| Sloop van een gebouw.
Morele rechten. Betekenis van 'aantasting' in artikel 25 lid 1
sub d Aw. Grammaticale en wetshistorische uitleg noopt ertoe
onder aantasting niet te begrijpen een totale vernietiging van
een werk. ir.
E.J. Jelles
wonende te Smalle Ee,
Gemeente Smallingerland
eiser
proc. mr. C. Borstlap,
adv. mr. P. Tuinman
tegen
De Gemeente Zwolle
te Zwolle,
gedaagde
proc. mr. J.A. van Wijmen,
adv.mr. O.J. Ingwersen
Procesgang
(…)
Conclusie van partijen
De vordering van Jelles
strekt ertoe dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk bij vonnis
uitvoerbaar bij voorraad:
- primair: de Gemeente zal verbieden over te gaan tot sloop
van het WAVIN-gebouw;
- subsidiair: voor recht zal verklaren dat Jelles - als maker
van het gebouw - op grond van de Auteurswet 1912, met
betrekking tot het WAVIN-gebouw, zich kan verzetten tegen de
sloop van het WAVIN-gebouw;
- meer subsidiair: voor zover het sloopbesluit niet meer kan
worden teruggenomen, de Gemeente zal veroordelen tot betaling
van schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen
volgens de wet;
een en ander met veroordeling van de Gemeente in de kosten van
deze procedure.
Daartegen is door de Gemeente verweer gevoerd met conclusie
dat de rechtbank Jelles in diens vorderingen niet ontvankelijk
zal verklaren, althans hem deze zal ontzeggen, kosten
rechtens.
Motivering
1 Vaststaande feiten
Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet
(voldoende) betwist - mede op grond van de overgelegde en in
zoverre niet bestreden bescheiden - het volgende vast.
1.1 De Gemeente heeft het
WAVIN-gebouw, gelegen in de wijk Holtenbroek te Zwolle,
gekocht van het Deltioncollege en zal dit in eigendom
verkrijgen. Het WAVIN-gebouw is naar een ontwerp van Jelles
gebouwd en is sinds eind 1968 in gebruik, oorspronkelijk als
kantoor en laatstelijk ten behoeve van het onderwijs. Het
WAVIN-gebouw is een werk in de zin van de Auteurswet 1912
(hierna: Aw), waarvan Jelles in de zin van deze wet de maker
is.
1.2 De gemeenteraad van
Zwolle heeft op 12 april 1999 ingestemd met de
stedenbouwkundige hoofdlijnen voor het project
herstructurering voorzieningen Holtenbroek, onder meer
omvattende een zorgcomplex voor ouderen op de locatie van het
WAVIN-gebouw. Het zorgcomplex komt volgens het programma van
eisen te bestaan uit een appartementengebouw met daarin
ouderenwoningen en zorgvoorzieningen alsmede een 30-tal
patio-woningen voor ouderen. Het concept
voorontwerpbestemmingsplan voorziet in deze
bebouwingsmogelijkheid.
1.3 Op 10 juli 2000 heeft de
gemeenteraad - als daartoe bevoegd bestuursorgaan van de
toekomstige eigenares, de Gemeente - expliciet beslist tot
sloop van het WAVIN-gebouw. De Gemeente heeft Jelles in kennis
gesteld van haar voornemen tot sloop. De sloop is voorzien
eind 2002.
1.4 Het van de zijde van de
Gemeente voorgestane zorgcomplex past qua afmetingen niet in
het WAVIN-gebouw. Het gebouw is geschikt voor aanpassing en
uitbreiding, maar leent zich niet voor woningen.
2 Standpunt van Jelles
2.1 Het WAVIN-gebouw neemt een sleutelpositie in in de
ontwikkeling van de werken van Jelles. Het was zijn eerste
kantoorgebouw.
2.2 Jelles verzet zich met
een beroep op het absolute karakter van zijn
persoonlijkheidsrecht krachtens artikel 25, lid 1, sub d Aw
tegen de voorgenomen sloop van het WAVIN-gebouw. Vernietiging
of sloop levert een aantasting op in de zin van deze
wetsbepaling.
2.3 De Gemeente heeft geen
gegronde reden voor de sloop van het WAVIN-gebouw. De plannen
van de Gemeente kunnen zodanig worden bijgesteld dat het
gebouw - eventueel na aanpassing daarvan - behouden kan
blijven.
2.4 Bij gebreke van een
gegronde reden kan de sloop inbreuk toebrengen aan de eer en
goede naam van Jelles als maker van het WAVIN-gebouw of aan
zijn waarde in deze hoedanigheid.
3 Standpunt van de Gemeente
3.1 Primair: sloop van een gebouw is geen aantasting in de zin
van artikel 25, lid 1, sub d Aw.
3.2 Subsidiair: Jelles
onderbouwt zijn stelling als zou sprake zijn van (het risico
van) reputatieschade niet. De mogelijkheid of daadwerkelijk
schade is te verwachten aan de eer en goede naam van Jelles
ten gevolge van de voorgenomen sloop behoeft onderzoek.
3.3 Meer subsidiair: er is
geen sprake van (het risico van) schade aan de reputatie van
Jelles. Het WAVIN-gebouw is niet uniek in de ontwerpfilosofie
van Jelles. Er is ook geen sprake van een voortijdige sloop.
3.4 Meest subsidiair: er is
een gegronde reden voor sloop. Inpassing van het WAVIN-gebouw,
al dan niet in combinatie met een verbouwing, in de
gemeentelijke plannen is functioneel noch financieel een
optie. De Gemeente beroept zich op de overgelegde adviezen van
prof. Patijn en het "Oversticht".
4 Beoordeling van het geschil
4.1 De toewijsbaarheid van Jelles' vorderingen hangt - gelet
op de wederzijdse standpunten van partijen - voor alles af van
het antwoord op de vraag of onder de bewoordingen "andere
aantasting" in artikel 25, lid 1, sub d Aw tevens de
vernietiging of sloop van een werk moet worden verstaan.
4.2 Jelles verwijst ter
onderbouwing van zijn standpunt dat die vraag bevestigend moet
worden beantwoord in het bijzonder naar het arrest van 17
maart 1999 van het Gerechtshof te Leeuwarden (SBB/Bonnema, NJ
1999/707). De Gemeente beroept zich op andersluidende
jurisprudentie.
4.3 De rechtbank kan zich
niet verenigen met het oordeel van het hof (t.a.p.) dat de
bewoordingen van artikel 25, lid 1, sub c en d Aw dwingen tot
de conclusie dat onder "andere aantasting" mede totale
vernietiging (sloop) van een kunstwerk moet worden verstaan en
dat de wetsgeschiedenis noch de internationale regelgeving in
deze nopen tot een met de gekozen bewoordingen strijdige
uitleg van de wetsbepaling. Naar het oordeel van de rechtbank
dwingen de gekozen bewoordingen geenszins tot de daaraan door
het hof gegeven uitleg.
4.4 Het woord "aantasting" is
de Nederlandse vertaling van het Franse woord "atteinte" in
artikel 6bis, lid 1 van de Berner Conventie, dat ten grondslag
ligt aan artikel 25, lid 1, sub c en d Aw. Dit Franse woord
duidt er veeleer op dat "aantasting" behoort te worden
uitgelegd als "inbreuk" oftewel als "schending". Zo uitgelegd
is onder "aantasting" niet te begrijpen een totale
vernietiging (sloop) van een kunstwerk. Daar komt bij dat, als
de vernietiging van een kunstwerk wél wordt begrepen onder de
bewoordingen van artikel 25, lid 1, sub (c en) d Aw, dit
meebrengt dat het bij die bepaling aan de maker van het werk
toegekende persoonlijkheidsrecht - ervan uitgaande dat schade
aan de reputatie van de maker aannemelijk is - een zodanig
absoluut karakter krijgt dat die maker ten opzichte van de
rechthebbende op het werk min of meer een garantie toekomt op
het voortbestaan van zijn werk. Als dat de bedoeling was
geweest dan had het voor de hand gelegen dat - gelet op de
voorzienbare, maatschappelijke gevolgen - de wetgever dit
uitdrukkelijk had bepaald. Aangezien geen sprake is van een
dergelijke expliciete wetsbepaling, sluit de rechtbank zich
aan bij de uitleg van het Gerechtshof te Den Bosch (17
december 1990, IER 1991/23) dat artikel 25, lid 1, sub d Aw
ziet op inbreuken op werken, waarbij het werk zelf, zij het
wellicht in een (zeer) afwijkende vorm, in stand blijft.
4.5 Het voorgaande brengt mee
dat de hiervoor onder 4.1 geformuleerde vraag ontkennend moet
worden beantwoord: de sloop van het WAVIN-gebouw levert geen
aantasting op in de zin van artikel 25, lid 1, sub d Aw.
4.6 Nu Jelles de grondslag
van zijn vorderingen ter comparitie uitdrukkelijk heeft
beperkt tot de toepassing van artikel 25, lid 1, sub d Aw,
komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van zijn overige
- hiervoor onder 3 dan ook niet verwoorde - stellingen.
5 Slotsom
De rechtbank komt tot de conclusie dat het primaire verweer
van de Gemeente moet worden gehonoreerd en dat de vorderingen
van Jelles als niet op de wet gebaseerd behoren te worden
afgewezen.
Jelles zal als de in het
ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen worden.
Beslissing
De rechtbank wijst de
vorderingen af.
Jelles wordt veroordeeld in de kosten van dit geding.
(Hoger beroep ingesteld,
bew.)
Noot
Tijd voor een principiële
uitspraak van de HR. De procedure zou ondersteund moeten
worden door de BNA. Maar misschien durft die Bond wel niet.
Architecten hoeven niet altijd belang te hebben bij een
verzetsrecht tegen sloop. De Amerikaanse ervaring leert dat de
architectuur zelf zo een recht niet wilde uit vrees voor
problemen met de opdrachtgever. Bovendien is de ene architect
de andere niet: er is de tweede architect (die van het nieuwe
gebouw) en de eerste (die van het oorspronkelijke gebouw) en
beider belangen sporen, zacht gezegd, niet altijd. Het zou
mooi zij als de een respect mocht hebben voor het werk van de
ander, maar zo zit de wereld van gemeentes en
projectontwikkelaars niet in elkaar. Staatssecretaris Remkes
heeft in antwoord op kamervragen gezegd dat er alle aanleiding
is voor een discussie over het spanningsveld tussen het
auteursrecht van ontwerpers en het beschikkingsrecht van de
eigenaar van een gebouw, omdat het vraagstuk naar alle
waarschijnlijkheid in de toekomst nog aan belang zal toenemen
(Kamerstukken 1998/1999, Aanhangsel nr. 1230). Een uitspraak
van de hoogste rechter zou in dit verband welkom zijn. De
wetgever zelf is immers niet zo helder geweest.
De stand van zaken is thans
drie recente Hof-uitspraken vòòr zo'n verzetsrecht, één
(oudere) uitspraak van Hof Den Bosch tegen (zie
achtereenvolgens Hof Leeuwarden 29 december 1993,
Informatierecht/AMI 1996-1: 13-14 inzake Rijksuniversiteit
Groningen/Van den Berg, Hof Leeuwarden 17 maart 1999,
Informatierecht/AMI 1999-10: 158-160 inzake
Bonnema/Stichting Bouw Bejaardenhuizen, Hof Amsterdam 26 juli
2001, rolnummer 653/01 SKG, vermeld in IER 2001-5:
122-123 inzake Röling/Gemeente Haarlem en Hof Den Bosch 17
december 1990, NJ 1991, nr. 443, IER 1991-3:
63-65 inzake Lennaertz/Sittard). De vraag is waarom de Zwolse
rechter in dit geval zo vierkant tegen dat verzetsrecht is. Na
de drie eerstgenoemde uitspraken lag de kwestie duidelijk. Of
het nu om sloop of om een inbreuk gaat waarbij het werk zelf
gedeeltelijk in stand blijft, maakt niet uit: de maker heeft
er recht op dat beslissingen terzake op een zorgvuldige wijze
worden genomen en dat daarbij rekening wordt gehouden met zijn
reputatie en de plaats die het werk in zijn oeuvre inneemt.
Zulks behoeft lang niet altijd te leiden tot een absoluut
verzetsrecht, zoals de uitspraak van het Amsterdamse Hof in
Röling/Gemeente Haarlem leert. Ik zou menen dat de drie Hoven
het geldend recht terzake hebben vastgesteld.
In de zaak waar het Hof Den
Bosch uitspraak in deed, ging de President er van uit dat de
wetgever de maker geen absolute bevoegdheid heeft willen geven
om zich op grond van zijn persoonlijkheidsrecht te verzetten
tegen afbraak van zijn werk, maar dat van een dergelijke
bevoegdheid in het algemeen gesproken slechts onder bijzondere
omstandigheden sprake zal kunnen zijn. Die omstandigheden
ontbraken in casu. Het Hof verwierp categorisch het bestaan
van een dergelijke bevoegdheid en onderzocht de zaak op basis
van het algemene leerstuk van de onrechtmatige daad. Zowel
voor Hof als voor President speelde en belangrijke rol dat het
litigieuze werk als het ware van zelf uit elkaar viel en de
Gemeente Sittard bij instandhouden van het werk voortdurend
met een onderhoudsplicht zou zijn opgezadeld. Voorts stond
vast dat de Gemeente regelmatig overleg met de maker had
gevoerd en bepaald niet over een nacht ijs was gegaan bij haar
voornemen het werk tenslotte af te breken. Overigens zou de
Gemeente het werk weer hebben gerestaureerd. Op naar Sittard!
Het Hof Den Bosch stelde dat
uit wet, wetsgeschiedenis en literatuur duidelijk volgde dat
sloop niet onder artikel 25 Aw valt. Zo expliciet is dat
echter door de wetgever niet gesteld. De indertijd in het
artikel opgenomen uitzondering voor bouwwerken is in 1931
vervallen. Het vervallen van die uitzondering vond echter
plaats met handhaving van de clausule dat de bepaling niet van
toepassing is ten aanzien van wijzigingen van zodanige aard,
dat de maker of zijn rechtverkrijgenden te goeder trouw hun
toestemming daartoe niet zouden mogen weigeren. Merk op dat
artikel 25 toentertijd alleen sprak van wijzigingen in het
werk (zie De Vries, Parlementaire geschiedenis,
25.10.). De MvT kon dan ook met gerust hart vermelden, dat het
vervallen van de uitzondering wel niet van grote praktische
betekenis zou blijken. De wijziging van 1972 was mede het
gevolg van de invoeging te Brussel in artikel 6bis Berner
Conventie: “ou à toute autre atteinte”. Deze wijziging had de
huidige tekst van artikel 25 lid 1 sub d (in 1972 nog c) ten
gevolge. De tekst van 1972 bevatte niet langer de clausule dat
de bepaling niet van toepassing is ten aanzien van wijzigingen
van zodanige aard, dat de maker of zijn rechtverkrijgenden te
goeder trouw hun toestemming daartoe niet zouden mogen
weigeren. De Memorie van Toelichting meldt (TK 1964-1965,
7877, nr. 3, p. 9) dat zulks niet meer nodig is nu de bepaling
omtrent het recht zich te verzetten tegen wijzigingen (art. 25
lid 1 sub b oud) al een redelijkheidstoetsing bevat. Duidelijk
is dus in ieder geval dat die redelijkheidstoetsing bij het
huidige artikel 25 lid 1 sub d bewust is weggelaten. De
Regering stelt verder dat artikel 25 wil voorkomen dat de eer
en reputatie van de maker wordt aangetast en spreekt er bij
monde van Van Agt zijn twijfel over uit of dit ook geldt voor
het geheel amoveren van gebouwen (De Vries, 25.20). Daar is
het bij gebleven.
Wel stelt de Toelichting
(t.a.p.) dat met het nieuwe artikel 25 “nauwere aansluiting
wordt gezocht bij de regeling van het “droit moral”, zoals dit
is geregeld in de Berner Conventie. (…) Het voorgestelde
artikel 25 (nieuw) behelst een samenvatting van de door het
tegenwoordige artikel 25 Auteurswet en het te Brussel herziene
artikel 6bis der Conventie aan de maker toegekende rechten.”
De wetsgeschiedenis van
artikel 6bis BC is duidelijk. Ricketson concludeert op basis
van een van de aangenomen resoluties aan het eind van de
Brusselse Herzieningsconferentie (1948): “This was a clear
acknowledgement that article 6bis (1) did not require Union
Members to prohibit the destruction of works as part of the
protection to be given to moral rights. No proposal to amend
article 6bis(1) further in this regard was made at the
Stockholm Conference and accordingly destruction still remains
outside the scope of the article.” (Sam Ricketson, The
Berne Convention for the protection of literary and artistic
works: 1886-1986 , Kluwer: London 1987, p. 470). Zulks
betekent echter niet dat de Unieleden hun onderdanen niet meer
bescherming mogen geven. De Berner Conventie regelt nu eenmaal
alleen internationale situaties. Daarmee zijn we m.i. weer
terug bij af.
De feiten van de onderhavige
casus, zoals die uit het vonnis blijken, zijn dat eiser te
voren is ingelicht;
eiser terzake van zijn
reputatieschade niet anders aanvoert dan dat het gebouw zijn
eerste kantoorgebouw was en (daarom?) een sleutelpositie
inneemt in de ontwikkeling van zijn werk;
inpassing van het gebouw in
de gemeentelijke woningbouwplannen, mede blijkens twee
deskundigen-adviezen, functioneel geen optie is.
Zou de uitslag anders zijn
geweest, wanneer de criteria van het geldend recht zouden zijn
toegepast? Wanneer wij ons beperken tot de feiten zoals die
uit het vonnis blijken, betwijfel ik dat. Die feiten tonen
niet aan dat sloop de indruk wekt dat het werk nietswaardig is
(het Bonnema-criterium). Wel moet worden toegegeven dat de
uitleg die de Zwolse rechter gebruikt, de beoordeling veel
gemakkelijker maakt. Het gemak dient de mens (lees: de
rechter), maar de vraag is of hier het gemak ook het recht
heeft gediend. Ik meen van niet.
Wie bovendien ziet waar het
om gaat – zie onder andere de hier geplaatste afbeelding - en
bedenkt dat de plannen van de Gemeente net zo goed kunnen
worden uitgevoerd door het gebouw te behouden en in de directe
omgeving de nodige bejaardenwoningen neer te zetten, zal zich
terecht afvragen of hier het morele recht niet terecht wordt
ingezet in de strijd tegen al te gemakkelijke publieke
verminkers van een mooie plek.
|