|
De 'spin-off theorie', die
leert dat er geen databankenrecht rust op feitenverzamelingen
die als bijproduct tot stand komen, is door mythes omgeven.
Mythe 1: het zou hier gaan om een uniek Nederlands
hersenspinsel. Mythe 2: de Databankrichtlijn biedt voor deze
theorie geen enkel aanknopingspunt. Mythe 3: de Hoge Raad zou
er onlangs mee hebben afgerekend. In dit artikel wordt de
spin-off theorie ontmythologiseerd, van onzuiverheden ontdaan,
in een nieuw jasje gestoken en een grote toekomst voorspeld.
Inleiding
Sedert de inwerkingtreding
van de Databankenwet (Dw) [1]
op 21 juli 1999 geniet de producent van een databank “waarvan
de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud in
kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een
substantiële investering” (art. 1 lid 1 sub a Dw), een sui
generis databankenrecht. Evenmin als de Databankrichtlijn, die
aan de wet ten grondslag heeft gelegen, bevat de Databankenwet
veel aanwijzingen voor de uitleg van het begrip 'substantiële
investering'. Hoeveel bloed, zweet en tranen de
databankproducent geplengd moet hebben om voor bescherming in
aanmerking te komen, vermelden de richtlijn en de wet niet.
Evenmin is duidelijk welke investeringen mogen worden
meegeteld. Deze vraag is vooral problematisch als het gaat om
gegevensverzamelingen die als bijproduct van andere
activiteiten – als het ware 'vanzelf' – tot stand komen.
Bekende voorbeelden zijn programmaoverzichten,
dienstregelingen, telefoongidsen en (sport)competitieschema's.
Te denken valt verder aan de resultaten van wetenschappelijk
onderzoek, sportuitslagen, beurskoersen en examenuitslagen.
Mogen de kosten en moeite waarmee het genereren van deze
gegevens gepaard is gegaan, als 'investering' in een databank
in aanmerking worden genomen, ook indien vast staat dat deze
inspanningen niet op het tot stand brengen van de databank
gericht zijn? Over deze vraag handelt de 'spin-off theorie' en
gaat deze bijdrage.
De opzet van dit artikel is
als volgt. Eerst wordt in het kort het ontstaan van de
'spin-off theorie' in het kader van de totstandkoming van de
Databankenwet geschetst. Aansluitend wordt een overzicht
gegeven van relevante rechtspraak in Nederland en enkele
andere Europese landen. Vervolgens wordt de spin-off theorie
tegen het licht gehouden, en passeren argumenten pro en contra
de revue. Tot besluit worden enkele conclusies getrokken.
Korte geschiedenis
De spin-off theorie danken
wij aan enkele wakkere leden van de PvdA-fractie, die tijdens
de parlementaire behandeling van het
wetsvoorstel-Databankenwet van de regering wilden weten of de
vereiste substantiële investering primair gericht moet zijn op
de verkrijging, de controle of de presentatie van de bewuste
verzameling. [2] Deze vraag
werd toegelicht aan de hand van een drietal, nadien frequent
geciteerde voorbeelden:
- een lijstje van met
Michelin-sterren beloonde restaurants in Nederland;
- een verzameling nieuw
ontdekte sterren; en
- het programmaoverzicht van
een televisiezender.
De Minister van Justitie
antwoordde dat naar zijn oordeel de lijst van restaurants en
de sterrenverzameling geen beschermde databanken zijn, omdat
de hieraan ten grondslag liggende investeringen niet op het
tot stand brengen van een databank gericht zijn. Voorzover het
programmaoverzicht niet meer is dan een spin-off van het
programmeren van de zender, zou hiervoor hetzelfde moeten
gelden. [3]
Hiermee was de spin-off
theorie geboren. Zij heeft in de korte tijd van haar bestaan
veel pennen in beweging gebracht, en de nodige jurisprudentie
opgeleverd. Alvorens de theorie tegen het licht te houden geef
ik eerst een kort overzicht van relevante rechtspraak.
Jurisprudentie
De eerste uitspraak over de
merites van het spin-off argument dateert van vóór de
aanvaarding van de Databankenwet. In de zaak KPN/Denda
verwierp het Arnhemse gerechtshof, oordelende in kort geding,
de stelling van Denda dat de telefoongids van KPN geen
databankenrechtelijke bescherming toekwam, omdat de gids
zonder veel inspanning van het bestaande 8008-bestand (de
onbewerkte abonneegegevens) was afgeleid. Volgens het Hof
“onderscheidt de Richtlijn niet tussen primaire en secundaire
exploitatie in de door […] Denda bedoelde zin.”
[4] Dit oordeel werd door
de Rechtbank Almelo bevestigd in de bodemprocedure. De
rechtbank wenste geen verschil te maken tussen het bestand van
abonneegegevens en de telefoongids die hiervan was afgeleid.
De gids van KPN was derhalve het resultaat van 'substantiële
investering', ook al was zij rechtstreeks afgeleid van het
8008-bestand:
“Immers de geëxtraheerde
databank (in dit geval het telefoongidsbestand) kan zonder
de substantiële investering in de databank waaruit zij is
afgeleid (het 8008-bestand) niet bestaan. Voor de
verkrijging van de afgeleide databank is derhalve een
substantiële investering noodzakelijk.”
[5]
Ook in de zaak KPN/XSO werd
het spin-off argument van tafel geveegd. De Haagse President
oordeelde:
“Voorshands wordt
geoordeeld dat de omstandigheid dat KPN ter uitvoering van
haar kernactiviteiten in enigerlei vorm reeds moet
beschikken over de in haar elektronische en papieren
telefoongidsen opgenomen gegevens niet in de weg staat aan
de toepasselijkheid van de Databankenwet, niet alleen omdat
aan te nemen valt dat ook voor de presentatie van de
databank op een zodanige wijze dat die voor het grote
publiek (op internet, op CD-ROM) beschikbaar en
raadpleegbaar is, aanzienlijke kosten zijn en blijvend
zullen moeten worden gemaakt, maar ook omdat niet zonder
meer valt in te zien waarom de substantiële investering die
KPN (onweersproken) heeft gedaan en blijft doen ter
instandhouding van de hier bedoelde bestanden verstoken zou
moeten blijven van de bescherming die de Databankrichtlijn
nu juist uitdrukkelijk en uitsluitend in het leven heeft
geroepen ten behoeve van investeringen in databanken, en wel
om geen andere reden dan dat die investering zonder die
bescherming ook zou zijn gedaan.”
[6]
Het spin-off argument kreeg
voor de eerste maal erkenning in de beslissing van de
Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) in de zaak De
Telegraaf tegen NOS en HMG. Inzet van deze nog steeds lopende
procedure is of de omroepen misbruik maken van hun
machtspositie door De Telegraaf geen programmaoverzichten te
leveren. De NMa overwoog:
“Het is zeer de vraag of de
NOS dan wel HMG substantiële investeringen als in de
richtlijn bedoeld, doen om programma-overzichten tot stand
te brengen. Zoals hiervoor is aangegeven, vormen de
programma-overzichten immers een bijproduct van de
programmering. Voorshands is niet aannemelijk dat het tot
stand brengen van programma-overzichten meer vergt dan het
invoeren van de resultaten van de programmering in de
computer.” [7]
In haar beslissing op bezwaar
in dezelfde zaak d.d. 3 oktober 2001 bevestigde de NMa in
navolging van haar Adviescommissie (die over bezwaarschriften
adviseert):
“dat in onderhavige zaak
geen sprake is van een substantiële investering of creatieve
inspanning. Zoals de Adviescommissie bevestigt, vormen de
programmagegevens slechts een bijproduct van het
programmeringsproces.” [8]
Uiteraard speelt het spin-off
argument ook in de civiele pendant van het geschil tussen NOS
c.s. en De Telegraaf een belangrijke rol. In hoger beroep
aanvaardde het Haagse hof onder verwijzing naar de
parlementaire geschiedenis van de Databankenwet de spin-off
leer. Het Hof overwoog:
“dat de omroepen, waarvan
de primaire taak is om landelijk radio- en
televisieuitzendingen te verzorgen, deze taak niet kunnen
vervullen zonder programmagegevens te verzamelen en
programmalijsten op te stellen, waarbij, nu het tegendeel
niet aannemelijk is geworden, moet worden aangenomen dat met
het enkele opstellen van programmalijsten geen
(afzonderlijke) substantiële investeringen in tijd, geld of
anderszins zijn gemoeid.” [9]
Het spin-off argument heeft,
voorzover bekend, in nog twee andere Nederlandse zaken een rol
gespeeld. In de kranten.com-zaak was de Rotterdamse
president van oordeel dat de titellijsten van de dagbladen,
die door Eureka als hyperlinks gebruikt werden, niet als
databanken bescherming toekwam:
“Dat de Dagbladen
substantieel geïnvesteerd hebben in de inhoud van de
titellijsten kan niet worden gezegd. Haar investering is
gericht op het vergaren van de berichten en artikelen
waarmee zij haar kranten vult.”
[10]
In de El Cheapo-zaak
kreeg eindelijk de Hoge Raad de gelegenheid zich over deze
kwestie uit te spreken. In hoger beroep had het Haagse hof met
toepassing van de spin-off leer geoordeeld dat aan de
NVM-databank geen databankenrechtelijke bescherming toekwam.
Volgens het Hof was niet gebleken dat voor de conversie van
het bestaande NVM-woningbestand tot een via het internet
openbaar toegankelijke databank substantiële investeringen
waren gedaan. [11]
Kennelijk ging het Hof ervan uit dat de door de NVM-leden
eerder in het woningbestand gepleegde investeringen niet
mochten worden meegeteld.
Ten onrechte, zo oordeelde de
Hoge Raad bij arrest van 22 maart 2002:
“Aldus overwegende heeft
het Hof een onjuiste maatstaf gehanteerd door voor de
toepassing van art. 1 onder a. Databankenwet klaarblijkelijk
beslissend te achten of sprake is van een substantiële
investering voor het inrichten, controleren en/of
presenteren van de database op het internet. Noch de tekst
noch de strekking van deze bepaling noopt ertoe de uitgaven
buiten beschouwing te laten, die zijn gedaan voor
bijvoorbeeld het verzamelen en ordenen van de gegevens, los
van de vraag of en wanneer deze op het internet worden
geplaatst. Ook het door het Hof aan een uitlating van de
Minister van Justitie bij de parlementaire behandeling van
de Databankenwet ontleende 'spin-off'-argument mist in dit
verband betekenis, aangezien noch de Richtlijn noch de tekst
van art. 1 onder a. Databankenwet een aanknopingspunt biedt
voor de zienswijze dat, ingeval een databank voor meer
doelen wordt gebruikt, voor elk van die doelen afzonderlijk
een substantiële investering moet zijn aan te wijzen. De
opvatting van het Hof zou bovendien tot aanzienlijke
afbakeningsmoeilijkheden leiden. Ook indien juist zou zijn
dat de in de database opgenomen gegevens reeds dienden voor
de hoofdactiviteiten van de makelaars, staat dit niet eraan
in de weg dat de database, wanneer deze via het internet
voor het publiek beschikbaar komt, evenzeer op grond van de
Richtlijn en de Databankenwet voor bescherming in aanmerking
komt.” [12]
Is het vonnis over de
spin-off theorie hiermee geveld? Geenszins; wie de geciteerde
overweging nauwkeurig leest, moet constateren dat de Hoge Raad
over de merites van het argument geen uitspraak doet, maar
zich beperkt tot het oordeel dat de spin-off leer “in dit
verband” geen hout snijdt.
[13] Ook advocaat-generaal Spier was in zijn doorwrochte
conclusie tot het oordeel gekomen dat het spin-off argument in
dit geval toepassing miste. Anders dan in de door de minister
bedoelde gevallen ging het hier om een bestaande databank
waaraan een andere presentatie- en exploitatievorm gegeven
was. [14]
De advocaat-generaal wijst er
in zijn conclusie tevens op dat Nederland – anders dan sommige
critici hebben beweerd – met de spin-off theorie allerminst
alleen staat. [15] In
twee baanbrekende uitspraken die elders in Europa zijn gedaan,
heeft het argument eveneens een rol gespeeld. In het geschil
tussen de British Horseracing Board, het orgaan dat in
Groot-Brittannië met het organiseren van paardenrennen is
belast, en wedkantoor William Hill gaat het om de vraag of de
gegevens die William Hill aan de BHB-databank onttrekt door
het databankenrecht beschermd worden. In eerste instantie
oordeelde Justice Laddie:
“Of more significance to
this dispute is the type of investment involved. As one
would expect, effort put into creating the actual data which
is subsequently collected together in the database is
irrelevant. This is confirmed by art. 7(4) which draws a
distinction between rights in the database and rights in the
data within the database. […] For this reason, the costs and
effort involved in BHB fixing the date of a racing fixture
does not count towards the relevant investment to which
database right is directed.[…]”
[16]
In appel is door het Engelse
hof van beroep een groot aantal prejudiciële vragen aan het
Hof van Justitie gesteld, waarvan met name de tweede in dit
verband van belang is. De Britse rechter wenst van het Hof te
vernemen wat onder 'obtaining' ('verkrijgen') precies verstaan
moet worden. [17] Ook in
een Finse zaak, die eveneens op het gebruik van
wedstrijdgegevens voor gokdoeleinden betrekking heeft, zijn
prejudiciële vragen gesteld. Het Finse wedkantoor Veikkaus
maakt voor haar weddenschappen gebruik van het wedstrijdschema
van de Premier League, de hoogste professionele
voetbalcompetitie in Engeland. Volgens Fixtures, dat de
rechten op het wedstrijdschema beheert, handelt Veikkaus
hierdoor in strijd met haar databankenrecht. Veikkaus verweert
zich onder meer met een beroep op de spin-off theorie. Bij
vonnis van 1 februari 2002 heeft de rechtbank te Vantaa een
drietal vragen aan het Hof van Justitie gesteld, waarvan de
eerste het hart raakt van de spin-off theorie:
“Kan de in artikel 7, lid
1, van richtlijn 96/9/EG gestelde voorwaarde dat de
investeringen gericht moeten zijn op het vervaardigen van
een databank, aldus worden uitgelegd, dat in de onderhavige
zaak met de in lid 1 genoemde verkrijging en de daarop
gerichte investering wordt bedoeld de investering die
gericht is op de vaststelling van de tijdstippen van de
wedstrijden en de clubs die tegen elkaar spelen? Maken
investeringen die niet relevant zijn bij de beoordeling van
de criteria voor bescherming, deel uit van de samenstelling
van het competitieschema?”
[18]
Analyse
Het is niet eenvoudig uit de
weergegeven jurisprudentie een heersende leer te distilleren.
Sommige rechters omarmen de spin-off theorie, andere verwerpen
haar; een enkele rechter interpreteert haar onjuist of past
haar verkeerd toe. Ook in de rechtsleer zijn de meningen
verdeeld. [19] Een vaste
koers vaart daarentegen de Nederlandse regering, die blijkens
haar recente schriftelijke opmerkingen in de zaak
Fixtures/Veikkaus [20]
onvoorwaardelijk aan de spin-off theorie blijft vasthouden.
Zoals het rechtspraakoverzicht laat zien, bestaat de spin-off
theorie in feite uit een mixtum compositum van
zelfstandige argumenten. Alvorens tot een eigen
standpuntbepaling te komen, lijkt het nuttig deze argumenten
op een rijtje te zetten.
De spin-off theorie, zoals
zij tijdens de totstandkoming van de Databankenwet
geformuleerd is, lijkt vooral te zijn ingegeven door de ratio
van het nieuwe recht. Deze ratio is beschreven in de
overwegingen die aan de richtlijn vooraf gaan. Uit
Overwegingen 10-12 blijkt zonneklaar dat de belangrijkste
reden voor invoering van het nieuwe sui generis recht gelegen
is in het stimuleren van investeringen in de ontluikende
databanksector. Zo wordt in Overweging 12 overwogen:
“[…] dat dergelijke
investeringen in moderne systemen voor de opslag en
verwerking van informatie niet zullen plaatsvinden in de
Gemeenschap zolang er geen regeling is voor een stabiele en
eenvormige bescherming van de rechten van fabrikanten van
databanken.”
Het databankenrecht is
blijkens deze overwegingen geen in het natuurrecht geworteld
recht van intellectuele eigendom, maar een recht dat op
utilistische (instrumentele) gronden is geschoeid. Uitgaande
van deze incentive ratio bestaat er geen reden
databankenrechtelijke bescherming te verlenen aan
gegevensbestanden die als bijproduct van andere activiteiten
'als vanzelf' tot stand komen.
[21]
Verwant aan deze redenering
is het argument dat er een rechtstreeks verband moet bestaan
tussen de gepleegde investering en het resultaat ervan: de
databank. Het gaat niet aan de totale jaarlijkse lasten van
Wolters-Kluwer in verband te brengen met de
Juriforum-database. De kosten moeten aan de databank zijn toe
te rekenen. [22] Dat dit
geen eenvoudige exercitie is, blijkt uit het voorlopig oordeel
van NMa en OPTA in de zaak Denda/KPN.
[23]
Van deze redenering te
onderscheiden is het in wezen mededingingsrechtelijke argument
dat de kosten die met het verrichten van de hoofdactiviteit
(het organiseren van een voetbalcompetitie bijvoorbeeld)
gemoeid zijn met dezelfde activiteit moeten worden
terugverdiend; de consument zou anders dubbel betalen.
Speyart, van wie dit argument afkomstig is, brengt hiertegen
in, dat het een onderneming vrij zou moeten staan interne
kruisfinanciering toe te passen, door de exploitatieopbrengst
van de 'spin-off' te benutten om de prijs voor de
hoofdactiviteit te verlagen.
[24]
Veel krachtiger is het
argument dat door Justice Laddie in de zaak BHM tegen William
Hill onder woorden is gebracht, maar in de Nederlandse
rechtspraak en rechtsleer tot dusver weinig aandacht heeft
gekregen. Volgens de Databankrichtlijn en de Databankenwet
dient de substantiële investering gelegen te zijn “in de
verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud” van
de databank. Met 'controle' wordt gedoeld op de verificatie,
de correctie en het 'updaten' van gegevens die zich in de
databank bevinden. 'Presentatie' betreft de ontsluiting en
weergave van gegevens, zoals de digitalisering van analoge
bestanden, het vervaardigen van een thesaurus of het ontwerp
van een gebruikersinterface.
Wat te verstaan onder
'verkrijging'? Ongetwijfeld wordt hier in de eerste plaats
gedoeld op het vergaren (bijeenbrengen) van gegevens die reeds
bestonden voordat de databank tot stand kwam. Maar omvat het
'verkrijgen' ook het creëren (genereren) van nieuwe gegevens
ex nihilo? Letterlijke interpretatie lijkt op het
eerste gezicht een bevestigend antwoord toe te laten. Blijkens
de Grote Van Dale betekent 'verkrijgen' onder meer “door een
bewerking komen tot, doen ontstaan”. De Engelse ('obtaining')
en Franse ('l'obtention') bewoordingen van de richtlijn wijzen
echter in een andere richting. Beide woorden zijn afgeleid van
het Latijnse ob-tinere, en vooronderstellen het bestaan
van een object. Ook de Duitse term 'Beschaffung' wijst op deze
meer beperkte betekenis.
Mijns inziens terecht
overwoog J. Laddie dan ook dat “effort put into creating the
actual data” niet mag worden meegeteld.
[25] Deze uitleg vindt
steun in Overwegingen 45 en 46 bij de Databankrichtlijn:
“Overwegende dat het recht
van verbod op opvraging en/of hergebruik zonder toestemming
geen uitbreiding vormt van de auteursrechtelijke bescherming
tot blote feiten of gegevens;
Overwegende dat het bestaan
van een recht om de opvraging en/of het hergebruik te
verbieden van het geheel of een substantieel deel van
werken, gegevens of elementen uit een databank, geen
aanleiding mag zijn om een nieuw recht in het leven te
roepen met betrekking tot die werken, gegevens of elementen
zelf […].”
Blijkens deze overwegingen
behoort het databankenrecht niet te resulteren in uitsluitende
rechten op de in de databank opgenomen gegevens; een zo
verstrekkend 'informatierecht' zou de informatievrijheid al te
zeer belasten. Zoals Struik reeds in 1997 concludeerde, dient
de substantiële investering gelegen te zijn “in de handeling
van het bijeenbrengen of correct en up-to-date houden of
presenteren van de gegevens, en niet slechts in het
bedenken van gegevens die de inhoud van de databank vormen
[…]”. [26] Deze
interpretatie wordt door het gezaghebbende Duitse handboek
Urheberrecht. Kommentar van Schricker c.s. bevestigd. Er
ontstaat geen databankenrecht door het louter genereren van
gegevens:
“Nicht zu berücksichtigen
sind […] die Kosten für den Datengewinnung, sofern dies nicht
mit den sammelnden, sichtenden und ordnenden Tätigkeit bei der
Erstellung der Datenbank zusammenfält. […] Denn die
Datengenerierung stellt lediglich eine dem Datenbankaufbau
vorgeschaltete Tätigkeit dar, die vom Schutzzweck der §§ 87a
ff. [de bepalingen van het Duitse databankenrecht, PBH] nicht
mehr erfasst wird.” [27]
Ook uit Overweging 19 blijkt
dat inspanningen gericht op het voortbrengen van de inhoud van
een databank niet mogen worden meegeteld. Overwogen wordt:
“dat de compilatie van
meerdere vastleggingen van muziekuitvoeringen op een CD […]
niet een voldoende substantiële investering vertegenwoordigt
om onder het recht sui generis te vallen.”
Impliciet valt hieruit af te
leiden dat de kosten en inspanningen gemoeid met de productie
van de geluidsopnamen niet als relevante investering hebben te
gelden. [28]
'Gegenereerde' gegevens zijn
bijvoorbeeld de door de omroepen voortgebrachte
programmagegevens, de aankomst- en vertrektijden van de
Nederlandse Spoorwegen en de abonneegegevens van KPN Telecom.
Andere voorbeelden zijn uitslagen van voetbalwedstrijden,
examenresultaten, beurskoersen en meetgegevens. De kosten en
inspanningen die met het voortbrengen van dergelijke data
gemoeid zijn, mogen niet als 'investering' worden aangemerkt,
zodat de desbetreffende voetbalclubs, universiteiten,
effectenbeurzen resp. landmeters hiervoor niet met een
databankenrecht beloond worden. Voorzover de inspanningen
echter het vergaren van bestaande gegevens betreft, is wel
degelijke sprake van relevante investering. Wie uitslagen van
voetbalwedstrijden, examenresultaten, beurskoersen of
meetgegevens verzamelt, geniet, voorzover zijn inspanningen
'substantieel' zijn, normaal de bescherming van de
Databankenwet.
Om dezelfde reden zal degene
die gegevens 'genereert' toch databankenrechtelijke
bescherming genieten, indien hij los van de verkrijging
voldoende heeft geïnvesteerd in het vergaren, ordenen en
presenteren van de gegevens. Zodoende kan een omroepgids,
waarin de programmagegevens van een veelheid van radio- en
televisiezenders verzameld zijn, mogelijk toch voor
bescherming in aanmerking komen. Hetzelfde geldt mutatis
mutandis voor een elektronische telefoongids (op CD-ROM of
internet) waarin uitgebreide zoekmogelijkheden zijn
geïmplementeerd. De programma- en abonneegegevens blijven als
zodanig echter onbeschermd.
Een argument dat tegen de
hier weergegeven opvatting zou kunnen worden ingebracht is het
volgende. Indien juist zou zijn dat 'gegenereerde' gegevens
niet door het databankenrecht bestreken worden, valt moeilijk
te verklaren waarom het oorspronkelijk richtlijnvoorstel
voorzag in een stelsel van dwanglicenties. Als bepaalde
gegevens slechts uit één bron (de databank in kwestie) konden
worden verkregen, zou een licentie onder eerlijke en
niet-discriminerende voorwaarden kunnen worden afgedwongen.
[29] De bepaling lijkt
vooral bedoeld te zijn geweest om monopolisering van
'gegenereerde' gegevens, zoals programma- en abonneegegevens,
te voorkomen. Tegen dit argument valt in te brengen dat de
dwanglicentieregeling in de uiteindelijk vastgestelde
richtlijn niet meer voorkomt, wellicht omdat zij naar het
oordeel van de Europese regelgever overbodig was.
Een complicerende factor is
voorts dat het soms moeilijk is onderscheid te maken tussen
het genereren en vergaren van gegevens. Is het vinden van een
nieuwe ster een kwestie van ontdekken of constateren? We
begeven ons met deze vraag op het glibberige terrein van de
wetenschapsfilosofie, dat wij spoorslags weer verlaten.
[30]
Conclusie
Voor de spin-off theorie valt
veel te zeggen. Uitgaande van de ratio van het
databankenrecht, het stimuleren van investeringen in
databanken, gaat het niet aan bescherming toe te kennen aan
gegevensverzamelingen die ook zonder deze 'incentive' tot
stand waren gekomen. Verder spreekt het welhaast vanzelf dat
er tussen de gepleegde investering en de databank een zeker
verband moet liggen. Nog sterker is het argument dat
investeringen in het genereren van gegevens überhaupt niet
door het databankenrecht bestreken worden. Daarom zijn
toegekende Michelin-sterren, sterrenkundige ontdekkingen en
programmagegevens als zodanig onbeschermd; niet zozeer omdat
zij 'spin-offs' van anders gerichte activiteiten zijn, maar
omdat door het beoordelen van restaurants, het verrichten van
astronomisch onderzoek en het programmeren van omroepzenders
nieuwe gegevens worden gegenereerd. Een uitsluitend recht op
dergelijke gegevens, die niet uit alternatieve bron verkregen
kunnen worden, zou gemakkelijk leiden tot onwenselijke
monopolies, en de informatievrijheid al te zeer beperken.
In feite zorgt de spin-off
theorie door zijn benaming met mededingingsrechtelijke
connotatie voor onnodige complicaties. Deze verwarring is
manifest in de zaak El Cheapo, waarin het Haagse hof de
leer een geheel verkeerde 'spin' gegeven heeft. Volgens het
Hof zou het databankenrecht zich niet uitstrekken tot
afgeleide exploitatievormen;
[31] een redenering die door de Hoge Raad terecht is
afgestraft. Om dit soort misverstanden te voorkomen ware het
beter de term 'spin-off theorie' voortaan te vermijden.
Het laatste woord is, zoals
steeds vaker in het recht van intellectuele eigendom, aan het
Hof van Justitie. Het Hof krijgt binnenkort in een tweetal
gelijksoortige zaken – in beide gevallen
wedstrijdorganisatoren tegen wedkantoren – de kans zich in
deze controverse uit te spreken. In de zaak BHB/William Hill
mag het Hof zeggen wat het 'verkrijgen' van gegevens inhoudt;
in de zaak Fixtures/Veikkaus of de inspanningen van het
programmeren als 'investering' mogen worden meegeteld. Als ik
op de afloop van deze zaken zou moeten wedden, wist ik het
wel: dat wordt 2-0 voor … (nou vooruit, nog eenmaal om het af
te leren) de spin-off theorie.
***** |