Haalt de Auteurswet 2012?
Essay, verschenen in Jaarverslag 2000, Nederlands Uitgeversverbond, p. 56-61 (ook beschikbaar in PDF-formaat)

P.B. Hugenholtz


 
Toen de Auteurswet op 23 september 1912 in het Staatsblad verscheen, was het auteursrechtelijke landschap vlak en overzichtelijk. Kopiëren deed men met de kroontjespen of schrijfmachine; publiceren stond gelijk aan uitgeven in druk. Nieuwe media waren er ook: de fonograaf, de cinematograaf - maar de informatiemaatschappij was nog ver weg.

Toch was de communicatierevolutie in 1912 in feite al begonnen. Een keur van dag- en nieuwsbladen van allerhande politieke snit voorzag de burgerij van het laatste nieuws - over de ondergang van de Titanic bijvoorbeeld. Een wereldomspannend telegraafnet maakte berichtenverkeer mogelijk naar de verste uithoeken van het Koninkrijk. Telefonie ontwikkelde zich in rap tempo van modeverschijnsel tot openbare nutsvoorziening. En radio en televisie waren, dankzij de uitvinding van de elektronenbuis in 1906, aanstaande. In technologisch opzicht was ons land klaar voor het internet.

Zou de wetgever dit alles hebben geweten, toen hij in de wet van 1912 de exploitatierechten van de auteursrechthebbende onafhankelijk van de techniek formuleerde? Ik betwijfel het; maar een goede greep was het in elk geval. Anders dan in omringende landen gunde de wet rechthebbenden slechts een tweetal, ruim geformuleerde rechten: recht van openbaarmaking en recht van verveelvoudiging. Beide rechten werden niet in ingewikkelde, techniekafhankelijke definities vervat, maar kregen - zo lezen wij in de Memorie van Toelichting - in de eerste plaats hun 'natuurlijk betekenis'.

Deze 'natuurlijke betekenis' is in de loop der jaren naadloos met de technologische ontwikkelingen meegegroeid, waardoor de wet de mediastormen van de afgelopen eeuw gemakkelijk heeft doorstaan. Terwijl in het buitenland bij de introductie van ieder nieuw medium de stormbal werd gehesen, en de zoveelste 'crisis' in het auteursrecht werd uitgeroepen, bleek het begrippenapparaat van de Auteurswet probleemloos ruimte te bieden aan de radio, de televisie, de kabel en de computer.

Ook in het tijdperk van het internet blijkt de Nederlandse wet goed te voldoen. Het recht van openbaarmaking omvat 'natuurlijk' de online publicatie; het recht van verveelvoudiging de digitale vastlegging. Zelfs met Napster, de internetapplicatie die de afgelopen maanden zoveel auteursrechtelijk hoofden op hol deed slaan, maakt onze wet korte metten. Wie 'napstert' maakt openbaar, en pleegt dus auteursrechtinbreuk. Wie, zoals Napster, dergelijke inbreuk op grote schaal mogelijk maakt, handelt onrechtmatig. Dit alles spreekt voor kenners van de Nederlandse wet vanzelf.

Haalt de Auteurswet haar honderdjarige bestaan? Wetstechnisch is de wet er klaar voor, eigenlijk altijd al klaar geweest. Wie beweert dat de wet dringend aan de eisen van het digitale tijdperk moet worden aangepast, weet niet waarover hij praat. Veel interessanter is de vraag of de wet over elf jaar nog iets heeft te betekenen. Tijdens het grote ALAI-congres, dat in 2000 in Stockholm werd gehouden, schetste Shira Perlmutter - namens de Wereldorganisatie voor Intellectuele Eigendom (WIPO) - twee toekomstscenario's voor het auteursrecht. In het eerste zijn de rechthebbenden de controle op de exploitatie van hun werken volledig kwijtgeraakt. Alle informatieproducten worden direct na publicatie gekraakt, gekopieerd en via het internet gratis verspreid. Een miljoenenleger cyberpiraten bedient de knoppen van het 'wereldomspannende kopieerapparaat'. De nachtmerrie van de rechthebbende is realiteit geworden. Leve het 'dotcommunisme'!

In het andere scenario trekken de rechthebbenden aan het langste eind. Door grootschalige toepassing van technische beschermingsmaatregelen wordt piraterij praktisch onmogelijk gemaakt. Geavanceerde antikopieertechnieken, streng beveiligde systemen van voorwaardelijke toegang en draconische gebruikslicenties houden de gebruikers in een ijzeren greep. Voor iedere byte wordt voortaan betaald. De droom van de rechthebbende is uitgekomen. Leve de vrije informatiemarkt!

Wat beide voorspellingen met elkaar gemeen hebben, is dat de rol van het auteursrecht spoedig zal zijn uitgespeeld. Volgens de eerste gaat het auteursrecht ten onder in een zee van piraterij. De onmogelijkheid het auteursrecht effectief te handhaven - tegen een overmacht aan (dikwijls anonieme) inbreukmakers - reduceert het recht tot een dode letter. Het auteursrecht is als het eigendomsrecht op fietsen (in Amsterdam); het bestaat nog wel, maar stelt in de praktijk niets voor.

Ook in het tweede scenario wordt het auteursrecht buitenspel geplaatst - ditmaal door toedoen van de rechthebbenden zelf. De combinatie van contract en techniek houdt de gebruikers in het gareel, en maakt auteursrechtelijke bescherming overbodig. Ook de wettelijke beperkingen van het auteursrecht, zoals die voor 'eigen oefening, studie of gebruik', worden buitenspel gezet. De Auteurswet is als de Stoomwet; een juridisch relikwie uit een analoog verleden, te irrelevant om nog in te trekken.

Twee tegengestelde toekomstvisies, één conclusie: het auteursrecht is ten dode opgeschreven. Zou het werkelijk zo zijn? Ik denk het niet - op beide voorspellingen valt gelukkig heel wat af te dingen. Het eerste scenario gaat er van uit dat het internet enkel de piraat ten goede komt. Dat is een denkfout; het net schept ongekende nieuwe mogelijkheden inbreukmakers automatisch - met behulp van geavanceerde zoekmachines - op te sporen en aan te pakken; het succes van het NUV-project 'Aanpak digitale piraterij' bewijst dat. Wat mij aan dit scenario evenmin bevalt, is het stereotype van de gebruiker als een gewetenloze anarchist die alles jat wat los en vast zit, en zich van het auteursrecht niets aantrekt. Deze karikatuur staat haaks op de realiteit. Respect voor het auteursrecht is in brede lagen van de maatschappij - ook op het internet - diep geworteld. Veel gebruikers zijn bereid voor hun informatiebehoefte een redelijke prijs te betalen. Probleem is dat een regulier digitaal aanbod dikwijls ontbreekt. Napster is geen symptoom van het aanstaande einde van het auteursrecht, maar van het falen van de muziekindustrie. De industrie heeft zitten slapen; zij heeft verzuimd tijdig een aantrekkelijk 'business model' voor het internet te ontwikkelen.

Ook het tweede scenario geeft blijkt van onderschatting van de markt. Gebruikers zullen nooit accepteren dat informatieleveranciers hen zo vergaand aan banden leggen. Een zekere 'vrijheid van delen' is, vanuit de optiek van de informatieconsument, inherent aan het geleverde product. Wie een boek koopt, wil dat met zijn gezin of met zijn buurman kunnen delen - met piraterij heeft dat niets van doen. Voor een elektronisch boek dat na eenmaal lezen van het scherm verdwijnt, bestaat geen markt.

Beide doemscenario's hebben nog iets met elkaar gemeen: het zijn self-fulfilling prophecies. Als we niet oppassen, gaat het auteursrecht aan zwartgalligheid en koffiedikkijkerij ten onder. Uit vrees dat het auteursrecht zou weglopen door het 'elektronisch vergiet' (scenario 1) ontketenden rechthebbenden een stormloop op nationale, Europese en internationale wetgevers. Het auteursrecht moest en zou aan het digitale tijdperk worden aangepast, en wel onmiddellijk. Deze actie had direct succes. Zo kwam in Genève een internationaal verdrag tot stand, werd in de V.S. de auteurswet aangevuld met een vuistdikke 'Digital Millennium Copyright Act', en werd in Brussel een Europese Auteursrechtrichtlijn op de rails gezet.

Maar de actie van de rechthebbenden lokte een tegenreactie uit. In het kamp van de gebruikers (bibliotheken, internetproviders, elektronicafabrikanten, consumenten) ontstond paniek over een dreigende 'copyright grab' van de rechthebbenden. De auteursrechtelijke 'balans' dreigde verstoord te raken; de informatievrijheid was ernstig in gevaar (scenario 2). Ook de gebruikers trokken alle lobbyregisters open, eveneens met veel succes. Zo kon het gebeuren dat de Auteursrechtrichtlijn, die onlangs werd aangenomen, niet alleen voorziet in ruim geformuleerde exploitatierechten en een 'kraakverbod', maar ook in een groot aantal wettelijke beperkingen. Per saldo heeft de lobby de rechthebbenden weinig opgeleverd. Misschien zijn ze zelfs wel slechter af.

Grote verliezer is in elk geval de Auteurswet, die aan de richtlijn zal moeten worden aangepast. De ingewikkelde, techniekafhankelijke bepalingen van de richtlijn zullen in onze wet een plaatsje moeten krijgen, zodat het flexibele, 'toekomstbestendige' karakter van onze wet wordt aangetast. Nog ernstiger is dat het auteursrecht door al dit politieke gekrakeel zijn morele legitimatie dreigt te verspelen. Het auteursrecht dient diverse mooie en belangrijke doelen: de bescherming van de creatieve mens, de bevordering en spreiding van de cultuur, het stimuleren van de informatie-industrie, het waarborgen van de uitingsvrijheid. Over de 'rechtvaardigheid' van het auteursrecht heerste in de maatschappij tot voor kort brede consensus. Het proces van politisering ondermijnt deze consensus en reduceert het auteursrecht tot politieke speelbal.

De keiharde strijd die de afgelopen jaren tussen rechthebbenden en gebruikers is gevoerd, wekt bovendien gemakkelijk de indruk dat het in het recht van intellectuele eigendom enkel gaat om geld (vooral Amerikaanse dollars). De wetenschappelijke uitgevers contra de bibliotheken, de platenfabrikanten versus de internetproviders, Microsoft tegen de computerindustrie. Wie deze gevechten van de zijlijn aanziet, loopt niet meer zo gauw warm voor de auteursrechtelijke gedachte. En waar zijn de auteurs gebleven?

Het NUV heeft het auteursrecht in het jaar 2001 tot speerpunt van zijn beleid gemaakt. Daar doen de uitgevers verstandig aan. Zolang contract en techniek geen alternatieven bieden, zolang een eigen 'uitgeversrecht' een onbereikbaar ideaal blijft, zolang de contouren van het nieuwe databankenrecht in nevelen gehuld zijn, blijft de uitgeverij van het auteursrecht in hoge mate afhankelijk. Ook in zijn rol als gebruiker van auteursrechtelijk beschermde werken heeft de uitgever belang bij een robuust, maar bovenal flexibel auteursrechtelijk systeem. De wettelijke beperkingen van het auteursrecht waarborgen het wankele evenwicht tussen rechthebbende en gebruiker, en voorkomen dat de mededinging door monopolies wordt vervalst.

De 'nieuwe economie', die als de zeepbel die zij was gebarsten is, heeft veel kapot gemaakt: niet alleen het geloof in het auteursrecht en het vertrouwen in de beurs (en in Maurice de Hond in het bijzonder), maar ook de Encyclopaedia Britannica, die nooit meer in dertigdelige prachtband zal verschijnen. Maar het gedrukte woord is allerminst verslagen. Als ik één ding durf te voorspellen is het dit: het klassieke uitgeven gaat een prachtige toekomst tegemoet. Juist in de wereld van het gedrukte exemplaar heeft het auteursrecht zijn grote kracht in de afgelopen eeuw ruimschoots bewezen. Zo lang die wereld blijft bestaan - ik schat: nog wel een eeuw of wat - blijft het auteursrecht van vitaal belang voor de uitgeverij: als bron van inkomsten voor auteur en uitgever, als basis voor de uitgeefovereenkomst, als remedie tegen piraterij, als activum op de balans.

Haalt de Auteurswet 2012? Ik denk het wel, tenzij tegen die tijd de laatste resten nationaal auteursrecht door de Brusselse harmonisatiemolen zijn vermalen. Of die wet er een zal zijn die ik met liefde aan mijn studenten zal verklaren, valt te bezien. Veel zal afhangen van de manier waarop belanghebbende partijen (auteurs, uitgevers en andere rechthebbenden, bibliotheken en consumenten) de komende jaren met het auteursrecht zullen omgaan. Zullen zij in staat zijn de broze maatschappelijke consensus in stand te houden? Dat kan alleen als partijen elkaar leren vertrouwen en vijandbeelden worden bijgesteld. Bibliotheken zijn geen piraten, consumenten geen parasieten, auteurs geen nietsnutten en uitgevers geen uitbuiters. Bij een goed functionerend, breed gedragen, evenwichtig auteursrecht met een menselijk gezicht is iedereen gebaat. Het auteursrecht waarmee ik twintig jaar geleden kennis maakte (door een prachtig boekje van Gerbrandy) was een recht om trots op te zijn. Laten we proberen dat nog tenminste twintig jaar te blijven - ik ga pas in 2020 met pensioen.

 

Geplaatst 02.07.2001