| 1. De liberalisering van de
markt voor loterijen en andere kansspelen in de EU komt maar
moeilijk op gang. Het is overigens maar de vraag of die
liberalisering wel zo wenselijk is. Wie de standpunten van de
lidstaten (Nederland deed helaas niet mee) bekijkt, zoals die
in de conclusie van de AG in de straks te bespreken Gambelli
zaak worden verwoord, zou menen dat de wereld vergaat als dank
zij de nieuwe technologische communicatiemogelijkheden iedere
EU-burger overal maar kan gokken. Het algemeen belang, de
openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, de
bescherming van de consument, de financiering van sociale,
culturele en sportieve activiteiten, het waarborgen van een
redelijk welstandsniveau van de Europese burger, al die nobele
doeleinden worden aangevoerd als doeleinden die dreigen te
worden gefrustreerd door inbreuken op de nationale monopolies
voor kanspelen. Ook in de hier geannoteerde zaak worden
doeleinden als deze door de rechter beslissend geacht voor de
ontoelaatbaarheid van gedaagde's activiteiten op de
Nederlandse markt voor kansspelen: het verbod in artikel 1 van
de Wet op de kansspelen om kansspelen zonder vergunning aan te
bieden dient ter bescherming van het publieke belang bij het
inperken van fraudegevoeligheid en van excessieve goklust.
Speelt hier nog de vrees voor de excessieve goklust van onze
voorouders, de Germanen van wie immers bekend is dat zij huis
en haard, vrouw en kinderen verspeelden bij het dobbelspel
(zie Tacitus, Germania, 24, en verder voor de bonte
reeks van historische motieven tot breideling van kanspelen A.
Komen en D.W.F. Verkade, Kansspelen en cadeau-acties,
Kluwer: Deventer 1972, p. 111-123)?
2. Het is, gesteld voor die
vloed aan argumenten voor beperking, bepaald verhelderend om
de analyse te lezen die AG Alber in zaak C-243/01
(Strafverfahren gegen Piergiorgi Gambelli u./a.) van 13 maart
2003 ten beste geeft. In zijn analyse betrekt hij de eerdere
drie zaken op dit terrein: Schindler, Läärä en Zenatti (resp.:
C-275/92, C-124/97 en C 67/98). Zijn analyse laat vooral zien
dat een coherente aanpak van de markt voor kansspelen een
lidstaat de meeste kansen biedt om aan de bepalingen omtrent
de vrijheid van dienstverlening en de vrijheid van vestiging
te voldoen. Schindler is wat dat betreft een mooi voorbeeld.
Het tot de Engelse Lotteries Act van 1993 geldende absolute
verbod van grote, nationale loterijen kon in Engeland
tegenover buitenlandse aanbieders worden gehandhaafd, omdat
het inderdaad, behoudens enkele kleine, locale uitzonderingen,
een absoluut verbod was. Een relatief verbod (verboden,
behoudens vergunning), is ontvankelijker voor
Europeesrechtelijke kritiek, vooral ook omdat niet altijd even
goed valt in te zien waarom een vaderlands excessief maar op
vergunningen gestoeld aanbod niet en een naar haar aard altijd
bescheiden buitenlands aanbod wél de goklust zou bevorderen.
De Italiaanse situatie, zoals beoordeeld in de conclusie van
Alber, spreekt in dit opzicht boekdelen. De betrekkelijk
recente (2000) Italiaanse wetswijziging heeft het regime voor
het aanbieden van kansspelen aanmerkelijk verlicht, laat een
zeer agressieve reclamevoering toe en is de basis geweest voor
meer dan 1000 verleende concessies aan binnenlandse
kansspelaanbieders. In een dergelijke situatie komt het
lichtelijk hypocriet voor om een buitenlandse aanbieder, in
dit geval de in Liverpool gevestigde bookmakersfirma Stanley
International Betting die onder een Engelse vergunning via
Italiaanse bemiddelaars (o.a. Gambelli) gelegenheid geeft te
gokken op de uitslag van voetbalwedstrijden, aan te pakken
door de desbetreffende bemiddelaars strafrechtelijk te
vervolgen. De AG concludeert dan ook dat de Italiaanse
regeling zich niet verdraagt met de vrijheid van
dienstverlening.
3. De situatie in Nederland
is natuurlijk héél anders dan die in Italië. Men zie het
volgende staatje dat de resultaten van de activiteiten van de
grote vergunnninghouders (Holland Casino, Bank Giro Loterij,
De Lotto, Sponsorloterij, Autotote, Staatsloterij, Nationale
Postcode Loterij en Zorgloterij) aangeeft in de periode
1996-2001 (bron:http://www.toezichtkansspelen.nl/cijfers/jaar1996_2001.pdf).
|
Kerngegevens
vergunninghouders 1996 t/m 2001 (in miljoenen euro) |
| |
1996 |
1997 |
1998 |
1999 |
2000 |
2001 |
|
spelopbrengst |
782 |
853 |
947 |
1.050 |
1.121 |
1.289 |
| saldo kosten |
370 |
403 |
449 |
500 |
548 |
644 |
| belastingen |
68 |
76 |
84 |
92 |
105 |
128 |
| netto
opbrengst |
344 |
374 |
414 |
458 |
468 |
517 |
| belasting in
prijzen |
35 |
40 |
47 |
51 |
54 |
64 |
Een ding is duidelijk: er
gaat heel wat om en het gaat omhoog. De te verdedigen belangen
zijn groot. Het buitenlandse aandeel, onderzocht in het
rapport Deelname aan buitenlandse kansspelen in Nederland
2002 door Lucien Vermeer en Maroesjka Brouwer, uitg. NIPO
Consult Amsterdam, lijkt nog bescheiden, maar is stijgend. Uit
het rapport blijkt dat ongeveer 6% van de Nederlandse
huishoudens wel eens meedoet aan een buitenlands kansspel. Dat
komt neer op een besteding van eveneens 6 % van het totaal
bedrag dat aan kansspelen wordt besteed. Ongeveer 9% van de
buitenlandse kansspelen wordt gespeeld via internet. Het
overgrote deel gaat per post. De Duitse lotto is de
belangrijkste component op de Nederlandse markt voor
buitenlandse kansspelen (56% van het totaal). Ladbrokes
verzorgt een gedeelte van de in totaal 2% aan buitenlandse
sportprijsvragen en bookmaking.
4. De verdediging tegen de
buitenlandse concurrentie is met wisselend resultaat gevoerd.
Opvallend is dat van strafrechtelijke handhaving geen sprake
is, het gaat steeds om bestaande vergunninghouders die als
eiser wegens oneerlijke mededinging optreden in een civiele
procedure. Pres. Rb. Den Haag (14 februari 1997, NTER
1997, nr. 4, p. 69-71 met commentaar van Van Zutphen) oordeelt
in De Nationale Postcode Loterij/Schindler, dat artikel
1 aanhef en onder b. van de Wok discrimineert tussen nationale
en buitenlandse loterijen, omdat bevordering van deelneming
aan buitenlandse loterijen verboden is, onafhankelijk van de
vraag of zij al dan niet over een vergunning beschikken.
Artikel 1 verbiedt onder a. “gelegenheid te geven om mede te
dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der
winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de
deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen
uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is
verleend;” en verbiedt vervolgens onder b.: “de deelneming
hetzij aan een onder a bedoelde gelegenheid, gegeven
zonder vergunning ingevolge deze wet, hetzij aan een
overeenkomstige gelegenheid, gegeven buiten het Rijk in
Europa, te bevorderen of daartoe voor openbaarmaking of
verspreiding bestemde stukken in voorraad te hebben;
(curs. K.)”. De cursieve zinsnede doet het artikel in strijd
zijn met art. (ex-) 59 EG-verdrag. Op grond daarvan zou de WoK
moeten worden gewijzigd, zoals ook Van Zutphen terecht
concludeert (p. 71). Bovendien onderzoekt de President de
materiële controle die op de buitenlandse loterij wordt
uitgeoefend. De, in dit geval Duitse, controle is
gelijkwaardig aan de Nederlandse en alleen dat is al een reden
om de formele overtreding niet onrechtmatig te achten
tegenover de Postcode Loterij. In hoger beroep onderzoekt het
Hof (Hof den Haag 19 november 1998, NJ 1999, 679), net
zoals de President, of beide loterijen zodanig van elkaar
verschillen, dat Schindler's Süddeutsche Klassen Loterie het
als het ware veel makkelijker heeft in Nederland dan de
Postcode Loterij. In casu zijn de verschillen niet zo groot
dat Schindler een ontoelaatbare voorsprong zou genieten. Het
Hof heeft ook nog bekeken of de omzet van Schindler in
Nederland bedreigend was voor de NPL en geconcludeerd dat die
stabiel op ongeveer 2% van de totale Nederlandse bestedingen
bleef, terwijl het aandeel van de NPL in twee jaar (1995-1997)
beduidend toenam van 15 miljoen tot 443 miljoen.
5. Anderzijds oordeelde Vznr
Rb Utrecht (27 februari 2003, LJN nr. AF5121) in Holland
Casiono/Paramount c.a. dat het aanbieden in Nederland van
interactieve kansspelen (met casinospelen vergelijkbare spelen
op het internet) door onder meer een Amerikaanse aanbieder
zonder vergunning een oneerlijke voorsprong oplevert op
Holland Casino, omdat de fysieke controle (op identiteit,
overschrijding speelmaxima, het weren van minderjarigen) en de
bijbehorende maatregelen die door HC kunnen en moeten worden
uitgeoefend, nu eenmaal ontbreken op het internet. Bovendien,
maar dat is een betwistbaar argument, zoals wij zullen zien,
zou de verplichting van HC om de netto-opbrengst aan de
staatskas over te dragen, een verplichting die niet voor
Paramount c.a. geldt, HC in een nadelige concurrentiepositie
brengen tegenover Paramount c.a.
6. In de onderhavige
uitspraak worden de Engelse vergunningsvereisten naast de
Nederlandse gelegd en wordt geconcludeerd dat Ladbrokes
onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op grond van het
Engelse recht gehouden is aan dezelfde (strenge) voorwaarden
als het Nederlandse, zoals de voorwaarde het grootste deel van
de opbrengsten te besteden aan goede doelen, maximale inleg-
en verliesbedragen en het aantal aan te bieden kansspelen. De
laatste twee voorwaarden beogen de speler te beschermen en
zijn, aldus de president, te beschouwen als rechtvaardiging
voor de beperking op het vrije dienstenverkeer. De eerste
voorwaarde kan, op zichzelf beschouwd, niet dienen als een
afzonderlijke rechtvaardiging voor het wettelijk verbod en het
is m.i. maar de vraag of zij wel kan dienen als grond voor een
rechterlijk verbod dat is gebaseerd op oneerlijke mededinging
wegens wetsovertreding. Economisch voordeel voor de fiscus of
voor sociale activiteiten die door opbrengsten uit kansspelen
worden ondersteund, is nu eenmaal geen geldige reden voor
beperkingen van grensoverschrijdende dienstverlening.
Onderzoek naar de proportionaliteit van de Nederlandse
beperkingen in de uitspraak niet verricht. Toch is dat een
belangrijke toetssteen, zoals weer eens blijkt uit de
conclusie van AG Albert in de Gambelli zaak.
7. Zoals bekend is de
Richtlijn elektronische handel niet van toepassing op
kansspelen. Wij moeten het dus van het primaire EG-recht
hebben. Het gaat om een grensoverschrijdende dienstverlening,
die door de Nederlandse Wok wordt verboden. Wat de
rechtvaardigingen voor dat verbod betreft: opmerkelijk is dat
de AG in Gambelli zegt dat alle gronden die de Italiaanse
Staat aanvoert voor het strafrechtelijk verbod reeds gedekt
zijn door de Engelse vergunning (punt 112-113). De vraag waar
het om gaat is dan vervolgens of de strafrechtelijke aanpak
een geschikt middel is om de doeleinden te bereiken die als
rechtvaardiging voor een verbod kunnen gelden en of het niet
met minder ernstige middelen kan. Ik merk op dat wij in
Nederland ook een strafrechtelijke handhaving kennen van het
verbod (art. 31 Wok, jo art. 1 onder 1 en 3 van de Wet
Economische Delicten). Het voorkomen van strafbare feiten en
het tegengaan van fraude zal, aldus de AG, genoegzaam worden
tegengaan in de lidstaten van de EU die immers alle een
wettelijke regeling kennen met betrekking tot kansspelen en de
beteugeling van de gevaren ervan. Het lijkt hem niet nodig dat
andere lidstaten dat nog eens overdoen. De vraag hoe de
gokzucht beteugeld dient te worden, is vooral, ik merkte het
hierboven al op, een vraag naar de coherentie van het gevoerde
beleid met betrekking tot kansspelen. In dat opzicht is vooral
van belang wat de lidstaat toelaat op nationaal spelgebied.
Versoepeling van de normen voor bestaande vergunninghouders en
een agressieve promotie voor kanspelen kunnen relevante
beoordelingsfactoren zijn. M.i. zal ook van belang kunnen zijn
wat de lidstaat in meer positieve zin doet (flankerend beleid
om het zo maar eens te noemen) om gokverslaving tegen te gaan.
Daarnaast is nog van belang de vraag of er sprake is van een
protectionistische regeling. De laatste vraag kan voor
Nederland zonder meer bevestigend worden beantwoord.
Onderdanen van andere EU-lidstaten kunnen immers, anders dan
Nederlanders, geen vergunning krijgen.
8. Wat de coherentie betreft:
in ons land mag niemand, ook de huidige vergunninghouders
niet, interactieve kansspelen (e-gambling, virtueel gokken) op
internet aanbieden. De huidige vergunningen laten daar geen
ruimte voor en nieuwe vergunningen worden daartoe vooralsnog
niet verleend (zie M. de Koning en N.M. Wisman, 'Kansspelen op
het internet', NJB 2001/17, p. 1237 en voor een geval
van handhaving van dit verbod: Pres. Rb. den Haag 16 januari
2001, KG 2001, 1356, LJN-nummer: AA9524). Op dat
punt is de situatie dus te vergelijken met die in de
Schindler-zaak en is er ook geen onderscheid tussen binnen- en
buitenlandse aanbieders. Zolang aan dat standpunt maar flink
kan worden vastgehouden, behoeft m.i. niet gevreesd te worden
voor Europeesrechtelijk afgedwongen liberalisering van de
interactieve kansspelenmarkt. Niettemin, de verleiding om de
bestaande vergunninghouders wel de mogelijkheid te geven het
net op te gaan zal groot zijn. Justitie beraadt zich, in
overleg met EZ over de invoering van een proefperiode met
eisen waaraan m.i. geen buitenlandse aanbieder aan zal kunnen
voldoen (Kamervragen 356, TK 2002-2003, Aanhangsel, p.
747-748). De afloop blijft een gokje.
|