijn e-mail adres op de
eigen privéwebsite bekend maakt, dat:
'(e)ine
unaufgefordert zugesandte E-Mail, die ein Angebot zum
Inhalt hat, durch Aufnahme von Werbebannern auf der
eigenen Website Geld zu verdienen, (…) keine
Werbemail ist. Damit besteht kein Anspruch auf
Unterlassung der Zusendung, solange auf der eigenen
Website kein ausdrücklicher Hinweis auf Untersagung
zu finden ist.'
Het is een wat
dubbelzinnige uitspraak: enerzijds wordt geconstateerd
dat een concreet aanbod niet als reclame valt te
beschouwen, anderzijds kan ook tegen zo een aanbod
worden opgekomen, wanneer een uitdrukkelijke
'nee-sticker' op de site te vinden is. Maar de bedoeling
is duidelijk: wie zelf de lusten van de openbaarheid
zoekt, moet ook enige lasten kunnen verdragen. Al met al
zullen de argumenten voor een opt-in systeem op de lange
duur niet sterk genoeg zijn voor een exclusieve opt-in
regeling voor e-mailreclame. De gebruiker van e-mail zal
het moeten hebben van andere regels die meer te maken
hebben met de wijze waarop en de doelgroepen waaraan
e-mail wordt verstuurd, bijvoorbeeld regels die de
adverteerder verplichten zijn mail als reclame te
kwalificeren, regels omtrent de omvang van de
reclamemail, het bekend maken van de gebruiker met de
mogelijkheid e-mailreclame te weigeren, bijzondere
regels voor kinderen, en dergelijke. [43]
Misleidende en
verwarringwekkende reclame
Bijzondere regels voor
misleidende en verwarringwekkende reclame zijn in de
Richtlijn elektronische handel niet te vinden. De
rechtspraak zal het dus vooralsnog moeten doen met het
bestaande pakket maatregelen ter bestrijding van die
vormen van reclame. Zij heeft daar, zeker wat
misleidende reclame betreft, weinig moeite mee. [44]
Daarbij kan tevens
rekening worden gehouden met tal van gedragscodes op dit
terrein die evenwel doorgaans weinig toevoegen aan het
verbod van misleiding of verwarring. Dat wil niet zeggen
dat het internet geen nieuwe problemen op dit terrein
heeft opgeleverd.
Domeinnamen
Verwarring
Wij moeten hier een
onderscheid maken tussen de categorieën misleiding aan
de ene kant en verwarring aan de andere kant. De laatste
categorie betreft gevallen waarin door het gebruik van
een domeinnaam ten onrechte de suggestie wordt gewekt
dat de houder van de domeinnaam op de een of andere
manier is betrokken bij de onderneming wiens naam
gelijkt op de domeinnaam. Dergelijke suggesties kunnen
worden bestreden met het merkenrecht, het
handelsnaamrecht of met het oneerlijke mededingingsrecht
en de overgrote meerderheid van de Nederlandse
rechtspraak betreft ook die gevallen. [45]
Voorzover er in die gevallen ook nog wordt veroordeeld
op grond van misleiding is dat doorgaans niet nodig om
tot het dictum te komen. [46]
De prioriteitsregel die bij de registratie van
domeinnamen wordt gehanteerd, kan er overigens toe
leiden dat verwarringwekkende domeinnamen een rechtmatig
bestaan kunnen leiden. [47]
Mijns inziens zou in die gevallen toch steeds een
verwijzingsplicht moeten gelden voor de houder van de
verwarringwekkende domeinnaam. [48]
Misleiding en
generieke domeinnamen
Misleiding kan zich
voordoen bij het gebruik van beschrijvende of generieke
domeinnamen door commerciële ondernemingen. Deze namen
hebben een bijzondere betekenis op het world wide web,
omdat zij tevens gebruikt kunnen worden voor het zoeken
naar algemene informatie over goederen of diensten. In
die gevallen komt de consument die deze namen als
trefwoord in een zoekmachine of rechtstreeks als
http://www.adres opgeeft terecht op de site van een
bepaalde, commerciële onderneming in plaats van, zoals
hij wellicht verwacht, op een site met meer algemene
informatie. Ik wijs op voorbeelden uit de Nederlandse en
Duitse rechtspraak als: botenmarkt.nl, motormarkt.nl,
slachtofferhulp.nl, kueche.de, rechtsanwaelte.de,
gezondslapen.nl, energiebedrijf.nl, krediet.nl,
enzovoort. Op grond van het beleid van de verschillende
nationale domeinnaamregistratie-instellingen kunnen deze
namen niet worden geweigerd, wanneer ze vrij zijn. De
SIDN kent wel een beperkte lijst van zogenaamde
voorbehouden domeinnamen, maar die lijst heeft
betrekking op generieke communicatienamen, zoals
directory.nl, domain.nl, edu.nl, e-mail.nl, gov.nl,
internet.nl, int.nl, mail.nl, nameserver.nl, net.nl,
http://www.nl., en dergelijke. [49]
De Nederlandse
rechtspraak beoordeelt deze namen louter uit een oogpunt
van conflicterend gebruik. Aldus worden in een aantal
gevallen gerechtvaardigde verwachtingen van consumenten
niet waargemaakt. Hoewel in de Duitse rechtspraak de
beoordeling van deze namen ook plaatsvindt in het kader
van conflicten tussen partijen die rechtstreeks belang
hebben bij een domeinnaam, is er daarin toch meer ruimte
voor de gedachte dat monopolisering van een generieke
naam onrechtmatig kan zijn. Aanvankelijk vanwege het
argument dat daardoor de klanten van aanbieders die in
de desbetreffende branche opereren, worden 'afgevangen'.
Aldus besliste bijvoorbeeld LG München over het gebruik
van de domeinnaam 'rechtsanwaelte.de'. [50]
Nog een stap verder ging OLG Braunschweig dat
kanalisering van klantenstromen door registratie van
beschrijvende domeinnamen onrechtmatig acht, wanneer
concurrenten medegebruik geweigerd wordt en de consument
door de vormgeving van het aanbod ervan wordt afgehouden
nog verder naar informatie bij concurrenten te zoeken. [51]
De onrechtmatigheid schuilt volgens het OLG niet in
misleiding; deze onrechtmatigheidsfactor wordt
uitdrukkelijk afgewezen. Deze lijn in de lagere
rechtspraak is echter door het BGH doorgesneden en in
plaats daarvan is het element van misleiding weer op de
voorgrond gebracht. In de 'Mitwohnzentrale.de'-uitspraak
oordeelde het Hof, dat het klantenafvang-element niet
past in de bestaande oneerlijke mededingingsrubrieken en
dat er ook geen reden is om een nieuwe rubriek te
ontwikkelen. Klanten afvangen is alleen dan
onrechtmatig,
'wenn sich der
Werbende gewissermaßen zwischen den Mitbewerber und
dessen Kunden stellt, um diesem eine Änderung des
Kaufentschlusses aufzudrängen.'
Die situatie doet zich
hier echter niet voor. Het registreren van een
beschrijvende domeinnaam zou volgens deze uitspraak ook
minder monopoliseren dan het beschermen van een
beschrijvende merknaam, omdat de domeinaamregistratie
het derden vrijlaat om die naam in andere
communicatievormen te gebruiken. De consument die een
beschrijvende domeinnaam direct als internetadres
gebruikt, moet voorts nu eenmaal weten dat er nadelen
aan deze zoekmethode kleven. De grens aan het gebruik
van een beschrijvende domeinnaam ligt echter bij
misleiding en ik citeer:
'weil der Eindruck
entstehe, es handele sich beim Beklagten um den
einzigen oder doch um den maßgeblichen Verband von
Mitwohnzentralen. Das OLG muß nun diesem Vorwurf der
unzutreffenden Alleinstellungbehauptung nachgehen.
Sollte es eine Irreführung bejahen, wäre dem
Beklagten zum Beispiel aufzugeben,
"Mitwohnzentrale.de" nur zu benutzen, wenn
auf der Homepage darauf hingewiesen wird, daß es noch
andere Verbände von Mitwohnzentralen gibt.' [52]
Het gaat dus om de
onjuiste suggestie van een 'Alleinstellung'; op gelijke
wijze is bijvoorbeeld het gebruik van een
Vanity-telefoonnummer als 0800-RECHTSANWALT verboden, [53]
zij het dat bij telefoonnummers, niet zoals bij het
gebruik van internet, gemakkelijk op het bestaan van
andere aanbieders kan worden gewezen. Ook hier geldt
dus, in ieder geval volgens Duits recht, net zoals ik
verdedigde bij verwarringwekkende domeinnamen, dat de
rechter onder omstandigheden een verwijzingsplicht dient
op te leggen. Uitsluiting van registratie is uiteraard
een andere optie. Registratie onder het nieuwe
top-level-domein .info kent een uitsluiting van
generieke (en geografische) namen. Een dergelijke
absolute uitsluiting is mijns inziens niet
proportioneel, omdat er zich omstandigheden kunnen
voordien waarin het gebruik van een generieke naam niet
tot verwarring of misleiding behoeft te leiden. [54]
Misleiding en
innovatieve verkoopmethoden
Het internet kent een
aantal verkoopmethoden die nieuw ogen en die in een
aantal gevallen juridisch niet sporen met soortgelijke
methoden in de gewone wereld. Communityshopping
(Co-shopping, waaronder veilingen op het net,
Powershopping, Powerbuying) betreft verkoopmethoden die
juridisch niet (kunnen) voldoen aan bijvoorbeeld eisen
die aan gewone veilingen of uitverkopen worden gesteld,
zoals het Duitse verbod om nieuwe artikelen via een
veiling te verkopen of de eis dat veilingen aan
vergunningen zijn onderworpen, dan wel de verplichting
vooraf een werkelijk te betalen eindprijs aan te geven. [55]
Doorgaans gaat het daarbij om systemen waarbij de prijs
van een bepaald artikel wordt bepaald door de grootte
van de groep kopers in spe. [56]
Het verwijt aan de aanbieders van deze online-methoden
ligt dan voor de hand: er is sprake van een oneerlijke
voorsprong in de concurrentie doordat de
online-aanbieders zich niet houden aan regels waaraan
offline-aanbieders zich wel moeten houden. De Duitse
rechtspraak kent intussen al tal van uitspraken over
deze verkoopmethoden. [57]
Die rechtspraak is voor
een deel gebaseerd op regelgeving die wij niet meer
kennen zoals uitverkoopregelingen en regelingen met
betrekking tot kortingen, cadeau's, e.d. [58]
Deels komen dergelijke problemen in ons land ook
nauwelijks aan de oppervlakte, omdat het toezicht op de
naleving van marktordenende regelingen als deze in de
regel niet geschied door privaatrechtelijke
belangenverenigingen zoals dat vaak in Duitsland het
geval is. Niettemin is het leerstuk van een
ongeoorloofde voorsprong in de concurrentie door
wetsovertreding, ook bij ons een geaccepteerd leerstuk
en zijn dit soort gevallen geschikt om te leren wat er,
gelet op bestaande regelgeving wel en niet mag op het
internet. De les die nu langzamerhand uit de Duitse
rechtspraak kan worden getrokken is dat er voor deze
innovatieve verkoopmethoden eigenlijk maar één regel
behoort te gelden, te weten dat de aankleding ervan niet
misleidend behoort te zijn. [59]
Die les spoort met wat de Richtlijn elektronische handel
bepaalt over promotionele activiteiten: de plicht
duidelijk en ondubbelzinnig aan te geven waartoe de
deelnemer aan deze acties zich verplicht (artikel 6
onder c en d). Het interessante aan die
ontwikkeling is dat deze beoordeling van online-methoden
ongetwijfeld effect zal hebben op soortgelijke
verkoopactiviteiten in de offline-wereld. In Duitsland
is dat dan ook inderdaad het geval. [60]
In die zin heeft de Richtlijn elektronische handel al
een verwoestend effect gehad op enkele bijzondere
reclameregels. De vrees van velen is dat er nog veel
regels dit lot zullen delen.
Aangehaalde
literatuur
| Blume
2001 |
P.
Blume, Data protection issues with respect to
e-commerce, Cri 2001-1, p. 11-17 |
| Bullinger
2000 |
W.
Bullinger, 'Internet-Auktionen. Die Versteigerung
von Neuwaren im Internet aus
wettebewerbsrechtlicher Sicht', WRP 2000,
p. 253-258. |
| Determann
2000 |
L.
Determann, 'Abgrenzung gezeltzlicher
Medienkategorien im Internet', Rtkom
2000-1, p. 11-22. |
| Dommering
2001 |
E.J.
Dommering, 'Een
Tiroolse politieman of een Tiroolse privé
detective? Over het internet en het
mediarecht', te verschijnen in: Internet en
Recht, Brussel: Vrije Universiteit Brussel
2001. |
| Drijber
2001 |
B.J.
Drijber, 'De Richtlijn elekronische handel op de
snijtafel', SEW 2001, p. 122-138. |
| Dumortier
1999 |
J.
Dumortier, 'Elektronische handel en
consumentenbescherming in de Europese
ontwerprichtlijn en het Belgisch recht', Computerrecht
1999, p. 124-132. |
| Engels
2001 |
S.
Engels, 'Haftung für Anzeigen in
Online-Angeboten', K&R 2001, p.
338-343. |
| Engels
& Köster 1999 |
S.Engels
& O. Köster, 'Haftung für “werbende Links”
in Online-Angeboten', MMR 1999, p. 552-525 |
| Van
Esch 2000 |
R.E.
van Esch, 'Regulering van privacy in e-commerce', Privacy
& Informatie 2000, p. 158-163. |
| Fezer
2001 |
K-H.
Fezer, 'Modernisierung des deutschen Rechts gegen
den unlauteren Wettbewerb auf den Grundlage einer
Europäisering des Wettbewerbsrecht', WRP
2001, p. 988-1022. |
| De
Fontenay 2000 |
E.
de Fontenay, 'The Digital Economy. How Digital
Goods Are Reshaping the Rules of Commerce', Communications
& Strategies 2000, p. 179-192. |
| Freedman
1987 |
W.
Freedman, The Right of Privacy in the Computer
Age, New York: Quorom Books 1987. |
| Fritze
& Holbach 2000 |
U.
Fritze & C. Holzbach, 'Die
Electronic-Commerce-Richtlinie. Ende oder Chance
für das Deutsche Wettbewerbsrecht', WRP
2000, p. 872-876. |
| Gersdorf
1999 |
H.
Gersdorf, 'Rundfunk und E-Commerce. Von der
Konvergenz der Techniken zur Konvergenz der
Medienregulierung', Rtkom 1999, p. 75-84. |
| Goldman
& Lee 1999 |
E.
Goldman & C. Lee, 'Understanding Internet
Co-branding Deals', Santa Clara Computer and
High Technology Law Journal 1999, p. 65-82. |
| Göszmann
1998 |
C.
Göszmann, 'Electronic Commerce. Die
EU-Fernabsatzrichtlinie und ihre Auswirkungen auf
den Handel über neue Medien', MultiMedia und
Recht 1998, p. 88-92. |
| Grosheide
2000 |
F.W.Grosheide,
'The Legal Mapping and Tracking of Electronic
Commerce', in: E-Commerce Issue. European
Private Law 1999/2000, Lelystad: Koninklijke
Vermande 2000, p. 1-25. |
| Grünwald
2001 |
A.
Grünwald, Analoger Switch-Off. Zur Verwaltung
terretrischer Rundfunkfrequenzen im Zeichen der
Digitalisierung der Fernsehübertragung in
Deutschland und den U.S.A., München: Verlag
C.H. Beck 2001. |
| Härting
2001 |
N.
Härting, 'Gesetzentwurf zur Umsetzung der
E-Commerce-Richtlinie', CR 2001, p.
271-277. |
| Hartman
1999 |
T.G.
Hartman, 'The Marketplace v. the Ideas. The First
Amendment Challenges to Internet Commerce', Harvard
Journal of Law & Technology 1999, p.
419-467. |
| Heermann
2001 |
P.
Heermann, 'Rabattgesetz und Zugabenverordnung
ade!', WRP 2001-8, p. 855-878. |
| Henneman
1999 |
M.E.
Henneman, 'Over IP-adressen en de Wbp: grenzen aan
privacybescherming op Internet', Privacy &
Informatie 1999, p. 148-155. |
| Henning-Bodewig
2001 |
F.
Henning-Bodewig, 'E-Commerce und irreführende
Werbung. Auswirkungen des Herkunftlandprizips auf
das europäische und deutsche Irreführungsrecht',
WRP 2001, p. 771-777. |
| Landfermann
1999 |
H.G.
Landfermann, 'Der Richtlinienvorschlag
"Elektronischer Geschäftsverkehr”. Ziele
und Probleme', ZUM 1999, p. 795-802. |
| De
Lange 2001 |
S.
de Lange, Internet Advertising. De
mogelijkheden van internet als advertentiemedium,
Amsterdam: SWOCC 2001. |
| Lehmann
2000 |
M.
Lehmann, 'Electronic Commerce and Consumer
Protection in Europe', Santa Clara Computer and
High Technology Law Journal 2000, p. 101-114. |
| Leupold
e.a. 2000 |
A.
Leupold, P. Bräutigam en M. Pfeiffer, 'Von der
Werbung zur kommerziellen Kommunikation: Die
Vermarktung von Waren und Dienstleistungen im
Internet', WRP 2000, p. 575-598. |
| Löfler
2001 |
S.
Löfler, 'Werbung im Cyberspace – Eine
kollisionsrechtliche Betrachtung', WRP 2001,
p. 379-384. |
| Mankowski
1999 |
P.
Mankowski, 'Internet und Internationales
Wettbewerbsrecht', GRUR Int. 1999, p.
909-921. |
| Mankowski
2000 |
P.
Mankowski, 'E-Commerce und Internationales
Verbraucherschutzrecht', MMR - Beilage
2000-7, p. 22-37. |
| Menke
2000 |
B.
Menke, 'Community Shopping und Wettbewerbsrecht.
Zugleich eine Anmerkung zu OLG Hamburg', WRP
2000, p. 337-346. |
| Meyer
2001 |
J.
Meyer, 'Rabatt- und Zugabe-Regulierung auf dem
Prüfstand', GRUR 2001, p. 98-111. |
| Schreuders
& Blok 2000 |
E.
Schreuders & P.Blok, 'Privacyregels en de Wbp
op het Internet', in: J.E.J. Prins & J.M.A.
Berkvens, Privacyregulering in theorie en
praktijk, Deventer: Kluwer 2000, p. 401-425. |
| Schutjens
2000 |
M.D.B.
Schutjens, 'Geneesmiddelenrecht. Kroniek', in:
E.H. Hondius & J.G.J. Rinkes (red.), Jaarboek
consumentenrecht 2000, Deventer: Kluwer 2000,
p. 55-69. |
| Spindler
2000 |
G.
Spindler, 'E-Commerce in Europa. Die
E-Commerce-Richtlinie in ihrer endgültigen
Fassung', MultiMedia und Recht - Beilage
2000-7, p. 4-21. |
|
|
* Prof.
mr. J.J.C. Kabel is werkzaam bij het Molengraaff-Instituut
(UU) en bij het Instituut voor Informatierecht (UvA).
[1]
Richtlijn 2000/31/EG van 8 juni 2000 van het Europees
Parlement en de Raad betreffende bepaalde juridische
aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij,
met name de elektronische handel, in de interne markt, PbEG
17 juli 2000 L 178/1. Het Ministerie van Justitie
beheert een elektronisch consultatieproces over de
richtlijn: zie http://www.minjust.nl/a_beleid/thema/digiwet/interac.html.
[2]
Advertenties waarmee een gebruiker gedurende een aantal
seconden onvrijwillig wordt geconfronteerd bij het ophalen
van andere pagina's.
[3]
De Lange 2001, p. 21.
[4]
Zie 'Geography and the net', http://www.economist.com/opinion
van 21 augustus 2001.
[5]
Halverwege vorig jaar hadden 400 duizend huishoudens wel
eens iets via internet besteld. Die aankopen
vertegenwoordigden echter slechts één procent van de
totale detailhandelsomzet in Nederland. Eén op de drie
orders gaat bovendien naar een buitenlandse website.
Ongeveer een op de drie bedrijven maakt gebruik van
online-netwerken voor de in- en verkoop van producten.
Zie: CBS-publicatie 'De digitale economie 2001', donderdag
19 juli 2001. Online Shopping Monitor 2001-2 door
het Rotterdamse onderzoeksbureau Blauw New Media meldt dat
in 2000 online voor 709 miljoen gulden is omgezet. De
markt voor online-verkopen blijft wel groeien, maar de
ontwikkeling van de verschillende marktsegmenten loopt
sterk uiteen. De groei van de markt komt voor tweederde op
naam van de groei in reizen en kleding. De online-markt
voor reizen is veruit het grootste marktsegment met een
omzet van bijna 200 miljoen gulden.
[6]
De Lange 2001, p. 7.
[7]
Vgl. Grünwald 2001.
[8]
Grünwald 2001, p. 25.
[9]
Zie de discussies op http://www.mcommercetimes.com/.
[10]
De Lange 2001, p. 24.
[11]
Vgl. daarover Goldman & Lee 1999.
[12]
Zie de demonstratie op http://www.watchpoint.media.com.
[13]
Zie over deze problemen de discussie die wordt gevoerd in
de Wireless Advertising Association (WAA): http://www.mcommercetimes.com/Marketing/30.
[14]
Ik maak hier veel gebruik van Duitse rechtspraak omdat die
het meest uitgebreid op de problematiek ingaat; datzelfde
geldt overigens voor de omvangrijke literatuur.
[15]
Zie in het algemeen: Freedman 1987; voorts over privacy,
internet en e-commerce: Blume 2001, Henneman 1999, Van
Esch 2000, Schreuders & Blok 2000.
[16]
Wel indirect: zie Hof Amsterdam 22 juni 2000, IER
2000/54 (Euronet/XS4all).
[17]
Richtlijn 89/552/EEG,zoals gewijzigd bij Richtlijn
97/36/EG van 30 juni 1997 inzake
televisieomroepactiviteiten, PbEG 1997, L 202/60;
Richtlijn 94/46/EG van 13 oktober 1994 inzake
satellietcommunicatie, PbEG 1995, L 268/15.
[18]
Vgl. over juridische convergentieproblemen: Determann
2000, Dommering 2001, Gersdorf 1999; over
consumentenbescherming: Mankowski 2000, Dumortier 1999,
Lehmann 2000; over interne discriminatie en het land van
herkomst principe: Henning-Bodewig 2001, Fritze &
Holbach 2000, Meyer 2001, Landfermann 1999, Drijber 2001;
over internationaal privaatrecht en het land van herkomst
principe: Mankowski 1999; Löfler 2001. Zie over
aansprakelijkheid voor online reclame tenslotte: Engels
2001, Engels & Köster 1999.
[19]
Richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 inzake de
bescherming van natuurlijke personen in verband met de
verwerking van persoonsgegevens, PbEG 1995 L
281/31; Richtlijn 97/66/EG van 15 december 1997 inzake de
verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer in de telecommunicatiesector, PbEG
1998 L 24/1.
[20]
Zie artikel 2 sub h i. van de Richtlijn.
[21]
Entwurf eines Gesetz über rechtliche Rahmenbedingungen
für den elektronischen Geschäftsverkehr (Elektronischer
Geschäftsverkehr-Gesetz - EGG), zie daarover Härting
2001; Projet de loi sur la société de l'information (15
juni 2001): http://www.lsi.industrie.gouv.fr/observat/innov/lsi/index.htm,
zie daarover het advies van de CSA in: Légipresse
2001-183, p. 52-56.
[22]
Zie art. 6 aanhef en art. 8 lid 1 aanhef en artikel 7 lid
1 Richtlijn.
[23]
Zie ook Drijber 2000, p. 125.
[24]
Zie Spindler 2000, p. 5.
[25]
Bijlage V bij Richtlijn 98/48 tot wijziging van Richtlijn
98/34 EG kwalificeert die diensten namelijk als
televisieomroepdiensten. Zie ook Overweging (17) van de
Richtlijn elektronische handel.
[26]
Spindler 2000, p. 6.
[27]
Richtlijn 84/450/EEG, gewijzigd bij Richtlijn 97/55/EG van
6 oktober 1997 inzake misleidende en vergelijkende
reclame, Pb. L 290/18; Richtlijn 92/28/EEG van 31
maart 1992 betreffende reclame voor geneesmiddelen voor
menselijk gebruik, Pb. L 113/13; Richtlijn
2000/13/EG van 20 maart 2000 inzake de etikettering en
presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor
gemaakte reclame, Pb. L109/29; Voorstel voor een
Richtlijn inzake reclame en sponsoring voor
tabaksproducten van 30 mei 2001, COM(2001) 283 def.
[28]
Zie bijvoorbeeld de zaken Cvdm/VPRO (Hofmann's Honger) en
NOS/Cvdm (Wokkels), gepubliceerd in J.J.C. Kabel e.a.
(red.), Publieke Omroep & Commercie, Amsterdam:
Otto Cramwinckel Uitgever, resp. 1994, p. 41-47 en 1993,
p. 13-21.
[29]
RCC 20 april1999, bevestigd door CvB 29 juli 1999, Uitspraken
RCC en CvB 1999 II, nr. 271 (Vereniging Borstvoeding
Natuurlijk/Milupa); RCC 11 november 1999, Uitspraken
RCC en CvB 1999 II, nr. 422 (Wijndokter); RCC 29 april
1999, IER 1999-5, p. 235-238 met ann. JK
(Kruithof/Andringa tabak), bevestigd door CvB 28 juli
1999, Uitspraken RCC en CvB 1999 II, nr. 272; OLG
Frankfurt 22. Januar 1998, MMR 1998-8, p. 417-418
(Krankenkasse); LG Berlin, 7. März 2000, MMR
2000-8, p. 490-491 (Anwaltswerbung); zie verder op de
Entscheidungssamlung Online-Recht http://www.netlaw.de:
OLG Koblenz 13. Februar 1997 (Zahnartz Werbung); OLG
Stuttgart 22. Oktober 1999 (0800-RECHTSANWALT); OLG
Nürnberg 23. März 1999 (Anwalts-Gästebuch).
[30]
Codecommissie CGR 24 maart 2000, Mediaforum 2000-6,
p. 223-225 met ann. Madeleine De Cock Buning (Boehringer
Ingelheim/Searle); Pres. Rb. Utrecht 15 februari 2000, IER
2000-3, p. 172-177 met ann. JK (Staat der
Nederlanden/Roche).
[31]
Art. 5 lid 1 van de voorgestelde Tabakswet verbiedt elke
vorm van reclame, maar maakt in lid 3 onder a een
uitzondering voor mededelingen die uitsluitend op de
bedrijfstak zijn gericht. Zie EK 2000-2001, 26 472, nr.
304, p. 2. Het voorstel voor een nieuwe tabaksreclame
richtlijn doet hetzelfde in artikel 3 lid 1 voor gedrukte
media.
[32]
Het ontwerp Besluit geneesmiddelenreclame definieert
publieksreclame overigens strikter door de eis te stellen
dat de reclame kennelijk ook voor anderen dan
beroepsbeoefenaren is bestemd. Zie TK 2000-2001, 23 959,
nr. 10, p. 5.
[33]
Schutjens 2000, p. 62-63. De Europese Commissie heeft op
18 juli 2001 voorgesteld publieksreclame voor
geneesmiddelen op recept in een aantal gevallen (diabetes,
astma en aids) en onder nadere voorwaarden toe te staan.
[34]
Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en
de Raad betreffende de verwerking van persoonsgegevens en
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de
sector elektronische communicatie, 500PC0385.
[35]
Zie bijv. de amendementen op artikel 10 van het Gewijzigd
voorstel voor een Richtlijn betreffende verkoop op afstand
van financiële diensten van 23 juli 1999, COM(1999) 385
def.
[36]
Grondrechten in het digitale tijdperk.
Kabinetsstandpunt, Den Haag oktober 2000, p. 25.
[37]
Zie LG Traunstein 18. Dezember 1997 (E-Mail-Werbung I),
behandeld door Leupold e.a. 2000, p. 592-594 en net zoals
de overige uitspraken ook te vinden op http://www.netlaw.de/urteile/ltgs_02.htm;
LG Berlin 13. Oktober 1998, MMR 1999-1, p. 43-46
(Verbot unaufgeforderten E-Mail-Werbung); OLG Hamburg 2.
August 1999, CR 2000-3, p. 183
(Wiederhohlungsgefahr bei E-Mail-Werbung); LG Berlin 7.
Januar 2000, MMR 2000-7, p. 441-443
(E-Mail-Werbung); LG Kiel 20. Juni 2000, RDV
2000-5, p. 226 (unerbetener E-Mail-Werbung).
[38]
BGH 16. Februar 1973, GRUR 1973, p. 552
(Briefwerbung).
[39]
BGH 19. Juni 1970, NJW 1970, p. 1738
(Telephonwerbung).
[40]
BGH 3. Februar 1988, GRUR 1988, p. 614-619
(Bildschirmtext).
[41]
Zie o.m. Leupold en Bräutigam 2000, p. 592-593; kritisch
t.a.v. de Deense opt-in regeling Blume 2001, p. 16. Zie
voor de Belgische ontwikkelingen terzake (eerst een
voorstel voor een opt-in regeling, later alleen een
verplichting e-mail reclame als zodanig herkenbaar te
laten zijn), Dumortier 1999, p. 130.
[42]
LG Kiel 20. Juni 2000, MMR 2000, p. 704.
[43]
Vgl.voor een gedetailleerde regeling terzake de Code
verspreiding Ongevraagde Reclame via e-mail van de DMSA (http://www.dmsa.nl).
[44]
Zie daarover bijvoorbeeld RCC 25 mei 2000, Uitspraken
RCC en CvB 2000 I, nr. 193 (http://www.automart.nl);
OLG Oldenburg 27. Januar 2000, MMR 2000-7, p.
428-429 (Nettopreis); OLG Köln, 20. August 1997, MMR
1999-1, p. 37 (Anwaltsverzeichnis); zie verder op de
Entscheidungssamlung Online-Recht www.netlaw.de:
LG Darmstadt 17. April 2001, (http://www.kueche.de);
OLG Düsseldorf 18. Januar 2001 (groszte
Programmzeitschrift); LG Hamburg 13. Oktober 2000
(letsbuyit.com).
[45]
Zie de website van de KUB: http://www.domeinnaam-jurisprudentie.nl.
[46]
Zie bijvoorbeeld Pres. Rb. Amsterdam 15 mei 1997, domeinnaam-jurisprudentie.nl,
DR 2000-8 inzake Labouchère c.a./IMG Holland.
[47]
Rb. Amsterdam 21 juni 2000 (Quote Publishing/Quote
Components – rechtmatige houder van de domeinnaam
quote.nl), IER 2001-6 (dit nummer).
[48]
Zo loste de rechter het probleem op in Zumpolle, zie Pres.
Rb. Den Haag 16 februari 2001, IER 2001-5, p.
250-252 en daarover Vollebregt
en Stam in hetzelfde nummer, p. 207-212.
[49]
Zie: http://www.domain-registry.nl/voorbehouden.lp.
[50]
LG München I 16. November 2000 (rechtsanwaelte.de), zie http://www.netlaw.de.
[51]
OLG Braunschweig 20. Juli 2000 (stahlguss.de), id.
[52]
BGH 17. Mai 2001 – I ZR 216/99.
[53]
OLG Stuttgart 22. Oktober 1999, zie http://www.netlaw.de.
[54]
Zie HvJEG 18 mei 1993, C-126/91 (Rocher); HvJEG 2 februari
1992, C-315/92 (Clinique).
[55]
Zie over deze regelingen Bullinger 2000.
[56]
Vgl. voor een beschrijving Menke 2000, p. 337-338.
[57]
Zie voor een opsomming Fezer 2001, p. 1018, noot 151.
[58]
Bijvoorbeeld de Preisangabenverordnung, de regeling
inzake Verkaufsveranstaltungen (par. 7 UWG) en die
inzake Räumung eines vorhandenen Warenvorrats
(par. 8 UWG).
[59]
Zie vooral Fezer 2001, p. 1018-1019.
[60]
Zie aldus Heermann 2001, p. 866 met betrekking tot de
intrekking van de Duitse Rabattgesetz en de Zugabeverordnung.
|