| Kan de overheid domeinnamen
waarin naar overheidsinstellingen of publiekrechtelijke
instituten wordt verwezen, opeisen van de domeinnaamhouder? De
hierboven afgedrukte uitspraken – een kleine selectie uit een
groot aantal gelijksoortige zaken
[1] – tonen aan dat
dat geen sine cure is. Ze laten tevens zien dat overheden bij
het registreren van domeinnamen weinig voortvarend – om niet
te zeggen laks [2] –
te werk zijn gegaan. Als de ambtenaren van Nederland eerder
wakker waren geworden, en domeinnamen als 'staten-generaal.nl'
en 'regering.nl' tijdig hadden laten registeren, waren veel
van deze procedures, die de Staat der Nederlanden een klein
vermogen moeten hebben gekost, niet nodig geweest.
[3]
Hoe heeft het zover kunnen
komen? Tot 1 april 1999 voerde de Stichting Internet
Domeinregistratie Nederland (SIDN) een restrictief beleid.
Domeinnamen werden geweigerd indien deze een algemene benaming
of soortnaam inhielden die misverstanden kon oproepen. De SIDN
hield tevens een lange 'zwarte lijst' bij van domeinnamen die
niet mochten worden aangevraagd; op deze lijst stonden ook de
namen van de Nederlandse gemeenten. Het registratiebeleid van
de SIDN is nadien stapsgewijs geliberaliseerd. In het
reglement dat op 1 april 1999 van kracht werd, komen de
'misverstanden' niet langer voor. Wel voorzag het gewijzigde
reglement nog in 'afwijzing voor namen die in het algemeen
maatschappelijk verkeer misleidend zijn' (zoals de domeinnaam
'regering.nl'), maar van die weigeringsbevoegdheid werd door
de stichting amper gebruik gemaakt.
[4]
Verdergaande liberalisering
van de domeinnaamregistratie in Nederland kreeg gestalte in de
reglementswijziging van 15 november 2000. Inhoudelijk toetsing
was, afgezien van een zeer korte zwarte lijst met daarop
(onder meer) de domeinnaam 'gov.nl', voortaan niet meer
mogelijk. Ter toelichting verklaarde de stichting: 'In het
verleden is aan bepaalde groepen in de samenleving een
bijzondere positie toegekend om ook hen in staat te stellen op
enig moment de door hen gewenste domeinnaam te kunnen
registreren. Alle bedrijven, instellingen en burgers mogen
intussen geacht worden op de hoogte te zijn van het internet
en domeinnamen, zodat het handhaven van een
uitzonderingspositie niet meer aan de orde is.'
[5]
Vooruitlopend op deze laatste
liberalisatie heeft de Minister van Grote Steden- en
Integratiebeleid Van Boxtel alle Nederlandse
overheidsorganisaties aangeschreven – bij brief van 8 maart
2000 – met het dringende advies 'om alle voor de organisatie
relevante' domeinnamen te laten registreren.
[6] Deze oproep kwam
voor veel overheidsinstellingen te laat. Inmiddels waren de
namen van een groot aantal overheidsinstituten geoccupeerd.
De juridische campagne om dit
fiasco in rechte ongedaan te maken, heeft de Staat der
Nederlanden tot op heden wisselend succes gebracht. In een
aantal zaken heeft de rechter zich door het gestelde
landsbelang laten imponeren; andere rechters waren van de
soliditeit van de argumenten van de Staat minder overtuigd.
Op welke rechtsgronden kan de
overheid een domeinnaam opeisen? Ik zie een viertal mogelijke
gronden, die ik hieronder kort bespreek. Allereerst: het
merken- en handelsnaamrecht, instrumenten die in de praktijk
zeer geschikt zijn gebleken om allerlei vormen van
domeinnaamoccupatie ongedaan te maken. Overheidsinstellingen
kunnen hiervan echter niet profiteren. Overheden zijn geen
'ondernemingen' in de zin van art. 1 Benelux Merkenwet resp.
art. 1 Handelsnaamwet. Het recht van industriële eigendom valt
dus af.
In de tweede plaats: de
onrechtmatige daad. Is het gebruik als domeinnaam van een
publiekrechtelijke term, zoals 'ministers.nl', in strijd met
de maatschappelijke zorgvuldigheid (art. 6:162 BW)? De
Utrechtse president meent van wel. Weliswaar is het
registreren als zodanig niet onrechtmatig, maar het gebruik
van de domeinnaam schept voor de bezoekers van de site 'een
verwarrende situatie'. Deze bezoekers zullen immers verwachten
'dat het hier van de overheid afkomstige informatie betreft'
(ro. 3.4).
Deze redenering overtuigt
niet. Nog afgezien van de vraag of 'ministers.nl'
daadwerkelijk banden met de overheid suggereert (ik meen van
niet), lijkt mij niet juist dat het scheppen van 'een
verwarrende situatie' in zijn algemeenheid onrechtmatig is.
Het veroorzaken van verwarring is enkel in merken- en
handelsnaamrecht en op het terrein van de ongeoorloofde
mededinging, waar het de mededinging tussen ondernemingen
betreft, als rechtsnorm gesanctioneerd. Wat de Utrechtse
president in wezen doet is het toepassen van
handelsnaamrechtelijke criteria in een niet-economische
context. Ook de beslissing van het WIPO-panel in de zaak
'staten-generaal.com' geeft blijk van deze begripsverwarring.
De aanduiding 'staten-generaal' wordt aangemerkt als 'common
law mark' en krijgt handelsnaamachtige bescherming.
[7]
Overigens is van
verwarringsgevaar in zaken als deze lang niet altijd sprake.
In de zaak 'kamer.nl' [8]
overwoog de President dat 'de aanduiding «kamer» zeer neutraal
en algemeen [is] en een breed toepassingsbereik [heeft]. Het
verwijst ook niet specifiek naar de Eerste of Tweede Kamer'
(ro. 4.2). In het geval van de domeinnaam 'tweedekamer.com'
[9] werd overwogen dat
burgers niet onder een .com domein naar overheidsinformatie
zullen zoeken, zodat verwarring onwaarschijnlijk is.
Een derde mogelijke
rechtsgrond is misleidende reclame (art. 6:194 BW). In de zaak
'betuwe-route.nl' stelt de Staat dat gedaagde, de Stichting
Jongeren Milieu Producties, zich door het gebruik van haar
domeinnaam schuldig maakt aan misleidende reclame. De
President wil hier echter niets van weten; mededelingen van
ideële of politieke aard (in casu: kritiek op de aanleg van de
Betuweroute) vallen buiten het bereik van artikel 6:194 BW
(ro. 3.9). In andere situaties (het gebruik van de domeinnaam
'ministerievanOCW.org' voor een pornografische website
bijvoorbeeld) lijkt een beroep op art. 6:194 BW meer kans van
slagen te hebben.
In een aantal zaken heeft de
rechter het publieke belang van de Staat eenvoudig laten
prevaleren boven het particuliere belang van de
domeinnaamhouder. Hier klinkt iets door van de vierde
mogelijke grond, de zogenoemde 'Utrechtse belangenafweging',
die in de zaak Passies/Gaos is ontwikkeld. De Utrechtse
President was van oordeel dat de weigering van Gaos om mee te
werken aan overdracht van haar domeinnaam onrechtmatig was,
omdat Gaos slechts een relatief gering belang had bij het
gebruik van haar domeinnaam.
[10] Deze
'belangenafweging' vormt mijns inziens geen valide
rechtsgrondslag. Heeft degene die meer belang heeft dan een
ander bij een rechtsgoed (een stuk grond bijvoorbeeld) een
aanspraak die rechtens valt af te dwingen? Natuurlijk niet.
In de zaak 'ministers.nl' zet
de Utrechtse President de zaken helemaal op hun kop. Gedaagde
'is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij een
rechtvaardigingsgrond heeft voor het gebruik van de
domeinnaam'. De rechthebbende moet zijn domeinnaamrecht kunnen
rechtvaardigen, anders komt het toe aan de Staat. Dat
is geen belangenafweging meer, maar 'Utrechtse onteigening'.
Het voorgaande neemt niet weg
dat domeinnaamhouders die derden (waaronder de Staat) nodeloos
hinderen door geregistreerde domeinnamen te blokkeren – zonder
ze zelf te gebruiken – wel degelijk onrechtmatig handelen. De
juiste rechtsgrondslag in dergelijke gevallen is echter niet
'verwarring', 'misleidende reclame' of 'belangenafweging',
maar misbruik van bevoegdheid (misbruik van recht).
[11] Hiervan zal
slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn.
Een en ander lijdt tot de
conclusie dat overheden bij het in rechte opvorderen van
domeinnamen over weinig solide argumenten beschikken. De vraag
is dan ook gewettigd of het niet tijd wordt voor ingrijpen
door de wetgever. Er van uitgaande dat het algemeen belang (in
het bijzonder de openbaarheid van bestuur) gediend is met een
reservoir domeinnamen die voor de overheid gereserveerd
blijven, ligt het in de rede hiervoor de nodige wettelijke
condities te scheppen. De nieuwe Italiaanse wet met betrekking
tot domeinnamen voorziet in een absoluut verbod aan derden om
namen van publieke instellingen en organen als domeinnaam te
registeren. [12] In
het merkenrecht is het al sedert jaar en dag verboden 'wapens,
vlaggen en andere staatsemblemen', evenals (onder meer)
'benamingen van internationale intergouvernementele
organisaties', als merken te gebruiken (art. 6ter lid 1 sub a
en b Unieverdrag van Parijs). In een Nederlandse
Domeinnaamwet, die er wat mij betreft onmiddellijk mag komen,
zouden vergelijkbare regels niet misstaan. Wellicht biedt de
Telecommunicatiewet, die volgens sommigen
[13] ook op de
toekenning van domeinnamen kan worden toegepast, nu reeds
voldoende ruimte voor een (tijdelijke) oplossing.
Blijkens de recente
kabinetsnota inzake de toetsing van de werkwijze van de
Stichting Internet Domeinregistratie is de Nederlandse
regering zo ver nog niet.
[14] Aan het
probleem van de overheidsdomeinnamen wordt nauwelijks aandacht
besteed. Het vertrouwen in de SIDN en de civiele rechter lijkt
voorshands ongebroken.
|