Annotatie bij Arr. Rb. Amsterdam 20 oktober 2004 (Tuijnman / Stichting het Woningbedrijf Amsterdam)
Verschenen in AMI 2005-3, p. 93-100.

J.J.C. Kabel


Herstelvordering bij verminking: die normative Kraft des Faktischen?

Inleiding

In deze zaak gaat het, wat het auteursrecht betreft, om een vordering tot herstel op grond van artikel 25 lid 1 sub d Aw van door WBA, de verzelfstandigde opvolger van het Gemeentelijk Woningbedrijf Amsterdam, verminkte detailleringen en kleurstellingen aan het gebouw Gran Vista aan de Jodenbreestraat te Amsterdam, in het begin van de jaren tachtig ontworpen door architect Dik Tuijnman. De aantasting leidde tot een onsamenhangend en rommelig beeld van de entree en van de binnenhof van het gebouw.

Herstelvorderingen, c.q. vorderingen tot een verbod van latere aanpassingen of gedeeltelijke sloop bij gebouwen kennen een sterk wisselende afloop. Zie voor een negatieve afloop Krabbendijke, Dakkapel, De Meerpaal, Röling/Haarlem en voor een positieve afloop Bonnema/Tietjerkstradeel, Gebouw van IJzer, Verbouwing computercentrum, Vegter/Friesland Bank en Politiebureau Maastricht, alle met vindplaats vermeld bij Spoor/Verkade/Visser, Auteursrecht, p. 382-384. Voorts is Caris/Eon nog van belang. Is er een lijn te vinden?

Caris/Eon: een uitschieter?

In de recente zaak Caris/Eon (Pres. Rb. Den Haag 15 september 2004, IER 2005, nr. 1, p. 10-13 met nt. Kabel) overweegt de rechter dat herstel van een beschadigd kunstwerk geen optie is, omdat de eigenaar van het werk immers ook het kunstwerk mag slopen – en waarom zou een vordering tot herstel dan moeten worden toegewezen? Dat oordeel lijkt dus openbare verminking van een werk in stand te houden omdat het werk ook in zijn geheel uit het zicht kan verdwijnen. Die keiharde logica is gebaseerd op een m.i. onjuiste uitleg door de rechter van het arrest van de Hoge Raad in de zaak Jelles/Zwolle van 6 februari 2004, AMI/Informatierecht 2004, nr. 4, p. 140-152 met nt. Seignette; IER 2004, nr. 2, p. 102-119 met nt. Grosheide. In Caris/Eon leidt de rechtbank uit Jelles/Zwolle af, dat voor een herstelvordering dezelfde criteria gelden als voor een anti-sloopvordering. Dat moet dan tenminste betekenen dat het afwijzen van een vord e ring tot herstel in geval van verminking in ieder geval scherp te worden getoetst aan de voorwaarden voor vernietiging. Het gaat dan vooral om de gegronde reden voor afbraak. Men kan de uitspraak echter ook anders lezen: slopen mag omdat zich geen reputatieschade kan voordoen indien aan de genoemde voorwaarden is voldaan, maar dat daarmee ook verminken en niet herstellen (maar wel in de openbaarheid houden) zou mogen, volgt daaruit nu juist niet. Die laatste opvatting lijkt me de juiste, omdat na de onzekerheid die bestond getuige de bovengenoemde rechtspraak, het niet erg voor de hand ligt om de uitspraak van de Hoge Raad extensief te interpreteren. Dat betekent dus dat de rechtspraak op verminking gewoon in stand blijft.

Afwijzing: reeds gerealiseerde verbouwing

In Krabbendijke ging het niet om een aantasting, maar om een wijziging en werd geoordeeld dat het totale karakter van de school na de (reeds gerealiseerde) uitbreiding niet was gewijzigd en dat deze school nog in gelijke mate als voorheen de indruk wekte de schepping te zijn van de oorspronkelijke architect. In Dakkapel mankeerde het eveneens aan aantasting en werd de reeds aangebrachte wijziging te gering bevonden, in De Meerpaal liep de architect in de val van zijn eigen multifunctionaliteit die het verbouwingsontwerp min of meer vanzelfsprekend maakte, in Röling/Haarlem werd het werk niet als zo'n belangrijk voorbeeld van het oeuvre van de architect beschouwd dat zijn reputatie zou zijn geschaad door de reeds aangevangen verbouwing. In het hier besproken geval wordt als omstandigheid bij het afwijzen van de herstelvordering meegewogen het feit dat de maker anderhalf jaar lang heeft gewacht met het instellen van een vordering, nadat hem te verstaan was gegeven dat de Stichting WBA niet eindeloos kon wachten (en de wijzigingen aan het gebouw inderdaad al had gerealiseerd). Op de Meerpaal na, betreft het allemaal gevallen waarin de litigieuze verbouwing reeds is gerealiseerd. Bij de Meerpaal is de voorgenomen verbouwing als het ware impliciet reeds gerealiseerd in het ontwerp van de architect zelf.

Toewijzing: voorgenomen verbouwing

Bonnema/Tietjerkstradeel betrof een voorgenomen aantasting die inbreuk maakte op het gehele concept van het gebouw en datzelfde was het geval bij de voorgenomen verbouwing van het Gebouw van IJzer, bij de voorgenomen renovatie in Verbouwing computercentrum en bij Politiebureau Maastricht. In die laatste zaak was de kleurstelling van de gevelwand van het gebouw reeds volgens de wens van de architect hersteld, toen het Hof de zaak behandelde. Vegter/Friesland Bank, waarin het ontwerp door de rechter werd gekwalificeerd als een ontmanteling van het oorspronkelijke gebouw, dwong de Bank tot heropening van het overleg tussen haar, haar verbouwingsarchitect en de oorspronkelijke architect Vegter. In al die gevallen ging het dus om voorgenomen aanpassingen.

Verhouding met welstandswetgeving

Een bijzondere omstandigheid in dit soort gevallen is nog de verhouding tussen het publiekrechtelijk (welstands)toezicht en het auteursrechtelijk (subjectief) droit au respect. Een interessante uitspraak over de verhouding publiek toezicht en het auteursrechtelijk verzetsrecht laat zien dat een architect die geen gebruik heeft gemaakt van de bestuursrechtelijke weg om bezwaar te maken tegen verbouwing van zijn werk, achteraf geen beroep kan doen op zijn auteursre