HOF
VAN JUSTITIE EG
23
oktober 2003
zaak
C-408/01
Artikel
5 lid 2 van Richtlijn 89/104/EEG verplicht de lidstaten die dit (facultatieve)
artikel hebben geïmplementeerd, de extra-bescherming die dit artikel verleent
aan bekende merken ook te verschaffen ingeval van gebruik van een teken voor
dezelfde of soortgelijke waren of diensten. Vereiste voor optreden door de
merkhouder in dit geval is dat merk en teken zodanig met elkaar overeenstemmen
dat het betroken publiek een verband legt tussen teken en merk.. Bij een teken
dat louter als versiering wordt gebruikt, zal het publiek geen verband leggen
tussen merk en teken.
(Adidas-Salomon
AG, voorheen Adidas AG, Adidas Benelux
BV/Fitnessworld Trading Ltd)
Ornament und
Verbrechen
1.
Invulling van een
lacune die door de uitspraak inzake Davidoff II (C-202/00) was opengelaten,
introductie van het nieuwe begrip: ‘verband’ en een op het oog moeilijk te
begrijpen oordeel inzake mogelijke merkinbreuk door tekens die als versiering
kunnen worden opgevat. Dat zijn de drie belangrijke punten uit dit arrest.
2.
Dit arrest moet mede
gezien worden tegen de achtergrond van de strijd tussen een ruime en een
beperkte bescherming van het (bekende) merk. Het gaat dan om de vraag of
alleen bescherming tegen (direct en indirect) verwarringsgevaar wordt geboden,
dan wel ook bescherming tegen andere omstandigheden die het merk kunnen schaden,
zoals verwatering en aantasting van de reputatie van het merk. Zoals bekend is
in die strijd door de Richtlijn geen duidelijke positie gekozen. De lidstaten
mogen kiezen voor een beperkte of ook voor een ruimere bescherming. Inderdaad
hebben alle lidstaten dat laatste gedaan: zij hebben alle gebruik gemaakt van de
facultatieve mogelijkheid, verleend in artikel 5 lid 2 van de Richtlijn, om een
bescherming in te voeren tegen gebruik van een aan een bekend merk gelijk
of overeenstemmend teken voor niet-soortgelijke waren of diensten, wanneer door
dit gebruik, zonder geldige reden, ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken
uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van
het merk.
3.
Het Hof is in ieder
geval wat de vereisten voor verwarringsgevaar met betrekking tot gelijke of
soortgelijke waren of diensten betreft, geporteerd voor een enge opvatting: van
verwarring in de zin van artikel 5 lid 1 sub b. Richtlijn kan alleen maar sprake
zijn, indien verwarring daadwerkelijk (positief) wordt aangetoond (C-425/98
inzake Adidas/Marca). In deze zaak gaat het om gelijke of soortgelijke waren en
dus ligt een mogelijke conclusie voor de hand: het drie strepen merk van Adidas
is er zo bij het publiek ingeroest dat het twee strepen onmiddellijk als niet
van Adidas afkomstig zal onderkennen. Dat was de (feitelijke) conclusie van Hof
Arnhem in de (kort geding) zaak die aan dit arrest voorafging, een conclusie die
door AG Huydecoper niet is onderschreven, maar waar hij verder uiteraard niets
mee kon doen. Zie Hof Arnhem 18 augustus 1998, ad r.o. 5.10 als vermeld in de Conclusie AG bij HR 12 oktober 2001,
LJN-nummer ZC3688, ad par. 16. Uit het hier besproken arrest van het HvJEG valt
niets af te leiden op dit punt. In een eventuele bodemprocedure kan de kwestie
opnieuw aan de orde worden gesteld.
4.
Artikel 5 lid 2
Richtlijn, de facultatieve bepaling, geeft het bekende merk extra
bescherming, namelijk tegen 1) verwatering, 2) reputatie-aantasting en 3)
aanhaken. Die extra bescherming is, naar de tekst genomen, echter beperkt tot
bescherming tegen gebruik van bepaalde tekens voor niet-soortgelijke waren of
diensten. Davidoff II oordeelde dat de lidstaten deze extra bescherming ook
mogen toekennen in het geval waarin
sprake is van gebruik van een teken voor van dezelfde of van soortgelijke
waren of diensten, maar daarmee stond nog niet vast dat de lidstaten ook
verplicht waren om dat te doen bij omzetting van de facultatieve bepaling.
Facultatief is facultatief: men zou immers ook slechts een stukje bescherming
(alleen voor niet-soortgelijke waren of diensten) kunnen invoeren. Die laatste
(Engelse) opvatting is nu verworpen. De lidstaten moeten de extra bescherming
ook verlenen in het geval van gelijke of soortgelijke tekens.
5.
Daarmee stond nog
niet vast aan welke nadere criteria de extra bescherming moet voldoen. Het
arrest maakt die criteria overigens niet duidelijk, maar geeft wel uitsluitsel
op één punt: ook zonder dat er sprake is van verwarring kan de houder van een
bekend merk optreden in bovengenoemde drie gevallen. Vereist is slechts dat merk
en teken zodanig met elkaar overeenstemmen dat het betrokken publiek een verband
(het Hof spreekt in één adem van ‘samenhang’) legt tussen het teken en het merk
(zie r.o. 31). En dat is uitdrukkelijk iets anders dan het associatie-criterium
dat in artikel 5 lid 1 sub b. wordt genoemd. Voor het begrip ‘verband’ wordt
verwezen naar General Motors (C-375/97). De AG heeft met betrekking tot die zaak
in een noot opgemerkt: “Ofschoon de Engelse vertaling van het arrest het woord
association gebruikt, verwijst het Frans naar de term rapprochement. Het is
mijns inziens handig om het Frans te volgen en een andere term te gebruiken dan
die welke in de artikelen 34, lid 1 sub b, en 5, lid 1 sub b, van de richtlijn
wordt gebruikt. Ik heb daarom het woord connection gebruikt.” Zie voor de
desbetreffende overweging in General Motors, overweging 23 van dat arrest.
Het Hof zegt in de Engelse tekst van het hier besproken
arrest: “It is sufficient for the degree of similarity between the mark with a
reputation and the sign to have the effect that the relevant section of the
public establishes a link (curs. K.) between the sign and the mark.”
Link, connection, samenhang, verband:
daar moeten we het mee doen. Dat zijn uiteraard veel lichtere termen dan de term
associatie. De lichtheid van de termen staat in recht evenredig verband met de
bekendheid van het merk: hoe bekender een merk, des te eerder zal het publiek
een verband leggen tussen merk en teken, ook bij waren of diensten die niet
soortgelijk zijn (zie nog eens aldus het Hof in r.o. 23 van de General Motors
zaak). Dat geldt (misschien) des te
eerder als het wél om soortgelijke waren of diensten gaat. Die overweging lijkt
te pleiten tegen bovengenoemde redenering van het Hof Arnhem die het bekende
merk juist vanwege zijn bekendheid afstraft. Niettemin zijn we er nog niet
helemaal.
6.
De criteria waar het
om gaat staan in artikel 5 lid 2, als gezegd: 1) verwatering, 2)
reputatie-aantasting en 3) aanhaken. Het verband dat het in aanmerking komende
publiek legt tussen het bekende merk en het teken moet leiden tot genoemde
schade-aspecten. Daaromtrent vernemen we uit het arrest echter niets naders. De
vragen van de HR waren daarop helaas niet gericht. Daar komt dus weer een nieuw
arrest aan. Want het kan niet zo zijn dat met het aantonen van het verband die
schade-aspecten automatisch kunnen worden verondersteld. Dat doet het Hof immers
ook niet als het gaat om het aantonen van verwarring. De beoordeling daarvan
dient immers te geschieden met inachtneming van alle relevante omstandigheden
van het concrete geval. Of zoals het Hof het zegt in Adidas/Marca: “(D)e
bekendheid van een merk (is) geen grond om het bestaan van verwarringgevaar te
vermoeden, enkel omdat er gevaar voor associatie in enge zin bestaat” (r.o. 41).
De vragen waar het dan om moet gaan zullen m.i. vooral betrekking moeten hebben
op het eerste en het derde criterium. Reputatie-aantasting lijkt me hier niet
aan de orde. Door het gebruik van het twee strepen motief zou Fitnessworld dus ongerechtvaardigd
voordeel trekken uit de reputatie van Adidas (aanhaken of meeliften), waardoor
afbreuk zou kunnen worden gedaan aan het onderscheidend vermogen van het merk
Adidas. Dat lijkt me typisch een zaak om door de nationale feitenrechter te
laten beoordelen en daarmee zijn we weer terug bij af.
7.
Tenzij, zo lijkt
het, er geen sprake is van gebruik als merk door Fitness World. De Richtlijn
harmoniseert in artikel 5 lid 2 immers alleen de bescherming van het bekende
merk tegen gebruik van een teken ter onderscheiding van waren of diensten. Zie
Robelco/Robeco, C-23/01 waarin het ging om een conflict tussen een merk en een
handelsnaam. In dit geval wordt gesteld, dat de strepen van Fitness World niet
ter onderscheiding dienen, maar ter decoratie. Als dat zo is, kan er ook geen
schade in de zin van artikel 5 lid 2 aan het merk worden toegebracht.
Ornament, kein Verbrechen, dus, om een bekende uitspraak in een van zijn
mogelijke tegendelen te parafraseren. De vraag waar het dan om gaat is wanneer
er sprake is van versiering en wanneer van gebruik ter onderscheiding. Het
antwoord van het Hof is op het eerste oog betrekkelijk raadselachtig: er lijkt
een onderscheid te worden gemaakt tussen de gevallen waarin het publiek het
teken (gewoonlijk?, ook?, mede?) als versiering opvat en die waarin het publiek
het teken louter als versiering opvat. Dat onderscheid wordt echter
gedragen door het criterium dat het publiek al dan niet een verband legt tussen
merk en teken. Bij loutere versiering is de overeenstemming tussen merk en teken
zo klein, dat het publiek (“logischerwijs”, aldus het Hof) geen verband legt.
Dat sluit niet uit dat het bij een ornamenteel teken wel degelijk mogelijk is,
dat het publiek een verband legt met het merk. In dat laatste geval zijn de
criteria van artikel 5 lid 2 weer van toepassing. In het eerste geval niet:
inbreuk is dan echter nog niet geheel uitgesloten, omdat het dan aan de (niet
door deze Richtlijn geharmoniseerde) nationale rechtsorde is (zie artikel 5 lid
5 van de Richtlijn) om te bepalen of er, zelfs wanneer het bewuste teken niet
als onderscheidingsteken wordt gebruikt, toch sprake kan zijn van inbreuk op het
merkrecht. Die mogelijkheid wordt bij ons geboden door artikel 13. A, lid 1, sub d. BMW. Dat
artikel biedt in feite een stukje oneerlijk mededingingsrecht. Het moet dan
bijvoorbeeld gaan om vragen als: heeft Fitnessworld inderdaad (nodeloos)
aangehaakt bij het strepenmotief, of heeft zij slechts gebruik gemaakt van een in de
sportkleding wereld al lang (eerder dan het Adidasmerk) voorkomend motief; heeft
Fitnessworld profijt van het gebruik van dat teken én wordt Adidas daardoor
daadwerkelijk benadeeld. Het antwoord op die vragen moet echter, in onze
nationale rechtsorde, toch steeds worden gezien in het licht van de vrijheid om
gebruik te maken van prestaties van anderen. Het zal dus nog wel even tobben
blijven met die strepen.
JK