|
1.
Het Prins & Ploes concept dat in deze zaak aan de orde
is, is een commercieel concept, een in de wereld van
'kidsmarketing' als 'beleving' aangeduide marketingmethode
om de producten van PRINS PETFOODS (o.a. hondenvoeding van
het merk Prins) bij kinderen in de markt te zetten,
uiteraard met de achterliggende gedachte dat die kinderen
niet zullen nalaten hun ouders op Prins Petfoods te wijzen
bij het bezoek aan de supermarkt. Om een idee te krijgen
van deze methode, bezoeke men de website van Prins &
Ploes:
“Wees
welkom op de website van Prins & Ploes! (http://www.prinsenploes.nl/,
toev. K.). Op die website kun je alles lezen
over Prins & Ploes. Over de musical, de boerderij
waarop we wonen, al onze vriendjes en vriendinnetjes en
de shop! Graag tot ziens in het theater bij jou in de
buurt, tijdens de Meet 'n' Greet, op school of in de
bibliotheek! Via een ontzettend leuke spaaractie
van Prins Petfoods kun je voor diverse artikelen
sparen. Deze informatie kun je vinden op de vernieuwde
website van Prins Petfoods: http://www.prinspetfoods.nl.”
De
'beleving' omvat Prins & Ploes De Musical, De Grote
Prins & Ploes Kerstshow, een Dierenquiz,
optredens in bibliotheken tijdens de jaarlijkse
Voorleesweek, kortom: men mag zich erover verbazen nog
nooit iets van deze belevenis te zijn tegengekomen.
2.
Die beleving is verzonnen door Verkade, de eigenaar van
Prins Petfoods en op allerlei wijzen uitgewerkt door de
door Verkade aangetrokken ontwerper Paulussen. Taminiau
Licensing & Publishing B.V. (hierna Taminiau) is een
100% dochter van Taminiau Recreatie B.V., de eigenaar van
het bekende recreatiepark Het Land van Ooit, dat op
21 november 2007 failliet werd verklaard. Dat park bood
ook een beleving: kinderen waren de baas op het
historische landgoed. Net zoals Prins & Ploes
hanteerde Ooit een 'multi-channel'
marketingformule: door middel van de fysieke
ontmoetingsplaats, de site http://www.ooit.nl,
boeken, lesbrieven, merchandising en tv-programma's. Elke
ochtend werd op SBS6 het door Taminiau Television B.V.
(eveneens een 100% dochter van Taminiau Recreatie B.V.)
gratis aangeleverde programma 'Kinderen zijn de baas'
uitgezonden, een programma dat moest dienen als een
'marketing tool' voor Het Land van Ooit. Taminiau zal
Verkade hebben voorgesteld dezelfde bartering-formule
(gratis aanleveren van een programma in ruil voor
publiciteit) toe te passen op de filmserie die het
voorwerp is van de hier geannoteerde procedure.
3.
In het kader van bovengeschetste marketing filosofie,
geeft Verkade Veenendaal BV, de eigenaar van Peins
Petfoods, inderdaad in februari 2004 Taminiau voor een
aanneemsom van € 168.000 opdracht tot het maken van een
audiovisuele serie in 50 afleveringen van zes minuten elk,
die in hoofdzaak bedoeld is om als kinderprogramma op
televisie te worden uitgezonden. In de
opdrachtovereenkomst is onder meer afgesproken dat de
serie wordt afgeleverd op Digital Betacam en uiteraard
geschikt zal zijn voor vertoning op televisie. Vast staat
dat Taminiau niet voldaan heeft aan beide contractuele
verplichtingen. Zij heeft de serie niet aangeleverd op
Digital Betacam en niet voorzien van begin- en eindtitels.
Taminiau wordt dan ook veroordeeld tot nakoming van de
overeenkomst.
4.
Als het zo eenvoudig is, waarom dan deze zaak gepubliceerd
en geannoteerd? Omdat de rechter deze zaak niet louter
contractueel heeft opgelost, maar het voor de oplossing
nodig heeft geoordeeld over een interessante
auteursrechtelijke vraag te beslissen, te weten wie bij
opdrachtfilms aan te merken is als producent en wat
daarvan de rechtsgevolgen zijn. Ik zal ingaan op die
vraag, maar tevens bezien of het antwoord op die vraag
noodzakelijk was voor het eindoordeel.
5.
De vraag wie kan worden aangemerkt als filmproducent en
wat daarvan de rechtsgevolgen zijn, wordt sinds 1985
beantwoord in Hoofdstuk V van de Auteurswet. Art. 45a lid
3 Aw definieert de producent als de natuurlijke of de
rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de
totstandbrenging van het filmwerk met het oog op de
exploitatie daarvan. In de rechtspraak is die definitie
minimaal ingevuld: een gedeeltelijk financieel risico bij
de exploitatie van de film (gedeeltelijke financiering uit
door de producent te verkopen videocassettes), naast een
minimale inbreng op organisatorisch gebied (betalen van de
scriptschrijver en aandragen van locaties) is voldoende
geacht (Hof den Bosch 25 oktober 1989, Informatierecht/AMI
1990-7, p. 161-164). In de onderhavige zaak heeft Verkade
het kapitaal voor de film verschaft, loopt Verkade het
volledige financiële risico wanneer de film niet het
beoogde doel (publiciteit) bereikt en heeft Verkade een
van de makers (Paulussen) aangetrokken. Dat kwalificeert
Verkade op grond van de huidige rechtspraak als producent.
Taminiau loopt geen enkel financieel risico en zal de film
ook niet gaan exploiteren. Taminiaus werknemers hebben
Verkades formule verder in een filmserie uitgewerkt en zij
zijn volgens dit vonnis te beschouwen als de makers van
het filmwerk in de zin van art. 45a, lid 2 Aw: de
natuurlijke personen die tot het ontstaan van het filmwerk
een daartoe bestemde bijdrage van scheppend karakter
hebben geleverd. Dat artikel geldt onverminderd art. 7 Aw:
Taminiau is dus maker in de zin van dat artikel en daarom
maker van het filmwerk in de zin van art. 45a, lid 2 Aw.
Om de zaak helemaal af te dekken - misschien zijn er ook
niet-werknemers bij de film betrokken geweest - wordt in
r.o. 4.1. Taminiau, overigens zonder nader onderzoek, nog
een gewoon makerschap in de zin van art. 6 Aw - leiding en
toezicht - in de schoenen geschoven. Tenzij maker en
producent schriftelijk anders zijn overeengekomen, geldt
ingevolge art. 45d Aw dat maker Taminiau geacht wordt
vanaf het tijdstip dat de film vertoningsgereed is aan
producent Verkade het recht te hebben overgedragen de film
openbaar te maken en daar reproducties van te mogen maken.
Dat is ook wat de rechter beslist.
6.
Maar er zitten wat rare kronkels in het geheel. Alles
wijst er m.i. op dat Hoofdstuk V Aw hier niet aan de orde
had hoeven komen, beter gezegd: dat het antwoord op de
vraag wie producent is in dit geval zeker niet nodig is
voor een beslissing over de vordering van eiser.
7.
Tenzij schriftelijk anders is overeengekomen beslist de
producent wanneer de film vertoningsgereed is, aldus art.
45c Aw. In dit geval constateert de producent, nota bene
in rechte, dat de film niet vertoningsgereed is. Daar gaat
de procedure immers over. De rechter geeft de producent op
dit punt gelijk. Dan heeft de producent ook niet die
rechten die hem ingevolge het wettelijk vermoeden van
overdracht zouden toekomen.
8.
Het wettelijk vermoeden van overdracht geldt, tenzij de
makers en de producent schriftelijk anders overeengekomen
zijn. In de brief van Taminiau aan Verkade van 8 oktober
2003 wordt nu uitdrukkelijk overeengekomen dat de
auteursrechten op het beeldmateriaal, de characternamen en
de scripts van de nog te produceren televisieserie voor
Prins Petfoods, door Taminiau worden overgedragen aan
Prins Petfoods - zie r.o. 3.5. Dit is een geldige
overdracht van auteursrecht. M.i. is het tevens een
afwijkend beding in de zin van art. 45d Aw, omdat meer
rechten zullen worden overgedragen dan d.m.v. het
wettelijk vermoeden overgedragen zouden worden, o.a. ook
het bewerkingsrecht. Het wettelijk vermoeden van
overdracht van art. 45d Aw is dan niet van toepassing.
Toegegeven moet worden dat het wettelijk vermoeden het
gemakkelijker maakt om te definiëren om welke rechten het
precies gaat; dat is lang niet altijd het geval bij een
gewone overdracht en het zou kunnen dat de rechter voor de
weg van art. 45d Aw heeft gekozen om niet te hoeven
uitzoeken wat er precies was overgedragen. Maar die keuze
kan natuurlijk niet louter van zo'n motief afhankelijk
zijn.
9.
Maakt het overigens voor de vordering om de serie in een
specifiek formaat af te leveren, wat uit of Verkade
producent is? Als producent heeft hij dan het recht om de
film openbaar te maken, maar dat is in deze procedure niet
aan de orde. Hij heeft dan ook het recht om reproducties
te maken van de film ('te verveelvoudigen in de zin van
art. 14 Aw'). In bovengenoemd arrest van het Bossche Hof
werd ruzie gemaakt over de vraag wie de rechten op de
moederband kon claimen. Het Hof wees die rechten aan de
producent toe. Maar heeft de producent ook op basis van
art. 45d Aw het recht om af te dwingen dat de maker hem
reproducties in een specifieke vorm, namelijk als Digital
Betacam afstaat? Natuurlijk niet, dat zijn dingen die
nader contractueel moeten worden geregeld. En daarmee zijn
wij weer terug bij af: het gaat om uitvoering van een
overeenkomst en nergens anders over.
10.
Maar als dat zo is, dan zou dat kunnen blijken uit de
proceskostenveroordeling. En inderdaad las ik in het
vonnis een normale proceskostenveroordeling en niet een in
de zin van art. 1019h Rv. Zou dat kunnen betekenen dat ook
de rechter heeft gevonden dat het niet om een IE-zaak ging
in de zin van art. 1019h Rv , maar om een gewone
wanprestatie? Zo is het natuurlijk niet gegaan. De
aanvankelijke eis was immers een contractuele, gedaagde
heeft in reconventie niet een zodanige vordering ingesteld
en de advocaat van eiser heeft mij desgevraagd meegedeeld
dat men er geen punt van wilde maken.
|