Auteursrecht
Nr. …
Rechtbank Zwolle
21 november 2001
(Mr. W.J.B. Cornelissen)
(mt. nt. JK)
(Jelles tegen Gemeente
Zwolle)
Sloop van een gebouw.
Morele rechten. Betekenis van 'aantasting' in artikel 25
lid 1 sub d Aw. Grammaticale en wetshistorische uitleg
noopt ertoe onder aantasting niet te begrijpen een totale
vernietiging van een werk.
ir. E.J. Jelles
wonende te Smalle Ee,
Gemeente Smallingerland
eiser
proc. mr. C. Borstlap,
adv. mr. P. Tuinman
tegen
De Gemeente Zwolle
te Zwolle,
gedaagde
proc. mr. J.A. van Wijmen,
adv.mr. O.J. Ingwersen
Procesgang
(…)
Conclusie van partijen
De vordering van Jelles
strekt ertoe dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk bij
vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- primair: de Gemeente zal verbieden over te gaan tot
sloop van het WAVIN-gebouw;
- subsidiair: voor recht zal verklaren dat Jelles - als
maker van het gebouw - op grond van de Auteurswet 1912,
met betrekking tot het WAVIN-gebouw, zich kan verzetten
tegen de sloop van het WAVIN-gebouw;
- meer subsidiair: voor zover het sloopbesluit niet meer
kan worden teruggenomen, de Gemeente zal veroordelen tot
betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat en te
vereffenen volgens de wet;
een en ander met veroordeling van de Gemeente in de kosten
van deze procedure.
Daartegen is door de Gemeente verweer gevoerd met
conclusie dat de rechtbank Jelles in diens vorderingen
niet ontvankelijk zal verklaren, althans hem deze zal
ontzeggen, kosten rechtens.
Motivering
1 Vaststaande feiten
Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet
(voldoende) betwist - mede op grond van de overgelegde en
in zoverre niet bestreden bescheiden - het volgende vast.
1.1 De Gemeente heeft het
WAVIN-gebouw, gelegen in de wijk Holtenbroek te Zwolle,
gekocht van het Deltioncollege en zal dit in eigendom
verkrijgen. Het WAVIN-gebouw is naar een ontwerp van
Jelles gebouwd en is sinds eind 1968 in gebruik,
oorspronkelijk als kantoor en laatstelijk ten behoeve van
het onderwijs. Het WAVIN-gebouw is een werk in de zin van
de Auteurswet 1912 (hierna: Aw), waarvan Jelles in de zin
van deze wet de maker is.
1.2 De gemeenteraad van
Zwolle heeft op 12 april 1999 ingestemd met de
stedenbouwkundige hoofdlijnen voor het project
herstructurering voorzieningen Holtenbroek, onder meer
omvattende een zorgcomplex voor ouderen op de locatie van
het WAVIN-gebouw. Het zorgcomplex komt volgens het
programma van eisen te bestaan uit een appartementengebouw
met daarin ouderenwoningen en zorgvoorzieningen alsmede
een 30-tal patio-woningen voor ouderen. Het concept
voorontwerpbestemmingsplan voorziet in deze
bebouwingsmogelijkheid.
1.3 Op 10 juli 2000 heeft
de gemeenteraad - als daartoe bevoegd bestuursorgaan van
de toekomstige eigenares, de Gemeente - expliciet beslist
tot sloop van het WAVIN-gebouw. De Gemeente heeft Jelles
in kennis gesteld van haar voornemen tot sloop. De sloop
is voorzien eind 2002.
1.4 Het van de zijde van
de Gemeente voorgestane zorgcomplex past qua afmetingen
niet in het WAVIN-gebouw. Het gebouw is geschikt voor
aanpassing en uitbreiding, maar leent zich niet voor
woningen.
2 Standpunt van Jelles
2.1 Het WAVIN-gebouw neemt een sleutelpositie in in de
ontwikkeling van de werken van Jelles. Het was zijn eerste
kantoorgebouw.
2.2 Jelles verzet zich
met een beroep op het absolute karakter van zijn
persoonlijkheidsrecht krachtens artikel 25, lid 1, sub d
Aw tegen de voorgenomen sloop van het WAVIN-gebouw.
Vernietiging of sloop levert een aantasting op in de zin
van deze wetsbepaling.
2.3 De Gemeente heeft
geen gegronde reden voor de sloop van het WAVIN-gebouw. De
plannen van de Gemeente kunnen zodanig worden bijgesteld
dat het gebouw - eventueel na aanpassing daarvan -
behouden kan blijven.
2.4 Bij gebreke van een
gegronde reden kan de sloop inbreuk toebrengen aan de eer
en goede naam van Jelles als maker van het WAVIN-gebouw of
aan zijn waarde in deze hoedanigheid.
3 Standpunt van de
Gemeente
3.1 Primair: sloop van een gebouw is geen aantasting in de
zin van artikel 25, lid 1, sub d Aw.
3.2 Subsidiair: Jelles
onderbouwt zijn stelling als zou sprake zijn van (het
risico van) reputatieschade niet. De mogelijkheid of
daadwerkelijk schade is te verwachten aan de eer en goede
naam van Jelles ten gevolge van de voorgenomen sloop
behoeft onderzoek.
3.3 Meer subsidiair: er
is geen sprake van (het risico van) schade aan de
reputatie van Jelles. Het WAVIN-gebouw is niet uniek in de
ontwerpfilosofie van Jelles. Er is ook geen sprake van een
voortijdige sloop.
3.4 Meest subsidiair: er
is een gegronde reden voor sloop. Inpassing van het
WAVIN-gebouw, al dan niet in combinatie met een
verbouwing, in de gemeentelijke plannen is functioneel
noch financieel een optie. De Gemeente beroept zich op de
overgelegde adviezen van prof. Patijn en het
"Oversticht".
4 Beoordeling van het
geschil
4.1 De toewijsbaarheid van Jelles' vorderingen hangt -
gelet op de wederzijdse standpunten van partijen - voor
alles af van het antwoord op de vraag of onder de
bewoordingen "andere aantasting" in artikel 25,
lid 1, sub d Aw tevens de vernietiging of sloop van een
werk moet worden verstaan.
4.2 Jelles verwijst ter
onderbouwing van zijn standpunt dat die vraag bevestigend
moet worden beantwoord in het bijzonder naar het arrest
van 17 maart 1999 van het Gerechtshof te Leeuwarden
(SBB/Bonnema, NJ 1999/707). De Gemeente beroept zich op
andersluidende jurisprudentie.
4.3 De rechtbank kan zich
niet verenigen met het oordeel van het hof (t.a.p.) dat de
bewoordingen van artikel 25, lid 1, sub c en d Aw dwingen
tot de conclusie dat onder "andere aantasting"
mede totale vernietiging (sloop) van een kunstwerk moet
worden verstaan en dat de wetsgeschiedenis noch de
internationale regelgeving in deze nopen tot een met de
gekozen bewoordingen strijdige uitleg van de wetsbepaling.
Naar het oordeel van de rechtbank dwingen de gekozen
bewoordingen geenszins tot de daaraan door het hof gegeven
uitleg.
4.4 Het woord
"aantasting" is de Nederlandse vertaling van het
Franse woord "atteinte" in artikel 6bis, lid 1
van de Berner Conventie, dat ten grondslag ligt aan
artikel 25, lid 1, sub c en d Aw. Dit Franse woord duidt
er veeleer op dat "aantasting" behoort te worden
uitgelegd als "inbreuk" oftewel als
"schending". Zo uitgelegd is onder
"aantasting" niet te begrijpen een totale
vernietiging (sloop) van een kunstwerk. Daar komt bij dat,
als de vernietiging van een kunstwerk wél wordt begrepen
onder de bewoordingen van artikel 25, lid 1, sub (c en) d
Aw, dit meebrengt dat het bij die bepaling aan de maker
van het werk toegekende persoonlijkheidsrecht - ervan
uitgaande dat schade aan de reputatie van de maker
aannemelijk is - een zodanig absoluut karakter krijgt dat
die maker ten opzichte van de rechthebbende op het werk
min of meer een garantie toekomt op het voortbestaan van
zijn werk. Als dat de bedoeling was geweest dan had het
voor de hand gelegen dat - gelet op de voorzienbare,
maatschappelijke gevolgen - de wetgever dit uitdrukkelijk
had bepaald. Aangezien geen sprake is van een dergelijke
expliciete wetsbepaling, sluit de rechtbank zich aan bij
de uitleg van het Gerechtshof te Den Bosch (17 december
1990, IER 1991/23) dat artikel 25, lid 1, sub d Aw ziet op
inbreuken op werken, waarbij het werk zelf, zij het
wellicht in een (zeer) afwijkende vorm, in stand blijft.
4.5 Het voorgaande brengt
mee dat de hiervoor onder 4.1 geformuleerde vraag
ontkennend moet worden beantwoord: de sloop van het
WAVIN-gebouw levert geen aantasting op in de zin van
artikel 25, lid 1, sub d Aw.
4.6 Nu Jelles de
grondslag van zijn vorderingen ter comparitie
uitdrukkelijk heeft beperkt tot de toepassing van artikel
25, lid 1, sub d Aw, komt de rechtbank niet toe aan de
beoordeling van zijn overige - hiervoor onder 3 dan ook
niet verwoorde - stellingen.
5 Slotsom
De rechtbank komt tot de conclusie dat het primaire
verweer van de Gemeente moet worden gehonoreerd en dat de
vorderingen van Jelles als niet op de wet gebaseerd
behoren te worden afgewezen.
Jelles zal als de in het
ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen worden.
Beslissing
De rechtbank wijst de
vorderingen af.
Jelles wordt veroordeeld in de kosten van dit geding.
(Hoger beroep ingesteld, bew.)
Noot
Tijd voor een
principiële uitspraak van de HR. De procedure zou
ondersteund moeten worden door de BNA. Maar misschien
durft die Bond wel niet. Architecten hoeven niet altijd
belang te hebben bij een verzetsrecht tegen sloop. De
Amerikaanse ervaring leert dat de architectuur zelf zo een
recht niet wilde uit vrees voor problemen met de
opdrachtgever. Bovendien is de ene architect de andere
niet: er is de tweede architect (die van het nieuwe
gebouw) en de eerste (die van het oorspronkelijke gebouw)
en beider belangen sporen, zacht gezegd, niet altijd. Het
zou mooi zij als de een respect mocht hebben voor het werk
van de ander, maar zo zit de wereld van gemeentes en
projectontwikkelaars niet in elkaar. Staatssecretaris
Remkes heeft in antwoord op kamervragen gezegd dat er alle
aanleiding is voor een discussie over het spanningsveld
tussen het auteursrecht van ontwerpers en het
beschikkingsrecht van de eigenaar van een gebouw, omdat
het vraagstuk naar alle waarschijnlijkheid in de toekomst
nog aan belang zal toenemen (Kamerstukken 1998/1999,
Aanhangsel nr. 1230). Een uitspraak van de hoogste rechter
zou in dit verband welkom zijn. De wetgever zelf is immers
niet zo helder geweest.
De stand van zaken is
thans drie recente Hof-uitspraken vòòr zo'n
verzetsrecht, één (oudere) uitspraak van Hof Den Bosch
tegen (zie achtereenvolgens Hof Leeuwarden 29 december
1993, Informatierecht/AMI 1996-1: 13-14 inzake
Rijksuniversiteit Groningen/Van den Berg, Hof Leeuwarden
17 maart 1999, Informatierecht/AMI 1999-10: 158-160
inzake Bonnema/Stichting Bouw Bejaardenhuizen, Hof
Amsterdam 26 juli 2001, rolnummer 653/01 SKG, vermeld in IER
2001-5: 122-123 inzake Röling/Gemeente Haarlem en Hof Den
Bosch 17 december 1990, NJ 1991, nr. 443, IER
1991-3: 63-65 inzake Lennaertz/Sittard). De vraag is
waarom de Zwolse rechter in dit geval zo vierkant tegen
dat verzetsrecht is. Na de drie eerstgenoemde uitspraken
lag de kwestie duidelijk. Of het nu om sloop of om een
inbreuk gaat waarbij het werk zelf gedeeltelijk in stand
blijft, maakt niet uit: de maker heeft er recht op dat
beslissingen terzake op een zorgvuldige wijze worden
genomen en dat daarbij rekening wordt gehouden met zijn
reputatie en de plaats die het werk in zijn oeuvre
inneemt. Zulks behoeft lang niet altijd te leiden tot een
absoluut verzetsrecht, zoals de uitspraak van het
Amsterdamse Hof in Röling/Gemeente Haarlem leert. Ik zou
menen dat de drie Hoven het geldend recht terzake hebben
vastgesteld.
In de zaak waar het Hof
Den Bosch uitspraak in deed, ging de President er van uit
dat de wetgever de maker geen absolute bevoegdheid heeft
willen geven om zich op grond van zijn
persoonlijkheidsrecht te verzetten tegen afbraak van zijn
werk, maar dat van een dergelijke bevoegdheid in het
algemeen gesproken slechts onder bijzondere omstandigheden
sprake zal kunnen zijn. Die omstandigheden ontbraken in
casu. Het Hof verwierp categorisch het bestaan van een
dergelijke bevoegdheid en onderzocht de zaak op basis van
het algemene leerstuk van de onrechtmatige daad. Zowel
voor Hof als voor President speelde en belangrijke rol dat
het litigieuze werk als het ware van zelf uit elkaar viel
en de Gemeente Sittard bij instandhouden van het werk
voortdurend met een onderhoudsplicht zou zijn opgezadeld.
Voorts stond vast dat de Gemeente regelmatig overleg met
de maker had gevoerd en bepaald niet over een nacht ijs
was gegaan bij haar voornemen het werk tenslotte af te
breken. Overigens zou de Gemeente het werk weer hebben
gerestaureerd. Op naar Sittard!
Het Hof Den Bosch stelde
dat uit wet, wetsgeschiedenis en literatuur duidelijk
volgde dat sloop niet onder artikel 25 Aw valt. Zo
expliciet is dat echter door de wetgever niet gesteld. De
indertijd in het artikel opgenomen uitzondering voor
bouwwerken is in 1931 vervallen. Het vervallen van die
uitzondering vond echter plaats met handhaving van de
clausule dat de bepaling niet van toepassing is ten
aanzien van wijzigingen van zodanige aard, dat de maker of
zijn rechtverkrijgenden te goeder trouw hun toestemming
daartoe niet zouden mogen weigeren. Merk op dat artikel 25
toentertijd alleen sprak van wijzigingen in het werk (zie
De Vries, Parlementaire geschiedenis, 25.10.). De
MvT kon dan ook met gerust hart vermelden, dat het
vervallen van de uitzondering wel niet van grote
praktische betekenis zou blijken. De wijziging van 1972
was mede het gevolg van de invoeging te Brussel in artikel
6bis Berner Conventie: “ou à toute autre atteinte”.
Deze wijziging had de huidige tekst van artikel 25 lid 1
sub d (in 1972 nog c) ten gevolge. De tekst van 1972
bevatte niet langer de clausule dat de bepaling niet van
toepassing is ten aanzien van wijzigingen van zodanige
aard, dat de maker of zijn rechtverkrijgenden te goeder
trouw hun toestemming daartoe niet zouden mogen weigeren.
De Memorie van Toelichting meldt (TK 1964-1965, 7877, nr.
3, p. 9) dat zulks niet meer nodig is nu de bepaling
omtrent het recht zich te verzetten tegen wijzigingen
(art. 25 lid 1 sub b oud) al een redelijkheidstoetsing
bevat. Duidelijk is dus in ieder geval dat die
redelijkheidstoetsing bij het huidige artikel 25 lid 1 sub
d bewust is weggelaten. De Regering stelt verder dat
artikel 25 wil voorkomen dat de eer en reputatie van de
maker wordt aangetast en spreekt er bij monde van Van Agt
zijn twijfel over uit of dit ook geldt voor het geheel
amoveren van gebouwen (De Vries, 25.20). Daar is het bij
gebleven.
Wel stelt de Toelichting
(t.a.p.) dat met het nieuwe artikel 25 “nauwere
aansluiting wordt gezocht bij de regeling van het “droit
moral”, zoals dit is geregeld in de Berner Conventie. (…)
Het voorgestelde artikel 25 (nieuw) behelst een
samenvatting van de door het tegenwoordige artikel 25
Auteurswet en het te Brussel herziene artikel 6bis der
Conventie aan de maker toegekende rechten.”
De wetsgeschiedenis van
artikel 6bis BC is duidelijk. Ricketson concludeert op
basis van een van de aangenomen resoluties aan het eind
van de Brusselse Herzieningsconferentie (1948): “This
was a clear acknowledgement that article 6bis (1) did not
require Union Members to prohibit the destruction of works
as part of the protection to be given to moral rights. No
proposal to amend article 6bis(1) further in this regard
was made at the Stockholm Conference and accordingly
destruction still remains outside the scope of the
article.” (Sam Ricketson, The Berne Convention for
the protection of literary and artistic works: 1886-1986
, Kluwer: London 1987, p. 470). Zulks betekent echter niet
dat de Unieleden hun onderdanen niet meer bescherming
mogen geven. De Berner Conventie regelt nu eenmaal alleen
internationale situaties. Daarmee zijn we m.i. weer terug
bij af.
De feiten van de
onderhavige casus, zoals die uit het vonnis blijken, zijn
dat eiser te voren is ingelicht;
eiser terzake van zijn
reputatieschade niet anders aanvoert dan dat het gebouw
zijn eerste kantoorgebouw was en (daarom?) een
sleutelpositie inneemt in de ontwikkeling van zijn werk;
inpassing van het gebouw
in de gemeentelijke woningbouwplannen, mede blijkens twee
deskundigen-adviezen, functioneel geen optie is.
Zou de uitslag anders
zijn geweest, wanneer de criteria van het geldend recht
zouden zijn toegepast? Wanneer wij ons beperken tot de
feiten zoals die uit het vonnis blijken, betwijfel ik dat.
Die feiten tonen niet aan dat sloop de indruk wekt dat het
werk nietswaardig is (het Bonnema-criterium). Wel moet
worden toegegeven dat de uitleg die de Zwolse rechter
gebruikt, de beoordeling veel gemakkelijker maakt. Het
gemak dient de mens (lees: de rechter), maar de vraag is
of hier het gemak ook het recht heeft gediend. Ik meen van
niet.
Wie bovendien ziet waar
het om gaat – zie onder andere de hier geplaatste
afbeelding - en bedenkt dat de plannen van de Gemeente net
zo goed kunnen worden uitgevoerd door het gebouw te
behouden en in de directe omgeving de nodige
bejaardenwoningen neer te zetten, zal zich terecht
afvragen of hier het morele recht niet terecht wordt
ingezet in de strijd tegen al te gemakkelijke publieke
verminkers van een mooie plek.
JK
|