Voor de feiten in deze
geruchtmakende zaak zij verwezen naar het vonnis van de
Voorzieningenrechter te Groningen, met voortreffelijk noot van
Koelman gepubliceerd in AMI 2002/5, p. 196-198. Ik
citeer uit het vonnis (ro.1.c en d):
'Gedaagde is exploitant van de website
http://www.nationalevacaturebank.nl. Gedaagde biedt op
haar website een groot aantal vacaturemeldingen aan, waarvan
een deel afkomstig is uit de dagbladen – met name de
zaterdageditie - van eiseressen 1 t/m 6. Gedaagde neemt uit de
advertenties de essentiële delen over, zoals naam en adres van
de adverteerder, de functie, delen van de functieomschrijving,
salaris, werkgever en de naam en telefoonnummer van de
contactpersoon. Gedaagde vermeldt niet de bron.'
Eisers, een achttal
dagbladbedrijven, beroepen zich op het databankenrecht met
betrekking tot de vacaturerubrieken van de dagbladen. Centraal
in het arrest staat de vraag of deze rubrieken als 'databank'
in de zin van de Databankenwet (Dw) zijn aan te merken. Art. 1
lid 1 Dw definieert een 'databank' als 'een verzameling van
werken, gegevens of andere zelfstandige elementen die
systematisch of methodisch geordend en afzonderlijk met
elektronische middelen of anderszins toegankelijk zijn en
waarvan de verkrijging, de controle of de presentatie van de
inhoud in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een
substantiële investering.' [1]
Volgens de
voorzieningenrechter voldeden de dagbladen niet aan deze
definitie. De ordening die in een krant is aangebracht zou
onvoldoende zijn voor 'het snel en efficiënt kunnen raadplegen
van de opgeslagen informatie' (Rb., ro. 4.2). De afzonderlijke
vacaturerubrieken waren naar het oordeel van de
voorzieningenrechter evenmin als (afzonderlijke) databanken te
kwalificeren. Immers, 'voor het opsporen van een specifiek
gewenste personeelsadvertentie is enig zoekwerk vereist
niettegenstaande er bij deze deelverzameling – net als bij de
krant in zijn geheel – sprake is van een zekere ordening'
(Rb., ro. 4.2). Eenvoudiger gezegd: de inhoud van een dagblad
is onvoldoende doorzoekbaar.
Dat lieten eisers zich geen
tweemaal zeggen. Vóór de zaak in appel bepleit werd, kregen de
redacties instructie de vacaturerubrieken waar mogelijk te
indexeren (Hof, ro. 8). Met succes: naar het oordeel van het
Hof is nu wèl in voldoende mate sprake van 'systematische of
methodische ordening'. Daarbij overweegt het Hof dat dit
vereiste niet een eis van 'snel en efficiënt kunnen raadplegen
van de opgeslagen informatie' impliceert (Hof, ro. 9). Het Hof
plaatst deze overweging, mijns inziens ten onrechte, in het
kader van de toetsing aan de eis van systematische of
methodische ordening. De mate van 'doorzoekbaarheid' van een
databank is veeleer een aspect van het criterium van
'afzonderlijke toegankelijkheid (vgl. Hof, ro. 10).
Hoe dit ook zij, het oordeel
van het Hof komt, gezien de ruime wettelijke
begripsomschrijving, niet geheel onverwacht. De vrees, die
tijdens congressen over het databankenrecht regelmatig wordt
geuit, dat het databankenrecht op den duur alle mogelijke
informatieproducten – en daarmee het gehele terrein van de
intellectuele eigendom – zal absorberen, begint gaandeweg
realiteit te worden. Websites, omroepprogrammabladen,
telefoonboeken, wettenbundels, bloemlezingen,
wedstrijdschema's, ja zelfs de 'discriminator' in een
snoepmachine (een chip die ingeworpen munten herkent), werden
in de afgelopen jaren door rechters in Europa tot 'databanken'
uitgeroepen. [2] Het
wachten is nu nog op de eerste geïndexeerde speelfilm, het
gerubriceerde programmaformat of de van trefwoorden voorziene
methode van zakendoen.
Het arrest van het Hof roept
nog meer boeiende vragen op, met name ten aanzien van de
beschermingsomvang van het databankenrecht. Terecht stelt het
Hof voorop dat de ratio van het recht is 'de bescherming van
de aanzienlijke investering die de productie van een databank
vergt' (ro. 5). Nadat het Hof (in ro. 12) heeft vastgesteld
dat de dagbladuitgevers 'substantieel' hebben geïnvesteerd in
de gedrukte advertenties, met name in zetwerk, automatisering,
advertentie- en paginaopmaak, volgt (in ro. 15) het oordeel
dat Hunter Select zich aan ongeautoriseerd 'hergebruiken'
heeft schuldig gemaakt, doordat zij uit de kranten 'de
essentiële informatie' heeft overgenomen. Deze 'essentiële
informatie' is, zo blijkt uit het vonnis a quo, de zakelijke
inhoud van de advertenties (naam en adres van de adverteerder,
de functie, delen van de functieomschrijving, salaris,
werkgever, enz.). Wie beide rechtsoverwegingen naast elkaar
legt, constateert dat hetgeen door Hunter is hergebruikt juist
niet het object van de investering van de uitgevers is
geweest. De dagbladen krijgen de advertentieteksten, incl. de
daarin vervatte 'essentiële informatie', door de adverteerders
aangeleverd; de uitgevers beperken zich tot enig opmaak- en
zetwerk.
In het auteursrecht bestaat
er een natuurlijke relatie tussen de (mate van) originaliteit
van een werk en de beschermingsomvang ervan. Wat niet
origineel is aan een werk, mag zonder toestemming worden
overgenomen. Ook elders in het recht van intellectuele
eigendom geldt een één-op-één relatie tussen
beschermingsobject en -omvang. De beschermingsomvang van een
octrooi wordt bepaald door de mate van inventiviteit van de
uitvinding; die van een merk door het onderscheidend vermogen
ervan. Zou voor het databankenrecht, de nieuwste loot aan de
boom van intellectuele eigendom, niet hetzelfde moeten gelden?
Het Hof beziet, mijns inziens
ten onrechte, de reikwijdte van het databankenrecht geheel los
van het object – en dus de bestaansgrond – ervan. Gedaagden
ontlenen aan de personeelsrubrieken van de kranten weliswaar
de 'essentiële informatie', maar juist daarin is door de
eisers geen cent geïnvesteerd. De inhoud van de advertenties
wordt de uitgevers op een presenteerblaadje aangereikt. Als
daarin al is 'geïnvesteerd', betreft het investeringen die aan
de adverteerders, niet aan de dagbladen, zijn toe te rekenen.
[3] In wezen rekt het Hof
het databankenrecht op tot een exclusief recht op
economisch waardevolle gegevens. Een dergelijke uitleg
staat echter haaks op Overwegingen 45 en 46 van de
Databankrichtlijn, waaruit blijkt dat het recht zich niet
uitstrekt tot de verzamelde gegevens als zodanig.
[4]
Een laatste kritische
kanttekening betreft de wijze waarop het Hof met de
investeringseis is omgesprongen. Terecht wordt het beroep van
gedaagde op de 'spin-off' theorie verworpen (de
vacaturerubriek is geen bijproduct van een krant), maar dat er
door dagbladen substantieel is geïnvesteerd, wordt mijns
inziens veel te gemakkelijk aangenomen. Ongetwijfeld maken de
dagbladen voor het opmaken en zetten van de advertenties de
nodige kosten, maar dat zijn wel kosten die aan de
adverteerders al bij voorbaat in rekening zijn gebracht. Zijn
dat de 'investeringen' die de Databankenwet beoogt te
beschermen? Behoort degeen die geen enkel investeringsrisico
draagt met een databankenrecht beloond te worden? Ik meen van
niet.
P.B. Hugenholtz |
[1] Zie over dit begrip
A.A. Quaedvlieg, Informatierecht/AMI 2000/9, p. 177-186
en (zeer uitgebreid) E. Derclaye, 'What is a Database?',
Journal of Intellectual Property Law, Vol. 5 (2002), No.
6, p. 981-1011.
[2] Zie het overzicht van
rechtspraak in Europa in 'The Database Right File',
http://www.ivir.nl/files/database/index.html.
[3] Hof van Beroep Parijs
18 juni 1999, RIDA 2000 (183), p. 316-329 (Groupe
Moniteur); en Oberlandesgericht Düsseldorf 29 juni 1999
(Baumarkt.de),
http://www.netlaw.de/urteile/olgd_2.htm.
[4] Zie P.B.Hugenholtz, 'De
“spin-off theorie” ontsponnen, AMI 2002/5, p. 161-166.
|