|
Annotatie bij Hof
Amsterdam 30 september 2004 (T-Mobile / ID&T Mobile)
In IER 2005-1, p.
41-43.
J.J.C.
Kabel
Bij de
beoordeling van verwarringsgevaar dient niet beslissend te zijn de door de
inbreukmaker zelf gebezigde uitingen, maar komt het aan op het normale gebruik
van het teken. Het Hof kan dan ook voorbijgaan aan marktonderzoek dat uitsluitend
gebaseerd is op de website en op commercials van de inbreukmaker.
DEUTSCHE
TELEKOM AG,
gevestigd te Bonn, Duitsland
en
T-Mobile Netherlands B.V.
gevestigd te 's-Gravenhage,
appellanten,
proc.: mr. K.E. Verzijden
tegen
ID&T B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
proc.: mr. A.S. Rueb
Annotatie
Ik beperk
mij tot een annotatie waarin de lezer nadere achtergrond informatie wordt
verschaft over de waardering door de rechter van de resultaten van markt-
en opinie-onderzoek. Het Hof hanteert ten aanzien van de vraag of T-Mobile
een onderscheidend teken is, een eigen motivering. Ten aanzien van de vraag
of het ID&T Mobile inbreuk maakt op het merk T-Mobile, gaat het Hof af
op de resultaten van marktonderzoek die door appellant en geïntimeerde
zijn overgelegd. Het onderzoek van geïntimeerde wordt, als te beperkt,
gemotiveerd verworpen.
De interessante vraag is of de rechter
verplicht is te motiveren waarom hij van de resultaten van een onderzoek
afwijkt. Zie daarover HR 5 december 2003, NJ 2004, 74 waarin een aantal
regels worden gegeven over de waardering van zienswijzen van deskundigen
die door de rechter zelf zijn benoemd:
-
Indien de rechter de zienswijze van
een door hemzelf benoemde deskundige volgt, zal hij zijn beslissing in het
algemeen niet nader behoeven te motiveren;
-
Indien die zienswijze door partijen
voldoende gemotiveerd wordt aangevochten, zal de rechter op specifieke bezwaren
van partijen moeten ingaan;
-
Indien de rechter van die zienswijze
afwijkt en er voldoende gemotiveerde maar uiteenlopende zienswijzen van partij-deskundigen
aanwezig zijn, dient de rechter in beginsel zijn oordeel van een zodanige
motivering te voorzien, dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten
grondslag liggende gedachtegang om deze zowel voor partijen als voor derden,
daaronder begrepen de hogere rechter, controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
Zo op het oog vanzelfsprekende regels;
de AG had in deze zaak echter geconcludeerd dat er geen regel geldt die de
rechter tot extra motivering zou verplichten, wanneer zijn oordeel afwijkt
van de door hem benoemde deskundige. De vanzelfsprekendheid van deze regels
krijgt dus extra reliëf doordat zij cassabel zijn.
Gaat het om door partijen zelf ingebrachte
onderzoeksresultaten, dan is de situatie minder helder. Vgl. daarover P.H.
van Westerdorp, 'Merkenrecht en marktonderzoek, de stand van zaken', BMM-Bulletin
2001, nr. 16, p. 13-16 (themanummer Marktonderzoek) en Willem Hoyng,
'Het marktonderzoek en de inbreukvraag ex art. 13A lid 1 sub b BMW', in hetzelfde
nummer, p. 2-12. De conclusie uit beide artikelen is dat een effectieve acceptatie
en toepassing van marktonderzoek in het merkenrecht vrij zeldzaam is en dat,
waar het wel in de overwegingen wordt betrokken, maar zelden duidelijk wordt
waarom een rechter de resultaten van in gestelde onderzoeken al dan niet
acceptabel vindt. Wagenaar doet in P.J. van Koppen, D.J. Hessing en H.P.M.
Crombag (red.), Het hart van de zaak - Psychologie van het recht.Gouda
Quint 2002, p. 81 pogingen om een aantal vuistregels te ontwerpen voor het
meten van verwarring over de herkomst van producten. Hetzelfde doet Westendorp
in zijn bovengenoemd artikel. Numann, ons redactielid en lid van de Hoge
Raad, heeft indertijd (bij het Symposium van de Stichting Merkartikel op
24 januari 2003 te Bussum, website van de Stichting: http://www.sma.nl)
voorgesteld de benodigde zekerheid voor de rechter te creëren door een
onpartijdig, wetenschappelijk onderzoeksinstituut in het leven te roepen
dat zowel zelf onderzoek kan uitvoeren als toezicht kan houden op de uitvoering
van marktonderzoek door derden. Vgl. voor andere soortgelijke zaken waarin
marktonderzoek een rol speelde: IER 2004, nrs. 89, 67, 58, 57, 44,
28, en 9; 2003, nrs. 28, 7 en 5; 2002, nrs. 57, 39 en 10; 2001, nrs. 52,
34 en 12; 2000, nrs. 38 en 16; 1999, nrs. 55, 52, 40 en 30; 1998, nrs. 27
en 4; 1993, nr. 6; 1992, nrs. 34 en 5; 1990, nrs. 70, 28 en 18; 1988, nrs.
35, 10 en 5; 1987, nrs. 44 en 12; 1985, nrs. 47, 37 en 20.
|