| 1. Het gaat om een
horizontale (XS4ALL-Ab.Fab) beperking van het gebruik van een
bepaald communicatiemedium (ongevraagde e-mail) vanwege de
aard van de boodschap (commercieel) en de aard van de
ontvanger (natuurlijke persoon, consument). De horizontale
beperking is door het door de Voorzieningenrechter
uitgesproken verbod verticaal geworden, d.w.z. er is sprake
van een aan artikel 10 EVRM toetsbare overheidsinmenging. Dat
zal ook het geval zijn wanneer art. 13 van
Richtlijn 2002/58 van 12 juli 2002 (richtlijn betreffende
privacy en elektronische communicatie, omzetting vóór 31
oktober 2003, PbEG 31 juli 2002, L 201/37) in ons recht
is geïmplementeerd. Dat artikel zal dit communicatiemiddel
immers verbieden. De vraag wat er dan precies wordt verboden,
leent zich voor een afzonderlijke beschouwing.
2. De discussie over de
constitutionaliteit van zo een verbod is vooral in de VS
gevoerd. Zie o.m. als overzichtsartikelen Michael A. Fisher,
'The Right to Spam? Regulating Electronic Junk Mail',
Columbia VLA Journal of Law & the Arts , Vol. 23, Nos. 3 &
4, Spring 2000, p. 363-419 en al eerder Michael W. Carroll, 'Garbage
in: Ermerging Media and Regulation of Unsolicited Commercial
Communications', Berkeley Technology Law Journal ,
Vol. 11: 2, p. 233-280. Beide artikelen bevatten tevens
interessante overzichten van rechtspraak m.b.t. andere vormen
van ongevraagde reclame (colportage, brievenbusreclame,
telefonische werving en fax). Datzelfde is het geval met een
goed overzicht van de Duitse rechtspraak terzake in Jörg
Reichelsdorfer, '“eMails” zu Werbezwecken – ein
Wettbewerbsverstosz?', GRUR 1997, Heft 3, p. 191-198.
3. In deze zaak vragen eisers
(de ISP en enkele geadresseerden) een verbod. Die vordering is
aanvankelijk toegewezen (zie Voorzieningenrechter Rb.
Amsterdam 7 maart 2002, Computerrecht 2002, nr. 3, p.
152-157 met annotatie A.R. Lodder) en wordt nu afgewezen. De
grief dat een verbod in strijd met artikel 10 EVRM zou zijn,
is door appellant niet aangevoerd. Fisher en Caroll, de veel
op die van artikel 10 EVRM lijkende First Amendment test
toepassend, concluderen dat de bestaande Amerikaanse
wettelijke verboden de toets aan de relevante Central
Hudson en de Fox uitspraken van het US Supreme
Court kunnen doorstaan. De test vereist, ongeveer net zoals
die van artikel 10 EVRM, dat er een substantieel
overheidsbelang gemoeid is met een verbod, het verbod
doelmatig is en niet verder gaat dan noodzakelijk is om het
desbetreffend belang te beschermen. Als te beschermen belangen
zijn gewogen: dat van de relationele privacy van
geadresseerden, dat van behoud van het medium (e-mail) en dat
van het voorkomen van kostenverschuiving door de adverteerder
naar de geadresseerde (cost-shifting). Bescherming van
relationele privacy zal geen sluitend belang kunnen opleveren;
zoals Goldstone, geciteerd bij Carroll (p. 272) opmerkt: A
home in the real world is (…) a way of keeping the world out.
(…) An online home , on the other hand, is a little hole you
drill in a wall of your real home to let the world in.” Of
behoud van het medium een sluitend belang kan opleveren is
onzeker, mede gelet op het bestaan avn alternatieve media
(Carroll, p. 274). De zaak voor cost-shifting als belang ligt
sterker. In Destination Ventures, Ltd. v. FCC, 46 F. 3d
54, 56 (9th Cir. 1995) is dat belang aanvaard als
rechtvaardiging voor een verbod van ongevraagde faxpost. De
bestaande faxtechnologie leidt immers per definitie tot een
kostenverschuiving van adverteerder naar ontvanger (Verkade
pleitte er al voor de variabele kosten van de fax-transmissie
geheel te laten betalen door de verzender, zie zijn artikel
'Fax-probleempjes' Mediaforum 1990-4, p. 43). Dat is
bij de e-mail technologie niet altijd het geval, maar
afhankelijk van de vraag of de geadresseerde een vast bedrag
per maand betaalt, dan wel betaalt voor de telefoonminuten.
4. Het cost-shifting argument
wordt niet genoemd in de preambule van Richtlijn 97/66 (de
ISDN- of Bijzondere Privacyrichtlijn, de voorganger van de
huidige richtlijn) als ratio voor het verbod van
geautomatiseerd (bellen en) faxen in artikel 12 van die
richtlijn, noch in de toelichting bij artikel 11.7
Telelcommunicatiewet. Losjesweg wordt in de preambule alleen
het belang van bescherming van de persoonlijke levensfeer
genoemd. In de toelichting wordt in het geheel niets over de
ratio opgemerkt.
5. Het cost-shifting argument
is wel uitdrukkelijk als ratio opgevoerd voor het verbod van
artikel 13 van de huidige richtlijn van 12 juli j.l. Ik citeer
uit preambule (40): “De verzending van dergelijke ongewenste
commerciële mededelingen kan betrekkelijk gemakkelijk en
goedkoop geschieden en anderzijds een belasting en/of kosten
voor de ontvanger met zich meebrengen.” En verder, in
preambule (42), wordt gezegd: “Andere vormen van direct
marketing die duurder zijn voor de verzender en geen
financiële kosten voor de abonnees en gebruikers met zich
meebrengen (…) kunnen de instandhouding van een systeem
rechtvaardigen waarbij abonnees of gebruikers kunnen aangeven
dat zij dergelijke oproepen niet wensen te ontvangen.” De
keuze voor opt-in of opt-out lijkt hier dus bijna geheel aan
de kostenconsequenties van de gebruikte technologie te zijn
opgehangen.
6. In het arrest wordt bij
'sHofs analyse van de bestaande regelgeving over dit argument
niets gezegd. Het komt pas aan de orde bij de vraag naar de
mogelijke onrechtmatigheid tegenover XS4ALL. Het Hof legt de
bestaande regelgeving met betrekking tot ongevraagde
(elektronische) direct marketing grammaticaal uit. Die
regelgeving kan als volgt worden weergegeven. Geautomatiseerd
bellen en faxen is zonder voorafgaande toestemming verboden
voor verkoop op afstand (art. 7:46h lid 2 BW) en daarenboven
in het algemeen voor charitatieve en ideële doeleinden (art.
11.7 lid 1 Telecommunicatiewet); alle andere
communicatietechnieken voor verkoop op afstand (waaronder ook
e-mail) zijn onderworpen aan een opt-out regeling (lid 3 van
7:46h BW), gewone telefonische commerciële werving voor
verkoop op afstand is onderworpen aan een identificatie- , een
herkenbaarheidsplicht en een opt-out regeling nmet
bijbehorende periodieke bekendmakingsregeling van de opt-out
mogelijkheid (lid 1, 3 en 4 van 7:46h BW) en ingevolge art.
11.7 lid 2 Telecommunicatiewet is telefonische werving in het
algemeen aan een opt-out regeling gebonden. Voor de
volledigheid meld ik nog:
a. art. 435e S. dat
strafbaar stelt het via de telefoon aanbieden van goederen
en diensten tegen betaling, wanneer daarbij te kennen wordt
gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of
ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd;
b. art. 240 S. dat
niet-gewilde confrontatie met pornografie strafbaar stelt.
“Met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of
geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die weet
of ernstige reden heeft om te vermoeden dat een afbeelding
of voorwerp aanstotelijk voor de eerbaarheid is en die
afbeelding of dat voorwerp: (...) 2°. aan iemand, anders dan
op diens verzoek, toezendt.” In ieder geval is met deze
bepaling een vorm van veel voorkomende commerciële e-mail al
verboden, te weten die waarin pornografie wordt aangeboden,
zonder dat de ontvanger daarom heeft gevraagd. De porno à
publicité, il n'y a qu' un pas!
7. Het huidige wettelijk
systeem terzake is onvolgroeid, technologiespecifiek en daarom
lichtelijk 'overdone'. Een regeling voor ongevraagde
brievenbusreclame is aan zelfregulering overgelaten.
Ongevraagde commerciële e-mail is alleen geregeld bij verkoop
op afstand. De eisen van herkenbaarheid en identificatie komen
al in algemene zin voor in de Aanpassingswet richtlijn inzake
elektronische handel. Artikel 3:15e lid 1 BW zal op grond van
die wet immers als volgt komen te luiden: “Indien commerciële
communicatie deel uitmaakt van een dienst van de
informatiemaatschappij of een dergelijke dienst vormt, zorgt
degene in wiens opdracht de commerciële communicatie geschiedt
dat: a. de commerciële communicatie duidelijk als zodanig
herkenbaar is; b. de commerciële communicatie zijn identiteit
vermeldt.(...)”. (Vgl. over de laatste regel: CvB Stichting
Reclame Code 25 april 2002, IER 2002-5 (T easer voor
Head & Shoulders) met annotatie JK). De Wbp geeft een
algemene opt-out regeling voor gegevensverwerking ten behoeve
van direct marketing voor commerciële en charitatieve (niet
voor ideële) doeleinden inclusief bekendmakingsregelingen.
8. Het beeld is echter
duidelijk. De wettelijke regeling betekent voor de verzender
van wervende, niet-geautomatiseerd verzonden informatie:
a. informatieplichten ten
behoeve van de ontvanger omtrent de aard van de informatie
en de identiteit van de aanbieder van de informatie;
b. opt-out regelingen ten
aanzien van de verwerking van persoonsgegevens en de
verzending van wervende informatie op commercieel,
charitatief en ideëel terrein;
c. bekendmakingsregelingen
terzake van de opt out.
9. Geautomatiseerd verzonden
wervende informatie via telefoon of fax, zonder menselijke
tussenkomst dus, is m.i. niet meer en vogue.
'Junkfaxen' aan consumenten komen in ons land nog maar
sporadisch voor en Karin Bloemen en haar bandje voor de krant
op Zondag is met de Krant ten onder gegaan (zie Sciarone,
'Hoofdstuk 11 van de Telecommunicatiewet', Privacy &
Informatie 1999-5, p. 203). De aldus onnodige technologie
specifieke artikelen die deze vorm van marketing verbieden,
laten echter wel zien wat, zonder toestemming vooraf van de
ontvanger, wordt verboden: het onpersoonlijk en niet
interactief, grootschalig gebruik van een persoonlijk,
interactief communicatiemedium voor doeleinden van direct
marketing op commercieel, charitatief en ideëel terrein.
10. Het Hof past
bovenomschreven positiefrechtelijke regeling als gezegd braaf
toe. E-mail is geen telefoon of fax en valt dus niet onder de
bepalingen omtrent geautomatiseerde verzending. Van toepassing
kunnen dan alleen maar zijn de bepalingen omtrent verkoop op
afstand. Die bevatten echter enkel een opt-out regeling.
Wanneer die wordt nagekomen, is er niets aan de hand en dat
geldt ook voor toepasselijkheid van de bepalingen inzake
opt-out bij de verwerking van persoonsgegevens voor doeleinden
van direct marketing.
11. Had het Hof niet analoog
moeten uitleggen? Is de e-mail waar het hier om gaat immers
niet te beschouwen als het onpersoonlijk en niet interactief,
grootschalig gebruik van een persoonlijk, interactief
communicatiemedium voor doeleinden van direct marketing op
commercieel? Zou het kostenverschuivingsargument dat althans
in de VS de ratio is geweest voor het verbod op ongevraagde
faxverzending ook bij e-mail niet een rol moeten spelen?
12. Voor de door het Hof
gekozen uitleg uitleg pleit het gegeven dat de Europese
wetgever zelf met een richtlijn en een voor Europa nieuwe
ratio komt waaruit duidelijk blijkt dat naar positief recht
voor e-mail géén analoge uitleg is aangewezen, maar de
wetgever e.e.a. uitdrukkelijk tot dusver niet heeft geregeld.
Art. 13 van richtlijn 2002/58 noemt immers e-mail (waaronder
SMS-berichten, zie pre-ambule (40)) uitdrukkelijk naast het
gebruik van automatische oproepsystemen zonder menselijke
tussenkomst (automatische oproepapparaten) en hanteert voor
het eerst het kostenargument. Tevens pleit voor de uitleg van
het Hof het, overigens niet meegenomen gegeven, dat het hier
hoe dan ook gaat om een beperking van de vrijheid van
meningsuiting.
13. Naast bovenomschreven
regelgeving, bestaan ook andere rechtsmiddelen die kunnen
worden gebruikt in de strijd tegen spam. Door de bank
genomen zijn dat de volgende:
a. een recht om van
informatie verschoond te blijven, kort gezegd: een negatieve
informatievrijheid of een negatieve ontvangstvrijheid (zie
voor deze begrippen J.J.C. Kabel, Uitingsvrijheid en
absolute beperkingen op handelsreclame, Deventer: Kluwer
1981, p. 111 en J.M.
de Meij e.a.,
Uitingsvrijheid, Amsterdam: Otto Cramwinckel
Uitgever 2000, p. 134)
b. ongerechtvaardigde
verrijking;
c. intellectuele en gewone
eigendomsrechten;
d. oneerlijke mededinging
en andere vormen van onrechtmatige daad, waaronder
misleiding en aantasting van reputatie
e. contract;
f. bescherming van
persoonsgegevens.
14. De Meij e.a. menen dat
wanneer het gaat om publicaties van een niet strafbare inhoud,
het recht om daarvan niet te hoeven kennisnemen voldoende
verzekerd is als de burger door het afwenden van de blik, het
weigeren van een aangeboden tekst of het omdraaien van de knop
(verdere) kennisneming kan beëindigen. Juridische maatregelen
zouden op dit punt de uitingsvrijheid zelf kunnen schaden. (De
Meij e.a., t.a.p.). Negatieve informatievrijheid impliceert
dus wel een recht, maar inbreuk kan door de rechthebbende zelf
worden voorkomen; als dat niet zo is en de uitingen feitelijk
onvermijdbaar zijn, wordt het pas interessant. Het recht om
van informatie verschoond te blijven, is een individueel
recht; het moet er niet toe kunnen leiden dat de negatieve
keuze van één burger de vrijheid van andere burgers om van die
informatie kennis te nemen beperkt. Daarop is wellicht alleen
een uitzondering te maken wanneer het gaat om informatie
waarvan een overgrote meerderheid verschoond zou willen
blijven. Maar dan nog blijft dat een criterium dat in ieder
geval bij gewone publiciteit gevoelig ligt en dat alleen in
zeer bijzondere gevallen toepasssing verdient (Kabel, p. 112).
15. Een actie uit
ongerechtvaardigde verrijking behoeft niet tot een verbod te
leiden van de desbetreffende activiteiten, maar kan wel leiden
tot een vermogensverschuiving die op zijn beurt weer
preventief kan werken. Een actie uit ongerechtvaardigde
verrijking is onder meer toewijsbaar indien de gedaagde zich
kosten heeft bespaard of zijn inkomen heeft vergroot door
zonder diens toestemming gebruik te maken van het goed van een
ander (E.J.H. Schrage, Verbintenissen uit andere bron dan
onrechtmatige daad of overeenkomst (Monografieën Nieuw
BW), Deventer: Kluwer 1998, p. 60-61). Deze voorwaarden zijn
in beginsel van toepassing op faxreclame en kunnen verklaren
waarom het cost-shifting argument inderdaad berust op
een vorm van onrechtmatig gedrag. Zij zijn m.i. niet van
toepassing op de verhouding e-mail adverteerder-consument
omdat moeilijk valt in te zien dat in dat geval gebruik is
gemaakt van het goed van de consument; zou dat wel het geval
zijn, dan is tegelijkertijd tenminste vereist, in het
bestaande regelsysteem, dat de eiser van te voren duidelijk
heeft gemaakt dat hij geen commerciële e-mail wenst te
ontvangen. Het belang lijkt in individuele gevallen ook niet
voldoende om een rechtsstrijd aan te gaan. De dan voor de hand
liggende gezamenlijke actie van een groep consumenten, heeft
het in de VS niet gehaald. In de Kenro-zaak (Kenro,
Inc. v. Fax Daily, Inc., 962 F. Supp. 1162, 1168), waarin
het ging om een actie gebaseerd op tresspass to chattel
(inbreuk op eigendomsbelangen), wees de rechter de
class-action al in een vroeg stadium af door te oordelen dat
hij niet vast kon stellen of ieder lid van de klasse wel
voldaan had aan de eis tevoren geprotesteerd te hebben tegen
de ontvangst van commerciële e-mail (zie Fisher, p. 382, 388).
De Voorzieningenrechter heeft in deze zaak beslist dat D. c.s.
(de 'spam' ontvangers) geen belang hadden bij een verbod,
omdat zij niet van te voren geprotesteerd hadden tegen de
ontvangst van AB.Fab's commerciële e-mail. Daardoor komt de
kwestie, in het voetspoor van de Amerikaanse rechtspraak,
verder in het geheel niet meer aan de orde. Het Hof heeft de
vraag naar de eigendom van enig goed alleen behandeld t.a.v.
XS4ALL.
16. Dat gebruik is gemaakt
van goederen van eiser in een actie uit ongerechtvaardigde
verrijking, lijkt inderdaad meer voor de hand te liggen bij
een actie ingesteld door de ISP. Intussen is de zaak niet in
die sleutel gezet, maar alleen in die van de vraag onder welke
omstandigheden het gebruik door Ab.Fab van de voorzieningen
van XS4ALL als inbreuk op haar eigendomsrecht, dan wel als
onrechtmatig kan worden beschouwd. In CompuServe v. Cyber
Promotions (962 F. Supp. 1015, (S.D. Ohio 1997)) is
inderdaad aanvaard dat elektronische signalen door een
computer verzonden voldoende fysiek tastbaar zijn om te kunnen
spreken van 'intermeddling' met andermans eigendom, i.c. de
apparatuur van de ISP. Voor een geslaagde actie uit inbreuk op
andermans eigendom (i.c. de reeds genoemde actie uit
tresspas to chattel) is echter meer nodig: er moet ofwel
schade worden toegebracht aan de materiële waarde van de
eigendom, ofwel de eigenaar moet voor een substantieel deel
van het gebruik van zijn eigendom zijn verstoken geweest dan
wel geraakt zijn in een ander rechtens beschermd belang
(bijvoorbeeld zijn reputatie). I.c. achtte de Amerikaanse
rechter deze omstandigheden aanwezig. Daarbij moet echter
worden aangetekend, dat in dit geval de adverteerder
opzettelijk de blokkeringsmaatregelen van de provider had
omzeild door de afzenders-informatie te wijzigen (misleiding).
17. De vraag naar de
eigendomsinbreuk wordt door het Hof vreemd genoeg niet langs
bovenstaande lijn beantwoord, maar gezet in de de sleutel van
de publieke dienstverlening van de ISP. Die dienstverlening
zou betekenen dat XS4ALL vrij is om aangeboden berichten niet
door te sturen, maar niet om de aanbieder te verbieden die
berichten aan te bieden. Dat komt me onbegrijpelijk voor,
omdat het laatste immers tegenover de aanbieder behoorlijker
is, want transparanter, dan het eerste. En het is juist de
overweging omtrent de publieke dienstverlening, die het Hof
ertoe brengt te oordelen dat het gebruik door Ab.Fab van de
voorzieningen van XS4ALL niet zonder meer een vorm van gebruik
is die inbreuk maakt op de (eigendoms)rechten van XS4ALL. Ik
zie het verband niet tussen overweging en oordeel.
18. Wat de onrechtmatigheid
betreft valt uit de beslissing van het Amsterdamse Hof af te
leiden dat het voor een geslaagde verbodsactie tenminste nodig
is dat:
a. De ISP uitdrukkelijk
bekend heeft gemaakt ongevraagde commerciële e-mail
berichten te weigeren;
b. De desbetreffende e-mail
in bulk wordt verzonden en daardoor het systeem van de
provider onevenredig wordt belast;
c. De kosten voor de
provider meer dan minimaal zijn.
19. De voorwaarden onder b.
en c. waren volgens het Hof niet vervuld. Het argument (te
ontlenen aan de gronden voor onrechtvaardigde verrijking) dat
appellant zich kosten heeft bespaard of zijn inkomen heeft
vergroot door zonder diens toestemming (aan voorwaarde a. was
immers voldaan) gebruik te maken van het goed van een ander,
komt niet aan de orde. Toch is dat, zoals boven wel is
gebleken, eigenlijk het belangrijkste argument in de hele
discussie (zie par. 5, supra).
20. Ik merk nog op dat de
belangrijkste grond voor het optreden van XS4ALL, namelijk het
behoud van goodwill bij haar abbonnees, volgens de redenering
van het Hof nooit een verbod kan rechtvaardigen, omdat, en ik
citeer: “spam nu eenmaal over de hele wereld rondwaart”. Dat
lijkt wel erg kort door de bocht.
21. Tenslotte het punt van de
derdenwerking. De feitenweergave is onduidelijk. Eenerzijds
zou Ab.Fab klant zijn en dus gebonden aan de contractuele
voorwaarden, anderzijds wordt beslist over derdenwerking en is
Ab.Fab dus niet rechtstreeks gebonden. Ik ga er hier vanuit
dat Ab.Fab gebruiker is en geen abonnee. Contracten werken
alleen tussen partijen. Die regel is niet in het huidige BW
opgenomen; de artikelen 6:251-257 BW noemen alleen de gevallen
waarin derden in ieder geval wel aan een contract tussen
anderen zijn gebonden. Die gevallen zijn niet limitatief. Dit
geval (een verbod van een bepaalde vorm van gebruik van
voorzieningen van de wederpartij) valt niet onder de in de wet
genoemde gevallen. Het lijkt het meest op de overgang van een
kwalitatieve verplichting (art. 6:252 BW). De voorwaarden die
aan die overgang zijn gesteld, lenen zich m.i. nauwelijks voor
een analoge uitleg. Datzelfde geldt voor de voorwaarden die de
HR terzake heeft gesteld in HR 20 juni 1986, NJ 1987,
35 (Citrona). Het zou m.i. overigens vreemd zijn dat het Hof
enerzijds zou besluiten tot niet-onrechtmatigheid en
anderzijds tot derdenwerking. Vgl. over de samenloop van beide
rechtsmiddelen verder Vranken in WPNR 2002/6472.
22. Ik ben hier niet ingegaan
op de Wbp als rechtsmiddel en verwijs daarvoor naar de
uitgebreide analyse van R. Lodder en J.P.R. Bergfeld, in: 'De
moeizame strijd tegen spam'', NJB 2002, afl. 22, p.
1057 en naar de annotatie van
W.A.M.
Steenbruggen onder de zaak Teleatlas in dit nummer.
|