| Toen de Auteurswet op 23
september 1912 in het Staatsblad verscheen, was het
auteursrechtelijke landschap vlak en overzichtelijk. Kopiëren
deed men met de kroontjespen of schrijfmachine; publiceren
stond gelijk aan uitgeven in druk. Nieuwe media waren er ook:
de fonograaf, de cinematograaf - maar de
informatiemaatschappij was nog ver weg.
Toch was de
communicatierevolutie in 1912 in feite al begonnen. Een keur
van dag- en nieuwsbladen van allerhande politieke snit voorzag
de burgerij van het laatste nieuws - over de ondergang van de
Titanic bijvoorbeeld. Een wereldomspannend telegraafnet maakte
berichtenverkeer mogelijk naar de verste uithoeken van het
Koninkrijk. Telefonie ontwikkelde zich in rap tempo van
modeverschijnsel tot openbare nutsvoorziening. En radio en
televisie waren, dankzij de uitvinding van de elektronenbuis
in 1906, aanstaande. In technologisch opzicht was ons land
klaar voor het internet.
Zou de wetgever dit alles
hebben geweten, toen hij in de wet van 1912 de
exploitatierechten van de auteursrechthebbende onafhankelijk
van de techniek formuleerde? Ik betwijfel het; maar een goede
greep was het in elk geval. Anders dan in omringende landen
gunde de wet rechthebbenden slechts een tweetal, ruim
geformuleerde rechten: recht van openbaarmaking en recht van
verveelvoudiging. Beide rechten werden niet in ingewikkelde,
techniekafhankelijke definities vervat, maar kregen - zo lezen
wij in de Memorie van Toelichting - in de eerste plaats hun
'natuurlijk betekenis'.
Deze 'natuurlijke betekenis'
is in de loop der jaren naadloos met de technologische
ontwikkelingen meegegroeid, waardoor de wet de mediastormen
van de afgelopen eeuw gemakkelijk heeft doorstaan. Terwijl in
het buitenland bij de introductie van ieder nieuw medium de
stormbal werd gehesen, en de zoveelste 'crisis' in het
auteursrecht werd uitgeroepen, bleek het begrippenapparaat van
de Auteurswet probleemloos ruimte te bieden aan de radio, de
televisie, de kabel en de computer.
Ook in het tijdperk van het
internet blijkt de Nederlandse wet goed te voldoen. Het recht
van openbaarmaking omvat 'natuurlijk' de online publicatie;
het recht van verveelvoudiging de digitale vastlegging. Zelfs
met Napster, de internetapplicatie die de afgelopen maanden
zoveel auteursrechtelijk hoofden op hol deed slaan, maakt onze
wet korte metten. Wie 'napstert' maakt openbaar, en pleegt dus
auteursrechtinbreuk. Wie, zoals Napster, dergelijke inbreuk op
grote schaal mogelijk maakt, handelt onrechtmatig. Dit alles
spreekt voor kenners van de Nederlandse wet vanzelf.
Haalt de Auteurswet haar
honderdjarige bestaan? Wetstechnisch is de wet er klaar voor,
eigenlijk altijd al klaar geweest. Wie beweert dat de wet
dringend aan de eisen van het digitale tijdperk moet worden
aangepast, weet niet waarover hij praat. Veel interessanter is
de vraag of de wet over elf jaar nog iets heeft te betekenen.
Tijdens het grote ALAI-congres, dat in 2000 in Stockholm werd
gehouden, schetste Shira Perlmutter - namens de
Wereldorganisatie voor Intellectuele Eigendom (WIPO) - twee
toekomstscenario's voor het auteursrecht. In het eerste zijn
de rechthebbenden de controle op de exploitatie van hun werken
volledig kwijtgeraakt. Alle informatieproducten worden direct
na publicatie gekraakt, gekopieerd en via het internet gratis
verspreid. Een miljoenenleger cyberpiraten bedient de knoppen
van het 'wereldomspannende kopieerapparaat'. De nachtmerrie
van de rechthebbende is realiteit geworden. Leve het
'dotcommunisme'!
In het andere scenario
trekken de rechthebbenden aan het langste eind. Door
grootschalige toepassing van technische
beschermingsmaatregelen wordt piraterij praktisch onmogelijk
gemaakt. Geavanceerde antikopieertechnieken, streng beveiligde
systemen van voorwaardelijke toegang en draconische
gebruikslicenties houden de gebruikers in een ijzeren greep.
Voor iedere byte wordt voortaan betaald. De droom van de
rechthebbende is uitgekomen. Leve de vrije informatiemarkt!
Wat beide voorspellingen met
elkaar gemeen hebben, is dat de rol van het auteursrecht
spoedig zal zijn uitgespeeld. Volgens de eerste gaat het
auteursrecht ten onder in een zee van piraterij. De
onmogelijkheid het auteursrecht effectief te handhaven - tegen
een overmacht aan (dikwijls anonieme) inbreukmakers -
reduceert het recht tot een dode letter. Het auteursrecht is
als het eigendomsrecht op fietsen (in Amsterdam); het bestaat
nog wel, maar stelt in de praktijk niets voor.
Ook in het tweede scenario
wordt het auteursrecht buitenspel geplaatst - ditmaal door
toedoen van de rechthebbenden zelf. De combinatie van contract
en techniek houdt de gebruikers in het gareel, en maakt
auteursrechtelijke bescherming overbodig. Ook de wettelijke
beperkingen van het auteursrecht, zoals die voor 'eigen
oefening, studie of gebruik', worden buitenspel gezet. De
Auteurswet is als de Stoomwet; een juridisch relikwie uit een
analoog verleden, te irrelevant om nog in te trekken.
Twee tegengestelde
toekomstvisies, één conclusie: het auteursrecht is ten dode
opgeschreven. Zou het werkelijk zo zijn? Ik denk het niet - op
beide voorspellingen valt gelukkig heel wat af te dingen. Het
eerste scenario gaat er van uit dat het internet enkel de
piraat ten goede komt. Dat is een denkfout; het net schept
ongekende nieuwe mogelijkheden inbreukmakers automatisch - met
behulp van geavanceerde zoekmachines - op te sporen en aan te
pakken; het succes van het NUV-project 'Aanpak digitale
piraterij' bewijst dat. Wat mij aan dit scenario evenmin
bevalt, is het stereotype van de gebruiker als een gewetenloze
anarchist die alles jat wat los en vast zit, en zich van het
auteursrecht niets aantrekt. Deze karikatuur staat haaks op de
realiteit. Respect voor het auteursrecht is in brede lagen van
de maatschappij - ook op het internet - diep geworteld. Veel
gebruikers zijn bereid voor hun informatiebehoefte een
redelijke prijs te betalen. Probleem is dat een regulier
digitaal aanbod dikwijls ontbreekt. Napster is geen symptoom
van het aanstaande einde van het auteursrecht, maar van het
falen van de muziekindustrie. De industrie heeft zitten
slapen; zij heeft verzuimd tijdig een aantrekkelijk 'business
model' voor het internet te ontwikkelen.
Ook het tweede scenario geeft
blijkt van onderschatting van de markt. Gebruikers zullen
nooit accepteren dat informatieleveranciers hen zo vergaand
aan banden leggen. Een zekere 'vrijheid van delen' is, vanuit
de optiek van de informatieconsument, inherent aan het
geleverde product. Wie een boek koopt, wil dat met zijn gezin
of met zijn buurman kunnen delen - met piraterij heeft dat
niets van doen. Voor een elektronisch boek dat na eenmaal
lezen van het scherm verdwijnt, bestaat geen markt.
Beide doemscenario's hebben
nog iets met elkaar gemeen: het zijn self-fulfilling
prophecies. Als we niet oppassen, gaat het auteursrecht aan
zwartgalligheid en koffiedikkijkerij ten onder. Uit vrees dat
het auteursrecht zou weglopen door het 'elektronisch vergiet'
(scenario 1) ontketenden rechthebbenden een stormloop op
nationale, Europese en internationale wetgevers. Het
auteursrecht moest en zou aan het digitale tijdperk worden
aangepast, en wel onmiddellijk. Deze actie had direct succes.
Zo kwam in Genève een internationaal verdrag tot stand, werd
in de V.S. de auteurswet aangevuld met een vuistdikke 'Digital
Millennium Copyright Act', en werd in Brussel een Europese
Auteursrechtrichtlijn op de rails gezet.
Maar de actie van de
rechthebbenden lokte een tegenreactie uit. In het kamp van de
gebruikers (bibliotheken, internetproviders,
elektronicafabrikanten, consumenten) ontstond paniek over een
dreigende 'copyright grab' van de rechthebbenden. De
auteursrechtelijke 'balans' dreigde verstoord te raken; de
informatievrijheid was ernstig in gevaar (scenario 2). Ook de
gebruikers trokken alle lobbyregisters open, eveneens met veel
succes. Zo kon het gebeuren dat de Auteursrechtrichtlijn, die
onlangs werd aangenomen, niet alleen voorziet in ruim
geformuleerde exploitatierechten en een 'kraakverbod', maar
ook in een groot aantal wettelijke beperkingen. Per saldo
heeft de lobby de rechthebbenden weinig opgeleverd. Misschien
zijn ze zelfs wel slechter af.
Grote verliezer is in elk
geval de Auteurswet, die aan de richtlijn zal moeten worden
aangepast. De ingewikkelde, techniekafhankelijke bepalingen
van de richtlijn zullen in onze wet een plaatsje moeten
krijgen, zodat het flexibele, 'toekomstbestendige' karakter
van onze wet wordt aangetast. Nog ernstiger is dat het
auteursrecht door al dit politieke gekrakeel zijn morele
legitimatie dreigt te verspelen. Het auteursrecht dient
diverse mooie en belangrijke doelen: de bescherming van de
creatieve mens, de bevordering en spreiding van de cultuur,
het stimuleren van de informatie-industrie, het waarborgen van
de uitingsvrijheid. Over de 'rechtvaardigheid' van het
auteursrecht heerste in de maatschappij tot voor kort brede
consensus. Het proces van politisering ondermijnt deze
consensus en reduceert het auteursrecht tot politieke
speelbal.
De keiharde strijd die de
afgelopen jaren tussen rechthebbenden en gebruikers is
gevoerd, wekt bovendien gemakkelijk de indruk dat het in het
recht van intellectuele eigendom enkel gaat om geld (vooral
Amerikaanse dollars). De wetenschappelijke uitgevers contra de
bibliotheken, de platenfabrikanten versus de
internetproviders, Microsoft tegen de computerindustrie. Wie
deze gevechten van de zijlijn aanziet, loopt niet meer zo gauw
warm voor de auteursrechtelijke gedachte. En waar zijn de
auteurs gebleven?
Het NUV heeft het
auteursrecht in het jaar 2001 tot speerpunt van zijn beleid
gemaakt. Daar doen de uitgevers verstandig aan. Zolang
contract en techniek geen alternatieven bieden, zolang een
eigen 'uitgeversrecht' een onbereikbaar ideaal blijft, zolang
de contouren van het nieuwe databankenrecht in nevelen gehuld
zijn, blijft de uitgeverij van het auteursrecht in hoge mate
afhankelijk. Ook in zijn rol als gebruiker van
auteursrechtelijk beschermde werken heeft de uitgever belang
bij een robuust, maar bovenal flexibel auteursrechtelijk
systeem. De wettelijke beperkingen van het auteursrecht
waarborgen het wankele evenwicht tussen rechthebbende en
gebruiker, en voorkomen dat de mededinging door monopolies
wordt vervalst.
De 'nieuwe economie', die als
de zeepbel die zij was gebarsten is, heeft veel kapot gemaakt:
niet alleen het geloof in het auteursrecht en het vertrouwen
in de beurs (en in Maurice de Hond in het bijzonder), maar ook
de Encyclopaedia Britannica, die nooit meer in dertigdelige
prachtband zal verschijnen. Maar het gedrukte woord is
allerminst verslagen. Als ik één ding durf te voorspellen is
het dit: het klassieke uitgeven gaat een prachtige toekomst
tegemoet. Juist in de wereld van het gedrukte exemplaar heeft
het auteursrecht zijn grote kracht in de afgelopen eeuw
ruimschoots bewezen. Zo lang die wereld blijft bestaan - ik
schat: nog wel een eeuw of wat - blijft het auteursrecht van
vitaal belang voor de uitgeverij: als bron van inkomsten voor
auteur en uitgever, als basis voor de uitgeefovereenkomst, als
remedie tegen piraterij, als activum op de balans.
Haalt de Auteurswet 2012? Ik
denk het wel, tenzij tegen die tijd de laatste resten
nationaal auteursrecht door de Brusselse harmonisatiemolen
zijn vermalen. Of die wet er een zal zijn die ik met liefde
aan mijn studenten zal verklaren, valt te bezien. Veel zal
afhangen van de manier waarop belanghebbende partijen
(auteurs, uitgevers en andere rechthebbenden, bibliotheken en
consumenten) de komende jaren met het auteursrecht zullen
omgaan. Zullen zij in staat zijn de broze maatschappelijke
consensus in stand te houden? Dat kan alleen als partijen
elkaar leren vertrouwen en vijandbeelden worden bijgesteld.
Bibliotheken zijn geen piraten, consumenten geen parasieten,
auteurs geen nietsnutten en uitgevers geen uitbuiters. Bij een
goed functionerend, breed gedragen, evenwichtig auteursrecht
met een menselijk gezicht is iedereen gebaat. Het auteursrecht
waarmee ik twintig jaar geleden kennis maakte (door een
prachtig boekje van Gerbrandy) was een recht om trots op te
zijn. Laten we proberen dat nog tenminste twintig jaar te
blijven - ik ga pas in 2020 met pensioen.
|