|
Deze uitspraak bevat drie interessante punten:
1) een vanzelfsprekend lijkend, maar toch dubieus, zelfstandig criterium voor
het werkbegrip, 2) ouderwetse criteria voor de toepassing van artikel 7 Aw., en
3) bevestiging en nadere invulling van de sinds Hof Leeuwarden in Van den
Berg/RU Groningen [1] constante lijn in
de rechtspraak op artikel 25 lid 1 sub d. Aw. Bijkomend punt is dat hier, zoals
zo vaak, niets valt te merken van de invloed van regel 4.4. Gedragsregels BNA
die de architect die opdracht krijgt tot verandering van een gebouw, ertoe
verplicht de oorspronkelijke architect de gelegenheid te geven tot collegiaal
overleg. [2] Doel van deze gedragsregels is
nu juist verzet wegens inbreuk op morele rechten door collegiaal overleg te
voorkomen.
1) Erkenning door deskundige gremia van de
kwaliteit van de maker door afbeelding en bespreking van zijn gebouwen in boeken
en vaktijdschriften, levert, aldus deze uitspraak, ondanks mogelijke
functioneel-technische gebondenheid van het ontwerp, een zelfstandig voldoende
argument op voor het (auteursrechtelijke) werkkarakter (eigen karakter,
persoonlijk stempel) van het gebouw. Dit criterium wordt doorgaans in de
kunsttheorie gebruikt om de moeilijke vraag Wat is kunst? op te lossen. [3]
De sprong van kunst in die zin naar het auteursrechtelijk beschermde werk, lijkt
vanzelfsprekend, maar is niet altijd dwingend. Men denke aan de kunstwerken van
Duchamps. Let op: dit criterium werkt intussen ook in het nadeel van de maker
bij een beroep op art. 25 Aw., zie hierna ad 3) onder e). Gewoonlijk wordt dit
criterium als zelfstandig criterium gebruikt voor nadere bepaling van de
reputatie van de maker.
2) Ten aanzien van het beroep van de Gemeente
op artikel 7 Aw (R. was ten tijde van het maken van het werk in dienst van de
Gemeente als stadsarchitect en dus komt de Gemeente het auteursrecht – en dan
ook de morele rechten – toe), volgt de President het criterium dat vooral is
verdedigd (maar ook weer bestreden) door medewerkers in dienst van een
universiteit: wanneer de feitelijke maker vormvrijheid toekomt, is hij bij in
opdracht van zijn werkgever gemaakt werk, niettemin de auteursrechthebbende.
Tegen dat criterium is het nodige aan te voeren en aangevoerd. [4]
Ten aanzien van, zoals hier, gebouwen, is het feitelijk belang van
exploitatierechten overigens niet erg groot. Architecten pikken nu eenmaal veel
van elkaars ideeën en zelfs uiterlijke vormgeving zonder dat daar veel over
wordt geprocedeerd, en men kan zich in gemoede afvragen of bijvoorbeeld de
verbods- en exploitatierechten van afbeeldingen van Haarlemse gebouwen die in
opdracht van de gemeente Haarlem door de stadsarchitect zijn gebouwd, niet beter
in handen zouden kunnen zijn van de Gemeente zelf. De problemen bij gebouwen
liggen veel meer in de sfeer van de morele rechten. Om die problematiek helder
te houden is het niet nodig om de fictieve maker geheel uit beeld te laten
verdwijnen, maar kan, zoals Gerbrandy al heeft verdedigd, [5]
de maker in dienstbetrekking zijn persoonlijkheidsrechten behouden, terwijl de
werkgever de exploitatierechten toekomen.
3) Sinds Van den Berg/RU Groningen
krijgt het reputatiecriterium de plaats die het naar de tekst van artikel 25 lid
1 sub d. Aw. verdient. [6] Quaedvlieg [7]
geeft zich veel moeite om aan te tonen dat het reputatiecriterium
noodzakelijkerwijs met een eigenlijk verboden belangenafweging gepaard gaat. Hij
ziet het reputatiecriterium (nadeel dat zou kunnen worden toegebracht aan de
naam van de maker) als de «precieze focus voor, de door de rechter toe te
passen belangenafweging.» Wanneer die focus erg precies is, is dat m.i. een
andere manier om te zeggen, dat het om een bijzondere belangenafweging gaat
waarin de belangen van de exploitant van een gebouw niet zelfstandig kunnen
verschijnen en dat is precies het verschil met de belangenafweging van artikel
25 lid 1 sub c. Niettemin – dat kan men Quaedvlieg nageven, maar dat wil niet
zeggen dat dat recht is - worden in de praktijk de grenzen van die focus vaak
overschreden. In deze zaak wordt nu het reputatiecriterium weer nader vorm
gegeven. Toepassing van dit criterium wil zeggen onderzoek naar de vraag of uit
de desbetreffende vernietiging, zoals de President het hier formuleert, een
gebrek aan waardering voor het werk van eiser blijkt. [8]
De President acht daartoe de navolgende factoren relevant. [9]
Factoren als deze dienen m.i. getoetst te worden op hun correctheid, gelet op
wat hierboven is gezegd over de focus van de belangenafweging. In feite zouden
de correcte factoren tenminste voldoende moeten zijn voor toe- of afwijzing van
de vordering.
a) Dienstverhouding tussen
werkgever/exploitant van het gebouw en de architect.
Deze factor wordt niet nader gemotiveerd; de factor draagt bij tot afwijzing van
de vordering. Kennelijk kruipt het bloed van het werkgeversauteursrecht hier
toch waar het eerder niet mocht gaan. Lijkt mij op zichzelf genomen geen
correcte factor.
b) Gewijzigde inzichten van de exploitant
van het gebouw.
Deze kunnen inderdaad objectief verantwoord zijn zonder dat daaruit een gebrek
aan waardering spreekt.
c) Geschiktheid van het gebouw voor het
oorspronkelijke doel.
Akoestiek en inrichting zouden het minder geschikt voor uitvoeringen van
klassieke muziek. Wanneer dat zo is, kan wijziging van het gebouw ten dienste
van die uitvoeringen ook geen gebrek in waardering opleveren. In dit verband is
interessant te lezen wat over het desbetreffende gebouw, de Kleine Zaal, staat
vermeld in Röling's eigen werk, ik citeer: [10]
«De kleine zaal is bedoeld om de nieuwste ontwikkelingen in de muziek aan het
publiek te kunnen laten horen. Daarom is er een flexibele opstelling: het podium
kan worden verbreed, een orkestbak is mogelijk, het publiek kan in twee
galerijen om de uitvoerenden zitten. De akoestiek is geschikt gemaakt voor
elektronische muziek, maar ook Schubert, Haydn en Mozart moeten er goed
klinken (curs. JK).» Dat laatste was dus, althans volgens de Gemeente, niet
het geval.
d) Feitelijk gebruik van het gebouw voor het
oorspronkelijke doel.
In casu is de zaal nooit gebruikt voor een van haar doeleinden, namelijk
schoolconcerten, terwijl juist met het oog op die activiteit de zaal van een
zitkuil was voorzien. Dergelijke factoren liggen lang niet altijd binnen de
macht van de opdrachtgever; het kan immers zijn dat er gewoonweg geen
belangstelling van derden is geweest voor dit soort activiteiten. Ook hier
behoeft geen gebrek aan waardering uit te spreken.
e) Documentatie van het werk.
Deze factor speelt een dubbelzinnige rol. Werkt zij enerzijds ten gunste van de
architect (zie hierboven ad 1), hier werkt zij nu juist tegen hem. De goede naam
van de architect zal, aldus de President blijven voortleven in de documentatie
van zijn werk en daarom is het voor zijn reputatie niet erg dat het gebouw wordt
afgebroken. Deze factor werkt dus altijd in het nadeel van iemand die een goede
naam op het terrein van de architectuur heeft. Dat kan niet de bedoeling zijn:
plaatjes vullen nu eenmaal geen gaatjes. Dit vreemde effect wordt veroorzaakt,
doordat de factor documentatie te ongenuanceerd wordt toegepast. Uit de
documentatie zou moeten blijken welke plaats het litigieuze werk inneemt in het oeuvre
van de maker. Deze factor komt niet in de uitspraak naar voren. Waar het
m.i. om moet gaan, is de vraag of het onderhavige werk zelf in het gehele oeuvre
van de maker een zodanige plaats inneemt dat door vernietiging van dat werk het
oeuvre een wezenlijk hiaat vertoont in de ontwikkeling van de maker en daardoor
nadeel zou kunnen worden toegebracht «aan de eer of de naam van de maker of aan
zijn waarde in deze hoedanigheid». De vérgaande bevoegdheid tot verzet tegen
vernietiging die uit de m.i. juiste uitleg van artikel 25 lid 1 sub d. Aw. volgt
(geen gewone belangenafweging), dient immers niet aan willekeurig welk werk te
kunnen worden gehecht.
Na voltooiing van bovenstaande noot, kreeg ik
de uitspraak in beroep onder ogen (Hof Amsterdam 26 juli 2001, Rolnr. 653/01
SKG). Het Hof:
(1) geeft een bewijsregel: de maker van het
werk moet stellen dat nadeel aan zijn reputatie is of kan worden toegebracht;
(2) gebruikt het oeuvrecriterium, d.w.z.
oordeelt dat het onderhavige werk "niet tot een zodanig uniek of zo majeur
onderdeel van het oeuvre van R. behoort, dat vernietiging zou betekenen dat in
Haarlem voor zijn architectuur representatief werk niet meer in situ te bekijken
valt."
(3) oordeelt niettemin dat de Gemeente
- in haar openbaar gemaakte plannen het belang
van R.'s werk niet kenbaar heeft onderstreept;
- geen visie heeft ontwikkeld hoe aan R's werk
blijvend aandacht zou kunnen worden besteed;
- geen contact heeft gezocht met R. in verband
met haar plannen;
(4) wijst R.'s vordering af, maar acht
"enig" nadeel aan R's reputatie op grond van het vermelde onder (3)
niet onaannemelijk;
(5) en besluit daarom tot de mogelijkheid van
schadevergoeding die echter niet is gevorderd.
JK |