|
|
|
|
|
|
Reclame en
oneerlijke mededinging 2000
verschenen in IER
2001-2, p. 50-55
J.J.C.
Kabel
|
|
Regelgeving
De e-commerce
richtlijn is op 8 juni 2000 aanvaard. [1]
Nederland dient de richtlijn voor 17 januari 2002 in
nationaal recht te hebben omgezet. Voor de inhoudelijke
regulering van reclame betekent zij niet zoveel. De
richtlijn bevat immers geen nieuwe bepalingen voor
commerciële communicatie. Wat in de afdeling over
commerciële communicatie (artikel 6-8) wordt bepaald,
houdt niet meer in dan dat de reclame herkenbaar moet
zijn als zodanig, de adverteerder identificeerbaar en de
voorwaarden voor promotionele aanbiedingen duidelijk,
ondubbelzinnig en gemakkelijk te vervullen. Voor
ongevraagde commerciële communicatie gelden bekende
principes, zoals herkenbaarheid als reclame en opt out
mogelijkheden. Reclame kan in het vrije beroep mag
blijven zoals het is; weliswaar moeten de lidstaten
ervoor zorgen dat het gebruik ervan wordt toegestaan,
maar e.e.a. moet dan wel binnen het kader van de
beroepsregels plaatsvinden en het is niet uitgesloten
dat beroepsregels kunnen leiden tot een zich moeten
onthouden van reclame. Niettemin wordt met de
desbetreffende zorgplicht (artikel 8 lid 1) wel een
duidelijk beginsel uitgesproken en dat is in ieder geval
winst voor meer reclame in het vrije beroep. Die winst
geldt, als bekend, niet voor vergelijkende
reclame in het vrije beroep. Ingevolge de desbetreffende
richtlijn mogen immers bestaande verboden en beperkingen
worden gehandhaafd en mogen ook nieuwe verboden en
beperkingen door de lidstaten worden geïntroduceerd.
Het schrappen van
artikel 7 lid 4 Grondwet door een commissie van de
Vereniging voor Media- en Communicatierecht in haar Preadvies
inzake een nieuwe tekst voor de artikelen 7 en 13 van de
Grondwet [2] is
bekritiseerd door De Meij [3]
die meent dat de regulering van reclame voor
bijvoorbeeld geneesmiddelen, tabak en alcohol, dan wel
voor buitenreclame een onmogelijke zaak wordt wanneer de
details van die regeling bij wet in formele zin zouden
moeten zijn geregeld. Het voorstel
van de Commissie Digitale grondrechten (Commissie
Franken) doet niet moeilijk en ziet geen reden
handelsreclame nog langer van de werking van artikel 7
uit te sluiten. [4] Het
voorstel voegt daar productinformatie aan toe. Wel wordt
toch een delegatiemogelijkheid opgenomen, maar dan een
geclausuleerde: uitsluitend ter bescherming van de
gezondheid of in het belang van de veiligheid kunnen
krachtens de wet beperkingen worden opgelegd (nieuw
artikel 7 lid 3). Die delegatie betreft alleen de
inhoud; het Kabinetstandpunt [5]
gaat nog een stapje verder en wenst ook andere aspecten
dan de inhoud van handelsreclame en productinformatie
over te laten aan de lagere regelgever, bijvoorbeeld
over de plaatsen waar reclame wordt opgehangen of de
kwaliteit van de adverteerder zoals bij
geneesmiddelenreclame die immers alleen maar gemaakt mag
worden door personen die bevoegd zijn tot uitoefening
van de artsenijbereidkunst. Inderdaad gaat het bij
reclame niet alleen om de inhoud maar ook om 'time,
place and manner' en zijn op die punten ook thans tal
van gedelegeerde restricties geldend. Het nieuwe dat de
grondwetswijziging dan brengen zal is, naast het
vervallen van de mogelijkheid tot preventieve controle,
dat dergelijke restricties alleen maar in het belang van
de gezondheid en de veiligheid kunnen worden gesteld.
Dat betekent dat andere beperkingsmotieven bij formele
wet geregeld moeten zijn, zoals bijvoorbeeld de
bescherming van onafhankelijke berichtgeving in de
omroep. De huidige regeling terzake is, voorzover het de
commerciële omroep betreft, nog geheel van gedelegeerde
aard. Bescherming van landschapsschoon of van het milieu
lijkt mij ook niet altijd te vallen onder de toegelaten
beperkingsmotieven van gezondheid en veiligheid en zo is
er wel meer dat vooraan bij formele wet geregeld zal
moeten worden, mocht het kabinetsstandpunt werkelijkheid
worden.
Televisiereclame
gericht op kinderen blijft voor het grootste deel
een kwestie van zelfregulering. [6]
Het gaat de regering te ver om een algeheel verbod op
deze vorm van reclame uit te vaardigen. Nadere
beperkende maatregelen zijn alleen ingevoerd voorzover
het gaat om sponsoring van kinderprogramma's. Artikel
52a Mediawet, zoals laatstelijk gewijzigd bij wet van 8
juni 2000 (Stb. 252), verbiedt immers de publieke
omroepen hun programma's te laten sponsoren. De
uitzonderingen op dat verbod betreffen uitdrukkelijk
niet programma's die zijn bestemd voor minderjarigen
beneden de leeftijd van twaalf jaar.
Rechtspraak
Europees recht
Bondsrepubliek
Duitsland / EU [7]
markeert een nieuwe fase in de Europese strijd tegen
tabaksreclame. De rechtsvraag is: draagt de
tabaksreclamerichtlijn daadwerkelijk ertoe bij dat de
belemmering van het vrije verkeer van goederen en de
vrijheid van dienstverrichting wordt weggenomen en dat
mededingingsverstoringen worden opgeheven? Zo nee, dan
dient zij geheel of gedeeltelijk nietig te worden
verklaard. Ten aanzien van het vrije verkeer van
persorganen is het in beginsel mogelijk, aldus het Hof
dat, gegeven de evolutie van steeds striktere nationale
regelingen die tabaksreclame verbieden, een verbod van
tabaksreclame het vrije verkeer van die persorganen
garandeert, net zoals dat is gebeurd met het verbod van
tabaksreclame op televisie dat mede dient om de vrijheid
van televisie-uitzendingen te bevorderen. Ten aanzien
van andere vormen van reclame op locaal terrein (op
affiches, parasols, asbakken, in bioscopen) geldt dat
echter niet: een verbod voor die reclamemedia
vergemakkelijkt het handelsverkeer in de betrokken
producten in geen enkel opzicht. Ten aanzien van wat het
Hof diversificatieproducten noemt (bijvoorbeeld
Marlborough voor kleding) geeft de richtlijn enerzijds
een uitzondering (artikel 3lid 2) , maar laat zij
anderzijds toe dat de lidstaten toch strengere eisen
stellen (artikel 5) en ontbreekt er een regeling voor
het vrije verkeer in producten die aan de richtlijn
voldoen. Zo'n constructie is al evenmin geschikt om
belemmeringen op het vrije verkeer van reclamedragers en
van de vrijheid van dienstverrichting op te heffen.
Tenslotte kan weliswaar het verschil tussen de lidstaten
bij de aanpak van sponsoring de mededinging tussen
ondernemingen die bij gesponsorde evenementen betrokken
zijn, verstoren, maar leveren dergelijke verstoringen
geen grondslag op voor een algeheel reclameverbod.
Nederlands recht
Reclameverboden
Internet geeft een
nieuwe, technische dimensie aan de problematiek van het
reclameverbod. Op websites kan gericht worden gezocht op
product- of merknaam; er kan ook wat worden gesurft op
basis van min of meer algemene zoektermen. Dat
onderscheid is in de Roche-zaak juridisch
relevant. In deze zaak die zowel strafrechtelijk als
civielrechtelijk is aangepakt, [8]
maakt de president in kort geding een onderscheid al
naargelang de zoekmethode die wordt gehanteerd.
Consumenten die min of meer ongericht zoeken naar
medische informatie – en dit geval naar middelen om
overgewicht te bestrijden – mogen niet te snel geleid
worden naar een site met informatie over een specifiek
merkgeneesmiddel, omdat daardoor het verbod van
publieksreclame voor geneesmiddelen zou worden
overtreden. Er moeten minstens twee muisklikken zitten
tussen: informatie over een specifiek geneesmiddel mag
niet direct bij raadpleging van de site van de
adverteerder te voorschijn komen, maar dient
bijvoorbeeld pas via de klik op 'overgewicht' en de
daaropvolgende klik op 'beschikbare medicijnen', te
voorschijn te komen. Zo'n technische criterium leidt al
gauw tot oneigenlijke onderscheidingen. Men zie in dit
verband ook Boehringer Ingelheim / Searle. [9]
De problematiek kan ook anders aan bod komen,
bijvoorbeeld door een onderscheid te maken al naargelang
de aard van de mededeling tussen reclame en
voorlichting, zoals gebeurt in de Glaxo-zaak [10]
waarin de kantonrechter een onderscheid maakt tussen
algemene informatieverstrekking (over een geneesmiddel
dat gebruikt wordt door mensen die willen stoppen met
roken) en reclame. Beter is m.i. echter het, meer
meetbare, onderscheid tussen onafhankelijk verschafte
informatie en betaalde informatie, het criterium dat in
de nieuwe formulering van commercial communications in
de e-commerce richtlijn als belangrijkste criterium
wordt beschouwd om een onderscheid te maken tussen
reclame en andere informatie.
Medische claims voor
eet- en drinkwaren zijn verboden. Meltzer / Albert
Heijn [11] toont
ons terzake een staaltje van Byzantijnse regelgeving:
adverteerder (een derde, niet de producent zelf)
adverteert met de claim: 'helpt het cholesterolgehalte
te verlagen' (verboden), in plaats van met 'helpt bij
het verlagen van het cholesterolgehalte' (toegestaan).
'Helpt verlagen' suggereert dat het desbetreffende
product eigenschappen bezit inzake het voorkomen van een
ziekte van de mens. Dat is een ingevolge artikel 20 lid
2 onder a. Warenwet verboden medische claim. De tweede
claim 'Helpt bij het verlagen' suggereert kennelijk iets
anders en is als gezondheidsaanprijzing toelaatbaar.
Menkan zich voorstellen dat dergelijke onderscheidingen
het adverterende bedrijfsleven tot wanhoop brengen.
Niettemin wordt de Code Aanprijzing gezondheidsproducten
en de bijbehorende indicatieve lijst
gezondheidsaanprijzingen, waarop dit onderscheid is
gebaseerd, blijkens de toelichting «gedragen door de
fabrikanten en importeurs van geneesmiddelen en
gezondheidsproducten, alle media, erkende reclamebureaus
en farmaceutische detailhandel …» [12]
De wanhoop is dus mede door de behoefte aan
rechtszekerheid der wanhopigen zelf veroorzaakt.
Prestatiebescherming
en aanhakende reclame
Unicom /
KesselsKramer [13]
laat zien dat het idee om in een reclamecampagne een
bestaand plaatsnaambord van het Groningse dorpje
Doodstil te gebruiken niet beschermd tegen gebruik door
anderen. Champagne / Shampers [14]
ziet geen verwarring tussen champagneflessen, gevuld met
badschuim en aangeduid met Bubble Bath en
champagneflessen met het echte product. In de laatste
uitspraak wordt een voorbeeldig lesje gegeven over het
recht terzake. Ik citeer: «Naar Nederlands recht inzake
de ongeoorloofde mededinging staat het een marktpartij
in beginsel vrij verpakkingen van een ander na te
bootsen, ook als die ander daarvan schade ondervindt.
Die vrijheid vindt haar begrenzing daar waar inbreuk
wordt gemaakt op rechten van intellectuele eigendom of
andere subjectieve rechten, alsmede waar nodeloos, en
ten koste van de nagevolgde, verwarring wordt gesticht
door na te bootsen op punten waar dat voorde
deugdelijkheid en bruikbaarheid van de verpakking niet
nodig is, dan wel waar sprake is van misleiding van het
publiek of het afbreuk doen aan, dan wel het oermatig
profiteren van de reputatie van het product waarvan de
verpakking wordt nagebootst. Daarnaast kan van
onrechtmatig handelen sprake zijn indien in strijd met
enig wettelijk voorschrift wordt gehandeld (…).»
Eenzelfde correctheid wordt betracht in LIMA / LEGO,
[15] Interessant in
die laatste uitspraak is de opsomming van criteria die
kunnen worden gebruikt om te beoordelen of een navolger
voldoende afstand houdt van het uiterlijk van het
oorspronkelijke product. Criteria als: stevigheid van
het product, onaantrekkelijkheid ervan en economische
rentabiliteit kunnen worden gebruikt om zich op het
standpunt te stellen dat het technisch en economisch
niet mogelijk is om af te wijken van het uiterlijk van
het oorspronkelijke product zonder aan de deugdelijkheid
en de bruikbaarheid ervan afbreuk te doen.
Profiteren van
wanprestatie
Euro2000 / Cupido
[16] oogt als een
fraai klassieke geval van de aloude Kolynos-doctrine:
profiteren van wanprestatie is een gesloten
verkoopsysteem is onrechtmatig, wanneer de
wanpresteerder en de profiteur kennis hebben van de
contractuele verplichting . Het bijzondere hier is dat
het gesloten systeem (door Euro2000 verkochte
toegangskaarten zijn op naam gesteld en niet
overdraagbaar; onregelmatigheden komen voor, maar zijn
slechts incidenteel) een algemeen belang dient (openbare
orde en veiligheid) en op grond daarvan door de
Belgische en de Nederlandse overheid verplicht is
opgelegd aan Euro2000. M.i. kan ook Batavus /
Fietsgigant [17]
in die sleutel worden gezet, hoewel Hof en rechter de
zaak volgens een gewone belangenafweging oplossen.
Batavus is ingevolge het Warenwetbesluit algemene
productveiligheid gehouden haar producten van een
kenmerk (i.c. een frame nummer) te voorzien. De
Fietsgigant (geen officiële Batavusdealer) verkoopt
Batavusfietsen zonder framenummer; dat nummer is door de
Batavusdealers verwijderd. Het Hof acht de verkoop op
deze wijze onrechtmatig, omdat Batavus daardoor in
voorkomende recall-gevallen voor extra kosten kan komen
te staan.
Afbrekende
mededelingen
Internet biedt nieuwe
mogelijkheden voor ontevreden klanten om hun grieven te
spuien. Men spreekt wel van klaagsites. Die grieven
mogen echter niet onnodig afbrekend zijn. Het criterium
terzake kan geen criterium van ongeoorloofde mededinging
zijn; buiten concurrentieverhoudingen moet immers meer
kunnen worden gespuid dan binnen
concurrentieverhoudingen. In Constance Sars / Fisher
uit Fisher op wel zeer specifieke wijze zijn ongenoegen
over het feit dat hij meer dan f 2700,- heeft moeten
betalen voor vijf niet geslaagde relatiebemiddelingen
door Constance Sars: hij neemt de handelsnaam van
Constance op als domeinnaam, voegt op een aantal
websites daaraan aanduidingen toe die Constance in de
sfeer van pornografie plaatsen (neuknet, e.d.), plaatst
magneetwoorden op die sites die gebruikers naar zijn
site moeten lokken en publiceert zijn negatieve
ervaringen met het bemiddelingsbureau. Het laatste mag,
de andere methoden worden verboden, omdat daardoor
buitensporig veel negatieve aandacht op de activiteiten
van Constance Sars wordt gevestigd. [18]
Bayer / Ziek van Bayer [19]
betreft een soort van Sunday Times uitspraak die
door de president ook voorbeeldig conform de stappen van
artikel 10 EVRM wordt opgelost). Een schokkende
mededeling die echter amper steun vindt in het
beschikbare feitenmateriaal is onrechtmatig.
Binnen
concurrentieverhoudingen mag de meetlat hoger worden
gelegd, zij het dat die meetlat wanneer het gaat of
afweerreclame weer een paar centimeter lager mag liggen.
Euronet / XS4ALL en Hans Anders / Pearle [20]
geven op dat punt grenzen aan. De tegenactie van Wanadoo
(Euronet) tegen de reclamecampagne van XS4ALL werd door
de President in eerste aanleg onrechtmatig geacht. Het
Hof oordeelt echter in reconventie dat waar XS4ALL in
haar campagne de ruimte heeft genomen om haar concurrent
(Euronet) kritisch te bejegenen, de concurrent in
beginsel een soortgelijke ruimte mag claimen als XS4ALL
voor zichzelf verlangt. Nu in de afweerreclame van
Euronet de naam XS4ALL niet voorkomt en zij slechts
betrekking heeft op de eigen diensten van Wanadoo en
voorts X4ALL niet heeft kunnen waarmaken dat de garantie
die in de afweerreclame wordt gegeven over het niet
doorgeven van persoonsgegevens aan derden door Wanadoo
niet wordt nagekomen, is de afweerreclame niet
ontoelaatbaar. Het lijkt er in deze kwestie op dat de
afweeradverteerder er met een lichtere bewijslast af kan
komen dan in gewone reclame het geval is: Euronet
behoefde niet absoluut waar te maken dat wat zij claimde
juist was, maar kon volstaan met een betwisting van het
tegendeel waartegenover de eiser (in reconventie)
aannemelijk moest maken dat de claim van de
afweeradverteerder onjuist was. In Hans Anders /
Pearle dient de adverteerder Pearle aannemelijk te
maken dat haar suggestie (alle afgeprijsde monturen
goedkoper dan Hans Anders) juist is. Het verschil zit
hem wellicht in het gegeven dat het bij Hans
Anders/Pearle gaat om een van de belangrijkste
aankoopgegevens, namelijk de prijs. De EG-Richtlijn
misleidende en vergelijkende reclame noemt in artikel
3bis lid 1 onder c. dan ook in het bijzonder de prijs
als een kenmerk waarmee op objectieve wijze dient te
worden vergeleken.
Waarschuwingen
Vacu Products /
Source Intermarketing en CHK Development /
Satelliet Meubelen [21]
betreffen de rechtmatigheid van waarschuwingen wegens
inbreuk op intellectuele eigendomsrechten. Dergelijke
mededelingen zijn geschikt om potentiële afnemers af te
schrikken – in de tweede procedure werd dan ook een
grote order geannuleerd – en onrechtmatig indien,
eerder is vastgesteld, ook als zulks nog voorlopig in
kort geding is beslist, dat er geen sprake is van
inbreuk.
Vergelijkende
reclame
Pokon / Substral blijft
hier de norm zetten. [22]
Viagra / Vigro-Vogora [23]
laat zien wat de inhoud is van de strengere aanpak van
vergelijkende reclame, zoals die door de Hoge Raad in
dat arrest is ingeluid. Een als onjuist en dus als
ongeloofwaardig te herkennen mededeling (het
erectiemiddel Viagra heeft als tekortkoming dat
het niet bij vrouwen werkt) die daarom niet als
misleidend kan worden gekwalificeerd, wordt toch
onrechtmatig geoordeeld omdat immers volgens de Pokon
/ Substral leer in vergelijkende reclame ook enkele
onjuistheden een oneerlijke voorsprong in de
concurrentiestrijd kunnen bewerkstelligen. Victron /
Mastervold [24]
past het Pokon Substral criterium van de
herkenbaarheid van de anonieme concurrent toe. De
strenge bewijslast bij medische vergelijkende claims
(tenminste twee onafhankelijke onderzoeken dienen de
claim te staven) is een dynamische: een veroordeling
wegens misleidende vergelijkende geneesmiddelenreclame
kan weer worden opgeheven, indien de adverteerder alsnog
de vereiste onderzoeksgegevens die zijn
superioriteitsclaim staven, kan. aanvoeren. [25]
Reclame en
objectieve informatie
Het sluikreclamebeleid
van het Commissariaat voor de media tegenover
commerciële, landelijke omroepen, ingezet met een actie
tegen SBS6, is in de rechtspraak overeind gebleven. [26]
Dat geldt overigens voor alle gevallen waarin een omroep
administratief beroep bij de bestuursrechter heeft
aangetekend. [27]
Daarmee is een duidelijk onderscheid tussen reclame en
andere vormen van informatie gediend. Datzelfde is mede
bewerkstelligd door een uitspraak van de Reclame Code
Commissie en diens College van Beroep in de zaak Ruijs
/ Volkskrant. [28]
Het gaat daarin om een wat glibberige constructie,
waarin paginagroot onder de kop 'Beter kiezen' een zgn.
consumentenpagina wordt geplaatst met als tekst:
'Objectieve informatie, aangeboden door de
Consumentenbond en uw krant', zonder dat deze pagina als
'Advertentie' wordt aangeduid. In feite laat de
advertentieafdeling van 'Uw krant' de Consumentenbond
adverteren met de uitslagen van haar consumententests en
wordt de advertentie waarschijnlijk – ik kan het uit
de uitspraak niet afleiden, wel uit de klacht -
gesponsord door de producenten die goed uit de tests
komen. Een aanduiding dat het hier om een advertentie
gaat en niet om een redactionele mededeling, is dan wel
het minste wat mag worden gevraagd en dat is ook wat de
Commissie beslist. Of het veel opschiet is de vraag;
Mortelmans concludeert dat dergelijke pagina's op zijn
minst de schijn wekken dat de consumentenorganisatie
hier aanleunt bij de belangen van de adverteerders
waarover de Bond verondersteld wordt objectieve
informatie te verschaffen. In het algemeen blijft de
norm van een helder onderscheid tussen reclame en andere
vormen van informatie een probleem, omdat die norm
bepaald niet diep geworteld is in een ethisch besef,
noch van de aanbod kant, maar evenmin van de
afnemerskant. Neijens concludeert uit een onderzoek naar
de waardering van non-spot advertising, dat die vorm van
reclame meer wordt gewaardeerd door het publiek dan
gewone reclame, omdat non spot advertising minder
irriteert. Uit hetzelfde onderzoek blijkt echter ook dat
kijkers zich niet altijd bewust zijn van wat Neijens
noemt 'de subtiele verleidingskunsten' van non spot
advertising; echt zorgen daarover maken doen de meeste
Nederlanders echter niet. [29]
Literatuur
In 2000 verschenen een
drietal algemene werken met afzonderlijke hoofdstukken
over reclame. Zie: Egbert
Dommering e.a., Informatierecht.
Fundamentele rechten voor de informatiesamenleving,
Otto Cramwinckel Uitgever, Amsterdam 2000; F.W.
Grosheide (red.), hoofdstukken Communicatie- &
mediarecht, Ars Aequi Libri 2000; J.M.
de Meij e.a., Uitingsvrijheid.
De vrije informatiestroom in grondwettelijk perspectief,
Otto Cramwinckel Uitgever, Amsterdam 2000. Voorts zag
het licht: Marcel Dellebeke, Handboek reclameregels
voor tv en radio, Otto Cramwinckel Uitgever,
Amsterdam 2000.
|
|
[1]
Richtlijn
2000/31, Pb EG 17 juli 2000, L 178/1. Vgl. o.m.
J.S. van den Oosterkamp, Richtlijn electronische handel
aanvaard, NTER 2000, nr. 11, p. 269-274.
[2]
Mediaforum
1999, nr. 11/12, p. I-VIII.
[3]
Ad van Loon, 'VMC-studiemiddag: Grondrechten in het
digitale tijdperk', Mediaforum 2000, nr. 2, p.45.
[4]
Commissie
grondrechten in het digitale tijdperk, Den Haag 2000,
p. 11.
[5]
Grondrechten
in het digitale tijdperk. Kabinetsstandpunt, Den
Haag oktober 2000, p. 25.
[6]
Zie Aanhangsel Handelingen II 1999-2000, nr. 453 en
454 (antwoorden op kamervragen door staatssecretaris Van
der Ploeg)
[7]
HvJEG
5 oktober 2000, zaak C-376/98.
[8]
Zie voor de strafzaak Ktr. Utrecht 4 mei 2000 (verkort in Mediaforum
2000, nr. 7/8, p. 243). Zie voor het kort geding: Pres.
Rb. Utrecht 15 februari 2000, IER 2000, nr. 3, p.
172-177 met noot Kabel.
[9]
CC CGR 24 maart 2000, Mediaforum 2000, nr. 6, p.
223-225 met noot De Cock Buning. In beroep bevestigd door
de Commissie van Beroep 14 juli 2000 (verkort in Mediaforum
2000, nr. 9, p., 289).
[10]
Ktr Utrecht 6 juli 2000, verkort in Mediaforum
2000, nr. 9, p. 288), vernietigd door Rb. Utrecht 27
oktober 2000, Mediaforum 2001, nr. 1, p. 34-35 met
noot Van den Gronden.
[11]
RCC 20 september 1999, IER 2000, nr. 2, p. 100-101
met noot Hoogenraad.
[12]
Zie Leidraad KOAG/KAG, 9e geheel herziene druk, mei
1997, p.7.
[13]
Pres. Rb. Groningen 23 mei 2000 (verkort in Mediaforum
2000, nr. 7/8, p. 243.
[14]
Rb. Den Haag 24 november 1999, IER 2000, r. 2,
p.101-103. Vgl. daarover ook B.M.
Vroom-Cramer, 'Bescherming
van geografische aanduidingen: de gevolgen van het
Chiemsee-arrest en andere juridische aspecten', IER
2000, nr. 5, p. 248-256, i.h.b. p 253.
[15]
Hof Amsterdam 23 december 1999, IER 2000, nr. 2,
p.103-109, met noot Grosheide.
[16]
Pres. Rb. Amsterdam 9 juni 2000, IER 2000, nr. 4,
p. 221-223.
[17]
Hof Arnhem 7 september 1999, BIE 2000, nr. 5, p.
192-194.
[18]
Rb Amsterdam 10 februari 2000, Mediaforum 2000, nr.
4, p. 142-144 met noot Visser. Zie voor een alter
executiegeschil in deze zaak: Mediaforum 2000, nr.
6, p. 218-219.
[19]
Pres. Rb. Leeuwarden 20 maart 2000, Mediaforum
2000, nr. 5, p. 174-178.
[20]
Pres. Rb. Amsterdam 2 december 1999, IER 2000, nr.
2, p. 87-90 met noot Kabel; bevestigd door Hof Amsterdam
22 juni 2000, Tijdschrift voor Consumentenrecht
2000, nr. 5, p. 296-304; zie in dit verband ook de
conclusie van een onderzoek gehouden door de
Registratiekamer in het rapport "Klant in het
web" van 26 juni 2000; IER 2000, nr. 5, p.
264-268 (XS4ALL). Pres. Rb. Utrecht 4 januari 2000,
IER 2000, nr. 2, p. 90-95, met noot Kabel (Pearle).
[21]
Pres. Rb. Den Haag 11 september 1996, BIE 2000, nr.
10, p.371-372; Pres. Rb. Breda 1 mei 2000, IER
2000, nr. 5, p. 271-273.
[22]
Vgl. over niet-anonieme, vergelijkende merkreclame: D.W.F.
Verkade, Het merk in de vergelijkende reclame, BIE
2000, nr. 7, p. 246-248.
[23]
Pres. Rb. Utrecht 28 december 1999, IER 2000, nr.
3, p. 153-158 met noot Kabel.
[24]
Pres. Rb. Amsterdam 24 februari 2000 (verkort in Mediaforum
2000, nr. 5, p. 161).
[25]
Pres. Rb. Breda 24 januari 2000 (verkort in Mediaforum
2000, nr. 5, p. 162).
[26]
Rb Amsterdam 24 november 1999, Omroep & Commercie
1999, Otto Cramwinckel Uitgever, Amsterdam 2000,
p.21-27.
[27]
Zie voor de overige drie gevallen: Omroep en Commercie,
p. 15-21 (KRO/CvdM), p. 27-30 (TROS en EO/CvdM),
p. 30-36 (Radio 3/CvdM). Zie verder: Marcel
Dellebeke, Omroep & reclame. Handboek reclameregels
voor tv en radio, Otto Cramwinckel Uitgever, Amsterdam
2000 (175 pp.).
[28]
CvB 29mei 2000, Tijdschrift voor Consumentenrecht 2000,
nr. 2/3, p.114-117 met (redactioneel) commentaar van
Mortelmans.
[29]
Peter Neijens, Verleidingskunsten op het raakvlak van
voorlichting, commercie en vrije publiciteit, oratie
Universiteit van Amsterdam 8 december 2000, Amsterdam
2000, p. 16.
|
|
Geplaatst
01.09.2001
|
|
|
|