|
Naar dit vonnis werd door
liefhebbers van het (auteurs)recht en het Internet reikhalzend
uitgezien. Zou de Haagse rechtbank zich aansluiten bij het
spraakmakende vonnis in kort geding, dat door de Haagse
president in 1996 gewezen werd?[1]
Of zouden de service providers als nog moeten boeten voor de
Scientology-pesterij waaraan een aantal van hun abonnees zich
destijds te buiten was gegaan? Het is van beide een beetje
geworden. De rechtbank
volgt haar president waar zij overweegt dat de providers geen
auteursrechtinbreuk plegen indien abonnees inbreukmakende
documenten op hun web sites plaatsen. Wel is een provider op
grond van de maatschappelijk zorgvuldigheid verplicht in te
grijpen indien hij hiervan in kennis wordt gesteld. Wie beide
vonnissen (ro. 16 resp. ro. 3.3) naast elkaar legt, ziet
overigens wel accentverschillen. In het kort gedingvonnis
wordt deze (ongeschreven) rechtsplicht slechts als een
mogelijkheid geopperd; volgens de rechtbank is zij realiteit.
Hiermee zijn wij meteen
aangeland bij het belangrijkste verschil tussen beide
vonnissen. Naar het oordeel van de president was niet gebleken
dat de providers handelend hadden moeten optreden; de daarop
gerichte vorderingen van Scientology werden daarom afgewezen.
In de bodemprocedure ziet de rechtbank wél ruimte voor
toewijzing van een tweetal bevelen. Het feit dat gedurende
enige tijd inbreukmakende informatie op de servers van
gedaagden aanwezig was geweest (ro. 19), levert naar het
oordeel van de rechtbank voldoende grond op voor een gebod tot
ingrijpen. Deze uitkomst is, na lezing van de daaraan
voorafgaande overwegingen, enigszins verrassend. Uit de in het
vonnis gepresenteerde feiten blijkt weliswaar dat abonnee
Spaink gedurende enige tijd op haar site inbreukmakend
materiaal beschikbaar heeft gesteld, maar niet dat de
providers van deze inbreuk in kennis waren gesteld en "aan de
juistheid van die kennisgeving in redelijkheid niet [viel] te
twijfelen". Nu de providers in het verleden niet onrechtmatig
hadden gehandeld, valt moeilijk in te zien waarom hen wel een
tweetal geboden voor de toekomst is opgelegd. Had de rechtbank
niet kunnen volstaan met een verklaring voor recht?
Voor de
auteursrechtliefhebbers biedt het vonnis meer stof tot
overpeinzing.[2]
Het oordeel van de rechtbank dat de providers niet zelf
openbaarmaken (ro. 16) sluit niet alleen aan bij het vonnis in
kort geding, maar ook bij het Agreed Statement bij
artikel 8 van het WIPO Auteursrechtverdrag dat tijdens de
Diplomatieke Conferentie van Genève (1996) werd aangenomen:
"It is understood that the mere provision of physical
facilities for enabling or making a communication does not in
itself amount to communication within the meaning of this
Treaty or the Berne Convention."
Naar het oordeel van de
rechtbank leveren de activiteiten van de providers evenmin
auteursrechtelijk relevante verveelvoudigingen op. De
rechtbank motiveert dit oordeel door een verwijzing naar
artikel 5 lid 1 van de Auteursrechtrichtlijn (gewijzigd
voorstel d.d. 21 mei 1999).[3]
Volgens de voorgestelde bepaling worden bepaalde tijdelijke
reproductiehandelingen "die een integrerend en onmisbaar
onderdeel vormen van een technisch procédé met inbegrip van
diegene die het doelmatig functioneren van transmissie
systemen bevorderen" van het reproductierecht uitgezonderd. De
rechtbank anticipeert derhalve op Europees recht in wording;
en daarmee valt in te stemmen.
De vraag is echter: is
artikel 5 lid 1 voor het onderhavige geval eigenlijk wel
geschreven? Ik meen van niet. Het ging in casu in het geheel
niet om "tijdelijke" reproductiehandelingen; de
(inbreukmakende) documenten bevonden zich min of meer
permanent op de servers van de providers. De reproducties
waarop het voorgestelde artikel 5 lid 1 betrekking heeft, zijn
vluchtiger van aard: het tijdelijk vastleggen in een 'proxy
cache', de transportkopieën die ontstaan tijdens het
'store-and-forward' procédé waarmee email door het Internet
gezonden wordt, enzovoorts.
De rechtbank had het zich
gemakkelijker gemaakt door de redenering die zij ten aanzien
van het recht van openbaarmaken gevolgd heeft ten aanzien van
het verveelvoudigingsrecht eenvoudig door te trekken. Voor de
reproducties die zich door toedoen van hun abonnees op hun
servers bevinden zijn de providers niet aansprakelijk; zij
"verschaffen slechts de technische faciliteiten teneinde
[verveelvoudiging] door anderen mogelijk te maken." Daarbij
had de rechtbank kunnen anticiperen op een andere Europese
richtlijn in wording, de Richtlijn inzake elektronische
handel.[4]
Op grond van het richtlijnvoorstel is een service providers
voor illegale inhoud niet aansprakelijk indien "(a) de
dienstverlener niet daadwerkelijk kennis ervan heeft dat de
activiteit onwettig is en, wanneer het een
schadevergoedingsvordering betreft, geen kennis heeft van
feiten of omstandigheden waaruit het onwettige karakter van de
activiteiten duidelijk blijkt, of (b) de dienstverlener, zodra
hij bovenbedoelde kennis bezit, prompt handelt om de
informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te
maken."
Het meest vernieuwende - en
controversiële - aspect van het vonnis is de nogal summiere
overweging over de aansprakelijkheid voor 'inbreukmakende'
hyperlinks (ro. 16 midden). Volgens de rechtbank is niet
van belang "of de informatie toegankelijk is via een
'internet-adres' dan wel via een hyperlink (een vanuit een
home page 'aanklikbare' elektronische doorverwijzing)." Deze
overweging keert terug in het dictum waar voor recht wordt
verklaard dat de aansprakelijkheid van de providers zich ook
tot inbreukmakende hyperlinks uitstrekt.
Deze gelijkstelling van
brondocumenten met hyperlinks roept vragen op. De rechtbank
lijkt er van uit te zijn gegaan dat het aanbrengen van
hyperlinks op zichzelf een aan de rechthebbenden voorbehouden
handeling is. Immers, alleen als het 'linken' tot
auteursrechtinbreuk kan leiden, bestaat voor een daarvan
afgeleide provider-aansprakelijkheid de ruimte. Het had de
rechtbank gesierd als zij aan deze cruciale voorvraag, die bij
mijn weten nog niet eerder aan de Nederlandse rechter is
voorgelegd, enige beschouwingen had gewijd.
Overigens kan ik mij best
voorstellen dat het desbewust linken naar notoire web-piraten
(bijv. sites met illegale MP3-bestanden) ook los van deze
auteursrechtelijke voorvraag onrechtmatig is, bijvoorbeeld op
grond van het bevorderen of profiteren van
auteursrechtinbreuk.[5]
Of dat noodzakelijk betekent dat de provider die dergelijke
links op zijn server weet te staan, na notificatie automatisch
aansprakelijk is, betwijfel ik echter. Hier speelt mijns
inziens de bona fides van de abonnee een zodanige rol,
dat provider-aansprakelijkheid slechts in uitzonderlijke
gevallen mag worden aangenomen.
Enigszins geruststellend voor
de providers is, tenslotte, dat aansprakelijkheid eerst
ontstaat na notificatie. Het vonnis schept terecht geen
verplichting de inhoud van de web sites vooraf te 'screenen'
of te 'monitoren'.[6]
Blijft de vraag wanneer "aan de juistheid van die kennisgeving
in redelijkheid niet valt te twijfelen". Is iedere boze brief
van een advocaat voldoende of dient de onrechtmatigheid eerst
in rechte te worden vastgesteld? Hier doet zich de behoefte
voelen aan (praktijk)regels met betrekking tot notice and
take-down zoals die recent in de Amerikaanse Copyright Act
zijn opgenomen.[7]
Naar mijn oordeel zal de provider in geval van gemotiveerde
ontkenning door de beheerder van de web site de status quo
voorlopig mogen handhaven, in afwachting van een gerechtelijk
oordeel. De provider dient immers ook jegens zijn
contractspartij zorgvuldig te handelen; zijn contractuele
verplichtingen dienen bij het zorgvuldigheidsoordeel te worden
meegewogen. Enige kennis van het auteursrecht mag echter wel
van de provider worden gevergd. Ten aanzien van web sites
waarop complete muziekwerken of romans worden aangeboden, zal
hij zijn handen, in elk geval na notificatie door
rechthebbenden, niet in onschuld kunnen blijven wassen.
Amsterdam, 12 juli 1999
P.B. Hugenholtz |