Internet is geen vrijplaats voor piraten
Verschenen in De Journalist, nr. 17, 22 september 2000

P.B. Hugenholtz [*]


 
Tijdens mijn studie, waaraan ik een groot deel van de jaren zeventig heb verknoeid, was het auteursrecht een onbeduidende, enigszins stoffige uithoek van het privaatrecht. Het handboek waaruit ik deze stof moest leren, heette ‘Kort commentaar op de Auteurswet 1912’ (van de legendarische Gerbrandy), en daarmee was niets teveel gezegd. Het boek was kort en krachtig, en de Auteurswet was – inderdaad – uit 1912. En als mij iemand vroeg waarin ik afstudeerde, zei ik meestal ‘ondernemingsrecht’, want auteursrecht … daar kon een mens toch niet van leven (ik kom uit Groningen).

Twintig jaar later blijkt er veel veranderd. Auteursrecht is aan de universiteit (inmiddels Amsterdam) een van de populairste keuzevakken. Het boek van Gerbrandy is drie keer zo dik geworden. Ik leef al jaren goed van het auteursrecht. Alleen de wet is nog steeds van 1912.

Het nieuwe, sexy image van het auteursrecht is ook in de krantenkolommen zichtbaar. Als ik in mijn studententijd een berichtje tegenkwam waarin het woord ‘auteursrecht’ voorkwam, knipte ik het uit. Dat gebeurde ongeveer drie keer per het jaar (en steeds ging het om de bescherming van de omroepbladen, een evergreen). Tegenwoordig staan de kranten bol van het auteursrecht; er gaat geen dag voorbij zonder de laatste berichten van het copyrightfront.

De hype rond het auteursrecht heeft natuurlijk veel te maken met het Internet. Het net roept nieuwe vragen op waar de wet (die uit 1912) niet altijd duidelijke antwoorden op geeft. Volgens sommigen komt het tussen het auteursrecht en het Internet zelfs nooit meer goed. ‘Everything you always knew about intellectual property is wrong’, schreef Internet-goeroe John Perry Barlow al in 1996. En volgens mijn IViR-collega Dommering stroomt het auteursrecht weg door het ‘elektronische vergiet’.

De afgelopen maand (augustus) haalde het auteursrecht tweemaal de Nederlandse voorpagina’s: eerst de Napster-zaak, daarna de kwestie Kranten.com. Napster werd door de Californische rechtbank verboden, Kranten.com door de Nederlandse rechter gered. Was al die aandacht in de media, zelfs met aftrek van komkommertijd, terecht?

Het antwoord van de jurist zal niet verbazen: ja en neen. Neen, omdat het in beide gevallen ging om ‘lagere rechtspraak’, uitspraken in eerste instantie (en in kort geding) gewezen. Voor de rechtswetenschap en -praktijk heeft dergelijk rechtspraak niet al te veel betekenis. De gezaghebbende Nederlandse Jurisprudentie publiceert meestal alleen arresten van de Hoge Raad – en zeker geen zaak uit Californië.

Ja, omdat het in beide gevallen ging om een conflict tussen auteursrecht en informatievrijheid – de spanning tussen ‘eigendom’ van informatie en free flow of information. Dat is een onderwerp waarvoor iedere journalist zich zou moeten interesseren. Minstens zo boeiend is de clash of cultures op het Internet waarvoor beide zaken symptomatisch zijn. De normen van het Internet zijn geboren in de jaren zeventig, toen mijn en dijn verouderde begrippen leken en het grootkapitaal ons aller grootste vijand was. Met deze anarchistische ideologie staat het auteursrecht, het ‘eigendomsrecht’ van de informatiemaatschappij, op zeer gespannen voet. ‘Information wants to be free’, aldus sprak John Perry Barlow, en de ‘netizens’ gedroegen zich er naar.

Volgens Internetpublicist Francisco van Jole, die ooit tot de Barlow-gemeente behoorde, is deze ‘free for all’ mentaliteit inmiddels te ver doorgeslagen. In een spraakmakend stukje in De Volkskrant (21 juli 2000) spreekt hij van ‘diefstal’ en ‘moreel verval’. Jatten en graaien zijn op het Internet mos geworden; hoog tijd om het digitale canaille nieuwe mores te leren. 

Heeft Van Jole gelijk? Laten we beide zaken (Napster en Kranten.com) eens naar Nederlands recht onder de loep nemen.

Napster is, evenals Aimster, Gnutella en Freenet, een ‘peer-to-peer’ communicatiemiddel. Het stelt gebruikers in staat op grote schaal onderling MP3-bestanden uit te wisselen. Wie zich bij Napster aanmeldt, moet aangeven welke delen van zijn harde schijf voor andere leden van de ‘Napster Music Community’ toegankelijk zullen zijn. Nadat hij de Napster-browser heeft opgestart, worden deze directories automatisch doorzocht op beschikbare muziekbestanden. Deze informatie wordt vervolgens toegevoegd aan een database waarin de bestandsgegevens van alle Napster-gebruikers die op dat moment online zijn, verzameld zijn. De database is op artiest of op titel te doorzoeken. ‘Currently 753.287 files (3,268 gigabyte) available in 4623 libraries’, meldt Napster uitnodigend. Dat is een indrukwekkende muziekbibliotheek; het valt niet mee een titel te bedenken die niet onmiddellijk beschikbaar is.

‘Napsteren’ is dus een kwestie van sharing, van nemen en geven. Mag dat zonder toestemming van de rechthebbende artiesten en platenmaatschappijen? Laten we de aandacht eerst richten op de gebruiker. Om te beginnen het ‘nemen’. Downloaden is reproduceren, daarover zijn de auteursrechtgeleerden het wel eens. Is hier sprake van kopiëren voor eigen gebruik? Vermoedelijk wél; als het kopiëren van gehuurde of geleende CD’s is toegestaan, moet het downloaden van Napster-bestanden ook kunnen.

Maar dan het ‘geven’. Wie napstert, stelt de inhoud van zijn harde schijf, die zich gaandeweg met steeds meer MP3-bestanden heeft gevuld, ter beschikking aan al zijn medegebruikers – inmiddels vele miljoenen in getal. Een duidelijk geval van openbaarmaking, zo lijkt me – en daarvoor laat de wet géén ruimte. Conclusie: wie napstert, is een inbreukmaker. Van Jole heeft gelijk.

Maar hoe zit het nu met Napster Inc., de exploitant van de Napster-dienst en leverancier van de (gratis) browser? Napster reproduceert zelf geen MP3-bestanden; de muziek die door de gebruikers wordt uitgewisseld wordt niet op een centrale server vastgehouden. Maakt Napster wellicht openbaar? Is het publiek maken van een database die verwijst naar elders opgeslagen, openbaar toegankelijke werken, een daad van openbaarmaking? Dezelfde vraag staat centraal in de discussie over het hyperlinken. En daarmee zijn we aangeland bij Kranten.com.

Kranten.com is een web site met hyperlinks naar de Nederlandse dagbladen. De site snelt met regelmaat – naar ik vermoed: volautomatisch - de koppen van de online edities van de kranten, voegt er URL’s aan toe, en klaar is Kranten.com. Weer een geval van digitale diefstal? PCM meende van wel, en sleepte Kranten.com voor de rechter. Tegenover de Rotterdamse president (mr. Mendlik) beriep PCM zich op een keur van juridische argumenten. Voornaamste klacht: ‘deep linken’ (het aanbrengen van hyperlinks naar achterliggende webpagina’s) is zonder toestemming niet toegestaan. Maar de rechter stuurde PCM met lege handen naar huis: Kranten.com handelt niet onzorgvuldig, bovendien was niet gebleken dat PCM schade lijdt.

Volgens Francisco van Jole heeft Kranten.com hiermee ‘een vrijbrief voor onbeschoftheid’ gekregen (De Volkskrant, 25 augustus 2000). Nog meer ‘moreel verval’ dus? Jazeker, maar nu is het Van Jole die doorslaat. Zoals pasbekeerde christenen zich in hun geloofsbelijdenis plegen te overschreeuwen, zo predikt Van Jole de gospel van de intellectuele eigendom: te luid en niet altijd in de maat. Het aanbrengen van hyperlinks, ook naar achterliggende webpagina’s, is op het Internet een volkomen geaccepteerde praktijk. Sterker, het world wide web bestaat bij de gratie van de hyperlink; de voertaal van het web is hypertext mark-up language (HTML). Wie de hyperlink tot een verboden handeling verklaart, maakt de gemeenschap van het web monddood.

Ook uit auteursrechtelijk oogpunt is er met de hyperlink niets mis. De link is een verwijzing naar een bron, zoals een voetnoot of een bibliografie, geen verveelvoudiging of openbaarmaking in auteursrechtelijke zin. Zelfs tegen het stelselmatig ‘linken’ naar andermans pagina’s valt weinig in te brengen; zoekmachines, elektronische nieuwsbrieven en bronnenwijzers doen niet anders, en niemand die daar aanstoot aan neemt. Bovendien: als knipselkranten en persoverzichten auteursrechtelijk in orde zijn (en dat zijn ze), dan valt moeilijk in te zien waarom Kranten.com inbreuk pleegt.

Gaat Napster dus ook vrijuit? Dat valt nog maar te bezien. In de befaamde Scientology-zaak die in 1999 voor de Haagse rechtbank diende, besliste de rechter (onder veel meer) dat de provider die links naar inbreukmakende web sites verzorgt, onrechtmatig handelt, zodra hij op de inbreuk is gewezen. Passen wij de Scientology-regel toe op de Napster-casus, dan ligt de conclusie voor de hand. Na kennisgeving van inbreuk - zou dat met zoveel miljoenen inbreukmakers nog nodig zijn? - is Napster aansprakelijk, tenzij de toegang tot de inbreukmakende MP 3-bestanden (lees: alle muziek) onmiddellijk wordt afgesloten. Voor Napster ziet het er, in elk geval naar Nederlands recht, dus somber uit.

De moraal van dit verhaal begint zich af te tekenen. Ten eerste: Internetpiraterij is met het bestaande recht goed aan te pakken; het auteursrecht gaat langer mee dan Barlow denkt. Ten tweede: het Internet is geen amorele virtuele vrijplaats waar alles kan en mag, maar ook geen gesloten inrichting waar de rechthebbenden de lakens uitdelen. Het is de kunst tussen informatie-eigendom en informatievrijheid het juiste evenwicht te vinden. Ik ben er al twintig jaar naar op zoek.

Bernt Hugenholtz is hoogleraar auteursrecht aan het Instituut voor Informatierecht (IViR) van de Universiteit van Amsterdam

 

Geplaatst 01.10.2000