| Aantasting in de zin van
art. 25 lid 1 sub d Aw. Toewijzing van de vordering tot
herstel van het werk betreft een discretionaire bevoegdheid
van de rechter en kan niet los worden gezien van de context
waarbinnen bedoelde schade is opgetreden. Gelet op de
discrepantie tussen het gevorderde herstel en het recht van de
eigenaar van een stoffelijk exemplaar van een werk om onder
bepaalde voorwaarden tot sloop over te gaan, zolang dat niet
onrechtmatig is te achten, acht de rechtbank herstel geen
passende vorm van redres.
Gerardus Franciscus CARIS,
wonende te Maastricht,
eiser,
proc.: voorheen mr. D. Regts, thans mr. W.P. den Hertog,
adv.: thans mr. Th.V.E. Bouma te Amsterdam,
tegen:
EON BENELUX GENERATION
N.V.,
gevestigd te Voorburg,
gedaagde,
proc.: mr. H.J.A. Knijff,
adv.: mr. H.P.M. van Woensel te Amsterdam.
RECHTSOVERWEGINGEN
1. Feiten
1.1
In 1977 heeft Caris, die beeldend kunstenaar is, in opdracht
van het Gemeentelijk Energiebedrijf Rotterdam een kunstwerk
ontworpen met als titel “Polyeder-Netstructuur” (hierna: het
kunstwerk), een monumentale sculptuur met bijzondere
mathematische vormen. Deze opdracht kwam tot stand in het
kader van de zogeheten “één procentsregeling” waarbij – kort
gezegd – één procent van de stichtingskosten van een bouwwerk
aan kunst werd besteed. Sinds de oplevering heeft het
kunstwerk in de Maasvlaktecentrale gestaan, die vervolgens is
geprivatiseerd (in 1987 is de exploitatie overgenomen door
Elektriciteitsbedrijf Zuid-Holland N.V. – hierna: EZH) en
thans wordt geëxploiteerd door Eon. Het kunstwerk is niet
zonder meer openbaar toegankelijk, maar alleen voor werknemers
en bezoekers van bedoelde centrale. Het kunstwerk ziet er op
maquette schaal als volgt uit:
1.2
Het kunstwerk is één van drie door Caris ontworpen sculpturen
waarin gebruik is gemaakt van zogeheten dodecaëders (bestaande
uit twaalf vlakken van vijf hoeken) op een dergelijke grote
schaal en kenmerkt zich door een streng wiskundig
(meetkundig/geometrisch) bepaalde structuur. Als zodanig is
het in moderne kunstkringen niet onopgemerkt gebleven en
beschreven in verscheidene kunstwetenschappelijke
beschouwingen, alsmede tentoonstellingscatalogi van werken van
Caris.
1.3
Het kunstwerk is beschadigd geraakt en door Eon (althans EZH)
in eigen beheer hersteld. Vervolgens is tussen Caris en EZH –
Eon overleg gevoerd omtrent dit en eventueel nader herstel,
omdat thans in de ogen van Caris sprake is van schending van
diens op art. 25 lid 1 sub d Auteurswet (hierna: Aw)
gebaseerde persoonlijkheidsrecht. Omtrent de modaliteiten van
dit nadere herstel zijn partijen het niet eens kunnen worden.
2. Het
geschil
2.1
Tegen de achtergrond van de vastgestelde feiten vordert Caris
– na wijziging van eis waartegen als zodanig door Eon geen
bezwaar is gemaakt – primair een verklaring voor recht dat Eon
jegens Caris onrechtmatig handelt wegens schending van diens
aan art. 25 lid 1 sub d Aw ontleende persoonlijkheidsrecht
door het kunstwerk in de thans resterende staat opgesteld te
laten. Voorts vordert Caris primair een bevel tot herstel van
het kunstwerk in verschillende alternatieven op kosten van
Eon, alsmede schadevergoeding op te maken bij staat.
Subsidiair vordert Caris andere herstelmodaliteiten, alles
kosten rechtens.
2.2
Eon heeft gemotiveerd verweer gevoerd dat voor zover nodig
hierna bij de beoordeling nader aan de orde zal komen.
3.
Beoordeling van het geschil
3.1
In de eerste plaats moet worden vastgesteld of sprake is van
een “misvorming, verminking of andere aantasting van het werk”
in de zin van art. 25 lid 1 sub d Aw waarvoor Eon
aansprakelijk is te houden. Eon betwist immers dat van
zodanige aantasting sprake is, althans dat zij daar
aansprakelijk voor kan worden gehouden wegens ontbreken van
vereist causaal verband. Zo al sprake zou zijn van aantasting
in de zin van bedoeld artikellid, dan is dit volgens Eon
vooral (althans in belangrijke mate mede) toe te schrijven aan
gewoon verval van het kunstwerk in de loop der tijd. Bovendien
zijn volgens Eon destijds door de constructeur geen
meetprotocollen gehanteerd, zodat niet valt uit te sluiten dat
al vanaf de oplevering sprake is geweest van “uit het lood
staan”, hetgeen volgens Eon thans de voornaamste klacht zou
zijn van Caris.
3.2
De rechtbank stelt voorop dat het kunstwerk voorwerp is van
auteursrechtelijke bescherming, nu sprake is van een werk in
de zin van de auteurswet met een eigen, oorspronkelijk
karakter, dat het persoonlijk stempel van Caris als maker
draagt. Aldus komt Caris eveneens bescherming toe van zijn op
art. 25 Aw gebaseerde persoonlijkheidsrecht.
3.3
De rechtbank verwerpt vervolgens de visie van Eon dat geen
sprake zou zijn van aantasting in de zin van art. 25 lid 1 sub
d Aw. Zoals ter comparitie mede aan de hand van de,
desverzocht nog eens in betere versie ter comparitie
overgelegde, producties 3 en 4 bij dagvaarding door Caris
onderbouwd is aangegeven, is sprake van min of meer ernstig te
achten verminking van het kunstwerk. Dat betreft niet alleen
het “uit het lood staan” (ontzet zijn) van het kunstwerk als
geheel, waar Eon zich ten onrechte op lijkt te focussen (of
daarvan sprake is kan de rechtbank gelet op het navolgende in
het midden laten), maar meer in het algemeen het vervormen of
zelfs weglaten van diverse oorspronkelijke rechte
verbindingsstukken tussen de verscheidene dodecaëders, alsmede
vervorming van één van de negen dodecaëders zelf, waardoor die
laatste figuur geen dodecaëder meer is. Dat alleen al geeft
blijkens de als productie 4 overgelegde foto's van de huidige
staat van het kunstwerk – die als zodanig niet door Eon zijn
bestreden – een dermate direct in het oog springende vervormde
totaalindruk, dat sprake wordt geacht van verminking in de zin
van meerbedoelde bepaling. Daarbij is mede beslissend, dat het
bij het kunstwerk nu juist aankomt op geometrisch zo exact
mogelijke precisie en symmetrie, zoals door Caris
gedocumenteerd is gesteld en door Eon onvoldoende gemotiveerd
is weersproken, welke precisie en symmetrie thans evident op
het eerste gezicht al ontbreekt. Zodoende is sprake van
aantasting van de essentie van de sculptuur.
3.4
Evenmin acht de rechtbank voor serieuze discussie vatbaar dat
Eon voor deze aantasting aansprakelijk is te houden. Het
betreft immers een kunstwerk dat is opgesteld in de (thans)
door Eon geëxploiteerde elektriciteitscentrale op de
Maasvlakte, die naar eigen zeggen van Eon slechts toegankelijk
is (geweest) voor werknemers van die centrale en haar
bezoekers. Caris heeft onweersproken gesteld dat het kunstwerk
bij zijn bezoek aan de centrale in 1990 nog in ongeschonden
staat verkeerde. Dat zulke evidente verminkingen als in 3.3.
weergegeven zouden kunnen zijn ontstaan door natuurlijk verval
ten gevolge van beweerdelijke fragiele constructie en
bijvoorbeeld machinetrillingen, zoals Eon betoogt, wordt door
de rechtbank verworpen. Daartoe komt de rechtbank mede op
grond van de uitvoerige schriftelijke en mondelinge discussie
tussen Eon (althans EZH) en Caris over herstel van het
kunstwerk. Naar stelling van Caris is die discussie ontstaan
nadat hij was gewezen op schade aan het kunstwerk in 1999,
doordat met een kraan een zware beschadiging zou zijn
toegebracht. Die stelling betwist Eon slechts bij gebrek aan
wetenschap (betreffende centrale werknemers zouden niet meer
bij haar in dienst zijn), maar dat kan niet volstaan, omdat
het verloren gaan van dergelijke wetenschap tot haar
risicosfeer moet worden gerekend. Ook diverse uitingen in de
briefwisseling omtrent herstel van de schade van de kant van
EZH/Eon wijst op de juistheid van die stelling van Caris.
3.5
De volgende vraag is of de vastgestelde verminking van het
kunstwerk voor Caris – kort gezegd – reputatieschade meebrengt
(in de betekenis daaraan toegekend in art. 25 lid 1 sub d Aw,
te weten: Zou deze aantasting schade kunnen toe brengen aan de
eer of de naam van Caris of aan zijn waarde in die
hoedanigheid?).
3.6
Caris heeft gedocumenteerd aangegeven dat het kunstwerk in
terzake kundige kringen een bepalende betekenis wordt
toegekend als sluitstuk van een bepaalde ontwikkeling in zijn
werk. Op zichzelf is dat onvoldoende gemotiveerd weersproken
door Eon. Een ander mee te wegen gezichtspunt is dat dit in
het oeuvre van Caris aldus als belangrijk aan te merken
kunstwerk één van slechts drie dodecaëder structuren betreft
die op zo grote, monumentale, schaal is gerealiseerd. Anders
dan Eon bij herhaling heeft betoogd, maakt bovendien de
omstandigheid dat sprake is van een uniek exemplaar van déze
dodecaëder sculptuur nu juist eerder dat sprake is van
hierbedoelde reputatieschade bij aantasting. Onjuist is in dat
verband dan ook de redenering van Eon dat weliswaar de
uitvoering van het kunstwerk in de centrale uniek is, maar dat
het kunstwerk goed is gedocumenteerd en dat er nog tekeningen
van bestaan, zodat het zo kan worden nagebouwd, om welke reden
volgens Eon geen sprake kan zijn van reputatieschade in voren
bedoelde zin. Anderzijds moet de waarde die het kunstwerk aan
de naam van Caris als kunstenaar toebrengt ook weer niet
worden overdreven, nu Caris ter comparitie heeft erkend dat
hij de laatste jaren zelden tot nooit het kunstwerk heeft
bezocht (naar eigen zeggen bij repliek in 1990 voor het
laatst, totdat hij op de hoogte raakte van de toegebrachte
beschadigingen in 1999) – en al helemaal nooit met potentiële
opdrachtgevers. Dat de opgetreden beschadigingen derhalve
Caris zouden belemmeren in het verwerven van nieuwe
opdrachten, zoals hij stelt, verdient in dat licht de nodige
nuancering. Maar als klaarblijkelijk belangrijk kunstwerk uit
zijn oeuvre heeft Caris op zichzelf een belang bij bescherming
tegen aantasting daarvan en juist omdat het een dergelijk
intrinsiek belangrijk werk betreft kan Caris reputatieschade
oplopen bij tentoonstelling in verminkte vorm (ook al is dat
op een in beginsel niet publiek-toegankelijke plaats).
3.7
Al het vorenoverwogene maakt dat de verklaring voor recht dat
sprake is van aantasting van Caris' persoonlijkheidrechten
door Eon toewijsbaar is.
3.8
Iets heel anders is de vraag hoe deze schending van het
persoonlijkheidsrecht van Caris zou moeten worden
geredresseerd. Op prangende wijze botst hier het
eigendomsrecht van Eon met het persoonlijkheidsrecht van
Caris. Caris meent gelet op zijn proceshouding in feite dat er
maar één manier is om de toegebrachte schade te redresseren,
en wel door herstel (ook nog eens op (één van) de hem voor
ogen staande wijze(n)). Caris meent bovendien dat maar een
beperkt aantal precisie-constructeurs, waaronder het bureau
Observator, dat het kunstwerk destijds heeft gerealiseerd, in
staat is tot herstel in voor hem acceptabele vorm. In dat
verband is een in het kader van het hersteloverleg tussen
partijen door Observator geraamd herstelbedrag genoemd van
€100.000,-. Eerst bij repliek geeft Caris aan dat die
inschatting vermoedelijk veel te hoog is – zonder daarbij
overigens met een afdoende gedocumenteerde onderbouwing van
mindere herstelkosten te komen. Zijn aanbod dat alsnog te
“bewijzen” wordt als niet terzake dienend gepasseerd, omdat
Caris op dit punt niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.
Aldus is het leeuwendeel van de verdere vorderingen van Caris,
primair onder II., III., en IV. en subsidiair geheel, gericht
op het laten herstellen van het kunstwerk in door hem gewenste
zin. Eon heeft daartegenover haar eigenaarsbelang gesteld en
onder meer aangegeven dat een dergelijk herstel veel te duur
zou uitpakken.
3.9
De rechtbank kwalificeert deze herstelvorderingen als die tot
schadevergoeding anders dan in de vorm van geld. Voorop staat
dat schadevergoeding, niet in de vorm van geld, maar in de
vorm van herstel zich gelet op art. 6:103 BW weliswaar laat
voorstellen, maar dat toewijzing daarvan een discretionaire
bevoegdheid van de rechter betreft en voorts niet los kan
worden gezien van de context waarbinnen bedoelde schade is
opgetreden. Naar meest gangbare opvatting in Nederland en de
ons omringende landen (vgl. daarvoor uitvoerig de conclusie
van Advocaat-Generaal Verkade voor HR 6 februari 2004
(Jelles/Gem. Zwolle), LNJ: AN7830, zaak C02/282HR, JOL
2004/65, m.n. paragrafen 4.6 t/m 4.45) is bij de in 3.8
bedoelde botsing tussen het persoonlijkheidsrecht van de maker
enerzijds en het eigendoms(beschikkings)recht van de eigenaar
van het stoffelijke exemplaar van het kunstwerk anderzijds
sprake van een afweging van belangen. In bedoeld arrest uit
februari 2004 is door de Hoge Raad (in r.o. 4.5) in algemene
termen uitgemaakt dat totale vernietiging (sloop) van een
voorwerp waarin een auteursrechtelijk beschermd werk is
belichaamd, niet kan worden aangemerkt als een aantasting van
het werk in de zin van art. 25 lid 1 sub d Aw. Dan dringt de
vraag zich op of de gevorderde schadevergoeding in de vorm van
herstel passend is te achten. Gelet op de discrepantie tussen
het gevorderde herstel en het aldus blijkende recht van de
eigenaar van een stoffelijk exemplaar van een werk om onder
bepaalde voorwaarden tot sloop over te gaan, zolang dat niet
onrechtmatig is te achten (gelet op bijvoorbeeld de (lange)
duur van de tentoonstelling, de mate van documentatie van het
werk, waarvoor zonodig nadere gelegenheid moet worden geboden,
alsmede het gelegenheid bieden tot afbraak en elders opbouwen
door Caris), acht de rechtbank herstel geen passende vorm van
redres. De mogelijkheid voor Eon om (onder nadere voorwaarden)
over te gaan tot afbraak (van welke bevoegdheid door Eon
overigens geen misbruik mag worden gemaakt) is ook ter
comparitie al aan de orde gesteld, maar toen was bedoeld
arrest uit februari 2004 nog niet gewezen. Gelet op de in
algemene termen verwoorde r.o. 4.5 uit bedoeld arrest
(begrijpelijk in het licht van de bedoeling van art. 6 bis
Berner Conventie, welke bepaling art. 25 lid 1 sub d Aw beoogt
te implementeren, als eveneens uiteengezet in bedoeld arrest
in het voetspoor van de conclusie van de A-G) is ook onjuist
dat deze rechtspraak beperkt zou zijn tot werken van bouwkunst
(waar utilitaire eigenaarsbelangen eerder een doorslaggevende
rol zullen spelen), zoals Caris bij repliek nog tevergeefs
betoogt. De rechtbank constateert weliswaar dat Eon niet in
reconventie een verklaring voor recht vordert dat afbraak van
het kunstwerk (onder de aangegeven voorwaarden) geen schending
van het persoonlijkheidsrecht van Caris oplevert, maar dat
neemt niet weg dat de rechtbank haar discretionaire
bevoegdheid kan hanteren om een schadevordering anders dan in
geld als de onderhavige (sc. herstel in bepaalde vorm) af te
wijzen, aangezien deze haar in de omstandigheden van dit geval
niet als de meest geëigende wijze van redres van meerbedoelde
reputatieschade voorkomt, waarbij op evenwichtige wijze zowel
met de reputatie van Caris als auteursrechthebbende rekening
wordt gehouden, als met de eigenaarsbelangen van Eon. Mede
gelet op de na eiswijziging eveneens gevorderde
schadevergoeding op te maken bij staat, geeft de rechtbank aan
toewijzing daarvan de voorkeur.
3.10
De schadevorderingen in de vorm van herstel zullen dan ook
worden afgewezen.
3.11
Caris vordert als gezegd tevens – overigens zonder enige
verdere toelichting – bij wijziging van eis onder primair sub
V. (onder meer) schadevergoeding op te maken bij staat.
Aangezien op grond van de vastgestelde schending van het
persoonlijkheidsrecht van Caris vaststaat dat de mogelijkheid
bestaat dat schade is geleden, is deze vordering toewijsbaar.
3.12
Als grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Eon de
proceskosten van Caris hebben te dragen.
BESLISSINGEN:
De rechtbank:
- verklaart voor recht dat
Eon het persoonlijkheidsrecht van Caris in de zin van art.
25 lid 1 sub d Auteurswet schendt met betrekking tot het ten
processe bedoelde kunstwerk, waardoor zij jegens Caris
onrechtmatig handelt;
- veroordeelt Eon om aan
Caris tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen
vergoeding van alle geleden materiële en immateriële schade
ten gevolge van bedoeld onrechtmatig handelen in de vorm van
schending van art. 25 lid 1 sub d Auteurswet, nader op te
maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
- veroordeelt Eon in de
kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde
van Caris groot € 1.456, - (…) en verklaart dit vonnis (voor
zover mogelijk) tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of
anders gevorderde.
(hoger beroep ingesteld,
bew.)
Noot
Er is sprake van aantasting
van een werk, waarvoor Eon aansprakelijk is. Caris kan
reputatieschade oplopen bij tentoonstelling in verminkte vorm
van zijn werk. De vordering tot herstel van het werk wordt
echter niet toegewezen, gelet op de discrepantie tussen het
gevorderde herstel en het recht van de eigenaar van een
stoffelijk exemplaar van een werk om onder bepaalde
voorwaarden tot sloop over te gaan, zolang dat niet
onrechtmatig is te achten. Dit oordeel lijkt dus verminking
van een werk in stand te houden omdat het werk ook in zijn
geheel uit het zicht kan verdwijnen. Die keiharde logica is
gebaseerd op de uitleg door de Hoge Raad van artikel 25 lid 1
sub d. Auteur s wet in de zaak Jelles/Zwolle van 6 februari
2004, AMI/Informatierecht 2004, nr. 4, p. 140-152 met nt.
Seignette; IER 2004, nr. 2, p. 102-119 met nt. Grosheide.
Recente uitspraken over deze problematiek na Jelles/Zwolle
zijn, behalve de onderhavige uitspraak, gewezen door Vzr. Rb.
Groningen 10 september 2004, AMI/Informatierecht 2004, nr. 6,
p. 224-228 met nt. Krikke (Irene Verbeek/Gemeente Groningen
inzake de plafondschildering in de Groningse Stadsschouwburg)
en Rb. Amsterdam 20 oktober 2004, rolnummer 253560/H 02.2527
(Tuijnman/Stichting het Woningbedrijf Amsterdam). Verder zij
nog gewezen op Hof 'sGravenhage 16 september 2004, Rolnummer
02/35, te publiceren in AMI/Informatierecht 2005, nr. 1 met
ann. van Van Eechoud (Raedecker c.s./N.V. Nederlands
Congrescentrum).
Jelles/Zwolle baseert zich op
de parlementaire geschiedenis, rechtsvergelijking en de
rechtsovertuiging hier te lande. Al die bronnen wijzen er
volgens de Hoge Raad op dat: “de totale vernietiging van een
voorwerp waarin een auteursrechtelijk beschermd werk is
belichaamd, niet kan worden aangemerkt als een aantasting van
het werk in de zin van art. 25 lid 1, aanhef en onder d, Aw.”
De maker van een werk zal dus zijn heil elders moeten zoeken,
te weten in een vordering wegens misbruik van recht of
anderszins onrechtmatig handelen. Gaat het om unieke
exemplaren, zoals veelal bij gebouwen het geval is, dan kan,
aldus de Hoge Raad, “van de eigenaar onder omstandigheden
verlangd worden dat hij slechts dan tot vernietiging overgaat
indien daarvoor een gegronde reden bestaat en hij zich de
gerechtvaardigde belangen van de maker ten minste in zoverre
aantrekt dat hij er desgevraagd voor zorg draagt het bouwwerk
behoorlijk te doen documenteren, althans de maker de
gelegenheid biedt daartoe zelf het nodige in het werk te
stellen.” Duidelijke sporen van die opvatting waren overigens
al te vinden in Spoor/Verkade, Auteursrecht, Deventer: Kluwer
1993, p. 322. Problemen zullen zich voordoen bij herstelbare
vernietiging, zoals het overschilderen van een wandschildering
welk overschildering weer verwijderd kan worden.
Het is wel opvallend dat in
een tijd waarin voor architectuur zo'n grote maatschappelijke
belangstelling bestaat, de rechterlijke waardering daaraan
omgekeerd evenredig lijkt, als het althans om sloop gaat. De
criteria van artikel 25 lid 1 sub d. Aw. (nadeel aan de eer of
de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid)
zijn op die situatie niet langer van toepassing. Dat geldt
niet alleen voor bouwwerken, maar voor werken in het algemeen.
Nu zijn die criteria onvermijdelijk wel erg toegesneden op het
belang van de maker en niet op het eventuele publieke belang
van het werk. Maar er was en is nu eenmaal niet veel anders.
Het publieke toezicht zoals vervat in artikel 42 en 48, eerste
lid van de Woningwet met de bijbehorende Bouwverordening is
beperkt tot de welstandsbeoordeling van nieuw te bouwen
gebouwen en ziet niet op sloop van bestaande gebouwen.
Gemeentelijke sloopvergunningen zien in het algemeen alleen op
factoren als veiligheid van de sloop en afvoer van het
sloopmateriaal en bieden geen bescherming tegen sloop van een
mogelijk waardevol gebouw. Wat resteert aan formeel publiek
toezicht is de Monumentenwet 1988 die voorzover hier relevant
van toepassing is op alle vóór tenminste vijftig jaar
vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun
schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun
cultuurhistorische waarde en op beschermde stads- en
dorspgezichten. Dat publieke toezicht dekt dus lang niet alles
en kan geen panacée zijn voor de gebouwen waarover doorgaans
geprocedeerd is op basis van artikel 25 Aw. Onnodig te melden
dat voor werken als in het onderhavige geval doorgaans geen
bijzondere publiekrechtelijke regelingen bestaan. Men zal dus
wat het publieke toezicht betreft, in het merendeel van de
gevallen overgelaten zijn aan de grillen van de plaatselijke
politiek. Een beetje gisse gemeente weet dan wel wat haar te
doen staat.
Omstandigheden, het ontbreken
van een gegronde reden voor sloop en nalatigheid met
betrekking tot een bijbehorende documentatieplicht zijn
voortaan de ankers waarvoor de maker moet gaan liggen. Een
vordering tot misbruik van recht, ingesteld tegen de eigenaar
van het werk, veronderstelt ingevolge artikel 3:13 lid 2 BW
dat de eigenaar, in aanmerking nemende de onevenredigheid
tussen het belang bij de uitoefening van zijn bevoegdheid en
het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet
tot die uitoefening had kunnen komen. Die toets zal niet gauw
in het voordeel van de maker uitvallen.
In de praktijk wordt dus een
herstelvordering ex 25 lid 1 sub d. (verminking) beoordeeld op
basis van criteria die niet ontleend zijn aan dat artikel maar
aan de gewone onrechtmatige daad. Dat heeft niet alleen
inhoudelijke consequenties, maar ook consequenties voor vragen
van toepasselijk recht. Als verzet tegen sloop of vernietiging
immers niet op grond van art. 25 lid 1 sub d Aw mogelijk is,
hoeft ook niet bekeken te worden of aan de aanwijzingseis van
art. 25 lid 2 is voldaan (aldus Van Eechoud in haar annotatie
bij de Raedecker zaak, zie boven). De erven van de maker die
geen codicil heeft ge
|