Of hoe het oneerlijke mededingingsrecht Nederland te hulp schiet én in de steek zal laten als Nederland niet netjes blijft
Jan Kabel
Instituut voor Informatierecht
Gokken is juridisch interessant. Mevrouw Lindman, een Finse, waagt een gokje in Zweden. Het lot van de AB Vemska Spel Loterij levert haar 1 miljoen Zweedse kronen op (een Zweedse kroon is een oud kwartje). Daar moet ze in Finland belasting over betalen. Dat had ze niet gehoeven wanneer ze in Zweden had gewoond en ook niet wanneer ze in een Finse loterij gewonnen had. Riekt naar discriminatie. Het HvJEG moet nog beslissen, maar de AG is het al met haar eens (Conclusie AG Stix-Hackl van 10 april 2003, C-42/02 in de zaak Lindman/Skatterättelsenämnde). Liberalisering van belasting op inkomen uit loterijen is één ding, liberalisering van de Europese gokmarkt is een grotere stap. In alle landen van de Gemeenschap is het aanbieden van gokspelletjes (netter: kansspelen) zonder vergunning verboden. Doorgaans worden vergunning alleen aan nationale aanbieders verleend en niet aan buitenlandse bedrijven. Liberalisering zou betekenen dat ook aanbieders uit andere lidstaten op een nationale markt mogen opereren. Dat doen ze intussen wel. De Suddeutsche Klassenloterie opereert ook in Nederland evenals het Engelse Ladbroke. Van harmonisering door richtlijnen of verordeningen is nog geen sprake en de vraag of nationale verboden buitenlanders kunnen tegenhouden, moet dus uiteindelijk door het HvJEG worden beantwoord op basis van het primaire EG-recht. Vooral e-gambling (gokken op het internet) is daarbij actueel.
De nationale vergunninghouders zitten niet te wachten op buitenlandse concurrentie. Een van de rechtsmiddelen om die concurrentie van de nationale markt te houden is te vinden in een bepaalde rubriek van het oneerlijke mededingingsrecht, die van de oneerlijke voorsprong in de concurrentie. De idee daarachter is, dat concurrenten zich onderling aan de regels die voor iedereen gelden moeten houden. In dit geval gaat het dan om de Wet op de Kansspelen (Wok) en het daarop gebaseerde vergunningensysteem dat eisen stelt aan de vergunninghouders. Wanneer een concurrent zich niet aan die regels houdt, heeft hij of zij het gemakkelijker dan degenen die zich wel braaf aan de regels houden. Dat is oneerlijk en de wetsgetrouwe concurrenten kunnen op basis van artikel 6: 162 BW dan een actie uit oneerlijke concurrentie instellen tegen de wetsovertreder. Er zijn de laatste tijd veel van dat soort zaken geweest, waarin een Nederlandse aanbieder een buitenlander van de internetmarkt verdrijft met het argument dat wat Nederlanders niet mogen, aan buitenlanders ook niet is toegestaan uit een oogpunt van oneerlijke concurrentie. Publiek en privaat belang gaan hier gebroederlijk tezamen. Dergelijke acties kunnen natuurlijk alleen met succes worden gevoerd, wanneer er inderdaad sprake is van strakke en daadwerkelijk gehandhaafde eisen. Tot nu toe hebben de Nederlandse vergunninghouders het nog steeds gewonnen. Maar hoe als het publieke beleid verandert?
De Engelse bedrijven Ladbrokes en Stanley Int. Betting bieden gokkers, ook die buiten Engeland, de mogelijkheid aan te gokken via het Internet. E-gambling noemen we dat. In Italië pakt de Staat de Italiaanse bemiddelaars aan via een strafrechtelijke vordering, in Nederland pakken de vergunninghouders de buitenlandse aanbieder aan via een vordering uit onrechtmatige daad. Zie bijgaande figuur. Ik noem daarin alleen de Ladbrokes-zaak maar er zijn de laatste tijd tal van gelijksoortige Nederlandse zaken gevoerd.

De Nederlandse vergunninghouders winnen, de Italiaanse Staat verliest. Waarom? En waarom zouden we in Nederland eigenlijk niet mogen gokken via het Internet?
Een heikel probleem.
De liberalisering van de markt voor loterijen en andere kansspelen in de EU komt
maar moeilijk op gang. Het is daarbij ook nog maar de vraag of die
liberalisering wel zo wenselijk is. Wie de standpunten van de lidstaten bekijkt,
zoals die in de conclusie van de AG in de Italiaanse Gambelli-zaak (C-243/01,
Strafverfahren gegen Piergiorgi Gambelli u./a. van 13 maart 2003, hangend) worden
verwoord, zou menen dat de wereld vergaat als dankzij de nieuwe technologische
communicatiemogelijkheden iedere EU-burger overal maar kan gokken. Het algemeen
belang, de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van
de consument, de financiering van sociale, culturele en sportieve activiteiten,
het waarborgen van een redelijk welstandsniveau van de Europese burger, al die
nobele doeleinden worden aangevoerd als doeleinden die dreigen te worden
gefrustreerd door inbreuken op de nationale monopolies voor kanspelen. Ook in de
Ladbrokes-zaak (De Nationale Sporttotalisator/Ladbrokes Ltd, Vzr Rb Arnhem 27
januari 2003, Intellectuele eigendom en reclamerecht 2003-3, p. 184-188
met ann. JK, Mediaforum 2003-3, p. 99-101 met ann. Kamiel Mortelmans)
worden doeleinden als deze door de rechter beslissend geacht voor de ontoelaatbaarheid van gedaagde’s
activiteiten op de Nederlandse markt voor kansspelen: het verbod in artikel 1
van de Wet op de kansspelen om kansspelen zonder vergunning aan te bieden dient
ter bescherming van het publieke belang bij het inperken van fraudegevoeligheid
en van excessieve goklust. Speelt hier nog de vrees voor de excessieve goklust
van onze voorouders, de Germanen van wie immers bekend is dat zij huis en haard,
vrouw en kinderen verspeelden bij het dobbelspel (zie Tacitus, Germania,
24, en verder voor de bonte reeks van historische motieven tot breideling van
kanspelen A. Komen en D.W.F. Verkade, Kansspelen en cadeau-acties,
Kluwer: Deventer 1972, p. 111-123)?
Het is, gesteld voor
die vloed aan argumenten voor beperking, bepaald verhelderend om de analyse te
lezen die AG Alber in de Gambelli-zaak ten beste geeft. In zijn analyse betrekt
hij de eerdere drie zaken op dit terrein: Schindler, Läärä en Zenatti
(resp.: C-275/92, C-124/97 en C
67/98). Zijn analyse laat vooral
zien dat een coherente aanpak van de markt voor kansspelen een lidstaat de
meeste kansen biedt om aan de bepalingen omtrent de vrijheid van dienstverlening
en de vrijheid van vestiging te voldoen. Schindler is wat dat betreft een mooi
voorbeeld. Het tot de Engelse Lotteries Act van 1993 geldende absolute
verbod van grote, nationale loterijen kon in Engeland tegenover buitenlandse
aanbieders worden gehandhaafd, omdat het inderdaad, behoudens enkele kleine, locale
uitzonderingen, een absoluut verbod was. Een relatief verbod (verboden, behoudens vergunning), is
ontvankelijker voor
Europeesrechtelijke kritiek, naarmate het vergunningstelsel soepeler is.
De Italiaanse situatie, zoals beoordeeld in de conclusie van Alber, spreekt in
dit opzicht boekdelen. De betrekkelijk recente (2000) Italiaanse wetswijziging
heeft het regime voor het aanbieden van kansspelen aanmerkelijk verlicht, laat
een zeer agressieve reclamevoering toe en is de basis geweest voor meer dan 1000
verleende concessies aan binnenlandse kansspelaanbieders. In een dergelijke
situatie is het lichtelijk hypocriet (juridischer gezegd: disproportioneel) om
een buitenlandse aanbieder, in dit geval de in Liverpool gevestigde
bookmakersfirma Stanley International Betting die onder een Engelse vergunning
via Italiaanse bemiddelaars (o.a. Gambelli) gelegenheid geeft te gokken op de
uitslag van voetbalwedstrijden, aan te pakken door de desbetreffende
bemiddelaars strafrechtelijk te vervolgen.
De AG concludeert dan ook
dat de Italiaanse regeling zich niet verdraagt met de vrijheid van
dienstverlening.
De situatie in
Nederland is ietsje anders dan die in Italië. Maar het gevaar van Italiaanse
toestanden is niet helemaal denkbeeldig. Ik geef eerst wat cijfers die duidelijk
maken dat de te verdedigen belangen groot zijn. Men zie het volgende staatje dat
de resultaten van de grote vergunnninghouders (Holland Casino, Bank Giro
Loterij, De Lotto, Sponsorloterij, Autotote, Staatsloterij, Nationale Postcode
Loterij en Zorgloterij) aangeeft in de periode 1996-2001 (bron: http://www.toezichtkansspelen.nl/cijfers/jaar1996_2001.pdf).l
Kerngegevens
vergunninghouders 1996 t/m 2001
(in
miljoenen euro)
1996
1997 1998 1999 2000 2001
spelopbrengst
782
853
947
1.050 1.121 1.289
saldo
kosten
370
403
449
500
548
644
belastingen
68
76
84
92
105
128
netto
opbrengst
344
374
414
458
468
517
belasting
in prijzen 35
40
47
51
54
64
Het buitenlandse aandeel, onderzocht in het rapport Deelname aan buitenlandse kansspelen in Nederland 2002 door Lucien Vermeer en Maroesjka Brouwer, uitg. NIPO Consult Amsterdam, lijkt nog bescheiden, maar is stijgend. Uit het rapport blijkt dat ongeveer 6% van de Nederlandse huishoudens wel eens meedoet aan een buitenlands kansspel. Dat komt neer op een besteding van eveneens 6 % van het totaal bedrag dat aan kansspelen wordt besteed. Ongeveer 9% van de buitenlandse kansspelen wordt gespeeld via internet. Het overgrote deel gaat per post. De Duitse lotto is de belangrijkste component op de Nederlandse markt voor buitenlandse kansspelen (56% van het totaal). Ladbrokes verzorgt een gedeelte van de in totaal 2% aan buitenlandse sportprijsvragen en bookmaking.
Opvallend is dat van strafrechtelijke handhaving van de Wok in dit opzicht nauwelijks sprake is, het gaat vooral om bestaande vergunninghouders die als eiser wegens oneerlijke mededinging optreden in een civiele procedure. Pres. Rb. Den Haag (14 februari 1997, NTER 1997, nr. 4, p. 69-71 met commentaar van Van Zutphen) oordeelt in De Nationale Postcode Loterij/Schindler, dat artikel 1 aanhef en onder b. van de Wet op de Kansspelen discrimineert tussen nationale en buitenlandse loterijen, omdat bevordering van deelneming aan buitenlandse loterijen verboden is, onafhankelijk van de vraag of zij al dan niet over een vergunning beschikken. Artikel 1 verbiedt onder a. namelijk:
“gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend;”
en verbiedt vervolgens onder b.:
“de deelneming hetzij aan een onder a bedoelde gelegenheid, gegeven zonder vergunning ingevolge deze wet, hetzij aan een overeenkomstige gelegenheid, gegeven buiten het Rijk in Europa, te bevorderen of daartoe voor openbaarmaking of verspreiding bestemde stukken in voorraad te hebben; (curs. K.)”.
De cursieve zinsnede doet het artikel in strijd zijn met art. (ex-) 59 EG-verdrag. Op grond daarvan zou de WoK moeten worden gewijzigd, zoals ook Van Zutphen terecht concludeert (p. 71).
Daarnaast onderzoekt de President de materiële controle die
op de buitenlandse loterij wordt uitgeoefend. Dat is belangrijk om antwoord te
kunnen geven op de vraag of de buitenlander in Nederland een oneerlijke
voorsprong heeft op zijn Nederlandse concurrenten. De, in dit geval Duitse,
controle is volgens de President gelijkwaardig aan de Nederlandse en alleen dat
is al een reden om de formele overtreding niet onrechtmatig te achten tegenover
de Postcode Loterij. In hoger beroep onderzoekt het Hof (Hof den Haag 19
november 1998, NJ 1999, 679), net zoals de President, of beide loterijen
zodanig van elkaar verschillen, dat Schindler’s Süddeutsche Klassen Loterie het
als het ware veel makkelijker heeft in Nederland dan de Postcode Loterij. In
casu zijn de verschillen niet zo groot dat Schindler een ontoelaatbare
voorsprong zou genieten. Het Hof heeft ook nog bekeken of de omzet van Schindler
in Nederland bedreigend was voor de NPL en geconcludeerd dat die stabiel op
ongeveer 2% van de totale Nederlandse bestedingen bleef, terwijl het aandeel van
de NPL in twee jaar (1995-1997) beduidend
toenam van 15 miljoen tot 443 miljoen.
Vznr Rb Utrecht (27 februari 2003, LJN nr. AF5121 in de zaak
Holland Casiono/Paramount c.a.) oordeelt anderzijds dat het zonder
vergunning aanbieden in Nederland van interactieve kansspelen (met casinospelen
vergelijkbare spelen op het internet) door onder meer een Amerikaanse aanbieder
een oneerlijke voorsprong oplevert op Holland Casino, omdat de fysieke controle
(op identiteit, overschrijding speelmaxima, het weren van minderjarigen) en de
bijbehorende maatregelen die door HC kunnen en moeten worden uitgeoefend, nu
eenmaal ontbreken op het internet. Bovendien, maar dat is een betwistbaar
argument, zoals wij zullen zien, zou de verplichting van HC om de
netto-opbrengst aan de staatskas over te dragen, een verplichting die niet voor
Paramount c.a. geldt, HC in een nadelige concurrentiepositie brengen tegenover
Paramount c.a.
In de Ladbrokes-zaak worden de Engelse vergunningsvereisten naast de Nederlandse gelegd en wordt geconcludeerd dat Ladbrokes onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op grond van het Engelse recht gehouden is aan dezelfde (strenge) voorwaarden als het Nederlandse, zoals de voorwaarde het grootste deel van de opbrengsten te besteden aan goede doelen, maximale inleg- en verliesbedragen en het aantal aan te bieden kansspelen. De laatste twee voorwaarden beogen de speler te beschermen en zijn, aldus de president, te beschouwen als rechtvaardiging voor de beperking op het vrije dienstenverkeer. De eerste voorwaarde kan, op zichzelf beschouwd, niet dienen als een afzonderlijke rechtvaardiging voor het wettelijk verbod en het is m.i. maar de vraag of zij wel kan dienen als grond voor een rechterlijk verbod dat is gebaseerd op oneerlijke mededinging wegens wetsovertreding. Economisch voordeel voor de fiscus of voor sociale activiteiten die door opbrengsten uit kansspelen worden ondersteund, is nu eenmaal geen geldige reden voor beperkingen van grensoverschrijdende dienstverlening. Onderzoek naar de proportionaliteit van de Nederlandse beperkingen in de uitspraak niet verricht. Toch is dat een belangrijke toetssteen, zoals weer eens blijkt uit de conclusie van AG Albert in de Gambelli zaak.
De Gambelli-zaak
De Richtlijn elektronische handel is niet van toepassing op kansspelen. Wij moeten het bij e-gambling dus van het primaire EG-recht hebben. Het gaat om een grensoverschrijdende dienstverlening, die door in dit geval de Italiaanse kansspelwetgeving wordt verboden wordt als geen (Italiaanse) vergunning is verleend. Wat de rechtvaardigingen voor dat verbod betreft: opmerkelijk is dat de AG in Gambelli zegt dat alle gronden die de Italiaanse Staat aanvoert voor het strafrechtelijk verbod reeds gedekt zijn door de Engelse vergunning (punt 112-113). De vraag waar het om gaat is dan vervolgens of de strafrechtelijke aanpak een geschikt middel is om de doeleinden te bereiken die als rechtvaardiging voor een verbod kunnen gelden en of het niet met minder ernstige middelen kan. Ik merk op dat wij in Nederland ook een strafrechtelijke handhaving kennen van het verbod (art. 31 Wok, jo art. 1 onder 1 en 3 van de Wet Economische Delicten). Het voorkomen van strafbare feiten en het tegengaan van fraude zal, aldus de AG, genoegzaam worden tegengaan in de lidstaten van de EU die immers alle een wettelijke regeling kennen met betrekking tot kansspelen en de beteugeling van de gevaren ervan. Het lijkt hem niet nodig dat andere lidstaten dat nog eens overdoen. De vraag hoe de gokzucht beteugeld dient te worden, is vooral, aldus de AG, een vraag naar de coherentie van het gevoerde beleid met betrekking tot kansspelen. In dat opzicht is vooral van belang wat de lidstaat toelaat op nationaal spelgebied. Versoepeling van de normen voor bestaande vergunninghouders en een agressieve promotie voor kanspelen kunnen relevante beoordelingsfactoren zijn. M.i. zal ook van belang kunnen zijn wat de lidstaat in meer positieve zin doet (flankerend beleid om het zo maar eens te noemen) om gokverslaving tegen te gaan. Daarnaast is nog van belang de vraag of er sprake is van een protectionistische regeling. De laatste vraag kan voor Nederland zonder meer bevestigend worden beantwoord. Onderdanen van andere EU-lidstaten kunnen immers, anders dan Nederlanders, geen vergunning krijgen.
Het gaat er dus vooral om dat een lidstaat een coherent
beleid voert. Wat die coherentie betreft: in ons land mag niemand, ook de
huidige vergunninghouders niet, interactieve kansspelen (e-gambling, virtueel
gokken) op internet aanbieden. De huidige vergunningen laten daar geen ruimte
voor en nieuwe vergunningen worden daartoe vooralsnog niet verleend (zie M. de
Koning en N.M. Wisman, ‘Kansspelen op het internet’, NJB 2001/17, p. 1237
en voor een geval van handhaving van dit verbod: Pres. Rb. den Haag 16 januari 2001,
KG 2001, 1356,
LJN-nummer: AA9524). Op dat
punt is de situatie dus te vergelijken met die in de Schindler-zaak en is er ook geen onderscheid tussen
binnen- en buitenlandse aanbieders. Zolang aan dat standpunt maar flink kan
worden vastgehouden, behoeft m.i. niet gevreesd te worden voor
Europeesrechtelijk afgedwongen liberalisering van de interactieve
kansspelenmarkt. Niettemin, de verleiding om de bestaande vergunninghouders wel
de mogelijkheid te geven het net op te gaan zal groot zijn. Justitie beraadt
zich, in overleg met EZ over de invoering van een proefperiode met eisen waaraan
m.i. geen buitenlandse aanbieder aan zal kunnen voldoen (Kamervragen 356, TK
2002-2003, Aanhangsel, p. 747-748). Hoe meer mogelijkheden er aan de bestaande
vergunninghouders worden aangeboden, des te zwakker staat Nederland in zijn
strijd tegen buitenlandse aanbieders. Dat leert niet alleen het Europese recht,
maar ook het recht inzake oneerlijke mededinging. Netjes blijven is dus de enige
remedie.