Overheidsinformatie maakt
een integraal deel uit van ons dagelijks leven. 's Morgens
luisteren we naar het weerbericht. In de auto horen we
verkeersinformatie en gebruiken we een wegenkaart of een GPS.
Wanneer we een stuk grond of een huis willen kopen, hoort daar
informatie over de bouwvoorschriften en van het Kadaster bij.
Op kantoor vragen we misschien de jaarrekening van een
concurrent op, of kijken we naar statistieken van het
koopgedrag van de consument.
In veel van deze gevallen zal de informatie waarop we ons
baseren, ook al is ze soms verpakt in een commercieel product
of dienst, afkomstig zijn van de overheid. De overheid
verzamelt bij de uitvoering van haar publieke taak immers een
gigantische hoeveelheid aan informatie die ook zeer
interessant kan zijn voor alle deelnemers aan de samenleving.
1 Inleiding
Het tweevoudige economische
belang van overheidsinformatie valt als volgt te omschrijven.1
Aan de ene kant zorgt zij ervoor — net als informatie uit
andere bronnen uiteraard — dat deelnemers aan de samenleving
en aan de markt hun beslissingen op een rationele en
geïnformeerde wijze kunnen nemen, wat de werking van de markt
enkel ten goede kan komen. Aan de andere kant kan
overheidsinformatie ook dienen als grondstof voor de creatie
van commerciële informatieproducten en -diensten. Als we
teruggrijpen naar het voorbeeld van de GPS-systemen: deze zijn
bijna steeds gebaseerd op topografische kaarten van de
nationale geografische instituten, die in databanken worden
geïncorporeerd en waaraan bijkomende informatie wordt
toegevoegd (bijvoorbeeld benzinestations of restaurants). Het
is evident dat de commerciële producent liever uitgaat van een
bestaande basis, dan zelf reeds geleverd werk nog eens over te
doen. Hij zal zo zijn productiekosten aanzienlijk kunnen
beperken, ervan uitgaande dat hij de informatie kan verkrijgen
tegen een prijs die lager is dan wat hij zelf zou moeten
investeren in het verzamelen ervan.
Wanneer de overheid echter
zelf de markt betreedt, wordt zij naast leverancier van de
private sector, ook zijn concurrent, wat voor een nog groter
spanningsveld zorgt. Een overheidsinstelling die zelf
commerciële producten op de markt brengt, zal immers niet van
ganser harte de gegevens waarop zij haar producten baseert,
doorgeven aan haar rechtstreekse concurrenten. Aangezien de
overheid vaak over een monopolie over de betrokken
informatiebron zal beschikken, kan dit risico's met zich
meebrengen op het gebied van het oneerlijke en het publieke
mededingingsrecht. De verleiding zal immers zeer groot zijn om
de data duur te verkopen aan de concurrentie, of om de
concurrentie de pas af te snijden door het berekenen van veel
lagere prijzen aan de consument. Deze factoren kunnen grote
belangenconflicten creëren die zich af en toe ook hebben
voorgedaan in de rechtspraktijk. Het gaat daarbij niet alleen
om concurrentie met informatieproducten, maar ook om andere
gevallen van overheidsconcurrentie. De door de rechter
toegepaste principes zijn echter in beide gevallen hetzelfde.
Hierna geven wij een
overzicht van die praktijk, wij demonstreren dat het bestaande
recht de rechter armslag geeft om die conflicten op te lossen,
wij bespreken de pogingen die de wetgever heeft gedaan om de
helpende hand te bieden en wij bespreken de mogelijke
consequenties van richtlijn nr. 2003/98/EG inzake het
hergebruik van overheidsinformatie. Wij sluiten af met de
conclusie dat, zoals zo vaak, het laatste woord hierover nog
niet is gesproken. Om het oneerbiedig te zeggen: de
wetgevingshonden mogen nog zo hard blaffen, maar de karavaan
van de commercialisering van overheidsinformatie door de
overheden zelf trekt onverdroten voort. En men kan zich de
vraag stellen of dat wel altijd zo ongewenst is.
2 De
rechtspraak
2.1 België
Hoewel er in België een flink aantal overheidsinstellingen
is die hun informatie op verschillende wijzen te gelde maken,
valt er in de Belgische rechtspraak vooralsnog weinig te
merken van dergelijke belangenconflicten tussen de overheid en
de informatie-industrie. We moeten dus onze toevlucht zoeken
tot andere domeinen waarin de overheid op het randje van de
commerciële activiteiten zweeft. Hieruit kunnen we inspiratie
opdoen voor de vraagstukken rond de relatie tussen de publieke
en private informatieproducenten. Ook op die andere domeinen
bezorgt de positie van de overheid op de markt de private
sector echter weinig hoofdbrekens. In de meeste rechtspraak
waarin deze marktpositie ter sprake komt, wordt die positie
niet ter discussie gesteld, maar enkel het misbruik ervan.
Moeten we hieruit afleiden dat het uitvoeren van commerciële
activiteiten door de overheid niet als een probleem wordt
gezien? Of is hier sprake van de typische Belgische aanpak:
'wanneer de onderliggende fundamentele vraag niet wordt
geëxpliciteerd, wordt ze ook niet beantwoord'. In ieder geval,
het resultaat is een grote vrijheid voor de overheid om
commerciële activiteiten op de markt uit te oefenen.
2.1.1
Handelspraktijken
De enige Belgische zaak die rechtstreeks het
hergebruik van overheidsinformatie betrof, toont aan dat de
wetgeving en de rechtspraak inzake oneerlijke
handelspraktijken kunnen worden gebruikt om de exclusieve
positie van de overheid met betrekking tot haar informatie te
beschermen. In de Teleatlas-zaak maakte een producent
van geografische informatieproducten gebruik van de
topografische kaarten van het Belgische Nationaal Geografisch
Instituut voor de vervaardiging van een digitale
stratennetwerk-databank onder de naam Teleatlas.2
De vraag naar het karakter van
overheidsinformatie en de machtspositie van het NGI werd wel
gesteld door de partijen, maar jammer genoeg niet behandeld
door de rechter.3
De enige hint dat er meer aan de hand was op dat vlak,
vinden we terug in het volgende:
[het NGI] kan anderzijds
zijn gehele werkingskosten niet terugbrengen tot zijn
commerciële werking gezien, zoals blijkt uit de hoger
vermelde wettelijke opdracht, zijn taak veel ruimer is en
van algemeen belang (taak waarvoor hij aanzienlijke
subsidies ontvangt).
Welke gevolgen daaraan konden
worden verbonden, werd door de rechter zorgvuldig onbeantwoord
gelaten.
Teleatlas werd aangeklaagd op
grond van de Wet op de Handelspraktijken, omwille van slaafse
nabootsing van de kaarten van het NGI. De rechter vond echter
dat er in dit geval geen parasitaire handeling was, omdat
Teleatlas met het vectoriseren van de data een relatief nieuwe
techniek toepaste, die toeliet om elementen te selecteren en
in databanken te verwerken en zo digitale kaarten op de markt
te brengen:
[…] weliswaar steunt
[Teleatlas] zich aan de basis op verwezenlijkingen van [het
NGI], die op zijn beurt op een meer dan honderdjarige
ervaring steunt van het vroegere Militair Cartografisch
Instituut — maar de eigen vinding (productieproces mede de
zogenaamde attributen) van geïntimeerde is nieuw en de
vrucht van uiterst belangrijke investeringen en eigen
databanken.'
2.1.2
Misbruik van machtspositie
Voor bepaalde categorieën van informatie beschikt de
overheid over een machtspositie, en in sommige gevallen zelfs
over een monopolie. Op andere markten is dit ook het geval, al
wordt daar evenmin vaak een oordeel geveld over de gepastheid
van het commerciële optreden van de overheid. In de
luchtvaartsector bijvoorbeeld werd de Regie der Luchtwegen
verweten dat zij via een exclusieve concessieovereenkomst met
Belgavia voor de passagiershandling op Zaventem, andere
handlers uit de markt hield en misbruik maakte van haar
machtspositie.4
Volgens het hof van beroep
ging het om een dienst van algemeen belang, die onder art. 86
lid 2 van het EG-Verdrag viel, maar was er geen noodzaak om af
te wijken van de mededingingsregels. De dienst van algemeen
belang had zelfs baat bij de concurrentie van andere
commerciële uitbaters.
In deze zaak werd geen enkel
oordeel geveld over het al dan niet geoorloofd zijn van een
commerciële dienst van de overheid, al of niet in de vorm van
een dienst van algemeen belang. We kunnen enkel indirect
afleiden dat een commercieel optreden van de overheid mag,
zolang zij maar geen misbruik maakt van haar machtspositie,
ook al gaat het om een dienst van algemeen economisch belang.
Het uitsluiten van andere marktspelers via exclusieve
concessieovereenkomsten is een traditionele vorm van dergelijk
misbruik.
2.1.3
Onmogelijkheid om de taak te vervullen
Een andere sector waarin de overheid lang een
vooraanstaande rol speelde, was de publieke
arbeidsbemiddeling. De overheid heeft hier de laatste jaren
stevig onder vuur gelegen wegens vermeende
concurrentievervalsing.
In een geding voor het Hof
van Beroep van Gent in januari 2004 werd de VDAB (de Vlaamse
Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding) verweten
misbruik te maken van haar machtspositie bij haar toenmalig
arbeidsbemiddelingsmonopolie met betrekking tot betaalde
sportbeoefenaars.5
Het hof stelde dat dit inderdaad
het geval was, omdat 'de VDAB niet in staat [was] om, voor de
betrokken soort activiteiten, te voldoen aan de vraag op de
arbeidsmarkt', en daarnaast 'een Koninklijk Besluit de
daadwerkelijke bemiddelingsactiviteit van particuliere
ondernemingen onmogelijk [maakte]'.
Het hof stelde vast dat
arbeidsbemiddeling een ondernemingsactiviteit was, en dat de
omstandigheid dat deze activiteit gewoonlijk werd toevertrouwd
aan een publiekrechtelijk orgaan, daar geen enkele afbreuk aan
deed.6
Aangezien het hof er
verder geen woorden aan vuil maakt, kunnen we ervan uitgaan
dat er dus opnieuw geen enkel bezwaar lijkt te zijn tegen het
uitoefenen van economische activiteiten door de overheid in
concurrentie met de private sector. Sterker nog, het beperken
van de toegang tot de markt van de arbeidsbemiddeling lijkt
alleen niet voldoende om van misbruik van machtspositie te
spreken, maar wordt pas een probleem wanneer de overheid zelf
de betrokken taak niet naar behoren kan vervullen. Op het
eerste gezicht houdt dit arrest een nog grotere vrijheid voor
de overheid in om naar believen commerciële activiteiten op de
markt aan te gaan, zonder zich te storen aan enige
concurrentie van de private sector.
2.1.4
Overheidscommunicatie
De Raad voor de Mededinging deed in oktober 2003 een
uitspraak die zijdelings in aanraking komt met het aspect
overheidsinformatie.7
De Kanselarij van de Eerste
Minister zou essentiële informatie over de beslissingen om
advertentieruimte aan te kopen voor overheidscommunicaties
exclusief doorspelen aan Be-Media, een tussenpersoon tussen de
overheid en de media, waardoor haar leden als enige op de
hoogte waren van de geplande publiciteitscampagnes van de
overheid.
Volgens de Raad voor de
Mededinging kon het sluiten van overeenkomsten over
advertentieruimte met als doel de communicatie met en de
voorlichting van de burger niet als een economische activiteit
worden beschouwd. Hoe de afbakening zou moeten gebeuren tussen
welke informatieactiviteiten we als publieke taak moeten
aanmerken en welke niet, wordt niet verder onderzocht. Het
criterium 'communicatie met en voorlichting van de burger'
lijkt hier nogal vaag te zijn, waardoor zeer veel ruimte aan
de overheid wordt gelaten. We zullen verdere beslissingen
moeten afwachten om te kunnen beoordelen wanneer de overheid
nu een marktactiviteit uitvoert of niet.
Daartoe bestaat
misschien binnenkort een eerste mogelijkheid. Zeer recent werd
door Meteoservices, een private speler op de markt van
weersinformatie, een klacht ingediend tegen het Koninklijk
Meteorologisch Instituut (KMI) bij de Belgische
mededingingsautoriteit, de Raad voor de Mededinging.8
Volgens Meteoservices
pleegt het KMI inbreuk op de mededinging, omdat het
verschillende prijzen heeft berekend aan Meteoservices —
tegelijk klant en concurrent — en aan andere afnemers van
weersinformatie. De Raad voor de Mededinging onderzoekt de
zaak; een uitspraak wordt pas verwacht in de loop van 2005.
2.2 Nederland
De Nederlandse rechtspraak is iets dikker gezaaid.
Richtinggevend is één arrest van de Hoge Raad, het zogenaamde
Artiestenbemiddelings-arrest en een daarop gebaseerde,
uitvoerig gemotiveerde, uitspraak van de Rechtbank Zutphen (VNI/VNB).
Het meest recente arrest van de Hoge Raad, De
Staat/Centraal Bureau Rijn- en Binnenvaart, zet de lijn
van het Artiestenbemiddelings-arrest voort. Die lijn
komt er kort gezegd op neer dat marktactiviteiten van
overheidsinstanties in beginsel toelaatbaar zijn.
2.2.1 Het
principe: artiestenbemiddeling en restcapaciteit
brandstofleidingnet
Het standaardarrest op het terrein van
commercialisering van overheidsfaciliteiten is het
Artiestenbemiddelings-arrest.9
Artiesten waren op grond van de
Werkloosheidswet verplicht zich als werkzoekende bij de
Arbeidsbureaus in te schrijven. Zij werden op basis van die
inschrijving door de bureaus vaak ook aan freelance werk
geholpen. In 1966 maakt de Hoge Raad uit dat onder
arbeidsbemiddeling alleen bemiddeling bij een
arbeidsovereenkomst valt te verstaan. Freelance werk valt daar
buiten. Is het daarmee ook verboden dat de bureaus bemiddelen
bij freelance werk? De wet bevat geen uitdrukkelijke opdracht,
maar ook geen uitdrukkelijk verbod. Dat de bureaus artiesten
aan freelance werk helpen, is tegen het zere been van de
commerciële artiestenbemiddelingsbureaus. De Gewestelijke
Arbeidsbureaus doen dat namelijk kosteloos en hoeven geen
premies en belastingen af te dragen.
Levert dat nu oneerlijke
mededinging op? Het hof vindt van niet: als er geen
uitdrukkelijke wettelijke opdracht is, staat het iedereen, ook
de overheid, vrij om activiteiten te ondernemen. De
activiteiten van de bureaus sluiten bovendien nauw aan bij de
wettelijke opdracht en, aldus zeer praktisch het hof, het zou
weinig 'raadzaam' zijn om de ingeschreven artiesten niet aan
werk te helpen als de kans zich voordoet. De Hoge Raad
sanctioneert die opvatting met de volgende principiële
overweging:
[…] dat de beleidsvrijheid
van de overheid op dit stuk slechts daar haar grens vindt
waar — mede gezien de in de Nederlandse samenleving
dienaangaande levende opvattingen — er in redelijkheid geen
verschil van mening over kan bestaan, dat het belang bij een
bepaalde vorm van dienstverlening door de overheid niet
opweegt tegen het belang van particulieren om tegen een
zodanige concurrentie beschermd te worden.
In de
Brandstofleidingnet-zaak10
is de bovengenoemde
redelijkheidstoets punt van discussie geweest. De Staat
beheert het Nederlandse deel van een militair
brandstofleidingnet en commercialiseert de restcapaciteit van
dat net ten koste van, althans dat is de stelling van de
eisende partijen, commerciële binnenvaartschippers verenigd in
de Vereniging Centraal Bureau voor de Rijn- en Binnenvaart en
de Internationale Tankscheepvaartvereniging. De vraag waar het
om gaat is hoe de rechter in zo'n geval de belangen moet
afwegen: marginaal of volledig. Het hof ging voor volledige
toetsing en meende dat zulks zou volgen uit analoge toepassing
van art. 3:4 lid 2 Awb. De Hoge Raad oordeelde echter conform
het Arbeidsbemiddelings-arrest dat:
Nadelige gevolgen van het
handelen van de Staat als hier aan de orde eerst dan als
niet evenredig in de zin van artikel 3:4 lid 2 kunnen worden
aangemerkt indien de Staat in redelijkheid niet heeft kunnen
menen dat evenredigheid tussen die nadelige gevolgen en het
met dat handelen nagestreefde doel bestaat.
De belangenafweging
moet ons inziens intussen wel in het licht worden gezien van
het in het Arbeidsbemiddelings-arrest relevante gegeven
dat er in dit geval wel degelijk, gezien de in de Nederlandse
samenleving dienaangaande levende opvattingen, een historische
opdracht voor de publieke sector kon worden geconstrueerd om
op dit terrein activiteiten te ontplooien én dat het uiterst
praktisch is om dat te doen. Dat geeft dus een kleinere marge
dan uit de letterlijke tekst van de principiële overweging
blijkt. Er moet dus worden getoetst of enig publiek belang te
construeren valt dat, mede op praktische gronden, kan
noodzaken tot een taakvervulling op de markt. Dat betekent dat
de activiteit geschikt is voor de publieke taakvervulling en
ook niet verder gaat dan daarvoor noodzakelijk is. Wanneer dat
niet zo is, zou de belangenafweging in beginsel altijd in het
voordeel van de commerciële concurrent moeten uitvallen. Die
conclusie kan niet zo direct uit het Brandstofleidingnet-arrest
worden getrokken, maar komt wel in de lagere rechtspraak tot
uiting en als eerste in de zaak VNI/VNB.
2.2.2
Toepassing in de lagere rechtspraak
Publieke taak
Veluwse
Nutsbedrijven (VNB) breidt haar activiteiten uit met het
verkopen en verhuren en onderhouden van cv-ketels, ten nadele
van de commerciële installatiebedrijven (VNI). De rechtbank
overweegt11:
(D)at — mede gezien de
thans in de Nederlandse samenleving heersende opvattingen
welke mede zijn gevormd door de ontwikkelingen van het
mededingingsrecht in het kader van het EG-Verdrag — er in
redelijkheid geen verschil van mening meer over kan bestaan,
dat het belang van het energiedistributiebedrijf VNB om een
relevant marktaandeel in de regionale installatiemarkt te
verwerven en daartoe met gebruikmaking van haar voorsprong
als voormeld nevenactiviteiten te ontplooien concurrerend
met activiteiten welke particuliere ondernemingen op de
installatiemarkt plegen uit te voeren, minder zwaar weegt
dan het belang van VNI c.s. om daartegen beschermd te
worden, tenzij VNB voor die activiteiten een rechtvaardiging
vindt in het dienen van een bijzondere taak van publiek
belang en de wijze van concurrentie met gebruikmaking van
die voorsprong ook geëigend is tot de vervulling van een
bijzondere taak.
Het principe is
duidelijk: als er een voorsprong is van de overheidsinstantie,
dan brengt ook een marginale toetsing mee dat de belangen van
de commerciële concurrent altijd zwaarder wegen, tenzij er een
publieke taakvervulling kan worden geconstrueerd. De vraag is
waaruit die voorsprong dan moet bestaan. Security
Print/Stadsdrukkerij Amsterdam geeft daar antwoord op.
Deze uitspraak bevestigt overigens ook weer het principe dat
het overheden op zichzelf niet verboden is marktactiviteiten
te ontplooien.
Belangrijke voorsprong
In 1993 kondigt Vervoersbewijzen Nederland (VBN) een
aanbesteding aan voor het vervaardigen en distribueren van
vervoerbewijzen. De offerte van het particuliere bedrijf
Security Print sluit op 4 miljoen gulden, die van de
gemeentelijke Stadsdrukkerij Amsterdam (SDA) op 2,7 miljoen
gulden, de rest zit ruim boven het bedrag van Security. Niet
alleen is SDA veel goedkoper, de gemeente zelf zegt ook nog
toe dat VBN verzekerd kan zijn van de door haar gewenste
continuïteit tijdens de looptijd van de met SDA gesloten
overeenkomst. Security voelt zich gepakt. Zij stelt dat de
gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door SDA te laten
meedingen naar de opdracht van VBN en vordert een
schadevergoeding van bijna 5 miljoen gulden.
De rechtbank stelt zich op
het al eerder in het arrest van de Hoge Raad neergelegde
standpunt dat geen rechtsregel het een gemeente verbiedt om
diensten te leveren die niet vallen binnen de wettelijke
omschrijving van haar taak, ook als de gemeente met die
dienstverlening deelneemt aan het vrije rechtsverkeer en aldus
concurreert met private ondernemingen. Dat standpunt wordt
door het hof overgenomen. De situatie is aldus dat de wetgever
uitdrukkelijk moet aangeven dat een overheidsinstantie zich
bij haar eigen leest moet houden. Het hof oordeelt12:
Noch de bewoordingen van de
Grondwet of de gemeentewet, noch de geschiedenis van die
wetten wijzen erop dat de wetgever met de begrenzing van de
taak van gemeenten heeft beoogd tot uitdrukking te brengen
dat gemeenten zich van de verlening van niet binnen die
grenzen vallende diensten dient te onthouden.
Met de erkenning van de
vrijheid van de overheid om de markt op te gaan, is nog niet
gezegd dat die vrijheid niet aan specifieke grenzen gebonden
zou zijn. Overheidsinstanties kunnen immers voordelen genieten
die gewone commerciële bedrijven niet hebben en daarom
oneerlijk handelen tegenover die laatste bedrijven. Die grens
wordt dan ook door het hof getrokken: er is sprake van
(onrechtmatige) concurrentievervalsing door de overheid:
[…] indien de overheid in
vergelijking tot andere (private) deelnemers op de
desbetreffende markt een belangrijke voorsprong heeft
doordat zij als overheid voordelen geniet, die andere
(private) mededingers op de markt moeten ontberen.
Niet iedere voorsprong
behoeft dus onrechtmatig te zijn: er doen zich in het
bedrijfsleven immers ook tal van voorsprongen voor die niet
als oneerlijk worden beschouwd en waarom zou een
overheidsvoorsprong dan altijd oneerlijk zijn, alleen omdat
het een overheidsvoorsprong is? Het hof gaat in die laatste
overweging mee, omdat het overweegt dat het moet gaan om een
belangrijke voorsprong en dat het ook om een, in vergelijking
met het bedrijfsleven, daadwerkelijke en niet alleen om een
hypothetische voorsprong moet gaan. Het laatste kan betekenen
dat een overheidsvoorsprong die ook in het bedrijfsleven niet
ongewoon is, geen daadwerkelijke overheidsvoorsprong is. Als
zodanig kan bijvoorbeeld de bovengenoemde
continuïteitsverklaring van de gemeente worden gezien. In het
bedrijfsleven is het immers ook niet ongebruikelijk dat een
moederonderneming zich garant stelt voor de nakoming van
verplichtingen door de dochter aangegaan. Die redenering komt
volgens ons tegemoet aan fundamentele kritiek die indertijd op
het rapport van de Commissie-Cohen is geuit en die erop
neerkomt dat wat de commissie aan overheden verbiedt in het
bedrijfsleven strijk en zet voorkomt.13
Had de rechtbank zich bij
haar onderzoek naar mogelijke voorsprongen alleen maar gericht
op het punt van een mogelijk belastingvoordeel dat de SDA zou
genieten en Security niet, het hof pakt het grootser aan en
meent dat het geheel van eventuele voorsprongposities voor
nader onderzoek in aanmerking komt. Het noemt daarbij onder
meer, naast het punt van de belasting, ook de afwezigheid van
rendementseisen, het feit dat niet op goodwill wordt
afgeschreven, de beschikbaarheid van vreemd vermogen afkomstig
van de gemeente, het onbeperkt dragen van verliezen door de
gemeente en voordelige geldleningen van de gemeente aan SDA.
Op deze en mogelijk andere punten moet worden onderzocht of
zij aanwezig zijn en daadwerkelijk voordeel opleveren, én of
bij afwezigheid van die voordelen de offerte van SDA er
inderdaad anders uit zou zien. Bij dat onderzoek moet
uiteraard ook in aanmerking worden genomen of het niet ook zo
is dat SDA nadelen van haar positie ondervindt.
Overheidsbedrijven hoeven wat personeelslasten en organisatie
betreft, lang niet altijd als concurrerend met het
bedrijfsleven te worden beschouwd.
Interessant is dat het
hof het niet nodig acht te bezien of het eventueel niet
betalen van vennootschapsbelasting moet worden beschouwd als
een steunmaatregel in de zin van art. 92 van het EG-Verdrag.
Het profiteren van het niet betalen van die belasting, kan al
onrechtmatig zijn tegenover concurrenten op de markt voor
grafische nijverheid en hoeft daarom ook niet nog eens te
worden getoetst aan de bepalingen inzake steunverlening. Dat
is winst voor het oneerlijke-mededingingsrecht en daarmee voor
een genuanceerde benadering van het probleem van oneerlijke
overheidsconcurrentie.14
2.3 Voorlopige conclusie
Uit de
Belgische rechtspraak kunnen alleen indirect algemene
principes inzake overheidsoptreden op de markt worden
afgeleid. De positie van de overheid wordt enkel ter discussie
gesteld wanneer zij misbruik zou maken van haar machtspositie.
De rechter zal moeten beoordelen of het al of niet gaat om een
commerciële activiteit, maar hij lijkt dit slechts te doen
door de concrete situatie van geval tot geval te beoordelen,
zonder na te gaan of er specifieke criteria zijn om te
onderscheiden of we te maken hebben met de uitvoering van een
publieke taak of een marktactiviteit, laat staan dat hij zich
bezighoudt met de wenselijkheid van de commerciële
overheidsactiviteiten te beoordelen. Voor een beter idee
hierover, moeten we onze toevlucht nemen tot de Nederlandse
rechtspraak.
De Nederlandse rechtspraak
laat zien dat bij gebreke van een wettelijk geformuleerde
publieke taak er niettemin een terrein is waarin de overheid
zich op de markt kan begeven. Wanneer er ook maar een
indicatie te vinden is voor een publieke taak, stelt de
rechter zich terughoudend op: kennelijk was het in het geval
van het brandstofleidingnet voldoende dat er maatschappelijke
opvattingen te vinden waren die billijkten dat de Staat
restcapaciteit commercieel exploiteerde. Die opvattingen zijn
te vinden in de Aanwijzingen inzake het verrichten van
marktactiviteiten door organisaties binnen de rijksdienst, en
met name in art. 6 daarvan.15
Wanneer zo'n indicatie
ontbreekt, mag ons inziens volledig worden getoetst op de
vraag of de overheidsinstantie zich op de markt mag begeven en
zou de belangenafweging doorgaans moeten uitvallen in het
nadeel van de overheidsdienst. In het geval van
SDA/Security wordt echter — maar dat dan wel volledig —
alleen op het punt van de oneerlijke voorsprong getoetst. Voor
een antwoord op de vraag óf de overheid zich wel op de markt
mag begeven, is dus wetgeving nodig. De ervaring met algemene
wetsvoorstellen, is echter niet gunstig.
3 Tot nu toe
gehanteerde regelgeving
3.1 België
3.1.1 Geen
algemene regelgeving
In België bestaat tot nog toe geen algemene regeling
voor het gebruik van overheidsinformatie. De enige bestaande
wetgeving die verwijst naar het commerciële gebruik van
informatie van de overheid in het algemeen, vinden we terug in
de verschillende federale en regionale wetten inzake de
openbaarheid van bestuur.16
De betrokken bepalingen leggen
een verbod op aan de verkrijger van de bestuursdocumenten om
ze te verspreiden of te gebruiken voor commerciële doeleinden.
Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor milieu-informatie,
in navolging van de Europese richtlijn inzake toegang tot
milieu-informatie.17
Alle andere documenten in het bezit van de overheid,
verkregen onder deze wetgeving, zijn dus niet beschikbaar voor
hergebruik door de informatie-industrie.
Wat de Vlaamse
bestuursdocumenten betreft, moet dit verbod echter worden
genuanceerd. Het gaat volgens de memorie van toelichting enkel
om 'de commercialisatie van de verkregen bestuursdocumenten op
zich. Het verwerken van de verkregen informatie om deze nadien
te commercialiseren is wel toegelaten'.18
Het verbod betreft
enkel bestuursdocumenten die opgevraagd zijn in het kader van
de passieve openbaarheid19
en het is niet van toepassing op de
latere commerciële verspreiding van verrijkte informatie. Deze
opvatting wordt echter enkel geëxpliciteerd in de nieuwe
Vlaamse regelgeving. Uit de toelichting bij de federale wet op
de openbaarheid van bestuur valt deze nuancering bijvoorbeeld
nergens af te leiden.20
We moeten er dus maar naar raden of deze bepaling ook enkel
deze beperkte bedoeling had.
Wat wel vaststaat, is dat in geen van beide
wetgevingen een sanctie werd opgenomen voor de overtreding van
dit verbod. In de praktijk heeft dit artikel dus weinig
gevolgen voor de mogelijkheden tot hergebruik, maar het draagt
wel bij tot de grote onduidelijkheid die er in België heerst
over het verkrijgen van overheidsinformatie. Bij gebrek aan
algemene regels moet de Belgische informatie-industrie zich
tevreden stellen met sectorspecifieke regels, of in vele
gevallen zelfs met enkel ad hoc overeenkomsten met de
betrokken overheidslichamen. Informatie waarvoor een min of
meer uitgewerkte regeling bestaat, bevindt zich onder meer bij
GIS Vlaanderen21,
het Nationaal Geografisch Instituut22,
het Koninklijk Meteorologisch Instituut23,
de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling24
en Cultuurnet
Vlaanderen.25
3.1.2 Gids
voor de verspreiding van overheidsinformatie
In 2001 gaf het ministerie van Economische Zaken
(ondertussen de FOD Economie) een Gids voor de verspreiding
van overheidsinformatie uit.26
Deze gids was bedoeld om de
openbare diensten te ondersteunen bij het uitstippelen van een
beleid voor informatieverspreiding. Dit beleid betrof alle
aspecten van informatievoorziening, van openbaarheid van
bestuur en voorlichting van de burger tot de verspreiding van
informatieproducten en -diensten met een toegevoegde waarde.
De overheidsinstellingen
moeten, aldus de gids, van geval tot geval, de eventuele
grenzen voor de verspreiding van overheidsinformatie
vastleggen. Om te beslissen over de opportuniteit van een
eventuele verspreiding van gegevens waarop geen
verspreidingsverplichting of -verbod rust, moet het bestuur de
maatschappelijke behoeften afwegen, de concurrentie
onderzoeken en rekening houden met de werkdruk voor de
betrokken dienst.27
De gids moedigt dus zelf eigenlijk een
onoverzichtelijk en ad hoc beleid aan, door de instellingen
case by case over hun informatie te laten beslissen.
Een belangrijker advies
dat wordt gegeven is het volgende: 'het bestuur [hoeft] de
privé-sector niet te vervangen indien die laatste dezelfde
diensten kan aanbieden'. Het ministerie pleit dus voor
terughoudendheid wat betreft het marktoptreden van de
overheid. Er moet over worden gewaakt dat de overheid niet in
concurrentie treedt met de privé-sector. De volgende
beginselen worden voorgesteld: het feit dat het bestuur
'inlichtingen van algemeen belang' bezit en die inlichtingen
ook moet verspreiden naar het publiek, verleent het op
zichzelf geen recht om die inlichtingen rechtstreeks
commercieel uit te baten. Het is immers niet de primaire taak
van de overheid om de markt te betreden.28
Wanneer ze dit toch
doet, bijvoorbeeld omdat ze de tekortkomingen van de
privé-sector moet opvangen, mag ze geen winst halen uit haar
exclusieve rechten of uit de voordelen die ze geniet, doordat
ze tegelijk een opdracht van openbare dienst uitvoert, i.e.
vormen van kruissubsidiëring en dergelijke.
29
Deze aanbevelingen hebben
weinig beweging teweeggebracht in het Belgische
overheidsinformatielandschap. Of misschien heeft de gids juist
te veel navolging gekregen, en heeft de promotie van het
van geval tot geval-beleid het gebrek aan transparantie
juist extra aangezwengeld.
3.1.3 De
Belgische mededingingsautoriteit
We kunnen ons afvragen of een algemene regeling voor
het hergebruik van overheidsinformatie wel nodig is. Kunnen de
algemene mededingingsregels geen oplossing bieden? In
Nederland blijkt de mededingingsautoriteit niet altijd in
staat te zijn om een uitspraak te doen over deze materie. In
België lijkt de Raad voor de Mededinging zich voorlopig niet
door onbevoegdheid geplaagd te voelen, aangezien zij de klacht
tegen het KMI aan een onderzoek heeft onderworpen. Het KMI kan
beschouwd worden als een openbare onderneming die een
economische activiteit uitvoert en bij de uitvoering van die
activiteit misbruik zou kunnen maken van haar machtspositie.
Dergelijke ondernemingen zijn onderworpen aan de Wet
Economische Mededinging van 1 juli 1999.30
In deze gevallen zal de Raad
voor de Mededinging inderdaad zijn bevoegdheid kunnen
uitoefenen. Wanneer de overheid zelf echter rechtstreeks haar
informatie verspreidt voor hergebruik, zal de Raad voor de
Mededinging ook tekortschieten. Bovendien zal het niet altijd
duidelijk zijn of een overheid economische activiteiten
uitvoert of niet.
De Raad voor de Mededinging
zal zich bovendien enkel a posteriori kunnen uitspreken op
basis van een klacht, terwijl het grootste probleem de
bestaande onzekerheid over de mogelijkheden voor het gebruik
van overheidsinformatie lijkt te zijn. Zonder voorafgaande
duidelijkheid over de voorwaarden voor hergebruik en hun
relatie met de overheid zullen potentiële deelnemers aan de
overheidsinformatiemarkt steeds worden afgeschrikt. Zonder
algemene regels zal deze drempel voor veel bedrijven
onoverkomelijk blijven.
3.2 Nederland
3.2.1
Toepassing van de Mededingingswet
De
hierboven behandelde Nederlandse rechtspraak is gebaseerd op
de moeder van het publieke mededingingsrecht: de oneerlijke
mededinging. Zij geeft oplossingen op basis van een
belangenafweging in concrete gevallen. Die rechtspraak
behoort, zo is wel geopperd, tot de
'eerste-generatie'problematiek, omdat zij niet, zoals in de
tweede-generatieproblematiek het geval zou zijn, aangeeft
onder welke specifieke voorwaarden een overheidsbedrijf
activiteiten mag ontplooien op vrije markten.31
Zoals uit boven
ondernomen systematisering van die rechtspraak blijkt, valt
daar wel wat op af te dingen, en is het uiteraard ook mogelijk
een overheidsactiviteit vooraf in kort geding te laten
verbieden, maar toegegeven moet worden dat de resultaten van
deze civiele rechtspraak natuurlijk niet een handzame set van
toetredings- en gedragsregels oplevert, inclusief een
toezichthoudend orgaan op naleving van die regels. Die set is
ook niet goed te vinden in de toepassing van de
Mededingingswet (Mw)32,
vanwege het feit dat die wet niet van toepassing is op geringe
beperkingen van de mededinging, behalve als er sprake is van
een economische machtspositie en vanwege het feit dat die wet
alleen van toepassing is op ondernemingen die een economische
activiteit uitoefenen. In bovenstaande gevallen is nergens
sprake van een economische machtspositie; van die gevallen kan
bovendien niet worden gezegd dat ze op de desbetreffende markt
aanzienlijke mededingingsbeperkingen opwerpen en het zal
tenslotte lang niet altijd eenvoudig zijn om aan te tonen dat
een overheidsorgaan een economische activiteit uitoefent.33
Niettemin zijn er wel zaken waarin de NMa is geroepen ter
beoordeling van oneerlijke overheidsconcurrentie, zij het
doorgaans met negatief resultaat voor klager. In Muzisch
Collectief/Roosendaal34
klaagt een commerciële muziekschool over subsidiëring van de
gemeentelijke muziekschool als gevolg waarvan zij haar
diensten niet tegen concurrerende tarieven kan aanbieden. Nu
de gemeentelijke muziekschool niet vrij is in het vaststellen
van haar tarieven, maar die bij besluit van de gemeenteraad
worden vastgesteld, is er geen sprake van een
mededingingsrechtelijke gedraging waartoe de onderneming (de
gemeentelijke muziekschool) op eigen initiatief35
heeft besloten, aldus de NMa. Er is dan ook geen sprake van
'misbruikelijk' handelen en het is daarom niet nodig te
onderzoeken of de school een economische machtspositie heeft
op de relevante markt. In Bloemenmarkt Amsterdam36
oordeelt de NMa dat een gemeente die een
assortimentsvoorschrift in haar erfpachtvoorwaarden heeft
opgenomen, niet handelt ten gunst van de eigen commerciële
belangen noch ter bescherming van de belangen van derden, maar
ter uitoefening van haar publieke taak en daarmee is de Mw
niet van toepassing. Deze twee simpele voorbeelden mogen
illustreren wat op dit punt de problemen kunnen zijn met
overheidsbedrijven en met ingrijpen door overheidsinstanties
op de markt. Door bepaalde instrumenten in te zetten, kan de
overheid de effecten van toepassing van mededingingswetgeving
neutraliseren.37
3.2.2 Aanwijzingen
marktactiviteiten rijksdienst
Zoals
hierboven, bij de behandeling van het Brandstofleidingnet-arrest
al is gebleken, vormen de Aanwijzingen marktactiviteiten
rijksdienst38
een neerslag van de
maatschappelijke opvattingen omtrent het vraagstuk van
overheidsconcurrentie. Deze Aanwijzingen zijn gebaseerd op een
besluit van de minister-president als Minister van Algemene
Zaken, handelend in overeenstemming met de mening van de
ministerraad. Geen wetgeving dus en overigens beperkt tot de
rijksoverheid. Marktactiviteiten in concurrentie met derden,
aldus de Toelichting bij dit besluit dienen, gelet op de
effecten van deze activiteiten voor andere aanbieders van
marktgoederen, onderhevig te zijn aan een expliciete
belangenafweging door de wetgever. Zoals we straks zullen zien
is die wetgeving vooralsnog alleen sectoraal en niet algemeen
van karakter. Het is de vraag of dat zo erg is.
De principes, neergelegd in
de Aanwijzingen, zijn van toepassing op het leveren van
goederen of diensten aan organisaties en personen die niet tot
de rechtspersoon Staat behoren door instanties die wel daartoe
behoren voorzover daarbij in concurrentie met anderen wordt
getreden. Leverantie van goederen of diensten door
overheidsinstanties aan andere overheidsinstanties valt dus
niet onder het bereik, ook al zou daardoor concurrentie
ontstaan met het bedrijfsleven. Het systeem van de
Aanwijzingen is een verbodsysteem, met twee uitzonderingen.
Aanwijzing 4 bepaalt dat marktactiviteiten slechts mogen
worden verricht bij of krachtens de wet of indien
voortvloeiend uit een internationale verplichting. Aanwijzing
5 breidt de toelaatbaarheid uit met activiteiten die
onlosmakelijk zijn verbonden aan het uitvoeren van een
overheidstaak en art. 6 ziet op de reeds genoemde exploitatie
van restcapaciteit. Ten aanzien van de activiteiten van
Aanwijzing 4 wordt een integraal kostenmodel voorgeschreven,
in de twee andere gevallen een volledig marktconform
prijsmodel (inclusief belastingen- en winstopslag). In die
twee gevallen dient overheidsinformatie die voor
marktactiviteiten mag worden aangewend, op non-discriminatoire
basis aan derden te kunnen worden verstrekt (Aanwijzing 13 lid
2) en geldt een verbod van koppelverkoop (Aanwijzing 14).
Wettelijk geregelde marktactiviteiten komen er dus wat
gemakkelijker af (geen opslagen, geen non-discriminatoire
toegangsbepaling, geen verbod van koppelverkoop), maar het zal
natuurlijk van de wettelijke regeling zelf afhangen in
hoeverre die activiteiten inderdaad gemakkelijker kunnen
worden verricht.
3.2.3
Bijzondere wettelijke regelingen
Bijzondere wettelijke regelingen ter zake voor organen
met een publieke taak op het terrein van informatie kennen wij
onder meer voor de publieke omroepen, het Kadaster, de Kamers
van Koophandel, het CBS, het KNMI, de Rijksdienst voor het
Wegverkeer, het Bureau voor de Industriële Eigendom en voor
Gemeenten in verband met de gemeentelijke basisadministratie.
Het min of meer gereguleerde terrein is ruimer: veel is alleen
geregeld in beleidsnota's (bijvoorbeeld de distributie van
basisverkeersinformatie), stichtingsvoorwaarden en
bijbehorende modelovereenkomsten (Stichting NNI) of is nog
onderwerp van besluitvorming, zoal bijvoorbeeld de zogenaamde
authentieke registraties39:
de eenmalige verzameling van persoons-, adres-, bedrijfs-,
gebouwen-, kadastrale en geografische gegevens.
De regelingen geven op het punt van
hergebruik, wat wel eens is genoemd, hybride modellen40,
dat wil zeggen het hergebruik van overheidsinformatie is niet
conform het WOB-model geregeld, maar is nader geclausuleerd.
Het WOB-model gaat in beginsel (de praktijk is wat
weerbarstiger) uit van gemakkelijke beschikbaarheid van
informatie tegen maximaal de verstrekkingskosten, zonder
beperkingen aan hergebruik en met uitsluiting van selectieve
of exclusieve informatieverlening.41
Bij wijze van voorbeeld van een hybride
model geven wij hier aan hoe met hergebruik van weersgegevens
wordt omgegaan.
In de Wet op het KNMI42
wordt de
weersinformatie in een aantal categorieën onderscheiden met
telkens een verschillend kostenplaatje, variërend van om niet
beschikbaarstelling van het algemeen weerbericht tot een naar
aard en omvang van het gebruik gedifferentieerd tarief voor
zogenaamde KNMI-gegevens, gebaseerd op een integraal
kostenmodel met een bijdrage in de productiekosten. De prijs
voor die gegevens is dus niet-commercieel en die
niet-commerciële prijs moet ook, ingevolge de
licentievoorwaarden van het KNMI bij doorlevering van
Nederlandse gegevens door afnemers aan derden worden gevraagd.
Op die manier wordt prijsconcurrentie en handel in de
onbewerkte gegevens voorkomen, uiteraard ook voor het KNMI
zelf.43
Uit de zaak
VerkeersInformatieDienst/De Staat en uit de zaak
Vierhand/KvK44
is gebleken dat daar doorgaans pijnpunten zitten: de
overheidsdienst die de concurrentie aangaat met haar eigen
afnemers door dezelfde gegevens gratis of tegen een
concurrerend tarief ook aan eindgebruikers te leveren. Dit
niet-commerciële prijsmodel is gebaseerd op een precieze
omschrijving van de taak van het KNMI die als een publieke
taak wordt geformuleerd vanwege de zorg voor de veiligheid en
de niet economisch te exploiteren, maar noodzakelijke
instandhouding van de infrastructuur. Die taakomschrijving
beperkt de activiteiten van KNMI op het vlak van concurrentie
met de particuliere weermarkt. Daar waar KNMI op basis van de
wet wel in concurrentie mag treden (in het onderzoeksprogramma
passend onderzoek voor derden), moet, geheel volgens de
systematiek van bovengenoemde Aanwijzingen een integraal
kostenmodel worden toegepast en geen commercieel opslagmodel.
3.2.4 Het
wetsvoorstel Markt en Overheid
In het kader van de MDW-operatie45
is de werkgroep Markt en
Overheid ingesteld. Begin 1997 heeft deze werkgroep een
oplossingskader aangedragen, waarbij werd uitgegaan van het
beginsel 'gelijke monniken, gelijke kappen'. Aldus zou mee
concurreren ongewenst zijn, omdat gelijke spelregels niet goed
tot stand zijn te brengen. Marktactiviteiten door de overheid
zouden dus in beginsel afgescheiden en afgestoten moeten
worden.46
Het rapport maakt een
uitzondering voor kennis. Ik citeer47:
Op het gebied van de
kennisinfrastructuur is breed aanvaard dat de aansluiting
tussen publiek en privaat domein verbeterd moet worden om
een optimale spreiding van kennis te bevorderen. Dit geldt
in het bijzonder voor wetenschappelijk onderzoek en
daarbinnen voor toegepast technologisch onderzoek. Dit vergt
dat wetenschappelijke, c.q. technologische kennis actief in
marktactiviteiten wordt omgezet door publieke
kennisinstellingen.
Door het toenmalige
kabinet werden de aanbevelingen van de werkgroep
onderschreven. Daarbij werd uiting gegeven aan het streven
naar de ontwikkeling van implementatie-activiteiten.48
Door de Tweede
Kamer werd aangedrongen op een voortvarende voorbereiding van
een wetsvoorstel.49
Ook de SER bracht unaniem advies uit
over de noodzaak en de invulling van een wettelijke regeling.50
De Raad drong aan op totstandkoming van regels die een
oplossing zouden bieden voor deze problematiek.51
In het regeerakkoord is vastgelegd dat regels voor het
marktoptreden van de overheid in wetgeving moeten worden
vastgelegd en voor derden afdwingbaar dienen te zijn.52
Vooruitlopend op deze wetgeving waren alvast de Aanwijzingen
inzake het verrichten van marktactiviteiten door organisaties
binnen de rijksdienst vastgesteld.53
In oktober 2001 werd het
voorstel voor de Wet Markt en Overheid aan de Tweede Kamer
aangeboden.54
Hoewel er altijd brede erkenning is geweest
voor de noodzaak om op dit terrein maatregelen te treffen, is
er op dit wetsvoorstel als oplossing voor de problematiek van
diverse zijden kritiek uitgeoefend. Zo adviseerde de Raad van
State negatief over het voorstel. Ook van andere overheden en
belangenorganisaties kwam er commentaar55
, met name op de vaagheid van het voorstel en op de bepaling
dat een overheidsorganisatie in een formeel besluit duidelijk
zou moeten maken dat de marktactiviteit de aangewezen weg is
voor de behartiging van het door de overheid gedefinieerde
openbaar belang. Deze onvrede vloeide vooral voort uit de
beperking van de autonomie van lagere overheden om zelf
invulling te geven aan de wijze waarop zij het openbaar belang
wensen te borgen.
Op basis van deze
kritiekpunten komen de Ministers van Economische Zaken, van
Justitie en voor Bestuurlijke Vernieuwing en
Koninkrijksrelaties tot de conclusie dat het wetsvoorstel
Markt en Overheid niet het geschikte instrumentarium is voor
het oplossen van de 'markt en overheid'-problematiek. Daarom
wordt het wetsvoorstel ingetrokken.56
Voormelde ministers concluderen echter
ook dat de noodzaak voor het stellen van regels onverminderd
groot is. Daarom doen zij meteen een voorstel tot een
alternatieve aanpak van de problematiek.57
Met deze nieuwe aanpak willen ze
bevorderen dat er een gelijk speelveld ontstaat bij
ondernemingsactiviteiten van de overheid. Daarom moeten
voorzieningen worden getroffen waarbij het bedrijfsleven
beschermd wordt tegen het oneigenlijke gebruik van
overheidsvoordelen. Gedacht wordt daarbij aan het opnemen van
repressieve gedragsregels in de Mededingingswet (een verbod
van kruissubsidiëring, functiescheiding tussen bestuurlijke
taken en ondernemingsactiviteiten en een verbod op
onevenredige bevoordeling van de eigen overheidsbedrijven).
Daarnaast wordt ook onderzocht of de Algemene wet
bestuursrecht een basis kan bieden voor betere (preventieve)
besluitvorming en rechtsbescherming bij het optreden van de
overheid als onderneming.58
Hoewel het
onderwerp al lang op de agenda staat, verkeert het dus nog
steeds in een onderzoeksstadium.59
4 De richtlijn inzake het
hergebruik van overheidsinformatie
De bestaande regelgeving en rechtspraak
reiken ons, meer in Nederland dan in België, richtsnoeren aan
voor de relatie tussen de overheid en de private sector op de
informatiemarkt. Een duidelijke algemene regeling voor het
hergebruik van alle soorten overheidsinformatie ontbreekt
echter. Dit heeft niet alleen gevolgen voor de nationale
informatiemarkt, maar vooral ook voor de grensoverschrijdende
informatieproducten en -diensten, die rekening moeten houden
met allerlei nationale verschillen.
De richtlijn over het hergebruik van
overheidsinformatie zou hier een oplossing moeten brengen. Zij
beoogt immers de harmonisering van de voorwaarden waaronder
informatie door de overheid aan afnemers ter beschikking moet
worden gesteld en de wijze waarop de commerciële activiteiten
van de overheid zelf aan banden worden gelegd.
De richtlijn biedt ons echter nog steeds
weinig houvast: over het essentiële onderscheid rept ze
namelijk met geen woord: namelijk dat tussen de publieke taak
en commerciële activiteiten.
4.1 Ontstaansgeschiedenis en
ratio
Volgens de
Europese Commissie konden de bestaande nationale regels niet
volstaan om de Europese informatiemarkt ten volle tot bloei te
brengen. Het beperkte aanbod in pan-Europese
informatieproducten en -diensten gebaseerd op
overheidsinformatie lag volgens de Commissie vooral aan het
gebrek aan transparantie en aan de divergenties tussen de
regelingen van de verschillende lidstaten, en van de
verschillende overheidsdiensten binnen de lidstaten. Deze
veroorzaakten een grote rechtsonzekerheid, waardoor de
industrie eerder terughoudend was om zich op de Europese
informatiemarkt te wagen.
Niet alleen de interne
Europese beperkingen leidden de Europese Commissie ertoe om
actie te ondernemen, maar ook de bezorgdheid om de
concurrentie met de Amerikaanse informatie-industrie, die kan
profiteren van de volledig vrije beschikbaarheid van federale
overheidsinformatie, en daardoor een flinke voorsprong heeft
op haar Europese medespelers. Het wetgevende kader in de
Verenigde Staten zorgt ervoor dat data afkomstig van de
overheid niet onderworpen zijn aan het auteursrecht en tegen
zeer lage prijzen beschikbaar zijn voor elk gewenst gebruik.
Met het oog op
harmonisatie van de Europese regels, stelde de Europese
Commissie dus een richtlijn voor die het hergebruik moest
regelen. De definitieve versie van de richtlijn werd
afgekondigd op 17 november 2003.60
Zij heeft de
bedoeling om een minimum van regels vast te stellen
betreffende het hergebruik van overheidsinformatie en de
praktische middelen die dat hergebruik moeten faciliteren.61
4.2 Inhoud van de richtlijn
4.2.1 Toepassingsgebied
De
richtlijn heeft dus de bedoeling het hergebruik van
overheidsinformatie voor pan-Europese informatieproducten en
-diensten te stimuleren. Vanuit dat opzicht, lijkt het
enigszins vreemd dat de draagwijdte van de richtlijn op
verschillende vlakken aanzienlijk beperkt wordt. Het betreft
onder meer het toepassingsgebied van de richtlijn.
Een groot deel van de
informatie in het bezit van de overheid wordt uitgezonderd van
het toepassingsgebied van de richtlijn, waarbij het in een
aantal gevallen enkele types van informatie betreft waarvoor
de private sector net een zeer grote interesse aan de dag
legt. Het betreft documenten in het bezit van de openbare
omroep, onderwijs- en onderzoeksinstellingen en culturele
instellingen.62
Deze uitzonderingen zijn te
danken aan het lobbywerk van de belangenorganisaties van de
betrokken sectoren, voornamelijk van de culturele sector. Van
deze instellingen wordt immers steeds vaker verwacht dat zij
minstens gedeeltelijk in hun eigen financiering voorzien. Wat
bijvoorbeeld de culturele organisaties betreft: als zij hun
toegankelijkheid voor het grote publiek tegen een
democratische prijs willen bewaren, moeten zij hun toevlucht
zoeken in het met winst verkopen van informatieproducten en
-diensten, zoals boeken, cd-rom's, posters, enz. De richtlijn
wenste hiermee rekening te houden, zodat deze sectoren hun
werkingsmiddelen niet zouden verliezen.
Een volgende categorie
van documenten die buiten het toepassingsveld wordt gehouden,
zijn de documenten waarvan de verstrekking een activiteit is
die niet valt onder de openbare taak van de openbare lichamen.63
Het gaat in de
regel om documenten die uitsluitend worden geproduceerd en
gefactureerd op een commerciële basis en in concurrentie met
anderen op de markt.
64
Voor dergelijke documenten gelden de
voorwaarden gesteld in de richtlijn dus niet. Ook het verbod
van discriminatie tussen vergelijkbare categorieën van
hergebruik zou dus niet toepasselijk zijn op deze documenten.
Dit betekent niet dat een openbaar lichaam in het kader van
zijn commerciële activiteiten zich aan geen enkele voorwaarde
hoeft te houden en volledig zijn zin kan doen op de markt.
Wanneer het een economische activiteit uitoefent die geen
verband houden met zijn openbare taak, zal het toch de werking
van de markt moeten respecteren.
Uit deze bepalingen van de
richtlijn kunnen we zijdelings ook afleiden dat de Europese
instellingen er dus geen bezwaar tegen hebben dat de
overheidsinstellingen zelf ook commerciële activiteiten
uitoefenen. Of de overheid zich hiermee moet of mag
bezighouden, naast de uitoefening van haar publieke taak, is
echter vatbaar voor discussie.
Documenten waarvan de
intellectuele-eigendomsrechten bij derden berusten, zijn ook
niet onderworpen aan de richtlijn. Documenten waarvan de
overheid de rechthebbende is, worden echter niet vermeld.
Betekent dit dat openbare lichamen zich niet op hun
auteursrecht kunnen beroepen om het hergebruik van hun
documenten te beletten? Dit lijkt een logische conclusie, want
het tegendeel zou ertoe leiden dat in sommige landen alle
documenten van de overheid automatisch uitgesloten zouden
worden van hergebruik, aangezien zij onderworpen zijn aan het
auteursrecht, terwijl in andere landen officiële documenten
van de overheid wel hergebruikbaar — want niet beschermd door
auteursrecht — zouden zijn, en in nog andere lidstaten geen
enkel document hierdoor uitgesloten zou zijn. De
instandhouding van dergelijke verschillen op het vlak van
hergebruik zou elk nut aan de poging tot harmonisatie
ontnemen. In de overwegingen bij de richtlijn wordt dan ook
gesteld dat de openbare lichamen hun auteursrecht op dusdanige
wijze dienen uit te oefenen dat hergebruik wordt
vergemakkelijkt.65
4.2.2 Algemeen principe
van de richtlijn
Art. 3 van
de richtlijn bevat het algemene beginsel waarop de regulering
van de Europese lidstaten inzake het hergebruik moet
voortbouwen. Dit algemene beginsel is zeer voorzichtig
geformuleerd: de lidstaten moeten ervoor zorgen dat, wanneer
het hergebruik van documenten toegestaan is, het hergebruik
voor commerciële en niet-commerciële doeleinden kan gebeuren
overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de richtlijn.
De richtlijn houdt dus geen
enkele verplichting in om het hergebruik van documenten toe te
staan. De beslissing daartoe blijft in handen van de lidstaten
of de betrokken openbare lichamen.66
De richtlijn vraagt de lidstaten
enkel het hergebruik te stimuleren door het introduceren van
uniforme regels voor de uitvoering van toegestane verzoeken om
hergebruik. Het Europees Parlement heeft in zijn amendementen
getracht een echte verplichting voor de lidstaten in te
voeren, maar is gestrand op de weerstand van de Commissie en
de Raad. Wanneer we dit beperkte uitgangspunt combineren met
de afbakening van het toepassingsgebied van de richtlijn en de
soepele tariferingsregels, zal de impact van de richtlijn heel
erg afhangen van het belang dat de lidstaten zelf hechten aan
de informatiemarkt.
De impact van de
richtlijn gaat echter toch verder dan op het eerste gezicht
lijkt, aangezien voor de toelating zelf geen onderscheid kan
worden gemaakt tussen hergebruik voor commerciële en
niet-commerciële doeleinden. Wanneer documenten beschikbaar
zijn voor het ene, moeten zij ook in aanmerking komen voor het
andere. Alleen de voorwaarden kunnen enigszins verschillen,
binnen de grenzen bepaald door de richtlijn.67
Aangezien elk gebruik van
de overheidsinstellingen zelf buiten de openbare taak ook als
hergebruik moet worden beschouwd, kan dit verregaande
implicaties hebben. Zodra een overheidsinstantie bij een
andere instelling informatie opvraagt die zij niet louter voor
haar publieke taak gaat gebruiken, zal deze informatie dus ook
ter beschikking moeten zijn van de private sector. De vraag
naar de inhoud van de publieke taak wordt dus eens te meer
pertinent.
4.2.3
Regels voor het verstrekken van overheidsinformatie
De richtlijn laat de keuze om informatie beschikbaar
te maken voor hergebruik dus aan de lidstaten of aan de
openbare lichamen, maar wanneer voor beschikbaarstelling wordt
gekozen, moet wel een aantal voorwaarden worden nageleefd.
De openbare lichamen moeten
een verzoek om hergebruik behandelen binnen een redelijke
termijn, die in beginsel moet worden afgestemd op de termijn
in het kader van de toegang tot informatie op de openbaarheid
van bestuur. Wanneer dergelijke toegangswetgeving niet bestaat
in een bepaalde lidstaat, legt de richtlijn een termijn van
ten hoogste twintig werkdagen op.68
Rekening moet wel worden
gehouden met de beperkte levensduur van bepaalde soorten
informatie, zodat deze moet worden verstrekt binnen een
termijn die de private sector toelaat het economisch
potentieel van de informatie ten volle te benutten. Het gaat
bijvoorbeeld om meteorologische informatie of real time
verkeersinformatie.
De richtlijn legt geen
format op waarin de openbare lichamen hun documenten ter
beschikking moeten stellen.69
De voorkeur wordt wel
gegeven aan de verspreiding van documenten via elektronische
weg, maar de richtlijn verlangt niet dat de
overheidsinstellingen documenten digitaliseren enkel met het
oog op het beantwoorden van een verzoek tot hergebruik.
Daarnaast worden de openbare lichamen ook uitdrukkelijk
vrijgesteld van enige verplichting om documenten te creëren of
aan te passen om aan een verzoek te voldoen. Deze bepaling
werd opgenomen om te garanderen dat de stimulering van het
hergebruik niet gepaard zou gaan met een aanzienlijke
verhoging van de financiële en administratieve lasten van de
overheidsinstellingen.
Om vergelijkbare redenen maakt de richtlijn
ook duidelijk dat van de openbare lichamen niet wordt verwacht
dat zij de productie van bepaalde documenten voortzetten,
enkel met het oog op het hergebruik ervan door de private
sector, terwijl ze er zelf geen behoefte meer aan hebben. Dit
kan natuurlijk wel zeer nadelige gevolgen hebben voor de
private afnemers die hun informatieproducten of -diensten op
deze informatie hebben gebaseerd. Zij blijven dan in de kou
staan. De overheden worden wel aangemoedigd om zo spoedig
mogelijk het stopzetten van de productie bekend te maken70,
maar zijn dus niet verplicht om de private sector een
'redelijke opzegperiode' te geven, zodat zij een andere
oplossing kunnen vinden voor de levering van de benodigde
informatie.
4.2.4
Tarieven voor het verstrekken van overheidsinformatie
De richtlijn blijft zeer soepel wat de tarifering van
het hergebruik van overheidsdocumenten betreft. Wanneer een
vergoeding wordt gevraagd van de verzoeker (dit is dus niet
noodzakelijk het geval), mogen de totale inkomsten niet hoger
zijn dan de kosten van verzameling, productie,
vermenigvuldiging en verspreiding, vermeerderd met een
redelijk rendement op investeringen.71
Niets belet de overheden echter
om geen of enkel een zeer lage vergoeding te vragen. De enige
grens die wordt bepaald, is dat de vergoeding
kostengeoriënteerd moet zijn en berekend moet worden
overeenkomstig de boekhoudkundige beginselen die op de
betrokken openbare lichamen van toepassing zijn.
Deze regeling laat een
zeer grote marge voor de openbare lichamen: tussen de gratis
terbeschikkingstelling en een 'redelijk rendement op
investeringen' ligt immers een heel spectrum van
mogelijkheden. Onder productie moeten we ook het creëren en
bundelen van informatie verstaan, terwijl onder verspreiden
tevens de ondersteuning van de gebruiker moet worden begrepen.72
Dit laat nog een flink
aantal vragen open: 'Valt het loon van de ambtenaar die
elektronische bestanden verstuurt ook onder verspreiding?'
'Vallen de afschrijvingen op de computers onder productie?'
4.2.5
Licenties voor hergebruik
Aan de lidstaten en de openbare lichamen wordt de
vrije keuze gelaten om, eventueel door middel van licenties,
voorwaarden op te leggen bij het verlenen van toestemming voor
hergebruik. Bovendien wordt geen indicatie gegeven over de
voorwaarden die kunnen of mogen worden opgenomen, behalve dat
zij de mogelijkheden tot hergebruik niet nodeloos mogen
beperken en niet mogen worden gebruikt om de mededinging aan
banden te leggen.73
Het invoeren van een licentie is
dus geen vereiste. Hoe zonder licenties een transparant en
geharmoniseerd systeem voor hergebruik op poten kan worden
gezet, is ons echter niet heel duidelijk.
Wanneer er toch gekozen
wordt voor het invoeren van een licentie, moet het gaan om een
standaardlicentie, die eventueel kan worden aangepast voor
specifieke aanvragen, in digitale vorm beschikbaar is en
elektronisch kan worden verwerkt. Ook over de inhoud van deze
standaardlicentie bewaart de richtlijn het stilzwijgen. Enkele
aspecten die kunnen worden opgenomen betreffen, naast de
bepalingen die volgens het gemeenrecht moeten worden opgenomen
bij het afsluiten van dergelijke overeenkomsten, onder meer
aansprakelijkheid, correct gebruik van documenten, de
gewaarborgde niet-wijziging en de erkenning van de bron van de
informatie.74
Een regeling zal
bijvoorbeeld ook moeten worden uitgedokterd in verband met de
updating van de informatie die wordt verstrekt. Wordt een
regelmatige update inbegrepen in de licentie voor de eerste
levering van informatie, of moet telkens een nieuwe licentie
worden genomen? Dit soort van praktische vragen zal moeten
worden overwogen bij het opstellen van de standaardlicenties.
4.2.6
Discriminatieverbod en eerlijke handel
De bepalingen in de richtlijn inzake het
discriminatieverbod en de eerlijke handel moeten ervoor zorgen
dat de mededinging en de werking van de markt gewaarborgd
blijven. Zij vormen dus in zekere zin een concretisering van
de algemene regels inzake non-discriminatie en eerlijke
mededinging.
Welke voorwaarden ook door de
lidstaten worden opgelegd aan het hergebruik, zij mogen niet
discriminerend zijn voor vergelijkbare categorieën van
hergebruik.75
Een onderscheid tussen
commercieel en niet-commercieel gebruik is dus perfect
aanvaardbaar. Het is bijvoorbeeld goed voor te stellen dat een
overheidsinstelling aan de commerciële afnemers een vergoeding
berekent waarin een redelijk rendement op investeringen
inbegrepen is, terwijl organisaties met educatieve of
non-profitdoeleinden de informatie tegen een lagere prijs
kunnen verkrijgen.
Wanneer het openbaar
lichaam echter zelf zijn eigen documenten gebruikt als
basismateriaal voor commerciële activiteiten die buiten zijn
openbare taak vallen, moeten op de verstrekking ervan dezelfde
vergoedingen en andere voorwaarden van toepassing zijn als
voor de andere gebruikers van de informatie.76
In de praktijk zal dit
echter niet zo eenvoudig te realiseren zijn, aangezien de
betrokken overheidsinstelling aan zichzelf een vergoeding zou
moeten berekenen of zichzelf bepaalde voorwaarden voor de
verkrijging van informatie zou moeten opleggen, terwijl zij de
informatie reeds in haar bezit heeft via de uitvoering van
haar publieke taak. Om deze regel te kunnen handhaven, zal een
afscheiding tussen de publieke en commerciële activiteiten van
de overheidsinstelling onontbeerlijk zijn.
4.2.7 Open
gebleven vragen
Een van de vragen omtrent het kader voor hergebruik
die nog niet beantwoord is, betreft de kwestie van afdwinging.
In de richtlijn wordt voorzien dat elke beslissing waarin
hergebruik wordt geweigerd (bijvoorbeeld ter bescherming van
de nationale veiligheid, enz.), een verwijzing naar de
openstaande rechtsmiddelen moet bevatten. Indirect wordt dus
de verplichting opgelegd om in een beroepsprocedure te
voorzien. Hoe die procedure moet worden ingericht, wordt
volledig aan de lidstaten overgelaten. We kunnen ons afvragen
in hoeverre hier een bemoeienis van de overheid nodig is.
Kunnen we dit overlaten aan de rechtbanken, ervan uitgaande
dat de private sector wel aan de alarmbel zal trekken wanneer
nodig? Of vereist de behoefte aan transparantie dat er een
centrale autoriteit is die zich buigt over het naleven van de
regels?
5
Implementatievoorstellen in Nederland en België
5.1 België
In België zit noch de federale, noch de Vlaamse overheid
al in een implementatiefase. In beginsel zijn er twee
mogelijkheden voor de omzetting van de richtlijn. Beide
manieren hebben hun voor- en nadelen, die tegen elkaar zullen
moeten worden afgewogen. Ten eerste kan een formeel regulerend
kader worden ontwikkeld, waarbij alle vereisten van de
richtlijn in een wet worden opgenomen, en in dergelijke
wetgeving ook wordt gezorgd voor een controlemechanisme en
gepaste sancties. Deze aanpak zorgt voor rechtszekerheid, maar
kan tot een beperking van de flexibiliteit en aanzienlijke
bijkomende kosten voor de overheidsinstellingen leiden. Een
tweede mogelijkheid is het beperken van de wetgeving tot een
louter algemeen kader, dat op zijn beurt wordt aangevuld door
gedragscodes of zogenaamde best practices. In dit geval
zijn de kosten voor de overheid lager, maar dit gaat wel
gepaard met een vermindering van de rechtszekerheid. Bovendien
kan het gebrek aan formele regels en een controlerend orgaan
tot een grotere terughoudendheid leiden van de private sector
om zich op de informatiemarkt te begeven.
In België rijst ook
steeds de vraag welke overheid bevoegd is voor het omzetten
van een richtlijn. Wanneer we de regeling van het hergebruik
van overheidsinformatie beschouwen als een uitbreiding van het
recht op toegang tot informatie in het bezit van de overheid
of van de openbaarheid van bestuur, zijn zowel de federale
staat als de gemeenschappen en gewesten bevoegd voor hun eigen
informatie.77
Hierdoor loopt de
omzetting wel het risico in een even onontwarbaar kluwen te
eindigen als de huidige situatie. We kunnen dit illustreren
aan de hand van een voorbeeld. Wanneer een GIS-producent een
applicatie aanbiedt voor toeristische uitstapjes, heeft hij de
topografische data van het federale Nationaal Geografische
Instituut nodig, de stratendatabank van GIS Vlaanderen, en
toeristische informatie van de verschillende steden en
gemeenten in Vlaanderen, die onder de regionale bevoegdheid
vallen, en die bovendien erg gesteld zijn op hun autonomie.
Wanneer telkens verschillende regels en voorwaarden gelden,
zal de GIS-toepassing behoorlijk wat bloed, zweet en tranen
kosten. Coördinatie is dus onontbeerlijk. Een nadelig gevolg
hiervan is wel de traagheid van de procedure. Om alle neuzen
in dezelfde richting te zetten, zal ongetwijfeld meer tijd
nodig zijn dan de korte periode die ons nog rest tot 1 juli
2005. Een regeling zal echter zeker nodig zijn, want het
bestaande kader beantwoordt niet aan de transparantievereisten
van de richtlijn.
De discussie verloopt in
België quasi-volledig langs de lijnen van de openbaarheid en
de toegang tot informatie. De vraag naar de
mededingingsrechtelijke positie van de overheid wordt niet
gesteld. Er lijkt te worden verondersteld dat de activiteiten
van de overheid inzake haar informatie steeds als een publieke
taak kunnen worden aangemerkt. Dit is echter allerminst het
geval, getuige de tientallen gemeenten die informatie over
wandelingen of ansichtkaarten verkopen.
5.2 Nederland
De Nederlandse discussie verloopt vooralsnog langs de
lijnen die na intrekking van het wetsvoorstel Markt en
Overheid zijn uitgezet. Genoemd kabinetsstandpunt over de
verhouding markt en overheid introduceert een toetsing door de
bestuursrechter van overheidsbesluiten met betrekking tot het
gaan verrichten van marktactiviteiten. Die toetsing zal, zoals
wij hebben gezien, ongetwijfeld een marginaal karakter
krijgen, maar biedt toch de gelegenheid de principes die er op
dit punt in de hierboven behandelde rechtspraak zijn
ontwikkeld afzonderlijk te toetsen. Daarnaast zullen
gedragsregels worden ontwikkeld die tot doel hebben
concurrentievoordelen van overheden weg te nemen. Toezicht op
naleving van die regels komt in handen van de NMa. Binnen die
twee uitgezette lijnen is er nauwelijks nog ruimte nodig voor
een afzonderlijke implementatie van de richtlijn. Die lost,
zoals we hebben gezien, immers het echte probleem, dat van de
toelaatbaarheid van commerciële overheidsactiviteiten niet op.
De richtlijn wordt volgens
een persbericht van het Ministerie van Algemene Zaken van 11
april j.l. geïmplementeerd in de Wet openbaarheid van bestuur.
6
Afstemmingsproblemen met openbaarheid van bestuur
De wetgeving inzake de
openbaarheid van bestuur zal alleszins in het achterhoofd
moeten worden gehouden om al te grote inconsistenties met de
regeling van het hergebruik te vermijden. In de eerste plaats
is er het verbod in de toegangswetgeving in België en
Vlaanderen om de verkregen documenten te verspreiden of te
gebruiken voor commerciële doeleinden. Dit verbod, zeker in
zijn beperkte Vlaamse vorm, heeft weinig zin en is in de
praktijk onhoudbaar, aangezien het niet gesanctioneerd wordt
en de verzoeker bovendien geen reden moet opgeven waarom hij
bepaalde documenten wenst te verkrijgen van de overheid. De
overheidsinstellingen zullen dus onmogelijk kunnen nagaan
wanneer documenten worden aangevraagd met het oog op
hergebruik. Het verbod kan echter leiden tot verwarring en op
die manier een goed ontwikkeld hergebruik in de weg staan. Het
Nederlandse systeem van de WOB kent dat probleem niet.
Het regime voor hergebruik
moet ook op een tweede manier worden afgestemd op de
openbaarheid van bestuur. Om een document te verkrijgen onder
de toegangswetgeving kan ook een vergoeding worden gevraagd,
die de kostprijs niet mag overschrijden. Wanneer voor het
hergebruik een vergoeding zou worden gevraagd waarin een
redelijk rendement op investering is inbegrepen, en die dus
hoger zal liggen dan enkel de kostprijs, zal de verleiding
groot zijn voor de private sector om de informatie aan een
lagere prijs te verkrijgen via de openbaarheid van bestuur. Om
dit te vermijden zullen de vergoedingsprincipes voor toegang
en hergebruik in een coherente vorm moeten worden gegoten.
Alleen op deze manier zullen misbruiken en ongelijkheden op de
markt kunnen worden vermeden. De aangewezen wettelijke
regeling daarvoor, kan niet de Nederlandse WOB zijn, omdat die
vooralsnog slechts een gedeelte betreft van de informatie waar
het hier om gaat.78
Het Nederlandse
implementatievoorstel komt er namelijk op neer dat informatie
die op grond van de WOB openbaar is, kan worden hergebruikt.
In België, en zeker in Vlaanderen, zal dit laatste minder
problemen opleveren, gelet op het ruime toepassingsgebied van
de openbaarheidswetgeving. Daar is ook nog niet uitgemaakt of
de regeling al of niet zal worden opgenomen in de openbaarheid
van bestuur. De afstemmingsproblemen zijn er echter niet
minder om.
7 Besluit
Met de introductie van een
toetsing vooraf door de (Nederlandse) bestuursrechter op de
vraag of de overheidsinstantie bepaalde marktactiviteiten mag
gaan verrichten is volgens ons een stap voorwaarts gezet op
dit kennelijk moeilijk in het algemeen te regelen gebied. Het
voordeel van een dergelijke toetsing is uiteraard dat zij
concreet kan zijn; bovendien zou dan ook de keuze van de
juridische instrumenten ter discussie kunnen staan. Bij die
toetsing dient echter ook de wenselijkheid van marktoptreden
door de overheid in de beoordeling te worden betrokken. Het
kan bij die toetsing immers niet alleen gaan om belangen van
particuliere ondernemingen. Ook de belangen van eindgebruikers
dienen gewicht te hebben. En die belangen kunnen, afhankelijk
van de marktsituatie, zeer wel gediend zijn met
marktactiviteiten van overheidsinstanties. Dat laatste doet
zich vooral op de informatiemarkt voor, zoals de werkgroep
Markt en Overheid in haar rapport al heeft onderkend.
Noten
* Mw. drs. K. Janssen is als onderzoeker
verbonden aan het Interdisciplinary Centre for Law and ICT
(ICRI) van de KU Leuven.
Met dank aan Stef van Gompel, voormalig
student-assistent bij het IViR voor het kundig bewerken van
een deel van het Nederlandse materiaal.
1.
Uiteraard heeft informatie die verzameld of geproduceerd werd
door de overheid op de eerste plaats ook een politiek en
democratisch belang. De overheid baseert immers haar beleid en
haar beslissingen op de informatie die zij heeft over de
maatschappelijke ontwikkelingen. Aan de andere kant heeft de
burger ook behoefte aan adequate en correcte informatie om
zijn rechten en plichten in de democratische samenleving te
kunnen uitoefenen.
2. Gent 16 november 1995,
A.J.T. 1995, 430, noot I. Vernimme, 'De bescherming van
creaties op grond van de WHPC en de samenloop met
auteursrechten'. Teleatlas maakte gebruik van de — toen
relatief nieuwe — techniek van het vectoriseren. Volgens het
NGI was er sprake van een slaafse nabootsing of een
parasitaire handelswijze, verboden onder de Belgische
Handelspraktijkenwet, omdat Teleatlas zich volledig had
gesteund op het werk en de inspanningen van het NGI, en geen
eigen inbreng deed. Het hof van beroep was het hier niet mee
eens en stelde dat Teleatlas in de selectie van de gegevens
uit de topografische kaarten en de combinatie ervan met haar
eigen administratieve informatie wel degelijk als een
persoonlijke inbreng kon worden beschouwd.
3. Volgens Teleatlas
behoorden de kaarten van het NGI tot het openbaar domein,
aangezien het NGI gesubsidieerd werd. Dit zou aanleiding
kunnen geven tot een misbruik van machtspositie, aldus de
producent. Volgens het NGI moest echter een onderscheid worden
gemaakt: de informatie waarvan de kaartlezer zonder meer
kennis kon nemen, kon inderdaad tot het openbaar domein worden
gerekend. Het onderliggend geometrisch bestand, dat enkel
relevant is voor diegenen die zelf geografische kaarten of
databestanden produceren, behoort volgens het NGI niet tot het
openbaar domein. Het hof van beroep heeft echter geen
standpunt ingenomen met betrekking tot deze discussie.
4. Brussel 7 december 1995,
Jaarboek Handelspraktijken en Mededinging 1995, 676. De
Regie der Luchtwegen was in die tijd belast met het beheer van
de luchthaven van Zaventem. Deze taken werden later opgeslorpt
door BIAC (Brussels International Airport Company). Belgavia
(Belgian Aviation Services) heet ondertussen Aviatpartners.
Volgens het toenmalige statuut van de Regie was de passagiershandling
een commerciële activiteit.
5. Gent 21 januari 2004,
RABG 2004, afl. 11, 679, noot Y. Van Gerven,
'Overheidsmonopolies die niet aan de marktvraag voldoen'.
6. Y. Van Gerven,
'Overheidsmonopolies die niet aan de marktvraag voldoen', noot
onder Gent 21 januari 2004, RABG 2004, afl. 11, 683.
7. Beslissing nr.
2003-V/M-81 van 20 oktober 2003, Driemaandelijks
Tijdschrift van Rechtspraak van de Raad voor de Mededinging,
2003/4, 24–40.
8. Zie
http://www.epsigate.org
9. HR 8 maart 1974, NJ
1974, 264 (Vecta/De Staat: Artiestenbemiddeling).
10. HR 21 maart 2003,
LJN AF2293 (Staat/Vereniging Centraal Bureau voor de
Rijn- en binnenvaart: brandstofleidingnet).
11. Rb. Zutphen 19
februari 1994, Computerrecht 1995/1, p. 24 (VNI/VNB).
Zie daarover Hans van der Saag, 'Der unlauterer Wettbewerb der
öffentlichen Hand nach niederländischen Recht', GRUR Int
1987, afl. 12, 842–851; E.P.H. Pijnacker Hordijk & T.M. Snoep,
'De overheid als ondernemer. Kanttekeningen vanuit
mededingingsrechtelijk perspectief', NJB 1996,
p. 923–929.
12. Hof Amsterdam 18
februari 1999, NJ 2000, 592 (Security Print/Gemeente
Amsterdam).
13. Zie onder andere
J.J.C. Kabel, Communicatie en Commercie, Deventer:
Kluwer 1997, p. 7.
14. Zie voor andere
uitspraken ter zake nog Rb. Utrecht 23 oktober 2002, zaaknr.
134402/HA ZA 01-1671/WV (Baby Dan/Werkvoorzieningschap
Weert c.a.); Vzngr. Rb. 's–Gravenhage 15 maart 2003,
LJN AF7282 (LBVI/CBR : rijopleiding); Vzngr. Rb.
's–Gravenhage 4 augustus 2003, LJN AI0852 (VerkeersinformatieDienst/De
Staat).
15. Stcrt. 1998,
95, p. 8.
16. Bijvoorbeeld de wet
van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur,
B.S. 30 juni 1994, Decreet van de Vlaamse Gemeenschap van
26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur, B.S.
1 juli 2004.
17. Richtlijn van het
Europees Parlement en de Raad nr. 2003/4 van 28 januari 2003
inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot
intrekking van richtlijn nr. 90/313/EEG van de Raad, PbEU
14 februari 2003, L 41/26.
18. MvT bij het Decreet
van de Vlaamse Gemeenschap van 26 maart 2004 inzake de
openbaarheid van bestuur, Stuk 1732 (2002–2003), nr. 1, 40.
19. Het gaat dus niet om
de informatie die door de Vlaamse overheid wordt verspreid in
het kader van de actieve openbaarheid.
20. Integendeel, uit de
voorbereidende werken van de federale wet betreffende de
openbaarheid van bestuur van 1994 valt een zeer grote
terughoudendheid in verband met de mogelijkheden tot
commercieel gebruik af te leiden: '[…] om misbruik te
voorkomen wordt in een [verbod op gebruik van
bestuursdocumenten voor commerciële doeleinden] voorzien. Het
kan immers niet de bedoeling zijn dat de openheid van de
administratie naar de burger toe dient ter verrijking van
privé-personen of bedrijven. Of dat de burger derden betaalt
voor informatie die eigenlijk gratis beschikbaar is.' (Parl.
St. Kamer 1992/93, 1112/11).
21. Zie
http://www.gisvlaanderen.be.
22. Zie
http://www.ngi.be.
23. Zie
http://www.kmi.be.
24. Zie
http://www.vdab.be.
25. Zie
http://www.cultuurnet.be.
26. Ministerie van
Economische Zaken, Gids voor de verspreiding van
overheidsinformatie,
http://www.mineco.fgov.be/administrations/public_information_guide/home_nl.htm.
27. Ministerie van
Economische Zaken, Gids voor de verspreiding van
overheidsinformatie, 38.
28. Ibid., 70.
29. Ibid., 79.
30. Art. 47 WEM. Een
openbare onderneming is 'elk bedrijf waarop overheden
rechtstreeks of middellijk een dominerende invloed kunnen
uitoefenen uit hoofde van eigendom, financiële deelneming of
de desbetreffende voorschriften' (richtlijn nr. 80/723/EEG van
de Raad van 25 juni 1980 betreffende de doorzichtigheid in de
financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare
bedrijven, PbEG 29 juli 1980, L 195/35).
31. Pijnacker Hordijk &
Snoep, a.w., p. 926.
32. Zoals laatstelijk
gewijzigd bij de Wet modernisering EG mededingingsrecht van 20
juli 2004, Stb. 2004, 345.
33. Zie ook Mireille Van
Eechoud, 'Openbaarheid, exclusiviteit en markt:
commercialisering van overheidsinformatie', Mediaforum
1998, afl. 6, 183.
34. Besluit NMa 31 juli
1998, Zaak nr. 5.
35. Zie voor die
voorwaarde HvJ EG 11 november 1997, C-359/95 P en C-379/95 P
(Ladbroke).
36. Besluit NMa 26
november 1996, Zaak nr. 101.
37. Zie aldus ook ten
aanzien van het wetsvoorstel Markt en Overheid, Eric Van
Damme, 'Het wetsvoorstel Markt en Overheid: een economisch
perspectief', in: H. de Ru, J. Peters & J. Sylvester (red.),
De Wet markt en overheid; Beschouwingen over een omstreden
wetsvoorstel (Monografieën Overheid & Markt 2), Den Haag:
Sdu Uitgevers 2003, p. 42. Vgl. over de positie van gemeenten
en (Europees) mededingingsrecht: Anna Gerbrandt & Bart Hessel,
Mededingingsrecht voor decentrale overheden, in hun rollen
als onderneming en als overheid, Deventer: Kluwer 2004.
38. Stcrt. 1998,
95, p. 8.
39. Zie over authentieke
registraties Eric Schreuders & Corien Prins, Met Recht
gestroomlijnd. Juridische normen voor authentieke gegevens,
authentieke registraties en het gebruik van de daarin
opgenomen gegevens. Rapport in opdracht van het Programbureau
Basisgegevens, Tilburg: Katholieke Universiteit Brabant
2002.
40. E.J. Dommering, P.B.
Hugenholtz & J.J.C. Kabel, 'De overheid en het publiek domein
van informatie voor wetenschappelijk onderzoek', in: H.
Dijstelbloem en C.J.M. Schuyt (red.), De publieke dimensie
van kennis, Voorstudies en achtergronden (V110),
Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid, Den Haag: Sdu
Uitgevers 2002, p. 288.
41. Vgl. over dit model
nader het rapport Over wetten en praktische bezwaren. Een
evaluatie en toekomstvisie op de Wet openbaarheid van bestuur,
Universiteit van Tilburg, januari 2004.
42. Wet van 1 november
2001 op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut,
Stb. 2001, 562.
43. Kamerstukken II
2000/01, 27 623, p. 8.
44. Vzngr. Rb.
's–Gravenhage 4 augustus 2003, LJN AI0852 (VerkeersinformatieDienst/De
Staat); HR 15 september 1995, Computerrecht 1996/1,
p. 22–33 (Vierhand/NV Databank Kamers van Koophandel).
45. Marktwerking,
deregulering en wetgevingskwaliteit.
46. Kamerstukken II
1996/97, 24 036, nr. 45, p. 1–2.
47. Eindrapport Werkgroep
Markt en Overheid, 20 februari 1997, p. 69.
48. Kamerstukken II
1996/97, 24 036, nr. 45, p. 2.
49. Kamerstukken II
1996/97, 24 036, nr. 51. De Tweede Kamer gaf herhaaldelijk aan
zorg te hebben over oneerlijke concurrentie door de overheid
(zie onder andere Kamerstukken II 1997/98, 24 036, nr.
63).
50. SER-advies 99/12 van
17 september 1999.
51. SER-advies
Evaluatie en aanpassing Mededingingswet, 2003, p. 74.
52. Kamerstukken II
1997/98, 26 024, nr. 10, p. 80.
53. Stcrt. 1998,
95.
54. Kamerstukken II
2001/02, 28 050, nr. 1–3. Vgl. over het voorstel O.J.C.
Cornielje & M. Van Der Putten, 'Wet markt en overheid:
transparantie en zorgvuldigheid staan voorop', Markt en
Mededinging 2002, afl. 1, p. 3–10; H.J. de Ru, 'Commentaar
op het voorstel voor een Wet markt en overheid', Markt en
Mededinging 2002, afl. 2, p. 62–67; K.J.M. Mortelmans &
H.A.G. Temmink, 'Het wetsvoorstel Markt en Overheid in een
Europeesrechtelijk perspectief: concurrerende stelsels?',
NTER , afl. 10, p. 242–253.
55. Kamerstukken II
2003/04, 28 050, nr. 7, p. 2–3.
56. Kamerstukken II
2003/04, 28 050, nr. 7, p. 1 en 3 en nr. 8.
57. Kamerstukken II
2003/04, 28 050, nr. 7, p. 3 en 4–6.
58. Vgl. over de vraag
welke kosten in rekening gebracht mogen worden voor de
verstrekking van overheidsinformatie M. Reinsma & H. van der
Sluijs, Naar een ruimere openbaarheid en een vrij gebruik
van bestuurlijke informatie , onderzoek in opdracht van
het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Directie Informatiebeleid Openbare Sector, December 2002. Zie
verder Marijke Reinsma, 'Gebruiksrechten op
overheidsinformatie', Tijdschrift voor Auteurs-, Media- en
Informatierecht 2003, afl. 5, p. 169–174; Mireille Van
Eechoud & Jan Kabel, Prijsbepaling voor elektronische
overheidsinformatie (IteR-Reeks nr. 14), Deventer: Kluwer
1998 p. 66.
59. Zie voor de laatste
stand van zaken Verslag van een Algemeen Overleg, 9 november
2004, 28 050.
60. Richtlijn nr.
2003/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17
november 2003 inzake het hergebruik van overheidsinformatie,
PbEU 31 december 2003, L 345/90.
De richtlijn heeft een zeer lange weg afgelegd. Een eerste
initiatief van de Europese Commissie dateerde al van 1989: de
Guidelines for improving the synergy between the public and
the private sectors in the information market (http://www.europa.eu.int/ISPO/legal/en/access/synergy.html).
In deze richtsnoeren werd een lans gebroken voor de
beschikbaarstelling van informatie aan de private sector en
voor een beperking van de betrokkenheid van de publieke sector
bij de informatie-industrie tot de functie van leverancier van
data als grondstof voor producten en diensten van de private
ondernemingen. De Richtsnoeren hadden nauwelijks impact, mede
door het feit dat zij de lidstaten geen enkele verplichting
oplegden. Een ander juridisch instrument leek dus
onontbeerlijk. In 1998 publiceerde de Europese Commissie het
Groenboek over overheidsinformatie in de
informatiemaatschappij (COM(98)585 def.), dat een aantal
essentiële vragen opriep voor het bepalen van een gepast
wettelijk kader voor hergebruik. Het werd zeer goed ontvangen
door de lidstaten, de regeringen en de belangenverenigingen
van de burgers, en ook door de informatie-industrie. Het
duurde echter weer tot 2001 eer het Groenboek gevolgd werd
door een nieuwe mededeling en consultatieronde van de
Commissie. Hierop volgde, op vraag van de meeste betrokken
partijen, een eerste ontwerp van richtlijn in 2002.
61. Art. 1.1 Richtlijn
inzake het hergebruik van overheidsinformatie.
62. Art. 1.2 Richtlijn
inzake het hergebruik van overheidsinformatie.
63. Openbaar lichaam
wordt in de richtlijn gedefinieerd als 'de staat, zijn
territoriale lichamen, publiekrechtelijke instellingen, en
verenigingen gevormd door een of meer van deze lichamen of een
of meer van deze publiekrechtelijke instellingen'. Een
publiekrechtelijke instelling is iedere instelling die 'is
opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van
algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard
zijn, en rechtspersoonlijkheid heeft, en waarvan hetzij de
activiteiten in hoofdzaak door de staat of zijn territoriale
lichamen of andere publiekrechtelijke instellingen worden
gefinancierd, hetzij het beheer is onderworpen aan toezicht
door deze laatste, hetzij de leden van het bestuursorgaan, het
leidinggevend orgaan of het toezichthoudend orgaan voor meer
dan de helft door de staat, zijn territoriale lichamen of
andere publiekrechtelijke instellingen zijn aangewezen' (art.
2 Richtlijn inzake het hergebruik van overheidsinformatie).
64. Overweging 9
Richtlijn inzake het hergebruik van overheidsinformatie.
65. Overweging 22
Richtlijn inzake het hergebruik van overheidsinformatie.
66. Overweging 9
Richtlijn inzake het hergebruik van overheidsinformatie.
67. Cf. infra.
68. Art. 4 Richtlijn
inzake het hergebruik van overheidsinformatie.
69. Art. 5 Richtlijn
inzake het hergebruik van overheidsinformatie.
70. Overweging 18
Richtlijn inzake het hergebruik van overheidsinformatie.
71. Art. 6 Richtlijn
inzake het hergebruik van overheidsinformatie.
72. Overweging 14
Richtlijn inzake het hergebruik van overheidsinformatie.
73. Art. 8 Richtlijn
inzake het hergebruik van overheidsinformatie.
74. Overweging 17
Richtlijn inzake het hergebruik van overheidsinformatie.
75. Art. 10.1 Richtlijn
inzake het hergebruik van overheidsinformatie.
76. Art. 10.2 Richtlijn
inzake het hergebruik van overheidsinformatie.
77. Openbaarheid van
bestuur kan worden beschouwd als transparantie van de openbare
dienstverlening over de gehele lijn, vanaf de receptie tot en
met de procedure voor de betwisting van genomen besluiten (P.
Popelier, 'De openbaarheid van het overheidshandelen in de
democratische rechtsstaat', T.B.P 1995, p. 712). Het
omvat onder meer de motiveringsplicht van bestuurshandelingen,
de actieve openbaarheid, het spreekrecht van de ambtenaren en
de ombudsdienst. Het toewijzen van de bevoegdheid inzake
toegang tot overheidsdocumenten veroorzaakte zeer veel
discussie, waarvoor enkel een oplossing werd gevonden door de
uitdrukkelijke verwijzing in art. 32 van de Belgische Grondwet
naar uitvoering door een wet, decreet of ordonnantie.
78. Zo ook M. de Vries,
'Implementatie van de EU-Richtlijn en het gebruik van
overheidsinformatie in de Wob. Beter ten halve gekeerd dan ten
hele gedwaald', NJB 2004, p. 2042–2043.
|