Annotatie bij Rb. 's-Gravenhage 15 september 2004 (Caris / EON)
Verschenen in IER 2005-1, p. 10-13.

J.J.C. Kabel


Aantasting in de zin van art. 25 lid 1 sub d Aw. Toewijzing van de vordering tot herstel van het werk betreft een discretionaire bevoegdheid van de rechter en kan niet los worden gezien van de context waarbinnen bedoelde schade is opgetreden. Gelet op de discrepantie tussen het gevorderde herstel en het recht van de eigenaar van een stoffelijk exemplaar van een werk om onder bepaalde voorwaarden tot sloop over te gaan, zolang dat niet onrechtmatig is te achten, acht de rechtbank herstel geen passende vorm van redres.

Gerardus Franciscus CARIS,
wonende te Maastricht,
eiser,
proc.: voorheen mr. D. Regts, thans mr. W.P. den Hertog,
adv.: thans mr. Th.V.E. Bouma te Amsterdam,

tegen:

EON BENELUX GENERATION N.V.,
gevestigd te Voorburg,
gedaagde,
proc.: mr. H.J.A. Knijff,
adv.: mr. H.P.M. van Woensel te Amsterdam.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Feiten

1.1
In 1977 heeft Caris, die beeldend kunstenaar is, in opdracht van het Gemeentelijk Energiebedrijf Rotterdam een kunstwerk ontworpen met als titel “Polyeder-Netstructuur” (hierna: het kunstwerk), een monumentale sculptuur met bijzondere mathematische vormen. Deze opdracht kwam tot stand in het kader van de zogeheten “één procentsregeling” waarbij – kort gezegd – één procent van de stichtingskosten van een bouwwerk aan kunst werd besteed. Sinds de oplevering heeft het kunstwerk in de Maasvlaktecentrale gestaan, die vervolgens is geprivatiseerd (in 1987 is de exploitatie overgenomen door Elektriciteitsbedrijf Zuid-Holland N.V. – hierna: EZH) en thans wordt geëxploiteerd door Eon. Het kunstwerk is niet zonder meer openbaar toegankelijk, maar alleen voor werknemers en bezoekers van bedoelde centrale. Het kunstwerk ziet er op maquette schaal als volgt uit:

1.2
Het kunstwerk is één van drie door Caris ontworpen sculpturen waarin gebruik is gemaakt van zogeheten dodecaëders (bestaande uit twaalf vlakken van vijf hoeken) op een dergelijke grote schaal en kenmerkt zich door een streng wiskundig (meetkundig/geometrisch) bepaalde structuur. Als zodanig is het in moderne kunstkringen niet onopgemerkt gebleven en beschreven in verscheidene kunstwetenschappelijke beschouwingen, alsmede tentoonstellingscatalogi van werken van Caris.

1.3
Het kunstwerk is beschadigd geraakt en door Eon (althans EZH) in eigen beheer hersteld. Vervolgens is tussen Caris en EZH – Eon overleg gevoerd omtrent dit en eventueel nader herstel, omdat thans in de ogen van Caris sprake is van schending van diens op art. 25 lid 1 sub d Auteurswet (hierna: Aw) gebaseerde persoonlijkheidsrecht. Omtrent de modaliteiten van dit nadere herstel zijn partijen het niet eens kunnen worden.

2. Het geschil

2.1
Tegen de achtergrond van de vastgestelde feiten vordert Caris – na wijziging van eis waartegen als zodanig door Eon geen bezwaar is gemaakt – primair een verklaring voor recht dat Eon jegens Caris onrechtmatig handelt wegens schending van diens aan art. 25 lid 1 sub d Aw ontleende persoonlijkheidsrecht door het kunstwerk in de thans resterende staat opgesteld te laten. Voorts vordert Caris primair een bevel tot herstel van het kunstwerk in verschillende alternatieven op kosten van Eon, alsmede schadevergoeding op te maken bij staat. Subsidiair vordert Caris andere herstelmodaliteiten, alles kosten rechtens.

2.2
Eon heeft gemotiveerd verweer gevoerd dat voor zover nodig hierna bij de beoordeling nader aan de orde zal komen.

3. Beoordeling van het geschil

3.1
In de eerste plaats moet worden vastgesteld of sprake is van een “misvorming, verminking of andere aantasting van het werk” in de zin van art. 25 lid 1 sub d Aw waarvoor Eon aansprakelijk is te houden. Eon betwist immers dat van zodanige aantasting sprake is, althans dat zij daar aansprakelijk voor kan worden gehouden wegens ontbreken van vereist causaal verband. Zo al sprake zou zijn van aantasting in de zin van bedoeld artikellid, dan is dit volgens Eon vooral (althans in belangrijke mate mede) toe te schrijven aan gewoon verval van het kunstwerk in de loop der tijd. Bovendien zijn volgens Eon destijds door de constructeur geen meetprotocollen gehanteerd, zodat niet valt uit te sluiten dat al vanaf de oplevering sprake is geweest van “uit het lood staan”, hetgeen volgens Eon thans de voornaamste klacht zou zijn van Caris.

3.2
De rechtbank stelt voorop dat het kunstwerk voorwerp is van auteursrechtelijke bescherming, nu sprake is van een werk in de zin van de auteurswet met een eigen, oorspronkelijk karakter, dat het persoonlijk stempel van Caris als maker draagt. Aldus komt Caris eveneens bescherming toe van zijn op art. 25 Aw gebaseerde persoonlijkheidsrecht.

3.3
De rechtbank verwerpt vervolgens de visie van Eon dat geen sprake zou zijn van aantasting in de zin van art. 25 lid 1 sub d Aw. Zoals ter comparitie mede aan de hand van de, desverzocht nog eens in betere versie ter comparitie overgelegde, producties 3 en 4 bij dagvaarding door Caris onderbouwd is aangegeven, is sprake van min of meer ernstig te achten verminking van het kunstwerk. Dat betreft niet alleen het “uit het lood staan” (ontzet zijn) van het kunstwerk als geheel, waar Eon zich ten onrechte op lijkt te focussen (of daarvan sprake is kan de rechtbank gelet op het navolgende in het midden laten), maar meer in het algemeen het vervormen of zelfs weglaten van diverse oorspronkelijke rechte verbindingsstukken tussen de verscheidene dodecaëders, alsmede vervorming van één van de negen dodecaëders zelf, waardoor die laatste figuur geen dodecaëder meer is. Dat alleen al geeft blijkens de als productie 4 overgelegde foto's van de huidige staat van het kunstwerk – die als zodanig niet door Eon zijn bestreden – een dermate direct in het oog springende vervormde totaalindruk, dat sprake wordt geacht van verminking in de zin van meerbedoelde bepaling. Daarbij is mede beslissend, dat het bij het kunstwerk nu juist aankomt op geometrisch zo exact mogelijke precisie en symmetrie, zoals door Caris gedocumenteerd is gesteld en door Eon onvoldoende gemotiveerd is weersproken, welke precisie en symmetrie thans evident op het eerste gezicht al ontbreekt. Zodoende is sprake van aantasting van de essentie van de sculptuur.

3.4
Evenmin acht de rechtbank voor serieuze discussie vatbaar dat Eon voor deze aantasting aansprakelijk is te houden. Het betreft immers een kunstwerk dat is opgesteld in de (thans) door Eon geëxploiteerde elektriciteitscentrale op de Maasvlakte, die naar eigen zeggen van Eon slechts toegankelijk is (geweest) voor werknemers van die centrale en haar bezoekers. Caris heeft onweersproken gesteld dat het kunstwerk bij zijn bezoek aan de centrale in 1990 nog in ongeschonden staat verkeerde. Dat zulke evidente verminkingen als in 3.3. weergegeven zouden kunnen zijn ontstaan door natuurlijk verval ten gevolge van beweerdelijke fragiele constructie en bijvoorbeeld machinetrillingen, zoals Eon betoogt, wordt door de rechtbank verworpen. Daartoe komt de rechtbank mede op grond van de uitvoerige schriftelijke en mondelinge discussie tussen Eon (althans EZH) en Caris over herstel van het kunstwerk. Naar stelling van Caris is die discussie ontstaan nadat hij was gewezen op schade aan het kunstwerk in 1999, doordat met een kraan een zware beschadiging zou zijn toegebracht. Die stelling betwist Eon slechts bij gebrek aan wetenschap (betreffende centrale werknemers zouden niet meer bij haar in dienst zijn), maar dat kan niet volstaan, omdat het verloren gaan van dergelijke wetenschap tot haar risicosfeer moet worden gerekend. Ook diverse uitingen in de briefwisseling omtrent herstel van de schade van de kant van EZH/Eon wijst op de juistheid van die stelling van Caris.

3.5
De volgende vraag is of de vastgestelde verminking van het kunstwerk voor Caris – kort gezegd – reputatieschade meebrengt (in de betekenis daaraan toegekend in art. 25 lid 1 sub d Aw, te weten: Zou deze aantasting schade kunnen toe brengen aan de eer of de naam van Caris of aan zijn waarde in die hoedanigheid?).

3.6
Caris heeft gedocumenteerd aangegeven dat het kunstwerk in terzake kundige kringen een bepalende betekenis wordt toegekend als sluitstuk van een bepaalde ontwikkeling in zijn werk. Op zichzelf is dat onvoldoende gemotiveerd weersproken door Eon. Een ander mee te wegen gezichtspunt is dat dit in het oeuvre van Caris aldus als belangrijk aan te merken kunstwerk één van slechts drie dodecaëder structuren betreft die op zo grote, monumentale, schaal is gerealiseerd. Anders dan Eon bij herhaling heeft betoogd, maakt bovendien de omstandigheid dat sprake is van een uniek exemplaar van déze dodecaëder sculptuur nu juist eerder dat sprake is van hierbedoelde reputatieschade bij aantasting. Onjuist is in dat verband dan ook de redenering van Eon dat weliswaar de uitvoering van het kunstwerk in de centrale uniek is, maar dat het kunstwerk goed is gedocumenteerd en dat er nog tekeningen van bestaan, zodat het zo kan worden nagebouwd, om welke reden volgens Eon geen sprake kan zijn van reputatieschade in voren bedoelde zin. Anderzijds moet de waarde die het kunstwerk aan de naam van Caris als kunstenaar toebrengt ook weer niet worden overdreven, nu Caris ter comparitie heeft erkend dat hij de laatste jaren zelden tot nooit het kunstwerk heeft bezocht (naar eigen zeggen bij repliek in 1990 voor het laatst, totdat hij op de hoogte raakte van de toegebrachte beschadigingen in 1999) – en al helemaal nooit met potentiële opdrachtgevers. Dat de opgetreden beschadigingen derhalve Caris zouden belemmeren in het verwerven van nieuwe opdrachten, zoals hij stelt, verdient in dat licht de nodige nuancering. Maar als klaarblijkelijk belangrijk kunstwerk uit zijn oeuvre heeft Caris op zichzelf een belang bij bescherming tegen aantasting daarvan en juist omdat het een dergelijk intrinsiek belangrijk werk betreft kan Caris reputatieschade oplopen bij tentoonstelling in verminkte vorm (ook al is dat op een in beginsel niet publiek-toegankelijke plaats).

3.7
Al het vorenoverwogene maakt dat de verklaring voor recht dat sprake is van aantasting van Caris' persoonlijkheidrechten door Eon toewijsbaar is.

3.8
Iets heel anders is de vraag hoe deze schending van het persoonlijkheidsrecht van Caris zou moeten worden geredresseerd. Op prangende wijze botst hier het eigendomsrecht van Eon met het persoonlijkheidsrecht van Caris. Caris meent gelet op zijn proceshouding in feite dat er maar één manier is om de toegebrachte schade te redresseren, en wel door herstel (ook nog eens op (één van) de hem voor ogen staande wijze(n)). Caris meent bovendien dat maar een beperkt aantal precisie-constructeurs, waaronder het bureau Observator, dat het kunstwerk destijds heeft gerealiseerd, in staat is tot herstel in voor hem acceptabele vorm. In dat verband is een in het kader van het hersteloverleg tussen partijen door Observator geraamd herstelbedrag genoemd van €100.000,-. Eerst bij repliek geeft Caris aan dat die inschatting vermoedelijk veel te hoog is – zonder daarbij overigens met een afdoende gedocumenteerde onderbouwing van mindere herstelkosten te komen. Zijn aanbod dat alsnog te “bewijzen” wordt als niet terzake dienend gepasseerd, omdat Caris op dit punt niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Aldus is het leeuwendeel van de verdere vorderingen van Caris, primair onder II., III., en IV. en subsidiair geheel, gericht op het laten herstellen van het kunstwerk in door hem gewenste zin. Eon heeft daartegenover haar eigenaarsbelang gesteld en onder meer aangegeven dat een dergelijk herstel veel te duur zou uitpakken.

3.9
De rechtbank kwalificeert deze herstelvorderingen als die tot schadevergoeding anders dan in de vorm van geld. Voorop staat dat schadevergoeding, niet in de vorm van geld, maar in de vorm van herstel zich gelet op art. 6:103 BW weliswaar laat voorstellen, maar dat toewijzing daarvan een discretionaire bevoegdheid van de rechter betreft en voorts niet los kan worden gezien van de context waarbinnen bedoelde schade is opgetreden. Naar meest gangbare opvatting in Nederland en de ons omringende landen (vgl. daarvoor uitvoerig de conclusie van Advocaat-Generaal Verkade voor HR 6 februari 2004 (Jelles/Gem. Zwolle), LNJ: AN7830, zaak C02/282HR, JOL 2004/65, m.n. paragrafen 4.6 t/m 4.45) is bij de in 3.8 bedoelde botsing tussen het persoonlijkheidsrecht van de maker enerzijds en het eigendoms(beschikkings)recht van de eigenaar van het stoffelijke exemplaar van het kunstwerk anderzijds sprake van een afweging van belangen. In bedoeld arrest uit februari 2004 is door de Hoge Raad (in r.o. 4.5) in algemene termen uitgemaakt dat totale vernietiging (sloop) van een voorwerp waarin een auteursrechtelijk beschermd werk is belichaamd, niet kan worden aangemerkt als een aantasting van het werk in de zin van art. 25 lid 1 sub d Aw. Dan dringt de vraag zich op of de gevorderde schadevergoeding in de vorm van herstel passend is te achten. Gelet op de discrepantie tussen het gevorderde herstel en het aldus blijkende recht van de eigenaar van een stoffelijk exemplaar van een werk om onder bepaalde voorwaarden tot sloop over te gaan, zolang dat niet onrechtmatig is te achten (gelet op bijvoorbeeld de (lange) duur van de tentoonstelling, de mate van documentatie van het werk, waarvoor zonodig nadere gelegenheid moet worden geboden, alsmede het gelegenheid bieden tot afbraak en elders opbouwen door Caris), acht de rechtbank herstel geen passende vorm van redres. De mogelijkheid voor Eon om (onder nadere voorwaarden) over te gaan tot afbraak (van welke bevoegdheid door Eon overigens geen misbruik mag worden gemaakt) is ook ter comparitie al aan de orde gesteld, maar toen was bedoeld arrest uit februari 2004 nog niet gewezen. Gelet op de in algemene termen verwoorde r.o. 4.5 uit bedoeld arrest (begrijpelijk in het licht van de bedoeling van art. 6 bis Berner Conventie, welke bepaling art. 25 lid 1 sub d Aw beoogt te implementeren, als eveneens uiteengezet in bedoeld arrest in het voetspoor van de conclusie van de A-G) is ook onjuist dat deze rechtspraak beperkt zou zijn tot werken van bouwkunst (waar utilitaire eigenaarsbelangen eerder een doorslaggevende rol zullen spelen), zoals Caris bij repliek nog tevergeefs betoogt. De rechtbank constateert weliswaar dat Eon niet in reconventie een verklaring voor recht vordert dat afbraak van het kunstwerk (onder de aangegeven voorwaarden) geen schending van het persoonlijkheidsrecht van Caris oplevert, maar dat neemt niet weg dat de rechtbank haar discretionaire bevoegdheid kan hanteren om een schadevordering anders dan in geld als de onderhavige (sc. herstel in bepaalde vorm) af te wijzen, aangezien deze haar in de omstandigheden van dit geval niet als de meest geëigende wijze van redres van meerbedoelde reputatieschade voorkomt, waarbij op evenwichtige wijze zowel met de reputatie van Caris als auteursrechthebbende rekening wordt gehouden, als met de eigenaarsbelangen van Eon. Mede gelet op de na eiswijziging eveneens gevorderde schadevergoeding op te maken bij staat, geeft de rechtbank aan toewijzing daarvan de voorkeur.

3.10
De schadevorderingen in de vorm van herstel zullen dan ook worden afgewezen.

3.11
Caris vordert als gezegd tevens – overigens zonder enige verdere toelichting – bij wijziging van eis onder primair sub V. (onder meer) schadevergoeding op te maken bij staat. Aangezien op grond van de vastgestelde schending van het persoonlijkheidsrecht van Caris vaststaat dat de mogelijkheid bestaat dat schade is geleden, is deze vordering toewijsbaar.

3.12
Als grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Eon de proceskosten van Caris hebben te dragen.

BESLISSINGEN:

De rechtbank:

  • verklaart voor recht dat Eon het persoonlijkheidsrecht van Caris in de zin van art. 25 lid 1 sub d Auteurswet schendt met betrekking tot het ten processe bedoelde kunstwerk, waardoor zij jegens Caris onrechtmatig handelt;
  • veroordeelt Eon om aan Caris tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen vergoeding van alle geleden materiële en immateriële schade ten gevolge van bedoeld onrechtmatig handelen in de vorm van schending van art. 25 lid 1 sub d Auteurswet, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
  • veroordeelt Eon in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van Caris groot € 1.456, - (…) en verklaart dit vonnis (voor zover mogelijk) tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af het meer of anders gevorderde.

(hoger beroep ingesteld, bew.)

Noot

Er is sprake van aantasting van een werk, waarvoor Eon aansprakelijk is. Caris kan reputatieschade oplopen bij tentoonstelling in verminkte vorm van zijn werk. De vordering tot herstel van het werk wordt echter niet toegewezen, gelet op de discrepantie tussen het gevorderde herstel en het recht van de eigenaar van een stoffelijk exemplaar van een werk om onder bepaalde voorwaarden tot sloop over te gaan, zolang dat niet onrechtmatig is te achten. Dit oordeel lijkt dus verminking van een werk in stand te houden omdat het werk ook in zijn geheel uit het zicht kan verdwijnen. Die keiharde logica is gebaseerd op de uitleg door de Hoge Raad van artikel 25 lid 1 sub d. Auteur s wet in de zaak Jelles/Zwolle van 6 februari 2004, AMI/Informatierecht 2004, nr. 4, p. 140-152 met nt. Seignette; IER 2004, nr. 2, p. 102-119 met nt. Grosheide.

Recente uitspraken over deze problematiek na Jelles/Zwolle zijn, behalve de onderhavige uitspraak, gewezen door Vzr. Rb. Groningen 10 september 2004, AMI/Informatierecht 2004, nr. 6, p. 224-228 met nt. Krikke (Irene Verbeek/Gemeente Groningen inzake de plafondschildering in de Groningse Stadsschouwburg) en Rb. Amsterdam 20 oktober 2004, rolnummer 253560/H 02.2527 (Tuijnman/Stichting het Woningbedrijf Amsterdam). Verder zij nog gewezen op Hof 'sGravenhage 16 september 2004, Rolnummer 02/35, te publiceren in AMI/Informatierecht 2005, nr. 1 met ann. van Van Eechoud (Raedecker c.s./N.V. Nederlands Congrescentrum).

Jelles/Zwolle baseert zich op de parlementaire geschiedenis, rechtsvergelijking en de rechtsovertuiging hier te lande. Al die bronnen wijzen er volgens de Hoge Raad op dat: “de totale vernietiging van een voorwerp waarin een auteursrechtelijk beschermd werk is belichaamd, niet kan worden aangemerkt als een aantasting van het werk in de zin van art. 25 lid 1, aanhef en onder d, Aw.” De maker van een werk zal dus zijn heil elders moeten zoeken, te weten in een vordering wegens misbruik van recht of anderszins onrechtmatig handelen. Gaat het om unieke exemplaren, zoals veelal bij gebouwen het geval is, dan kan, aldus de Hoge Raad, “van de eigenaar onder omstandigheden verlangd worden dat hij slechts dan tot vernietiging overgaat indien daarvoor een gegronde reden bestaat en hij zich de gerechtvaardigde belangen van de maker ten minste in zoverre aantrekt dat hij er desgevraagd voor zorg draagt het bouwwerk behoorlijk te doen documenteren, althans de maker de gelegenheid biedt daartoe zelf het nodige in het werk te stellen.” Duidelijke sporen van die opvatting waren overigens al te vinden in Spoor/Verkade, Auteursrecht, Deventer: Kluwer 1993, p. 322. Problemen zullen zich voordoen bij herstelbare vernietiging, zoals het overschilderen van een wandschildering welk overschildering weer verwijderd kan worden.

Het is wel opvallend dat in een tijd waarin voor architectuur zo'n grote maatschappelijke belangstelling bestaat, de rechterlijke waardering daaraan omgekeerd evenredig lijkt, als het althans om sloop gaat. De criteria van artikel 25 lid 1 sub d. Aw. (nadeel aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid) zijn op die situatie niet langer van toepassing. Dat geldt niet alleen voor bouwwerken, maar voor werken in het algemeen. Nu zijn die criteria onvermijdelijk wel erg toegesneden op het belang van de maker en niet op het eventuele publieke belang van het werk. Maar er was en is nu eenmaal niet veel anders. Het publieke toezicht zoals vervat in artikel 42 en 48, eerste lid van de Woningwet met de bijbehorende Bouwverordening is beperkt tot de welstandsbeoordeling van nieuw te bouwen gebouwen en ziet niet op sloop van bestaande gebouwen. Gemeentelijke sloopvergunningen zien in het algemeen alleen op factoren als veiligheid van de sloop en afvoer van het sloopmateriaal en bieden geen bescherming tegen sloop van een mogelijk waardevol gebouw. Wat resteert aan formeel publiek toezicht is de Monumentenwet 1988 die voorzover hier relevant van toepassing is op alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde en op beschermde stads- en dorspgezichten. Dat publieke toezicht dekt dus lang niet alles en kan geen panacée zijn voor de gebouwen waarover doorgaans geprocedeerd is op basis van artikel 25 Aw. Onnodig te melden dat voor werken als in het onderhavige geval doorgaans geen bijzondere publiekrechtelijke regelingen bestaan. Men zal dus wat het publieke toezicht betreft, in het merendeel van de gevallen overgelaten zijn aan de grillen van de plaatselijke politiek. Een beetje gisse gemeente weet dan wel wat haar te doen staat.

Omstandigheden, het ontbreken van een gegronde reden voor sloop en nalatigheid met betrekking tot een bijbehorende documentatieplicht zijn voortaan de ankers waarvoor de maker moet gaan liggen. Een vordering tot misbruik van recht, ingesteld tegen de eigenaar van het werk, veronderstelt ingevolge artikel 3:13 lid 2 BW dat de eigenaar, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van zijn bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Die toets zal niet gauw in het voordeel van de maker uitvallen.

In de praktijk wordt dus een herstelvordering ex 25 lid 1 sub d. (verminking) beoordeeld op basis van criteria die niet ontleend zijn aan dat artikel maar aan de gewone onrechtmatige daad. Dat heeft niet alleen inhoudelijke consequenties, maar ook consequenties voor vragen van toepasselijk recht. Als verzet tegen sloop of vernietiging immers niet op grond van art. 25 lid 1 sub d Aw mogelijk is, hoeft ook niet bekeken te worden of aan de aanwijzingseis van art. 25 lid 2 is voldaan (aldus Van Eechoud in haar annotatie bij de Raedecker zaak, zie boven). De erven van de maker die geen codicil heeft ge