|
Annotatie bij Rb.
Amsterdam 7 juli 2004 (Leaseverlies / Dexia)
In IER 2004-5, p.
357-370.
J.J.C.
Kabel
Collectieve actie tegen misleidende
reclame. Beoordeling wegens misleiding volgens de maatstaf van de vermoedelijke
verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende
gewone consument.
1. de stichting STICHTING LEASEVERLIES,
2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid CONSUMENTENBOND,
beide te 's-Gravenhage,
eiseressen
proc.: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,
tegen:
de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde,
proc.: mr. H.G. van Everdingen,
en door voeging tevens tegen:
1. de stichting STICHTING ONDERZOEK BEDRIJFSINFORMATIE (SOBI),
gevestigd te Amsterdam,
2. [gevoegde partij 2],
wonende te [woonplaats],
gevoegde partijen aan de zijde van gedaagde,
procureur mr. F.J. Schoute.
Partijen worden hierna Leaseverlies,
de Consumentenbond, Dexia, Sobi en [gevoegde partij 2] genoemd.
Gronden van de beslissing
Vaststaande feiten
1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist,
alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde
bewijsstukken, staat het volgende vast.
a. Dexia is rechtsopvolgster onder algemene titel van Legio-Lease B.V.,
voorheen gevestigd te Leiden, Classic Investments N.V., voorheen gevestigd
te Leiden, Bank Labouchere N.V., voorheen gevestigd te Amsterdam en Labouchere
N.V., voorheen gevestigd te Amsterdam. In het hiernavolgende zullen, waar
slechts wordt gesproken over Dexia, daaronder ook haar rechtsvoorgangsters
zijn begrepen.
b. Leaseverlies is een stichting die zich volgens haar statuten kort
gezegd ten doel stelt het behartigen van de belangen van hen die in
de periode van 1 januari 1995 tot en met 1 mei 2002 effectenlease-overeenkomsten
hebben gesloten met één of meer van de hiervoor genoemde vennootschappen
en die als gevolg daarvan schade hebben geleden dan wel daardoor anderszins
in hun belangen zijn aangetast of dreigen te worden aangetast.
c. De Consumentenbond is een vereniging die zich volgens haar statuten
kort gezegd ten doel stelt als onafhankelijke organisatie de belangen
van consumenten te behartigen.
d. De rechtsvoorgangsters van Dexia hebben vanaf begin jaren negentig in
Nederland onder vele verschillende benamingen en in vele varianten effectenleaseproducten
aangeboden. Deze producten bestaan in de kern eruit dat de klant een pakket
effecten koopt, dat die koop door (inmiddels) Dexia wordt gefinancierd, dat
de klant over de geleende hoofdsom maandelijks rente verschuldigd is en dat
de klant aan het einde van de looptijd van de overeenkomst de hoofdsom dient
af te lossen, hetgeen in het algemeen plaatsvindt door verkoop van de effecten
en verrekening van de opbrengst daarvan met de geleende hoofdsom. De verschillen
tussen de producten zijn met name gelegen:
- in de duur van de overeenkomsten (van drie tot twintig jaar);
- in het al dan niet bestaande risico om na afloop van de overeenkomst per
saldo een schuld over te houden;
- in de al dan niet bestaande mogelijkheid tot verlenging van de overeenkomst
na afloop van de reguliere looptijd;
- in de al dan niet bestaande mogelijkheid tot tussentijdse boetevrije beëindiging
van de overeenkomst.
e. Door (de rechtsvoorgangsters van) Dexia is in de loop der jaren op grote
schaal reclame gemaakt voor de aangeboden effectenleaseproducten door plaatsing
van advertenties en verspreiding van folders en brochures.
f. Verreweg het meest verkochte effectenleaseproduct is de (in verschillende
varianten aangeboden) WinstVerDriedubbelaar, welk product is aangeboden in
de periode 1996 tot 2001. Naar schatting van Leaseverlies heeft ruim 80%
van de bij haar aangesloten beleggers één of meer overeenkomsten
met de naam WinstVerDriedubbelaar gesloten.
g. Eén van de advertenties voor het product WinstVerDriedubbelaar
is op 2 december
2000 geplaatst in de Telegraaf. De tekst van deze advertentie luidt als
volgt:
NIEUW! Nu ook vanaf slechts f 50,- p.m. of f 1.620,- eenmalig.
VERDRIEDUBBEL UW WINST MET DE LEGIO-LEASE WINSTVERDRIEDUBBELAAR
Ontvang al over drie jaar een
BELASTINGVRIJ BEDRAG
van f 41.308,00 of meer!
Nu opnieuw! De WinstVerDriedubbelaar van Legio-Lease
Wegens groot succes brengt Legio-Lease nu opnieuw de unieke WinstVerDriedubbelaar.
U kunt al na slechts drie jaar de driedubbele winst uitbetaald krijgen.
Belastingvrij! En nu kunt u al meedoen vanaf f 50,- p.m. of slechts f 1.620,-
eenmalig.
Wij leggen u graag uit hoe het werkt.
Het geheim van de WinstVerdriedubbelaar
De Legio-Lease WinstVerDriedubbelaar werkt als volgt. Er niet éénmaal,
maar zelfs driemaal een pakket aandelen voor u aangekocht. En dat terwijl
alle drie de pakketten toch al vanaf dag één voor u aan het
werk zijn. De looptijd is slechts drie jaar. Uw inleg bestaat uitsluitend
uit een door u gekozen vast maandbedrag.
Hoe het werkt? HEEL EENVOUDIG!
Wij zullen u het geheim stap voor stap verklappen
Starten
U kiest een vast maandbedrag of een éénmalige inleg. Na ontvangst
van uw aanmelding wordt op basis daarvan uw eerste pakket solide Nederlandse
aandelen voor u aangekocht. U belegt in aandelen AEGON, KPN en Wolters Kluwer.
Stuk voor stuk betrouwbare en vooraanstaande hoofdfondsen aan de beurs te
Amsterdam (Euronext). Bovendien verzorgt Legio-Lease voor u het recht en
de plicht om na één jaar en na twee jaar weer zo'n zelfde pakket
aandelen te kopen. En tegen dezelfde aankoopprijs als uw eerste pakket! De
premie hiervoor wordt betaald uit de dividenden op uw aandelen.
Na één jaar
Na één jaar wordt voor u het tweede pakket aandelen aangekocht,
tegen dezelfde aankoopprijs als het eerste pakket. Dus ongeacht wat de waarde
van de aandelen op dat moment ook is. Naast de koerswinst die mogelijk al
gemaakt is op het eerste pakket, kunt u daarmee meteen hetzelfde koersresultaat
op het tweede pakket verkrijgen.
Na twee jaar
Na twee jaar wordt voor u het derde pakket aandelen aangekocht, weer tegen
dezelfde aankoopprijs als het eerste pakket. Zo kunt u uw koerswinst letterlijk
VerDriedubbelen!
Na drie jaar
Na drie jaar kunnen uw aandelen voor u worden verkocht. U ontvangt dan de
volledige verkoop-opbrengst van uw aandelen, slechts onder aftrek van de
aankoopprijs. U krijgt dan niet
alleen de koerswinst over uw eerste aandelenpakket uitbetaald, maar diezelfde
koerswinst ook over uw tweede en derde pakket. Belastingvrij!
Premie WinstVerDriedubbeling
De premie voor het recht en de plicht om het tweede en derde aandelenpakket
te mogen kopen tegen dezelfde prijs als het eerste pakket is gelijk aan het
dividend op uw aandelen. De
minimale premie per jaar is gelijk aan het bruto dividend uitgekeerd in
2000. Mocht het zo zijn dat er minder dividend wordt uitgekeerd dan verwacht,
dan wordt het verschil aan het einde van de looptijd verrekend. Zo verdienen
uw aandelen voor u de driedubbele koerswinst!
------------------------------------------------------------
Belastingvrije uitkeringen bij verschillende koersstijgingen op basis van
een maandbedrag van f 250,- of een éénmalige inleg van f 8.100.
Koersstijging Verkoop- Aflossing Uw
gemiddeld per jaar opbrengst hoofdsom uitbetaling
6% f 51.086,37 f 42.893,10 f 8.193,27
8% f 54.032,95 f 42.893,10 f 11.139,85
10% f 57.090,72 f 42.893,10 f 14.197,62
12% f 60.261,72 f 42.893,10 f 17.368,62
14% f 63.548,01 f 42.893,10 f 20.654,91
16% f 66.951,67 f 42.893,10 f 24.058,57
18% f 70.474,74 f 42.893,10 f 27.581,64
20% f 74.119,28 f 42.893,10 f 31.226,18
Over de laatste 7 periodes van 3 jaar bedroeg de stijging van het aandelenpakket
AEGON, KPN en Wolters Kluwer gemiddeld 28% per jaar (peildatum 31 december).
In bovenstaand prognosevoorbeeld wordt uitgegaan van een gemiddelde koersstijging
van 14% per jaar, dus de helft lager. Ter vergelijking: de AEX-Index, de
officiële graadmeter van de beurs te Amsterdam, steeg sinds haar ontstaan
begin 1983 met gemiddeld ruim 17% per jaar. De waarde van uw belegging kan
fluctueren. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor
de toekomst.
------------------------------------------------------------
Vast maandbedrag
U kiest een vast maandbedrag van f 50,-, f 100,-, f 150,-, f 250,- of f
500,-. Uw maandbedrag bestaat geheel uit 0,96% rente (12,1% effectief per
jaar). Uw maandbedrag blijft gedurende de hele looptijd gelijk, ondanks het
feit dat u in het laatste jaar drie keer zoveel aandelen heeft als aan het
begin. In het eerste jaar bestaat een deel van uw maandbedrag uit rente die
u eigenlijk in het derde jaar zou moeten betalen.
10% korting bij vooruitbetalen
U kunt ook kiezen voor een éénmalige inleg van f 1.620,-,
f 3.240,-, f 4.860,-, f 8.100,- of f 16.200,-. De eenmalige inleg bestaat
voor de volle periode van drie jaar geheel uit vooruitbetaalde rente 0,96%
(12,1% effectief per jaar). Omdat u vooruitbetaalt krijgt u op uw vooruitbetaalde
inleg maar liefst 10% korting.
Belastingvrij
Met de Legio-Lease WinstVerDriedubbelaar profiteert u van de belastingvrije
koerswinst op aandelen, ook na invoering van het nieuwe Belastingplan. Met
ingang van 2001 zal, net als op uw spaarplan, op de overwaarde van de WinstVerDriedubbelaar
een jaarlijkse rendementsheffing van 1,2% gelden. Wel is er een ruime vrijstelling
van toepassing: f 74.926,- voor gehuwden, f 37,463,- voor alleen-
staanden. Let op: ook onder het nieuwe belastingplan is koerswinst op aandelen
belastingvrij!
Aanmelden
U meldt zich aan voor de Legio-Lease WinstVerDriedubbelaar door de aanmeldingsbon
volledig ingevuld in te sturen. Kies het maandbedrag dat het beste bij u
past: f 50,-, f 100,-, f 150,-, f 250,- of
f 500,- of kies een éénmalige inleg vanaf f 1.620,-. Vul de
bon verder volledig in en stuur deze gratis op naar: Legio-Lease, Antwoordnummer
10800, 2300 WX Leiden. U kunt natuurlijk ook meerdere overeenkomsten afsluiten.
------------------------------------------------------------
Hoe de WinstVerDriedubbelaar in de praktijk kan werken ziet u in onderstaand
prognosevoorbeeld
In dit voorbeeld krijgt u een volledig beeld van iemand die f 250,- per
maand betaalt of f 8.100,- éénmalig.
Het aankoopbedrag van de aandelen is f 42.893,10 (€ 19.464,04) in totaal.
Omschrijving Maandbedrag Eénmalige inleg
f 250,00 f 8.100,00
Dividend gemiddeld per maand 2,8% f 66,72 f 66,72
Premie WinstVerDriedubbeling f 66,72 - f 66,72-
Per saldo door u te betalen f 0,00 f 0,00
Na 3 jaar geïnvesteerd f 9.000,00 f 8.100,00
Waarde aandelen bij gemiddeld 14%
koersstijging per jaar f 63.548,01 f 63.548,01
Aflossing hoofdsom f 42.893,10 - f 42.893,01-
Belastingvrije uitbetaling f 20.654,91 f 20.654,91
------------------------------------------------------------
Leasecontract
Zo snel mogelijk na ontvangst van uw aanmelding koopt Legio-Lease uw eerste
pakket aandelen op de beurs te Amsterdam (Euronext). Tegelijkertijd wordt
het bijbehorende kooprecht en -plicht voor uw tweede en derde aandelenpakket
voor u verzorgd. Daarna ontvangt u uw leasecontract op basis van de exacte
aankoopkoersen ter ondertekening.
Looptijd
Uw lease-overeenkomst heeft een vaste looptijd van drie jaar. Bij overlijden
kunnen de erfgenamen
(indien gewenst) ook binnen die periode kosteloos stoppen.
Géén transactiekosten
U betaalt bij de Legio-Lease WinstVerDriedubbelaar géén aan-
en verkoopkosten, bewaarloon, enzovoorts. Daardoor bent u ondanks een wat
hogere rente toch beter uit dan "doe-het-zelvers" bij een bank.
Trouwens, de speciale WinstVerDriedubbelaar is alleen bij Legio-Lease te
verkrijgen.
Machtiging
In uw lease-overeenkomst machtigt u Legio-Lease om de maandbedragen of uw
éénmalige inleg automatisch van uw bank- of girorekening te
incasseren.
Einde en uitbetaling
Na afloop van uw lease-overeenkomst (na drie jaar) kunnen de aandelen worden
verkocht en ontvangt u de volledige verkoopopbrengst slechts onder aftrek
van de aankoopprijs. Uw uitbetaling ontvangt u dan binnen één
week op uw bank- of girorekening. Zou de verkoop van aandelen onverhoopt
minder opbrengen dan de aankoopprijs, dan zou u het verschil moeten bijbetalen,
U kunt dan desgewenst gebruik maken van de verlengingsgarantie.
Verlengingsgarantie
Na de looptijd van drie jaar bent u niet verplicht om uw aandelen te verkopen.
Mochten uw aandelen onverhoopt minder waard zijn geworden, dan zou u het
verschil tussen de af te lossen hoofdsom en de verkoopopbrengst van uw aandelen
moeten bijbetalen. Maar u hoeft uw aandelen niet met verlies te verkopen,
want u krijgt van ons de garantie dat u uw contract altijd kunt verlengen
In afwachting van betere tijden. Wij zullen u te zijner tijd uitvoerig informeren
en adviseren.
Toezicht
Legio-Lease is onderdeel van Bank Labouchere te Amsterdam, één
van de oudste banken in
Nederland en gespecialiseerd in effecten. Bank Labouchere is geregistreerd
bij de Stichting
Toezicht Effectenverkeer.
Garantie
Bank Labouchere te Amsterdam garandeert u alle uitbetalingen en/of aandelenleveringen
als u ook aan uw verplichtingen heeft voldaan c.q. voldoet.
Fiscale opinie
De fiscale opinie over de Legio-Lease WinstVerDriedubbelaar van [belastingadviseurs]
Belastingadviseurs te 's-Gravenhage wordt meegezonden met uw lease-overeenkomst.
In deze opinie worden de fiscale aspecten van uw lease-overeenkomst uitgebreid
toegelicht.
Advies-Desk
Heeft u vragen, dan kunt u gratis de Advies-Desk bellen: 0800-1537. Een
team van ervaren adviseurs zit 7 dagen per week (dus ook op zon- en feestdagen)
van 8.00 uur tot 22.00 uur voor u klaar om uw vragen te beantwoorden en u
verder met raad en daad bij te staan.
Bel gratis 0800-1537
Doen!
De Legio-Lease WinstVerDriedubbelaar is een uniek concept waarmee u optimaal
gebruik maakt van de mogelijkheden in de wereld van het "Grote Geld".
Een VerDriedubbeling van de winst in slechts drie jaar tijd hoort ook voor
u tot de mogelijkheden. Stuur ons snel uw aanmeldingsbon in een ongefrankeerde
envelop. Doe dit in ieder geval vóór 19 december 2000.
------------------------------------------------------------
Let op!
! Beleggen bij wie en in welke vorm dan ook brengt financiële risico's
met zich mee. Dat geldt ook voor beleggen met geleend geld via de WinstVerDriedubbelaar.
Beleggen geeft u kans op een hoger, maar ook op een lager dan gemiddeld rendement.
Dit risico is voor u.
! De waarde van uw belegging kan fluctueren, Naarmate in meer risicovolle
beleggingsvormen wordt belegd, zullen de te behalen rendementen onderhevig
zijn aan grotere schommelingen en kan dus ook de eindopbrengst meer afwijken
van de in de voorbeelden gehanteerde bedragen.
! Wij wijzen u erop, dat de gehanteerde rendementen zijn gebaseerd op rendementen
in het verleden. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie
voor de toekomst.
! De gepresenteerde bedragen zijn uitsluitend bedoeld als rekenvoorbeeld.
------------------------------------------------------------
De vordering en de grondslag daarvan
2.1 Leaseverlies en de Consumentenbond vorderen, na wijziging van eis, voorzover
mogelijk onder verklaring dat het te wijzen vonnis uitvoerbaar bij voorraad
is:
I. als voorwaardelijke vordering ex artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering (Rv), namelijk indien en voorzover de rechtbank van oordeel
mocht zijn dat zij hun verwijten met betrekking tot de effectenlease-producten
waarvan materialen ontbreken, zullen dienen te specificeren en toe te spitsen:
Dexia te veroordelen tot het verstrekken van brochures, folders, overeenkomsten
en reclamemateriaal betrekking hebbend op de 59 producten, die zijn opgesomd
onder punt 30 van hun akte houdende wijziging van eis;
II. te verklaren voor recht dat Dexia in de door hen in de dagvaarding omschreven
zin onrechtmatig heeft gehandeld en deswege aansprakelijk is voor de daaruit
voortvloeiende schade jegens degenen, die in de periode van 1 januari 1995
tot en met 1 mei 2002 effectenlease-overeenkomsten hebben gesloten met de
hiervoor onder 1.a genoemde vennootschappen, dan wel andere rechtsvoorgangsters
en/of
opvolgsters van die vennootschappen, en die als gevolg daarvan schade hebben
geleden dan wel bij afloop van de effectenlease-overeenkomsten zullen lijden
dan wel daardoor anderszins in hun belangen zijn aangetast of dreigen te
worden aangetast;
III. in geval van toewijzing van de onder II weergegeven gevorderde verklaring
voor recht: te verklaren voor recht dat de schadevergoeding moet worden berekend
conform de navolgende lijnen:
a. kwijtschelding van een eventuele restschuld aan het einde van de looptijd
van de effectenlease-overeenkomst;
b. terugbetaling van de som van de gedurende de looptijd van de effectenlease-overeenkomst
betaalde maandtermijnen;
c. vergoeding van de wettelijke rente over de hiervoor onder b bedoelde
maandtermijnen vanaf de dag van betaling van die termijnen;
IV. Dexia te veroordelen tot vergoeding van de door Leaseverlies gemaakte
en nog te maken kosten ter behartiging van het collectieve belang, nader
op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf
de dag dat die kosten zijn gemaakt, dan wel vanaf 3 januari 2003, tot de
dag van de voldoening;
V. Dexia te veroordelen tot vergoeding van de door de Consumentenbond gemaakte
en nog te maken kosten ter behartiging van het collectieve belang, nader
op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf
de dag dat die kosten zijn gemaakt, dan wel vanaf 3 januari 2003, tot de
dag van de voldoening;
VI. Dexia te veroordelen in de kosten van het geding.
2.2 Aan hun vorderingen onder 2.1 II en III leggen zij ten grondslag dat
de advertenties, folders en brochures met betrekking tot de door (de rechtsvoorgangsters
van) Dexia aangeboden effectenleaseproducten misleidend zijn in de zin van
artikel 6:194 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.3 Volgens Leaseverlies en de Consumentenbond was de doelgroep van de effectenleaseproducten
een publiek dat gemiddeld weinig of geen eigen vermogen bezat, althans weinig
draagkrachtig was, en weinig tot geen verstand van beleggen had, laat staan
van beleggen met geleend geld en de daaraan verbonden risico's. De misleidendheid
van de advertenties, folders en brochures dient dus te worden beoordeeld
vanuit het gezichtspunt van die gemiddelde effectenleasecontractant.
2.4 Het gaat Leaseverlies en de Consumentenbond om 88 verschillende effectenleaseproducten
die zijn aangeboden in de periode van 1 januari 1995 tot en met 1 mei 2002.
Van 29 van die producten hebben zij advertenties, folders en/of brochures
weten te achterhalen. Zij menen dat, aangezien de opzet van alle advertenties,
folders en brochures in hoofdzaak identiek is, het ervoor moet worden gehouden
behoudens eventueel door Dexia te leveren tegenbewijs dat ook
het niet door hen overgelegde materiaal op gelijke wijze als het overgelegde
materiaal misleidend is.
2.5 Leaseverlies en de Consumentenbond verwijten Dexia misleiding ten aanzien
van “de risico's”, ten aanzien van “de rente en kosten”, ten aanzien van
“de verlengingsoptie als vangnet” en ten aanzien van “de fiscale aspecten”.
Per verwijt en per onderdeel daarvan geven zij in de dagvaarding aan voor
welke producten dat volgens hen in ieder geval geldt. Zij onderbouwen hun
verwijten als volgt.
2.6 misleiding ten aanzien van de risico's
2.6.1 Dexia heeft bij alle producten nagelaten te waarschuwen voor de daadwerkelijke
risico's die door de effectenleasecontractanten worden gelopen. In dit verband
verwijzen Leaseverlies en de Consumentenbond naar de door de Autoriteit Financiële
Markten (AFM) uitgebrachte rapporten met betrekking tot effectenleaseproducten
van 24 oktober 2002 en 23 oktober 2003. Daarnaast heeft Dexia nagelaten te
wijzen op de specifieke risico's die zijn verbonden aan onderdelen of aspecten
van de effectenleaseproducten. Feitelijk gaat het bij het beleggen met behulp
van een huurkoopconstructie om een termijncontract, waarbij bij aanvang de
gehele effectenportefeuille wordt gekocht tegen een prijs die, vermeerderd
met rente, aan het eind geheel moet zijn betaald. Die constructie brengt
de specifieke risico's met zich dat het rendement op de effecten onvoldoende
kan zijn om de in rekening gebrachte rente te compenseren en dat het niet
alleen mogelijk is alle betaalde termijnen te verliezen, maar zelfs uiteindelijk
een restschuld over te houden.
2.6.2 Dexia heeft bij een aantal producten verzuimd erop te wijzen dat daarin
risicoverhogende constructies zijn verwerkt. Bijvoorbeeld bij de WinstVerDriedubbelaar
worden de effecten in drie tranches aangekocht, maar wel steeds tegen de
bij het aangaan van de overeenkomst geldende beurskoersen. Aldus bestaat
het risico dat de effectenleasecontractant een hogere prijs betaalt voor
de tweede en/of derde tranche dan de prijs volgens de actuele koersen ten
tijde van die tweede en/of derde tranche. Niet alleen de winsten, maar ook
de verliezen kunnen dus worden verdrievoudigd, waarvoor niet is gewaarschuwd.
2.6.3 Bij vrijwel alle producten is sprake van een beperkte spreiding van
de effecten waarin wordt belegd. De aandelenportefeuille bestaat meestal
uit niet meer dan vijf individuele fondsen. Binnen de gekozen fondsen is
doorgaans de financiële sector nog eens oververtegenwoordigd, zodat
ook op sectorniveau sprake is van beperkte spreiding. Het risico voor de
belegger neemt toe naarmate de spreiding beperkter is, maar daarop heeft
Dexia niet gewezen.
2.6.4 Bij geen van de producten is het mogelijk de portefeuille tussentijds
te wijzigen. Dat de belegger dus niet kan ingrijpen als bijvoorbeeld een
fonds waarin wordt belegd in de problemen komt, werkt risicoverhogend. Dexia
heeft ook daarop niet gewezen.
2.6.5 Er is sprake van versluierend taalgebruik in de advertenties, folders
en brochures, waardoor de daadwerkelijke risico's zijn verbloemd. Zo wordt
de term verlies steeds vermeden: er wordt bijvoorbeeld niet gesproken over
winst en verlies, maar over winst en andere koersverschillen.
2.6.6 De naamgeving van de meeste producten is misleidend en verhullend.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.6.2 is weergegeven, zou bijvoorbeeld de
WinstVerDriedubbelaar even goed VerliesVerDriedubbelaar hebben kunnen heten.
Verder zijn er namen die de suggestie wekken van ofwel veiligheid (bijvoorbeeld
No-Risk), ofwel winstgevendheid (bijvoorbeeld Profit Effect), ofwel bovengemiddelde
prestaties (bijvoorbeeld AEX Plus Effect), ofwel sparen (bijvoorbeeld Kinder-Spaarleasen),
terwijl zij dat niet kunnen waarmaken.
2.6.7 In het algemeen wordt bij alle producten zeer veel nadruk op de winstkansen
gelegd, terwijl de risico's zo al genoemd volstrekt worden
gebagatelliseerd.
2.7 misleiding ten aanzien van de rente en kosten
In advertenties, folders en brochures met betrekking tot een groot aantal
producten staat een zinsnede, dat contractanten “ondanks een wat hogere rente”
toch beter uit zijn dan 'doe-het-zelvers' bij een bank, omdat geen aan- en
verkoopkosten, bewaarloon, enzovoorts in rekening worden gebracht. Die mededeling
is misleidend, om de volgende vier redenen.
In de eerste plaats bestaan de kosten niet uitsluitend uit de verschuldigde
rente, maar moeten bij de meeste producten de contractanten ook de dividenden
inleveren.
In de tweede plaats is geen sprake van “een wat hogere rente”, maar van
een veel hogere rente dan wordt berekend bij een normaal effectenkrediet.
In de meeste gevallen bedroeg de rente meer dan 12% per jaar.
In de derde plaats is mede gelet op het voorgaande de gemiddelde
contractant niet voordeliger uit dan de gemiddelde 'doe-het-zelver'.
In de vierde plaats wordt bij producten die aankopen in meerdere tranches
kennen (bijvoorbeeld de WinstVerDriedubbelaar) gesuggereerd dat voor de daartoe
op te zetten optieconstructie kosten zijn verschuldigd, terwijl die kosten
voor Dexia te verwaarlozen moeten zijn geweest.
2.8 misleiding ten aanzien van de verlengingsoptie als vangnet
Alle aan Leaseverlies en de Consumentenbond bekende producten kennen een
verlengingsclausule. In advertenties, folders en brochures staat de volgende
of sterk daarop gelijkende passage:
“Einde en uitbetaling
Na afloop van uw lease-overeenkomst (na ... jaar) kunnen de aandelen worden
verkocht en ontvangt u de volledige verkoopopbrengst slechts onder aftrek
van de aankoopprijs. Uw uitbetaling ontvangt u dan binnen één
week op uw bank- of girorekening. Zou de verkoop van aandelen onverhoopt
minder opbrengen dan de aankoopprijs, dan zou u het verschil moeten bijbetalen,
U kunt dan desgewenst gebruik maken van de verlengingsgarantie.
Verlengingsgarantie
Na de looptijd van (...) jaar bent u niet verplicht uw aandelen te verkopen.
Mochten uw aandelen onverhoopt minder waard zijn geworden, dan zou u het
verschil tussen de af te lossen hoofdsom en de verkoopopbrengsten moeten
bijbetalen. Maar u hoeft uw aandelen dan niet te verkopen, want u krijgt
van de ons de garantie dat u uw contract altijd kunt verlengen in afwachting
van betere tijden. Wij zullen u te zijner tijd uitvoerig informeren en adviseren.”
Deze mededelingen zijn misleidend, om de volgende vier redenen.
In de eerste plaats kan het contract niet altijd worden verlengd in afwachting
van betere tijden, maar slechts eenmaal voor de duur van maximaal drie jaar.
In de tweede plaats suggereert de tekst dat de aandelen zonder meer kunnen
worden verkocht, zodra zich betere tijden voordoen, maar in werkelijkheid
is verkoop pas mogelijk na één jaar na de verlengingsdatum.
In de derde plaats is de term “in afwachting van” misleidend, omdat geen
sprake is van afwachten (dus stilzitten), maar van het aangaan van een nieuw
contract.
In de vierde plaats suggereert de tekst dat een verlenging kan voorkomen
dat moet worden bijbetaald, terwijl in werkelijkheid slechts sprake is van
uitstel. Daarbij is de kans dat een verlenging gunstig uitpakt zeer gering,
omdat de verschuldigde rentetermijnen gebaseerd blijven op de oorspronkelijke
portefeuillewaarde en dus forse koersstijgingen noodzakelijk zijn om gedurende
de verlenging die rentetermijnen te overtreffen.
2.9 misleiding ten aanzien van de fiscale aspecten
De aantrekkelijkheid van effectenleaseproducten hing voor een belangrijk
gedeelte samen met de aanvankelijk geldende fiscale aftrekbaarheid van betaalde
rente. Eind 1996 werd duidelijk dat die aftrekbaarheid mogelijk zou komen
te vervallen. Per 1 januari 1997 werd de aftrekbaarheid van de consumptieve
rente beperkt, per 1 januari 1999 werd de aftrekbaarheid van de rente verder
beperkt en per 1 januari 2001 is deze geheel afgeschaft. Pas eind 1998 heeft
Dexia echter voor het eerst in advertenties, folders en brochures melding
gemaakt van de beperking van de renteaftrek. In een advertentie van 7 maart
1998 voor de WinstVerDriedubbelaar spreekt zij nog zonder meer over gehele
fiscale aftrekbaarheid van betaalde rente. In de desbetreffende periode heeft
Dexia dus geen dan wel onvoldoende informatie gegeven over de fiscale aspecten,
hetgeen de door haar gedane mededelingen misleidend maakt.
2.10 Leaseverlies en de Consumentenbond concluderen ten aanzien van de door
hen gestelde misleiding dat de effectenleasecontractanten geen overeenkomsten
met Dexia zouden hebben gesloten althans niet op dezelfde voorwaarden
indien zij voorafgaand aan de totstandkoming daarvan juiste en volledige
mededelingen hadden ontvangen met betrekking tot de hierboven onder 2.6 tot
en met 2.9 opgesomde punten.
2.11 Daarnaast beklagen Leaseverlies en de Consumentenbond zich over agressieve
verkoopmethoden waarmee de effectenleaseproducten aan de man werden gebracht.
Potentiële cliënten werden stelselmatig per post (direct mail)
of telefonisch (door call-centers) benaderd. Met dat laatste heeft Dexia
gehandeld in strijd met het in artikel 26 Nadere Regeling gedragstoezicht
effectenverkeer 2002, voorheen Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999
(hierna: NR) vastgelegde verbod op “cold calling”. Ook kwamen verkopers onaangekondigd
aan huis om toegezonden overeenkomsten getekend te krijgen.
Voorts verwijten zij Dexia dat werd volstaan met een toetsing van de financiële
situatie van de effectenleasecontractanten bij het Bureau Kredietregistratie
te Tiel, waarmee Dexia wél in kaart bracht wat haar eigen (incasso)risico
was, maar niet of het product wel bij de contractant paste, hetgeen Leaseverlies
en de Consumentenbond in strijd achten met het bepaalde in artikel 28 NR.
2.12 Aan hun voorwaardelijke vordering (onder 2.1 I) leggen Leaseverlies
en de Consumentenbond kort gezegd ten grondslag dat zij er
niet in zijn geslaagd brochures, folders, overeenkomsten en reclamemateriaal
met betrekking tot de 59 daar bedoelde producten te achterhalen en dat
mocht de rechtbank dit materiaal voor de beoordeling noodzakelijk achten
Dexia op grond van artikel 843a Rv gehouden is dat ter beschikking
te stellen. Mocht de toepassing van artikel 843a Rv niettemin op een beletsel
stuiten, dan geven Leaseverlies en de Consumentenbond de rechtbank in overweging
op grond van artikel 22 Rv Dexia te bevelen het materiaal over te leggen.
2.13 Tot slot stellen zowel Leaseverlies als de Consumentenbond ter behartiging
van het collectieve belang kosten te hebben gemaakt en nog te moeten maken,
die zij door Dexia vergoed wensen te zien (vorderingen onder 2.1 IV en V).
Het verweer van Dexia
3.1.1 Dexia voert primair aan dat Leaseverlies en de Consumentenbond in
hun vorderingen tot verklaring voor recht (2.1 II en III) niet ontvankelijk
zijn. In de eerste plaats brengt zij in dit verband naar voren dat deze vorderingen,
in onderling verband beschouwd, strekken tot een veroordeling tot het betalen
van een schadevergoeding te voldoen in geld, hetgeen krachtens het bepaalde
in artikel 3:305a lid 3 BW in het kader van een collectieve actie niet tot
de mogelijkheden behoort. Voorts acht Dexia hen niet ontvankelijk in genoemde
vorderingen omdat bij degenen om wie het in deze zaak gaat geen sprake is
van gelijksoortige belangen in de zin van artikel 3:305a lid 1 BW. De belangen
zijn volgens haar niet gelijksoortig:
- wegens de uiteenlopende verwijten terzake van de beweerde misleiding (als
weergegeven onder 2.6 tot en met 2.9);
- wegens de grote verscheidenheid aan in de periode van 1 januari 1995 tot
en met
1 mei 2002 op de markt gebrachte effectenleaseproducten en verschillende
varianten daarvan;
- wegens verschillen in inhoud en inkleding van de op al deze producten
betrekking hebbende advertenties, folders, brochures en ander materiaal;
- wegens verschillen in de door de effectenleasecontractanten behaalde resultaten;
- wegens de in de periode van 1 januari 1995 tot en met 1 mei 2002 gewijzigde
wet- en regelgeving ten aanzien van het aanbieden van financiële producten
als de onderhavige;
- wegens verschillen in de fiscale positie van de effectenleasecontractanten;
- wegens verschillen in de door de effectenleasecontractanten gestelde schade.
Volgens Dexia leent deze zaak zich dan ook niet voor een collectieve actie
en kan de vraag of Dexia met haar uitingen onrechtmatig jegens effectenleasecontractanten
heeft gehandeld, evenals de vraag naar de eventueel daaruit voortvloeiende
schade, door de rechter slechts worden beoordeeld in afzonderlijke zaken
tussen de individuele effectenleasecontractanten en Dexia.
3.1.2 Wat betreft de effectenleaseproducten terzake waarvan Leaseverlies
en de Consumentenbond geen advertenties, folders of brochures in het geding
hebben gebracht, zijn zij volgens Dexia voorts niet ontvankelijk omdat zij
niet hebben voldaan aan de op hen rustende stelplicht. Het minste dat van
Leaseverlies en de Consumentenbond kan worden verwacht, is dat zij het materiaal
overleggen waarvan zij stellen dat het misleidend is.
3.1.3 De niet-ontvankelijkheid terzake van de vorderingen onder 2.1 II en
III brengt voorts met zich dat Leaseverlies en de Consumentenbond evenmin
ontvankelijk zijn in hun daarvan afhankelijke vorderingen tot kostenverhaal
(2.1 IV en V), aldus Dexia.
3.2.1 Subsidiair betwist Dexia dat de door Leaseverlies en de Consumentenbond
bedoelde advertenties, folders en brochures als misleidend zijn aan te merken.
Zij stelt voorop:
- dat bij de beoordeling van de vraag of een reclame-uiting misleidend is
in de zin van artikel 6:194 BW dient te worden uitgegaan van de vermoedelijke
verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende
consument;
- dat bij reclame enige overdrijving toelaatbaar is, en;
- dat bij de beoordeling van een bepaalde reclame-uiting ook dienen te worden
betrokken de overige stukken die een contractant vóór het aangaan
van de overeenkomst onder ogen krijgt (bijvoorbeeld de overeenkomst zelf).
3.2.2 In het licht van deze uitgangspunten betwist Dexia dat haar advertenties,
folders of brochures op de door Leaseverlies en de Consumentenbond specifiek
besproken onderdelen en aspecten in enig opzicht misleidend zijn. Zij maakt
hierbij de kanttekening dat de stellingen van Leaseverlies en de Consumentenbond
te algemeen en te generiek zijn en dat hun producties onvoldoende toegankelijk
zijn om afdoende verweer te kunnen voeren.
3.3 Voorts ziet Dexia problemen met de samenloop tussen de onderhavige procedure
en de (onder meer) door de Stichting Eegalease en de Consumentenbond bij
de kantonrechter te Amsterdam tegen haar aanhangig gemaakte procedure. In
die procedure voor de kantonrechter wordt immers vernietiging van de gesloten
effectenleaseovereenkomsten gevorderd op grond van het bepaalde in artikel
1:88 lid 1 sub d BW in verbinding met artikel 1:89 BW, terwijl in de onderhavige
procedure wordt uitgegaan van de rechtsgeldigheid van deze overeenkomsten.
Dexia houdt het ervoor dat een groot aantal overeenkomsten onderwerp is van
beide procedures, hetgeen ertoe zou kunnen leiden dat zij terzake van één
overeenkomst tweemaal tot schadevergoeding zou kunnen worden aangesproken.
Voor het geval de vorderingen geheel of gedeeltelijk worden toegewezen, verzoekt
Dexia dan ook in het vonnis een aanwijzing op te nemen die verhindert dat
Dexia in voorkomende gevallen voor een en hetzelfde contract twee maal tot
betaling kan worden aangesproken.
3.4 Dexia betwist gemotiveerd de door Leaseverlies en de Consumentenbond
voorgestane wijze van schadeberekening en het causaal verband tussen de gestelde
misleiding(en) en de gestelde schade, en beroept zich op matiging van eventueel
verschuldigde schadevergoeding.
3.5 Met de voorwaardelijke vordering van Leaseverlies en de Consumentenbond
op grond van artikel 843a Rv kan Dexia zich niet verenigen, maar indien de
rechtbank van oordeel is dat Leaseverlies en de Consumentenbond ontvankelijk
zijn in hun vorderingen en dat is voldaan aan de vereisten van artikel 843a
Rv, zal Dexia uit haar archieven de relevante stukken waarover zij beschikt
in het geding brengen.
Het verweer van Sobi en [gevoegde partij 2]
4. Sobi en [gevoegde partij 2] bestrijden de vordering van Leaseverlies
en de Consumentenbond, voorzover betrekking hebbend op brochures/folders
van Dexia die destijds door hen zijn gecontroleerd en goed bevonden. Daarbij
gaat het, naar ter comparitie van partijen is gebleken, om brochures/folders
met betrekking tot vier van de in het geding zijnde producten (Legio Pessimistenplan,
Agio Stockplan, Kinder-Spaarleasen en Legio Jubileum Plan), die alle in of
omstreeks het jaar 1995 op de markt zijn gebracht. Sobi en [gevoegde partij
2] voeren aan dat in die brochures/folders geen misleidende informatie voorkwam.
Voorts benadrukken zij dat het destijds goede producten betrof en achten
zij het moeilijk voorstelbaar dat ook maar iemand die een effectenlease-overeenkomst
is aangegaan aan de hand van het door hen goed bevonden materiaal, daarop
verlies zou hebben geleden.
Beoordeling
5. Ontvankelijkheid
5.1.1 Omtrent de ontvankelijkheid van de gevorderde verklaring voor recht
dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:194 BW jegens
effectenleasecontractanten en dat Dexia jegens hen aansprakelijk is voor
de schade die zij als gevolg daarvan hebben geleden of zullen lijden (zie
hiervoor onder 2.1 II), wordt als volgt overwogen.
5.1.2 De collectieve actie van de artikelen 3:305a e.v. BW strekt ertoe
bepaalde rechtspersonen de bevoegdheid te geven ter bescherming van de belangen
van andere personen een rechtsvordering in te stellen. Tussen partijen is
niet in geschil dat Leaseverlies en de Consumentenbond rechtspersonen zijn
waaraan in dit geval in beginsel de bevoegdheid toekomt deze verklaring voor
recht te vorderen. Dit wordt als vaststaand aangenomen. Op grond van artikel
3:305a lid 2 BW zijn Leaseverlies en de Consumentenbond niet ontvankelijk
in de vordering, indien zij in de gegeven omstandigheden onvoldoende hebben
getracht het gevorderde door het voeren van overleg met Dexia te bereiken.
Tussen partijen is niet in geschil dat in dit geval aan deze voorwaarde voor
de ontvankelijkheid is voldaan. Ook dit wordt als vaststaand aangenomen.
5.1.3 Leaseverlies en de Consumentenbond verschillen met Dexia van mening
over de vraag of de gevorderde verklaring voor recht strekt tot bescherming
van gelijksoortige belangen van effectenleasecontractanten in de zin van
artikel 3:305a lid 1 BW.
5.1.4 Anders dan Dexia betoogt, behoeft voor de vraag of de gevorderde verklaring
voor recht toewijsbaar is niet te worden onderzocht of de reclame-uitingen
die Leaseverlies en de Consumentenbond misleidend achten, misleidend zijn
geweest jegens de individuele cliënten van Dexia die na kennisneming
daarvan één of meer effectenleaseovereenkomsten zijn aangegaan.
Bij de beoordeling van de vordering zal, indien de ontvankelijkheid komt
vast te staan, slechts moeten worden onderzocht of die reclame-uitingen misleidende
mededelingen waren in de zin van artikel 6:194 BW. Leaseverlies en de Consumentenbond
hebben in zoverre dan ook geen vordering ingesteld die beoordeling vergt
van de rechtsverhouding tussen Dexia en individuele beleggers. Nu Leaseverlies
en de Consumentenbond met de onder 2.1 II gevorderde verklaring voor recht
in zoverre geen vaststelling vragen van telkens geïndividualiseerde
rechtsverhoudingen tussen de bij Leaseverlies aangesloten beleggers en Dexia,
vormt dit verweer van Dexia geen beletsel voor hun ontvankelijkheid in de
collectieve actie.
5.1.5 Het feit dat Leaseverlies en de Consumentenbond van een groot aantal
reclame-uitingen stellen dat deze misleidend waren, belemmert evenmin hun
ontvankelijkheid. Het staat hun in beginsel vrij, ook in het kader van een
collectieve actie, te stellen en na betwisting zo nodig te bewijzen
dat een groot aantal reclame-uitingen misleidend is geweest. Geen
rechtsregel brengt immers mee dat een dergelijke cumulatie van vorderingen
in een collectieve actie niet is toegestaan. Dit zou anders kunnen zijn ingeval
cumulatie in een collectieve actie in feite neerkomt op misbruik van procesrecht
of van de bevoegdheid tot instelling van de collectieve actie, maar dit is
niet door Dexia aangevoerd en de rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding
te oordelen dat dit zich hier zou voordoen. Verder brengt het enkele feit
dat van een groot aantal verschillende reclame-uitingen wordt gesteld dat
deze misleidend waren, niet mee dat gelijksoortige belangen in de zin van
artikel 3:305a lid 1 BW ontbreken. Ontvankelijk zijn Leaseverlies en de Consumentenbond
in dit geval doordat zij stellen dat zij met de gevorderde verklaring voor
recht een rechtsvordering instellen ter bescherming van de belangen van effectenleasecontractanten
die zich benadeeld voelen door Dexia. In zoverre is sprake van gelijksoortige
belangen in de zin van artikel 3:305a lid 1 BW.
5.1.6 Al hetgeen Dexia overigens op diverse onderdelen heeft aangevoerd
ter toelichting van haar verweer dat van gelijksoortige belangen geen sprake
zou zijn (conclusie van antwoord onder 39 tot en met 71), is niet beslissend
voor het antwoord op de vraag of Leaseverlies en de Consumentenbond in dit
geval bevoegd zijn ter bescherming van de belangen van die effectenleasecontractanten
de onderhavige verklaring voor recht te vorderen en behoeft daarom hier geen
verdere bespreking.
5.1.7 Het verweer dat aan de eis van gelijksoortige belangen niet is voldaan
omdat de eventuele schade van effectenleasecontractanten zich niet leent
voor beoordeling in het kader van een collectieve actie, maar telkens een
individuele beoordeling vergt, staat aan de ontvankelijkheid van de gevorderde
verklaring voor recht niet in de weg, omdat voor de beoordeling van de toewijsbaarheid
van de gevorderde verklaring voor recht geen oordeel over eventuele schade
van effectenleasecontractanten noodzakelijk is. Het enkele feit dat in de
gevorderde verklaring voor recht niet alleen wordt gevorderd (de rechtbank
leest:) voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld in
de zin van artikel 6:194 BW jegens effectenleasecontractanten, maar tevens
dat zij aansprakelijk is voor hun schade als gevolg daarvan, doet hieraan
niet af. De gevorderde verklaring voor recht strekt er immers niet toe dat
in dit geding de schade van individuele effectenleasecontractanten wordt
vastgesteld. De strekking van de vordering is niet anders dan de situatie
die zich van rechtswege voordoet indien in dit geding zou komen vast te staan
dat Dexia misleidende reclame in de zin van artikel 6:194 BW heeft gemaakt:
in dat geval zal vaststaan dat zij onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk
is jegens degenen die als gevolg daarvan schade lijden.
5.1.8 Tenslotte kan het verweer dat Leaseverlies en de Consumentenbond niet
aan hun stelplicht hebben voldaan doordat zij niet van alle reclame-uitingen
die zij misleidend achten een exemplaar in het geding hebben gebracht, Dexia
in het kader van de ontvankelijkheidstoets niet baten. Deze kwestie zal weliswaar
aan de orde moeten komen bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de
vordering, maar het feit dat Leaseverlies en de Consumentenbond van de reclame-uitingen
waarop zij zich beroepen een aanzienlijk deel wél en een aanzienlijk
deel niet hebben overgelegd ter onderbouwing van hun vordering, is niet beslissend
voor de ontvankelijkheid van hun vordering krachtens artikel 3:305a lid 1
BW.
5.1.9 De slotsom is dat Leaseverlies en de Consumentenbond ontvankelijk
zijn in de vordering voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft
gehandeld in de zin van artikel 6:194 BW jegens effectenleasecontractanten
en dat Dexia jegens effectenleasecontractanten aansprakelijk is voor de schade
die zij als gevolg daarvan hebben geleden of zullen lijden.
5.2.1 De ontvankelijkheid van de vordering weergegeven onder 2.1 III, om
bij toewijzing van de hiervoor genoemde verklaring voor recht eveneens voor
recht te verklaren langs welke lijnen de schadevergoeding van effectenleasecontractanten
zal moeten worden berekend, kan in het midden blijven. Deze vordering zal
namelijk in geen geval toewijsbaar zijn. In het kader van de onderhavige
collectieve actie, ingesteld door Leaseverlies en de Consumentenbond, kan
niet worden vastgesteld langs welke lijnen eventuele schade van effectenleasecontractanten
moet worden berekend. Daaraan staat in de weg dat volgens het bepaalde in
artikel 3:305a lid 3 BW een rechtsvordering die strekt tot bescherming van
gelijksoortige belangen van andere personen dan die van Leaseverlies en de
Consumentenbond, niet kan strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld.
Weliswaar wordt met de gevorderde verklaring voor recht naar de letter beschouwd
geen schadevergoeding gevorderd te voldoen in geld, maar beoordeling van
de toewijsbaarheid van dit gedeelte van de vordering vergt, net als een vordering
tot schadevergoeding te voldoen in geld, telkens een feitelijk, geïndividualiseerd
onderzoek naar de eventuele schade van effectenleasecontractanten, waarvoor
de wetgever in de collectieve actie geen plaats heeft willen inruimen. Blijkens
de parlementaire geschiedenis heeft de wetgever immers een tot schadevergoeding
strekkende collectieve actie in artikel 3:305a lid 3 BW uitgesloten omdat
beoordeling van een vordering tot schadevergoeding vaststellingen in rechte
vergt die slechts mogelijk zijn aan de hand van beoordeling van individuele
feiten en omstandigheden (Kamerstukken II 1991/1992, 22486, nr. 3, p. 29
e.v.). Het feit dat inmiddels een voorstel voor een Wet collectieve afwikkeling
massaschade in de Tweede Kamer aanhangig is (Kamerstukken II 2003/2004, 29414,
nr. 1 e.v.), maakt dit niet anders, omdat de rechtsvordering is ingesteld
op grond van artikel 3:305a BW, naar geldend recht een schadevergoedingsactie
als onderdeel daarvan uitdrukkelijk is uitgesloten en er reeds daarom geen
aanleiding is te onderzoeken of plaats is voor anticiperende toepassing van
de wijze waarop de wetgever, naar zich thans laat aanzien, gevallen van massaschade
in de toekomst door de rechter wenst te laten afwikkelen.
5.2.2 Voorzover Dexia zich op het standpunt stelt dat de ontvankelijkheid
van de eerste vordering tot verklaring voor recht (2.1 II) nog afstuit op
het onderling verband met de in geen geval toewijsbare verklaring voor recht
omtrent de lijnen van de berekening van schadevergoeding (conclusie van antwoord
onder 28), wordt zij daarin niet gevolgd. Zonder toelichting die ontbreekt
is, in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de
ontvankelijkheid van eerstgenoemde vordering, niet in te zien dat Leaseverlies
en de Consumentenbond geen zelfstandig belang zouden hebben bij beoordeling
van de toewijsbaarheid van eerstgenoemde verklaring voor recht. De beoordeling
van eerstgenoemde vordering is immers niet onlosmakelijk verbonden met de
beoordeling van de in geen geval toewijsbare verklaring voor recht omtrent
de berekening van schadevergoeding.
5.3 Het verweer dat Leaseverlies en de Consumentenbond niet ontvankelijk
zijn in de vorderingen tot kostenverhaal (2.1 IV en V) als gevolg van hun
niet-ontvankelijkheid in de beide vorderingen tot een verklaring voor recht
gaat tot slot niet op, nu is geoordeeld dat Leaseverlies en de Consumentenbond
in ieder geval in de eerste vordering tot een verklaring voor recht ontvankelijk
zijn.
6. Wijze van inhoudelijke beoordeling
6.1 Thans zal worden ingegaan op het geschil van partijen over de toewijsbaarheid
van de vordering voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld
in de zin van artikel 6:194 BW jegens effectenleasecontractanten en dat Dexia
jegens hen aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg daarvan hebben
geleden of zullen lijden.
6.2 De stelling van Leaseverlies en de Consumentenbond dat bij aanbieding
van effectenlease-overeenkomsten gebruik is gemaakt van verkoopmethoden die
strijdig zijn met het bepaalde in artikel 26 NR, kan naar haar aard niet
leiden tot toewijzing van hun vordering voor recht te verklaren dat bepaalde
reclame-uitingen misleidend zijn geweest en behoeft daarom geen verdere bespreking.
Hetzelfde geldt voor de stelling dat in strijd met artikel 28 NR de financiële
situatie van de cliënt slechts werd getoetst bij het Bureau Kredietregistratie
te Tiel.
6.3 Dexia wordt niet gevolgd in haar betoog dat de vraag of één
of meer van haar reclame-uitingen misleidend waren, moet worden beantwoord
in onderling verband en samenhang met de overige vóór het aangaan
van de overeenkomst aan de contractanten ter beschikking gestelde stukken.
Indien een reclame-uiting misleidend is, wordt het misleidende karakter daarvan
niet weggenomen door de beschikbaarheid van andere informatie over het product
waarvoor reclame wordt gemaakt.
6.4.1 Partijen zijn het er niet over eens aan de hand van welke reclame-uitingen
hun geschil moet worden beoordeeld. Volgens Leaseverlies en de Consumentenbond
kan uit het reclamemateriaal dat zij in het geding hebben gebracht, worden
afgeleid dat alle reclame-uitingen van Dexia die betrekking hadden op het
aanbod om een effectenleaseovereenkomst aan te gaan, misleidend waren in
de zin van artikel 6:194 BW. Volgens Dexia moet echter per reclame-uiting
worden bezien of sprake is geweest van misleidende reclame. Bovendien verschillen
partijen in dit verband van mening over de vraag of het nodig is ontbrekende
reclame-uitingen van producten die Leaseverlies en de Consumentenbond in
de vordering hebben betrokken, in het geding te brengen en, indien deze vraag
bevestigend wordt beantwoord, wie van hen daartoe gehouden is.
6.4.2 Naar het oordeel van de rechtbank maakt het bepaalde in artikel 6:194
BW slechts mogelijk dat wordt vastgesteld of een onrechtmatige daad is gepleegd
doordat een bepaalde in het geschil als zodanig aangeduide mededeling misleidend
is. Noch artikel 6:194 BW, noch een andere rechtsregel over onrechtmatige
daad, noch de collectieve actie van artikel 3:305a BW biedt gelegenheid vast
te stellen dat, indien komt vast te staan dat één of meer mededelingen
misleidend in de zin van artikel 6:194 BW waren, andere, niet in het licht
van artikel 6:194 BW beoordeelde en niet identieke mededelingen eveneens
onrechtmatig zouden zijn. De collectieve actie strekt er niet toe te doen
vaststellen dat een collectief van in een bepaalde periode gedane, niet identieke
en niet individueel beoordeelde mededelingen, misleidend is.
6.4.3 Dit brengt mee dat de onderhavige vordering van Leaseverlies en de
Consumentenbond slechts kan worden beoordeeld door per mededeling waarvan
zij, ook na gemotiveerde betwisting, stellen dat die onjuist en/of onvolledig
is, vast te stellen of deze misleidend is in de zin van artikel 6:194 BW.
6.4.4 Voor dit geval hebben Leaseverlies en de Consumentenbond de rechtbank
(onder meer) verzocht op grond van artikel 22 Rv te gelasten dat Dexia al
het relevante materiaal (brochures, folders, overeenkomsten en reclamemateriaal)
verstrekt met betrekking tot de 59 effectenleaseproducten ten aanzien waarvan
zij geen materiaal hebben kunnen achterhalen. Dit verzoek is niet toewijsbaar
voorzover het ander materiaal betreft dan de door Dexia verspreide brochures/folders
van die producten. Voorzover het advertenties in kranten, tijdschriften of
andere openbare bronnen betreft, moeten die worden geacht ook voor Leaseverlies
en de Consumentenbond kenbaar te zijn. Het ligt, gelet op de verplichting
van Leaseverlies en de Consumentenbond hun vordering bij betwisting toe te
lichten, allereerst op hun weg afschriften van deze mededelingen in het geding
te brengen. Voorzover het verzoek overeenkomsten betreft, mag nog
los van de vraag of deze in het licht van artikel 6:194 BW beoordeeld kunnen
worden van Leaseverlies en de Consumentenbond worden verwacht dat
zij door de bij hen aangesloten beleggers van deze informatie worden voorzien.
Zonder toelichting, die ontbreekt, is niet in te zien waarom Dexia desalniettemin
zou moeten worden gelast op deze punten haar archieven en die van haar rechtsvoorgangsters
te doorzoeken. Voorzover Leaseverlies en de Consumentenbond nog andere mededelingen
op het oog hebben dan de hiervoor vermelde, is het verzoek als te vaag niet
toewijsbaar.
6.4.5 Dexia heeft ter comparitie laten weten dat zij nog beschikt over in
ieder geval het grootste gedeelte van de ontbrekende brochures/folders van
de 59 bedoelde effectenleaseproducten en dat zij bereid is deze voorzover
beschikbaar in het geding te brengen, indien de rechtbank oordeelt
dat zij daartoe gehouden is.
Indien Leaseverlies en de Consumentenbond bij akte zullen mededelen dat
zij wensen dat de rechtbank met betrekking tot de afzonderlijke effectenlease-overeenkomsten
per reclame-uiting beoordeelt of de desbetreffende advertentie, folder en/of
brochure misleidend was in de zin van artikel 6:194 BW, zal Dexia bij antwoordakte
de ontbrekende brochures/folders van die 59 effectenlease-overeenkomsten,
voorzover zij hierover beschikt, in het geding moeten brengen. De rechtbank
acht dit overeenkomstig het bepaalde in artikel 22 Rv geboden op de navolgende
gronden. Leaseverlies en de Consumentenbond stellen dat het materiaal ten
aanzien van 88 bij naam genoemde effectenlease-overeenkomsten misleidend
is geweest. Zij hebben van 29 bij naam genoemde effectenleaseovereenkomsten
stukken overgelegd. Dexia betwist niet dat Leaseverlies er niet in is geslaagd
van de bij haar aangesloten beleggers de beschikking te krijgen over de door
Dexia verspreide brochures/folders van de overige 59 effectenlease-overeenkomsten.
Dexia betwist wel dat de brochures/folders van die 59 effectenlease-overeenkomsten
misleidend waren en heeft laten weten dat zij nog beschikt over (het grootste
deel van) deze brochures/folders. Onder deze omstandigheden ligt het in het
licht van artikel 22 Rv op de weg van Dexia om, voorzover zij beschikt over
de aan Leaseverlies en de Consumentenbond ontbrekende, destijds door haar
verspreide brochures/folders, deze over te leggen teneinde Leaseverlies en
de Consumentenbond in de gelegenheid te stellen aan de hand hiervan hun stelling
toe te lichten dat telkens sprake is geweest van misleidende reclame.
Indien Leaseverlies en de Consumentenbond van deze gelegenheid gebruik maken
en dus afzonderlijke beoordeling wensen van de misleidendheid per reclame-uiting,
dienen zij in verband met de goede procesorde het door Dexia over te leggen
materiaal en het reeds door henzelf overgelegde materiaal te ordenen, per
stuk te nummeren (en te vergezellen van een overzicht van de per stuk genummerde
producties) en per mededeling toe te lichten wat de misleidende aspecten
zijn in de zin van artikel 6:194 BW. Voldoen Leaseverlies en de Consumentenbond
hieraan niet, dan moeten zij ermee rekening houden dat het gedeelte van de
vordering waaromtrent aan deze eis niet is voldaan, als onvoldoende toegelicht
niet toewijsbaar zal zijn. De eisen van een goede procesorde brengen immers
weliswaar mee dat, na het oordeel van de rechtbank dat collectieve beoordeling
van de gestelde misleidendheid niet mogelijk is, aan Leaseverlies en de Consumentenbond
gelegenheid wordt gegeven hun stellingen hieraan aan te passen, maar ook
dat de rechtbank en de wederpartijen gezien de omvang van de producties
waarvan wordt gesteld dat zij misleidende reclame bevatten na dit
oordeel niet zullen behoeven in te gaan op niet per stuk genummerde en onvoldoende
toegelichte producties waarvan dat misleidende karakter wordt gesteld.
6.4.6 De voorwaardelijke vordering tot verstrekking van stukken heeft betrekking
op dezelfde stukken als die waarvan Leaseverlies en de Consumentenbond op
grond van artikel 22 Rv een bevel tot overlegging hebben verzocht. Gelet
hierop en op het voorgaande behoeft die vordering geen verdere bespreking.
6.5 Indien Leaseverlies en de Consumentenbond afzonderlijke beoordeling
van iedere mededeling wensen, zullen zij na de onder 6.4.5 genoemde aktewisseling
gelegenheid krijgen bij conclusie hun standpunten toe te lichten dat deze
mededelingen al dan niet misleidend waren in de zin van artikel 6:194 BW.
De wederpartijen zullen daarop dan bij antwoordconclusie kunnen reageren.
Dit neemt niet weg, dat partijen thans reeds in staat zijn geweest hun standpunt
omtrent de (on)rechtmatigheid van de hiervoor onder 1.g weergegeven advertentie
van 2 december 2000 inzake de WinstVerDriedubbelaar uiteen te zetten, aangezien
deze advertentie integraal door Leaseverlies en de Consumentenbond in de
dagvaarding is opgenomen en zij hun standpunt dat sprake is geweest van misleidende
reclame, tot op heden steeds mede aan de hand van deze advertentie hebben
toegelicht. Dit gevoegd bij het feit dat Leaseverlies ter comparitie heeft
meegedeeld dat ruim 80% van de bij haar aangesloten beleggers een overeenkomst
met deze naam is aangegaan en de mogelijkheid dat het oordeel van de rechtbank
over deze mededeling voor partijen mede van invloed kan zijn op de keuzes
over de wijze van voortprocederen in deze zaak, leidt ertoe dat de rechtbank
het passend en geboden acht thans het geschil van partijen over de (on)rechtmatig-heid
van deze mededeling te beoordelen.
7. De advertentie van 2 december 2000 inzake de WinstVerDriedubbelaar
7.1 Bij de beantwoording van de vraag of de advertentie bij publicatie misleidend
was in de zin van artikel 6:194 BW moet, gelet op deze grondslag van de vordering
en gezien de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
van 16 juli 1998, C-210/96 (NJ 2000, 374), niet worden uitgegaan van de individuele
personen die in contractuele verhouding tot Dexia staan uit hoofde van effectenlease-overeenkomsten,
maar moet worden uitgegaan van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld
geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument bij kennisneming
van deze advertentie. Deze maatstaf heeft te gelden zonder differentiatie
naar doelgroep, omdat Leaseverlies en de Consumentenbond zelf niet stellen
dat zij de belangen van gespecificeerde doelgroepen behartigen, maar in het
algemeen stellen op te treden namens personen die een relatie met Dexia hebben
uit hoofde van een effectenlease-overeenkomst. Of Dexia zich met haar advertentie
speciaal richtte op een publiek met geen of weinig eigen vermogen en geen
of weinig kennis van beleggen, zoals Leaseverlies en de Consumentenbond stellen
en Dexia betwist, kan dan ook in het midden blijven.
Verder wordt vooropgesteld dat Leaseverlies en de Consumentenbond weliswaar
bij herhaling stellen, in zoverre gesteund door Sobi en [gevoegde partij
2], dat de WinstVerDriedubbelaar een product van slechte kwaliteit was, maar
dat zij niet stellen dat het misleidend is om reclame te maken voor een kwalitatief
slecht product. Dit betekent dat de stellingen van Leaseverlies en de Consumentenbond
omtrent de kwaliteit van het product slechts bespreking behoeven in verband
met de centrale vraag of met de advertentie van 2 december 2000 de WinstVerDriedubbelaar
is aangeboden op een wijze die misleidend is in de zin van artikel 6:194
BW.
7.2 Omtrent de betwiste stelling van Leaseverlies en de Consumentenbond,
dat de advertentie van 2 december 2000 misleidend is ten aanzien van de risico's,
wordt als volgt overwogen.
In de advertentie is vermeld dat een risico van beleggen met geleend geld
is, dat een schuld kan resteren aan het einde van de looptijd van de overeenkomst.
Een waarschuwing van deze strekking is op drie plaatsen te vinden, waarvan
twee in de hoofdtekst en één aan het einde onder het omlijnde
“Let op!”. Weliswaar krijgt in de advertentie de mogelijkheid dat met de
WinstVerDriedubbelaar winst wordt gemaakt aanzienlijk meer nadruk dan de
mogelijkheid dat verlies wordt geleden en een schuld ontstaat, maar voor
een reclame-uiting, waarin overdrijving binnen zekere grenzen niet onrechtmatig
is, gebeurt dit gemeten naar de maatstaf van een gemiddeld geïnformeerde,
omzichtige en oplettende gewone consument niet in misleidende zin.
De stellingen van Leaseverlies en de Consumentenbond, dat de advertentie
misleidend is omdat de consument niet wordt gewezen op de beperkte spreiding
van de te kopen effecten en omdat de samenstelling van de effecten niet kan
worden gewijzigd, kunnen ook niet leiden tot het oordeel dat de advertentie
misleidend is ten aanzien van de risico's. De beperkte spreiding en het ontbreken
van de mogelijkheid de samenstelling van de portefeuille te wijzigen worden
genoemd in de advertentie en lijken kenmerken van het product te zijn. De
daaraan verbonden specifieke risico's behoefden, bezien in het licht van
de gehele inhoud van de advertentie, geen afzonderlijke vermelding, omdat
dit risico's betreft die voor de gewone consument als hiervoor bedoeld kenbaar
zijn.
Ook indien juist is dat zoals Leaseverlies en de Consumentenbond
stellen taal wordt gebezigd die risicoversluiering in zich heeft,
mag de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument
worden geacht in de advertentie de voormelde risico's te kunnen lezen.
De stelling dat de naam WinstVerDriedubbelaar misleidend is ten aanzien
van de risico's, omdat ook verlies kan worden verdriedubbeld, stuit
wat daarvan ook zij tot slot af op het feit dat de naam van het product
wordt genoemd in de advertentie en dat in onderling verband en samenhang
met de overige inhoud van de advertentie moet worden bezien of deze naamgeving
de reclame-uiting als geheel misleidend maakt. Nu op voormelde gronden de
advertentie niet misleidend is ten aanzien van de risico's, is het enkele
feit dat de naam van het product slechts de positieve aspecten van het product
benoemt, onvoldoende om te oordelen dat de naam van het product in samenhang
met de inhoud van de advertentie misleidend is.
7.3 Dan is aan de orde of de advertentie misleidend is ten aanzien van rente
en kosten, zoals Leaseverlies en de Consumentenbond stellen.
Dat voor het recht en de plicht om het tweede en derde aandelenpakket te
kopen tegen dezelfde prijs als het eerste pakket een premie wordt berekend,
gelijk aan het dividend op de aandelen, staat met zoveel woorden onder de
kop ”premie WinstVerDriedubbeling” in de advertentie vermeld. Ook wordt daar
het risico genoemd dat de minimaal geldende premie niet uit de dividenden
kan worden voldaan. Op dit punt is van onjuiste of onvolledige en
daardoor misleidende informatie dus geen sprake. In dit licht bezien
is ook de mededeling van “Géén transactiekosten” niet misleidend.
De mededeling in de advertentie dat “een wat hogere rente” is verschuldigd,
is evenmin als misleidend aan te merken, nu eerder in de tekst de hoogte
van de rente exact staat aangegeven (12,1% effectief per jaar). Voor de gemiddeld
geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument moet duidelijk
kunnen zijn waaruit de aan het product verbonden kosten bestaan (12,1% rente
effectief per jaar en op de aandelen uitgekeerde dividenden). In het licht
van het voorgaande is, ook al zou de toevoeging dat men voordeliger uit is
dan de gemiddelde 'doe-het-zelver' niet (geheel) juist zijn, geen sprake
van overdrijving die de reclame-uitingen misleidend en daarmee onrechtmatig
maakt.
De door Leaseverlies en de Consumentenbond bedoelde optieconstructie wordt
in de advertentie niet specifiek genoemd, maar zoals hiervoor reeds
vastgesteld staat onder de kop ”Premie WinstVerDriedubbeling” voldoende
duidelijk omschreven wat de aan de constructie van aankoop in drie tranches
verbonden kosten zijn, hoe deze worden opgebracht en waaruit het risico bestaat.
Daarom is ook hier van misleiding geen sprake.
7.4 Vervolgens staat ter beoordeling of de advertentie misleidend is ten
aanzien van de verlengingsoptie als vangnet.
In de kern komen de onder “Einde en uitbetaling” en “Verlengingsgarantie”
gedane mededelingen erop neer dat na afloop van de contractsperiode een schuld
kan overblijven, dat verlenging in dat geval mogelijk is en dat de contractant
daarover dan uitvoerig zal worden geïnformeerd en geadviseerd. De verstrekte
informatie over de verlengingsoptie is daarmee weliswaar onvolledig, maar
niet misleidend. De gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende
gewone consument kan immers worden geacht te signaleren zowel dat over de
mogelijkheid tot verlenging in geval van verlies aan het einde van de looptijd
nog geen volledige informatie wordt verstrekt als dat in dat geval een potentieel
risico bestaat. Anders dan Leaseverlies en de Consumentenbond voorts nog
betogen, is in de desbetreffende passages niet te lezen dat het contract
steeds zou kunnen worden verlengd en nooit met verlies zou hoeven worden
afgesloten.
7.5 Tot slot zien de verwijten die Dexia worden gemaakt ten aanzien van
de fiscale aspecten, niet op de onderhavige advertentie; over fiscale aftrekbaarheid
van betaalde rente wordt daarin niet gesproken. Ook is zonder voldoende toelichting,
die ontbreekt, niet in te zien op grond waarvan in dit geval op Dexia een
verplichting zou rusten uitvoeriger in te gaan op de gewijzigde fiscale regelgeving
dan zij onder de kop “Belastingvrij” heeft gedaan.
7.6 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de advertentie van 2 december
2000 inzake de WinstVerDriedubbelaar niet is aan te merken als misleidend
in de zin van artikel 6:194 BW en dat de onder 2.1 II vermelde vordering
voorzover betrekking hebbend op deze advertentie zal worden afgewezen.
8. De door Sobi en [gevoegde partij 2] gecontroleerde en goed bevonden brochures/folders
De beoordeling van de vier door Sobi en [gevoegde partij 2] gecontroleerde
en goed bevonden brochures/folders zal, indien Leaseverlies en de Consumentenbond
een beoordeling per reclame-uiting wensen, plaatsvinden tegelijkertijd met
de beoordeling van het overige onder 6.4.5 bedoelde materiaal. In afwachting
van de uitlating van Leaseverlies en de Consumentenbond hieromtrent zal deze
beoordeling dan ook worden aangehouden.
9. Afronding
9.1 Zoals hiervoor is overwogen, is de verdere loop van het geding als volgt.
Eerst zullen Leaseverlies en de Consumentenbond in de gelegenheid worden
gesteld bij akte mede te delen of zij wensen dat de rechtbank met betrekking
tot de afzonderlijke effectenlease-overeenkomsten per mededeling beoordeelt
of de desbetreffende advertentie, folder en/of brochure misleidend was in
de zin van artikel 6:194 BW. Indien Leaseverlies en de Consumentenbond aangeven
een beoordeling per reclame-uiting te wensen, zal Dexia bij die antwoordakte
in het geding moeten brengen de brochures/folders (voorzover zij daarover
beschikt) van de 59 effectenleaseproducten, ten aanzien waarvan Leaseverlies
en de Consumentenbond geen materiaal hebben kunnen achterhalen. Vervolgens
kunnen Leaseverlies en de Consumentenbond bij conclusie, met inachtneming
van rechtsoverweging 6.4.5, toelichten welke reclame-uitingen zij in welke
opzichten misleidend achten in de zin van artikel 6:194 BW en zullen Dexia
en Sobi en [gevoegde partij 2] daarop bij antwoordconclusie kunnen reageren.
9.2 Hoger beroep van dit tussenvonnis zal reeds thans worden opengesteld.
9.3 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
BESLISSING
De rechtbank:
- verwijst de zaak naar de rol van de tweede enkelvoudige kamer van 4 augustus
2004 voor akte aan de zijde van Leaseverlies en de Consumentenbond tot het
onder 9.1 omschreven doel;
- bepaalt dat hoger beroep van dit vonnis reeds thans kan worden ingesteld;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Noot
Gedupeerde
Legio Lease beleggers proberen op verschillende wijzen hun verlies vergoed
te krijgen. De belangrijkste rechtsmiddelen in gewone procedures zijn achtereenvolgens:
vorderingen op grond van art. 6:194 BW (misleidende reclame), op grond van
wanprestatie en dwaling, tot vernietiging van de overeenkomst wegens strijd
met artikel 1:88 en 89 BW (ontbrekende toestemming echtgenoot bij koop op
afbetaling) en tenslotte, zoals in dit geval, een collectieve vordering op
grond van artikel 3:305a BW eveneens wegens misleidende reclame. Daarnaast
worden klachten ingediend bij het Dutch Security Institute (DSI).
DSI kan klachten tegen de bij haar
aangesloten deelnemer Dexia in behandeling nemen, voorzover die betrekking
hebben op effectendienstverlening en niet al onderwerp zijn van een collectieve
actie door de Stichting Leaseverlies, wanneer klager bij die Stichting is
aangesloten. Dat betekent bijvoorbeeld dat niet geklaagd kan worden over
het niet mee tekenen van de lease overeenkomst door de echtgenoot (geen voldoende
verband met effectendienstverlening), wel over misleiding door individuele
voorlichting (want dat onderwerp maakte geen zelfstandig deel uit van de
collectieve actie) en ook over nalatigheid in het toetsen en bewaken van
de financiële situatie van de klager door de deelnemer. DSI kan bindende
adviezen geven over de hoogte van de restschuld die betrokkenen hebben tegenover
Dexia.
Tot nu toe is er een wisselend beeld.
Ik vond op http://www.rechtspraak.nl op het trefwoord dexia al gauw z'n 65 zaken die voor de gewone rechter hebben
gespeeld. Feitenrechtspraak van Kluwer (de opvolger van Kort Geding) heeft in augustus j.l. een special over Legio Lease uitspraken gepubliceerd.
Daarnaast zijn een stuk of acht klachten door de Klachtencommissie van het
DSI afgehandeld(zie http://www.stichting-dsi.nl).
Afhankelijk van de individuele omstandigheden van het geval worden vorderingen
al dan niet toegewezen, resp. vorderingen van Dexia al dan niet afgewezen.
In Over lenen, leasen en verliezen, het eindrapport van de
Commissie Geschillen Aandelenlease is een analyse opgenomen van de jurisprudentie
van de gewone rechter en van de klachtencommissie van het DSI (Bijlage bij
kamerstuk 28965, nr. 10). Uit die analyse blijkt onder meer dat klachten
die zijn gebaseerd op mededelingen in folders en ander reclamemateriaal doorgaans
worden afgewezen, omdat daarin voor de gemiddelde belegger die gehouden is
dit materiaal nauwkeurig bestuderen voldoende waarschuwingen zouden staan.
Klachten over misleiding door een adviseur of tussenpersoon worden daarentegen
soms wel gegrond bevonden (eindrapport, p. 30). Het zou interessant zijn
van al die zaken precies uit zoeken onder welke omstandigheden een vordering
al dan niet wordt toegewezen het eindrapport geeft daar niet voldoende
indicaties voor - , maar omdat veel zaken in hoofdzaak contractuele aspecten
betreffen, zie ik daarvan af.
In dit geval vorderen gedupeerde beleggers
op grond van artikel 3:305a e.v. BW collectief een verklaring voor recht
dat Dexia, althans haar rechtsvoorganger Legio Lease misleidende mededelingen
heeft gepubliceerd in de zin van artikel 6:194 BW, alsmede schadevergoeding
in geld. De laatste vordering is op grond van artikel 3:305a lid 3 BW niet
mogelijk en de beleggers, verenigd in de Stichting Leaseverlies, alsmede
de Consumentenbond worden dan ook in die vordering niet ontvankelijk verklaard.
Een verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld, kan uiteraard
wel tot het oordeel leiden dat Dexia aansprakelijk is voor de schade die
de beleggers hebben geleden, vooropgesteld dat de schade ook aan Dexia kan
worden toegerekend. Dexia draagt daarvoor overigens de (omgekeerde) bewijslast
(art. 6:195 lid 2 BW).
Eisers beklaagden zich over drie handelspraktijken
van Dexia. Naast het verwijt van misleiding, baseren zij hun vorderingen
ook op oneerlijke, agressieve verkoopmethoden (cold calling en colportage
van financiële producten) en op onvoldoende toetsing van de financiële
situatie van de beleggers in spé. De regeling van deze twee praktijken
is neergelegd in de Nadere Regeling Gedragstoezicht Effectenverkeer (2002),
hierna NR. Artikel 26 NR bevat een opt-in regeling voor telefonische en gewone
colportage, artikel 28 gedetailleerde toetsings- en bewakingsregelingen met
betrekking tot de financiële situatie van de beleggende cliënt.
Voorzover die regels al zouden zijn overtreden eisers dragen daar
geen nader materiaal voor aan - kan dat, aldus het vonnis, uiteraard niet
leiden tot toewijzing van de vordering dat de gemaakte reclame misleidend
is. Op naleving van die regels ziet de Autoriteit Financiële Markten
toe. Overtreding kan worden bestraft met een bestuurlijke boete.
Het beslissende punt waarop de vordering
is afgewezen, is toepassing van de algemene maatstaf voor misleiding zoals
die in de rechtspraak van het HvJEG is ontwikkeld. Eisers hebben 5 augustus
j.l. beroep aangetekend, dus op dat punt valt nog wat te verwachten. Ik beperk
mij hieronder echter tot het belichten van de achtergronden van die maatstaf.
De vraag die zich verder voordoet
is hoe de door de rechtbank toegepaste algemene maatstaf zich verhoudt tot
de bijzondere misleidingsregels terzake die worden gehandhaafd door de AFM.
De AFM kan namelijk ook boetes opleggen wegens niet naleving van de geldende
bijzondere regelgeving met betrekking tot reclame-uitingen ten aanzien van
aandelenleaseproducten. Die bijzondere regelgeving is neergelegd in artikel
7.5-7.8 van de NR en in het bijzonder in artikel 7.5.4. AFM heeft inderdaad
op 22 juli 2004 in een advertentie in het Financiële Dagblad bekend
gemaakt dat zij zes bestuurlijke boetes heeft opgelegd aan Dexia Bank Nederland
N.V., waaronder een boete voor de overtreding van de geldende regelgeving
met betrekking tot reclame-uitingen ten aanzien van aandelenleaseproducten.
De maatstaf voor misleiding
De maatstaf die de rechtbank bij deze
collectieve actie heeft toegepast is de volgende:
“7.1. Bij de beantwoording van
de vraag of de advertentie bij publicatie misleidend was in de zin van artikel
6:194 BW moet, gelet op deze grondslag van de vordering en (curs.
JK) gezien de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
van 16 juli 1998, C-210/96 (NJ 2000, 374), niet worden uitgegaan van de individuele
personen die in contractuele verhouding tot Dexia staan uit hoofde van effectenlease-overeenkomsten,
maar moet worden uitgegaan van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld
geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument bij kennisneming
van deze advertentie.”
Het lijkt te gaan om een causale
relatie: omdat het om een collectieve vordering gaat (“gelet op de grondslag
voor deze vordering”) moet noodzakelijkerwijs de maatstaf worden toegepast
die het HvJEG heeft ontwikkeld in genoemde zaak. Dat is begrijpelijk, maar
suggereert dat er maar twee maatstaven zijn: één waarin op
misleiding wordt geoordeeld, rekening houdend met alle concrete omstandigheden
van het geval, en één waarin een (abstracte) standaard, de
referentieconsument, wordt gebruikt. Het is echter ook mogelijk om bijvoorbeeld,
zoals in Duitsland vaak gebeurt, met percentages te werken om te bepalen
of er sprake is van misleiding. In de Nissan-zaak (C373/90) heeft het Hof
z'n methode niet in strijd met het gemeenschapsrecht geacht. Misleiding wegens
onvolledigheid met betrekking tot een ogenschijnlijk niet zo relevant punt
(het gegeven dat auto's in België zijn geregistreerd voordat zij naar
Frankrijk waren geïmporteerd en dus in die zin eigenlijk niet nieuw
meer waren, terwijl zij, omdat er nog niet in was gereden, wèl als
nieuw werden aangeprezen), aldus het Hof in die zaak, is pas aanwezig wanneer
vaststaat dat een aanmerkelijk aantal (nader qua percentage door de rechter
te bepalen) consumenten het product niet hadden gekocht als ze hadden geweten
van het niet vermelde gegeven. Het Hof heeft echter in dezelfde zaak die
de rechtbank citeert, de Gut Springenheide-zaak, geoordeeld dat zulks alleen
maar in zeer bijzondere, moeilijke gevallen aan de orde kan zijn.
Ik wijs er echter op dat de causale
relatie er niet letterlijk zo staat: door het gebruik van het door mij gecursiveerde
voegwoord “en”, kiest de rechtbank zelf voor de referentieconsument als maatstaf
voor misleiding en meent zij dus kennelijk dat zo'n derde maatstaf hier niet
moet worden gevolgd.
Tot beter begrip van de door de rechtbank
gehanteerde maatstaf moet niet uit het oog worden verloren dat het gaat om
(a) een Europese, rechtspolitieke maatstaf (b) die is ontwikkeld in reactie
op Duitse, Luxemburgse en Oostenrijkse disproportionele, het vrije verkeer
van goederen belemmerende, abstracte misleidingswetgeving en rechtspraak.
(a) Het Europese, rechtspolitieke
karakter van de maatstaf komt al naar voren in de conclusie van de AG in
de bekende Cassis de Dijon zaak (C-120/78) uit 1979. Hij legt daar een verband
tussen bescherming van de consument tegen misleiding en de behoeften van
de gemeenschappelijke markt. Neemt men als maatstaf de vluchtig waarnemende
consument, de 'absolut unmündigen, fast schön pathologisch dummen
und fahrlässig unaufmerksamen Durchschnittverbraucher' (zie Karl-Heinz
Fezer, 'Das wettbewerbsrechtliche Irreführungsverbot als ein normatives
Model des verständigen Verbrauchers im Europäischen Unionsrecht', WRP 1995, nr. 5, p. 675, noot 34), dan noopt bescherming van dat type
bijna noodzakelijkerwijs tot eenheidsproducten waar niemand zich een buil
aan kan vallen en informatie daarover eigenlijk nauwelijks nodig is. Zo'n
eenheidsworstmarkt is in strijd met de behoeften van de gemeenschappelijke
markt en het kan dus bijna niet anders dan dat die markt een slimmere consument
nodig heeft. Cassis de Dijon betrof, zoals bekend, de vraag of de Duitse
wetgever een minimumpercentage aan alcohol voor likeur mocht voorschrijven
als gevolg waarvan de lichtere Franse Cassis de Dijon van de Duitse markt
werd gehouden. Het argument dat door dit voorschrift de gezondheid van de
consument wordt beschermd (het tegengaan van alcoholgewenning door “light”
drankjes van de markt te houden) wordt door het Hof verworpen omdat datzelfde
doel kan worden bereikt door informatie op het etiket.
Die sprong van receptuurwetgeving
naar informatiewetgeving maakt het mogelijk dat nationale, feitelijke informatiemonopolies
doorbroken worden en, vooropgesteld dat de informatie voldoende duidelijk
is, de consument bewust kan kiezen uit een veelheid van nationale en buitenlandse
producten. Die consument moet dan wel in staat zijn om de verstrekte informatie
op zijn waarde te schatten. De Europese levensmiddelenetiketteringswetgeving
heeft aldus bijna per definitie een slimme consument van node, die gepokt
en gemazeld is in de levensmiddelenchemie. Volgens het Hof in bijvoorbeeld
de hierna te noemen Darbo-uitspraak (C-465/98) is dat ook zo: die consument
spelt het etiket. Aangenomen wordt immers dat deze consument, indien zijn
aankoopbeslissing wordt bepaald door de samenstelling van de betrokken producten,
vòòr die beslissing, eerst de lijst van ingrediënten leest.
Kortom: het vrije verkeer van goederen
kan niet buiten de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende
gewone consument (zie ook Volker Schmitz, Die kommerziellen Kommunikation
im Binnenmarkt im Lichte der neueren Rechtspechung zur Warenverkehrsfreiheit,
Baden-Baden: Nomos Verlagsgesellschaft 2000, p. 300). Het ideologische criterium
(keuzevrijheid door meer informatie) is, zoals zo vaak, in feite mede een
economisch criterium (vrijheid van grensoverschrijdende handel).
(b) C-210/96, de zaak Gut Springenheide,
betreft de vraag of de aanduiding “zes-granen” op de verpakking van eieren
mag worden gebruikt, als vaststaat dat het kippenvoer niet voor 100% maar
voor 60% uit die granen bestaat. De rechter achtte aanvankelijk strijd met
de Duitse levensmiddelenwetgeving aanwezig die misleidende aanduidingen verbiedt.
Op de vraag van het Duitse Bundesverwaltungsgericht van welk type consument
moet worden uitgegaan bij de beoordeling van misleiding, oordeelt het Hof:
“30 Ook zij eraan herinnerd, dat
het Hof zich reeds verschillende keren heeft gebogen over het eventueel misleidend
karakter van een benaming, een merk of een reclame-uiting in het licht van
de verdragsbepalingen of bepalingen van afgeleid recht en dat het, telkens
wanneer de voorliggende stukken voldoende leken en de oplossing duidelijk
leek, het probleem zelf heeft beslecht in plaats van de eindbeoordeling aan
de nationale rechter over te laten (zie onder meer arresten van 7 maart 1990,
GB-INNO-BM, C-362/88, Jurispr. blz. I-667; 13 december 1990, Pall, C-238/89,
Jurispr. blz. I-4827; 18 mei 1993, Yves Rocher, C-126/91, Jurispr. blz. I-2361;
2 februari 1994, Verband Sozialer Wettbewerb, C-315/92, Jurispr. blz. I-317;
29 juni 1995, Langguth, C-456/93, Jurispr. blz. I-1737, en 6 juli 1995,
Mars, C-470/93, Jurispr. blz. I-1923).
31 Blijkens deze arresten is het Hof bij de beoordeling, of de benaming,
het merk of de reclame-uiting de koper al dan niet kon misleiden, uitgegaan
van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige
en oplettende gewone consument, en dat het geen deskundigen- of opinieonderzoek
heeft gelast.
32 De nationale rechterlijke instanties moeten in dezelfde omstandigheden
dus in de regel in staat zijn om de eventuele misleidende werking van een
reclame-uiting te beoordelen.”
De arresten die het Hof noemt hebben
zonder uitzondering betrekking op situaties waarin (een bepaalde vorm van)
juiste of mogelijk onjuiste maar irrelevante informatie door de nationale
wetgever wordt verboden om de consument te beschermen tegen mogelijke misleiding.
GB-INNO-BM betreft een verbod van voor de consument relevante en niet-misleidende
prijsinformatie. Pall betreft een verbod van mogelijk onjuiste maar voor
de consument niet-relevante informatie (het gebruik van de letter R. in Duitsland
voor een merk dat niet in Duitsland, maar in Italië is geregistreerd).
Yves Rocher betreft een Duits algeheel verbod van doorgestreepte prijzen
(“van … voor….”). Verband Sozialer Wettbewerb gaat over het Duitse verbod
van de naam 'Clinique' voor een cosmetisch product. In dat geval oordeelt
het Hof dat het verbod niet noodzakelijk is ter bescherming van de gezondheid,
omdat van de naam Clinique, mede gelet op de verkoopomstandigheden, geen
therapeutische en dus geen misleidende suggestie uitgaat. Het product wordt
namelijk alleen in parfumerieën verkocht, wordt aangeboden als een cosmetisch
product en de naam wekt in andere landen geen misverstand. In die situatie
weet de consument wel waar hij of zij aan toe is. Langguth betreft een verbod
van het in het oog springend vermelden van een toegelaten aanduiding. Mars
tenslotte gaat over een verbod op de vermelding "+ 10 %" die zodanig
in de opmaak van de verpakking is opgenomen, dat de consument de indruk krijgt
dat het product is vergroot met een hoeveelheid overeenkomend met het gekleurde
gedeelte van de nieuwe verpakking. Dat gedeelte beslaat echter aanmerkelijk
meer dan 10 % van het totale oppervlak van de verpakking.
In al die gevallen wordt het vrije
verkeer van goederen belemmerd door nationale, vaak zeer abstracte misleidingsverboden
waarvan men zich in gemoede kan afvragen waar die voor nodig zijn. Het lijkt
er verdacht veel op dat de uitvinding van 'de vermoedelijke verwachting van
een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende (maar ook) gewone
consument' een paardenmiddel is om voor eens en voor altijd een einde te
maken aan paternalistisch beschermende nationale wetgeving en rechtspraak
die het vrije goederenverkeer in de gemeenschap belemmert.
In de rechtspraak van het Hof die
op Gut Springenheide is gevolgd en waarin dit model expliciet wordt gebruikt,
is het niet veel anders. Ik laat de gevallen buiten beschouwing waarin dit
consumentenmodel wordt gebruikt om een oplossing te bieden in zaken van verwarring
en ongeoorloofd aanhaken bij merken en geografische aanduidingen. Achtereenvolgens
gaat het dan om Estée Lauder (C-220/98), Darbo (C-465/98), Linhart
(C-99/01) en Douwe Egberts (C-239/02, n.n.g.; zie conclusie AG van 11 december
2003, par. 54).
Estée Lauder gaat over het
gebruik van de aanduiding lifting in de naam van een huidverstevigende crême.
Het Hof constateert dat een verkeerde opvatting over het product dat met
die term wordt aangeduid (duurzame werking, net zoals bij plastische chirurgie)
geen schade kan toebrengen aan de volksgezondheid. Op het eerste gezicht
zal, aldus het Hof, de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende
gewone consument niet verwachten dat de crême een duurzame werking
heeft. Het Hof beslecht de zaak zelf echter niet en laat de eindbeoordeling
over aan de nationale rechter, kennelijk omdat de voorliggende stukken onvoldoende
bleken en de oplossing onduidelijk. Het staat, aldus het Hof, de nationale
rechter dan vrij om met inachtneming van sociale, culturele of taalkundige
factoren te onderzoeken of de (in dit geval Duitse) referentieconsument die
aanduiding toch als duurzaam werkend opvat, dan wel dat de voorwaarden voor
het gebruik van het product op zich volstaan om het tijdelijke karakter van
de werking ervan te benadrukken, zodat elke tegengestelde conclusie die aan
de term lifting kan worden ontleend, teniet wordt gedaan. De Duitse rechter
mag daarbij steunen op opinie-onderzoek.
Darbo betreft, als boven al aangegeven,
een verbod van de aanduiding natuurzuiver voor een jam die het geleermiddel
pectine bevat en hoeveelheden residuen van lood, cadmium en pesticiden die
ver onder het toegelaten maximum liggen. Dat er pectine inzit, staat op het
etiket. De aanwezigheid van de residuen behoeft in dit geval niet verplicht
te worden vermeld. De gemiddelde consument zal door de aanduiding natuurzuiver
in dit geval niet worden misleid, aldus het Hof.
De Linhart-zaak (de aanduiding dermatologisch
getest is in eerste instantie verboden omdat het etiket geen nadere informatie
bevat over voorwerp en de conclusie van het desbetreffende wetenschappelijk
onderzoek) herhaalt de bevinding uit Estée Lauder: het criterium van
de oplettende consument mag worden toegepast bij de verkoop van cosmetische
producten, wanneer een onjuiste opvatting over de kenmerken van het product
geen schade kan toebrengen aan de volksgezondheid. De referentieconsument
zal, aldus het Hof door die aanduiding niet worden misleid. Drie gevallen
dus waarin het Hof zelf, met de referentieconsument als breekijzer, nationale
misleidingsverboden afbreekt, één geval waarin het Hof het
aan de nationale rechter overlaat om zich over het misleidend karakter van
de aanduiding uit te spreken en daarbij de vermoedelijke verwachting van
de consument in aanmerking te nemen. De rechter mag daarbij gebruik maken
van opinie of deskundigenonderzoek om het misleidend karakter van de aanduiding
te beoordelen.
Het lijkt
er, als gezegd, verdacht veel op dat de uitvinding van 'de vermoedelijke
verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende
gewone consument' een paardenmiddel is om voor eens en voor altijd een einde
te maken aan paternalistisch beschermende nationale wetgeving en rechtspraak
die het vrije goederenverkeer in de gemeenschap belemmert. Het lijkt er ook
op dat dit middel tot nu toe vooral is gebruikt in gevallen waarin een onjuiste
interpretatie van mededelingen geen schade tot gevolg heeft. De vraag die
zich voordoet is of dit paardenmiddel ook geschikt is om in het onderhavige
geval toe te passen. Het woord is aan het Hof.
JK
|