| Hasbro c.s. distribueert een
vijftal populaire gezelschapspelletjes, waaronder klassiekers
als Vier op 'n rij, Valkuil en Zeeslag. Impag c.s. brengen
soortgelijke spellen op de markt, onder andere namen en in
afwijkende verpakkingen, maar in quasi-identieke uitvoering.
Zijn de spellen van Hasbro auteursrechtelijk beschermd? Het
Amsterdamse Hof meent in vier van de vijf gevallen van wel, en
constateert dienaangaande auteursrechtinbreuk. In Zeeslag ziet
het Hof geen oorspronkelijk werk; het spel Sea Battle van
Impag wordt echter wel als onrechtmatige slaafse nabootsing
bestempeld. In cassatie staan, afgezien van de kwestie van
spoedeisendheid waarop hier niet zal worden ingegaan, twee
kwesties centraal. Ten eerste: heeft het Hof de
oorspronkelijkheidstoets op juiste wijze verricht en voldoende
gemotiveerd? Ten tweede: zijn oude Amerikaanse werken van
toegepaste kunst überhaupt in Nederland beschermd?
Vorm, inhoud en
motiveringsplicht
Over de auteursrechtelijke
bescherming van spellen en spelconcepten bestaat in Nederland
veel literatuur en jurisprudentie; zie noten 28 en 29 resp. §
2.24 van de conclusie van de advocaat-generaal. De heersende
leer en rechtspraak is eenvoudig samen te vatten: het 'idee'
van een spel is onbeschermd, de uitvoering (vormgeving) ervan
kan echter zodanig oorspronkelijk zijn dat het spel als geheel
auteursrechtelijk beschermd is. Elementen die aan de
oorspronkelijkheid kunnen bijdragen zijn bijvoorbeeld het
spelbord, de overige spelbenodigdheden, begeleidende
literatuur, de verpakking, illustraties, enzovoorts. Ook het
uitgewerkte 'spelconcept', voorzover niet als louter
'spelidee' aan te merken, kan een oorspronkelijk element zijn;
zie Quaedvlieg, Informatierecht/AMI 1998, p. 37 e.v.
Waar de grens ligt tussen
niet-beschermd idee en wél beschermde vorm is in abstracto
niet te bepalen. In hoeverre een onbeschermd 'spelidee' aan de
spelontwerper voldoende ruimte laat voor originaliteit, hangt
mede af van de wijze waarop het idee omschreven wordt en de
mate waarin bepaalde vormelementen voor de realisatie van het
idee noodzakelijk worden geacht; zie § 2.26 van de conclusie
van de advocaat-generaal. De idea/expression dichotomy,
zoals het onderscheid tussen inhoud en vorm zo mooi heet in de
Amerikaanse rechtsleer, laat veel vrijheid aan het oordeel –
en de willekeur – van de feitenrechter. Of een object in een
bepaald geval tot onbeschermd idee dan wel beschermde vorm
wordt uitgeroepen, is uiteindelijk een kwestie van
rechtspolitiek; zie Hugenholtz, Auteursrecht op informatie,
Deventer: Kluwer 1989, p. 39-40. Vindt de rechter
auteursrechtelijke bescherming in casu wenselijk? Hierbij
spelen tal van (voornamelijk subjectieve) factoren een rol;
zie Haeck, Idee en programmaformule in het auteursrecht,
Deventer: 1998, p. 112-113.
Hoewel de rechter bij deze
exercitie de gedragingen van gedaagde – en zijn morele oordeel
daarover – buiten beschouwing dient te laten, kruipt het bloed
soms waar het niet gaan kan. De uitspraak van het Amsterdamse
Hof illustreert dat. Impag c.s. heeft de spellen van Hasbro
c.s. min of meer klakkeloos gekopieerd (piraterij!); het
oordeel dat de spellen auteursrechtelijk beschermd zijn, is in
zo'n geval gemakkelijk gegeven. Iets té gemakkelijk naar mijn
smaak. Juist omdat de grens tussen vorm en inhoud niet door
harde (dus in cassatie eenvoudig toetsbare) normen wordt
bepaald, zou de feitenrechter zijn oordeel op dit punt goed
moeten motiveren. Over deze motiveringsplicht gaat het in deze
zaak. Impag c.s. klaagt dat het Hof zijn oordeel over de
auteursrechtelijke bescherming van de onderhavige spellen
onvoldoende heeft onderbouwd. De Hoge Raad verwerpt de klacht;
het oordeel van het Hof behoefde geen nadere motivering, 'in
het bijzonder niet nu het hier gaat om een beslissing in kort
geding' (r.o. 3.3.4). Dit resultaat verbaast in het licht van
HR 16 april 1999, NJ 1999, 687 (Bigott/Doucal). In dat
arrest formuleerde de Hoge Raad (in r.o. 3.7) strenge regels
over de wijze waarop inbreuk (in casu op een merkrecht) door
de feitenrechter moet worden getoetst en gemotiveerd.
Bigott/Doucal betrof een bodemprocedure; kennelijk neemt de
Hoge Raad het met de motiveringsplicht aanzienlijk minder nauw
als het gaat om procedures in kort geding.
Materiële normen over de
oorspronkelijkheid van spellen en spelconcepten reikt de Hoge
Raad in het onderhavige arrest niet aan. Volstaan wordt met de
constatering (in r.o. 3.5.3) dat een beperkte keuzevrijheid
oorspronkelijkheid niet uitsluit. 'Ook wanneer de vorm van een
werk tot stand is gekomen in een met het oog op het behalen
van een technisch of gebruiksvoordeel beperkte keuzevrijheid,
kan sprake zijn van een werk dat een eigen oorspronkelijk
karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker
draagt'. Dat oordeel is niet verrassend; toegepaste kunst is
per definitie geen 'vrije' kunst; de creatieve speelruimte van
de ontwerper wordt altijd door technische en functionele
randvoorwaarden beperkt. Slechts indien deze eisen de
ontwerper 'te zeer' beperken, kan van oorspronkelijkheid geen
sprake zijn, zo leert het Dreentegel-arrest (HR 27 januari
1995, NJ 1997, 273 m.nt. Ch. Gielen).
Bescherming van
Amerikaanse werken van toegepaste kunst
Het arrest beantwoordt tevens
enkele vragen van internationaal auteursrecht. Een aantal
spellen van Hasbro c.s. dateert van vóór de toetreding van de
V.S. tot de Berner Conventie (op 1 maart 1989). Worden 'oude'
Amerikaanse werken – met terugwerkende kracht – ook door de
Conventie bestreken? Art. 18 van de Berner Conventie geeft
geen eenduidig antwoord. Blijkens het eerste lid geldt de
Conventie voor alle werken die op het ogenblik van haar
inwerkingtreding nog niet gemeengoed geworden zijn in het land
van oorsprong ten gevolge van het verstrijken van de
beschermingsduur. Het vierde lid verklaart deze regel ook van
toepassing ten aanzien van nieuwe toetredingen tot de Unie.
Daarentegen bepaalt het derde lid dat 'de toepassing van dit
beginsel' bij verdrag dient te worden geregeld of anders in
nationale wetgeving. Omdat in de verhouding tussen de V.S. en
Nederland een dergelijk verdrag of een bijzondere wet nooit
tot stand is gekomen, is wel verdedigd dat Amerikaanse werken
van vóór 1989 in Nederland niet van de Berner Conventie kunnen
profiteren. In het arrest Stemra/Result (Hof Amsterdam 1
februari 1996, Informatierecht/AMI 1996/6, p. 112)
heeft het Amsterdamse Hof deze – voor Amerikaanse
rechthebbenden fatale – theorie verworpen; zie Kiersch,
Informatierecht/AMI 1997/1, p. 6-12. In het onderhavige
arrest bevestigt de Hoge Raad dat de regel van art. 18 lid 1
jo. lid 4 BC directe werking heeft.
Art. 18 lid 1 geldt niet voor
Amerikaanse werken waarvan het auteursrecht op het moment van
toetreding tot de Berner Conventie reeds was verjaard. Op
werken waarvan het auteursrecht om andere redenen –
bijvoorbeeld door het niet vervullen van de destijds geldende
verplichting tot registratie bij het Copyright Office – was
vervallen, is de Berner Conventie gewoon van toepassing, aldus
r.o. 3.5.6. Hiermee is echter nog niet gezegd dat de spellen
van Hasbro c.s. in Nederland auteursrechtelijk beschermd zijn.
Ten aanzien van werken van toegepaste kunst geldt immers de
ingewikkelde reciprociteitsregel van art. 2 lid 7 van de
Berner Conventie. Voor werken die in het land van oorsprong
(in casu de V.S.) alleen modelrechtelijke bescherming
genieten, kan in het 'Schutzland' (in casu Nederland) alleen
modelrechtelijke bescherming worden ingeroepen, tenzij een
dergelijk regime in dat land niet voorkomt. Deze
wederkerigheidseis is onder invloed van het Phil
Collins-arrest voor werken van EG-oorsprong inmiddels
achterhaald; zie Rb. Den Bosch 11 maart 1994,
Informatierecht/AMI 1994/7, p. 138 m.nt. H. Cohen Jehoram.
Voor Amerikaanse werken van toegepaste kunst geldt de eis
echter nog volop, zo bevestigt de Hoge Raad in r.o. 3.5.4.
Omdat het Hof verzuimd heeft
te onderzoeken in hoeverre spellen als deze in de V.S.
auteursrechtelijk beschermd zijn, wordt het arrest vernietigd.
Dat onderzoek zal alsnog door het gerechtshof in Den Haag
moeten worden verricht. Dat wordt geen gemakkelijke opgave:
zie noot JHS na Pres.Rb. Arnhem 23 september 1999, BIE
2000, p. 371. De vraag of werken van toegepaste kunst ('useful
articles') in de V.S. auteursrechtelijk beschermd zijn, wordt
door D. Nimmer gerekend tot 'the most vexing legal issues
regarding the scope of U.S. copyright law'; Nimmer, United
States, § 2[4][c], in: Geller (ed.), International
Copyright Law and Practice, New York: Matthew Bender,
losbl. Op grond van art. 101 van de U.S. Copyright Act biedt
de Amerikaanse auteurswet onder meer bescherming aan
'pictorial, graphic, or sculptural works'. Art. 101 bepaalt
verder: 'the design of a useful article […] shall be
considered a pictorial, graphic, or sculptural work only if,
and to the extent that, such design incorporates pictorial,
graphic, or sculptural features that can be identified
separately from, and are capable of existing independently of,
the utilitarian aspects of the article'. Eenvoudiger gezegd:
de esthetische aspecten moeten van de functionele
eigenschappen te scheiden zijn. Betekent dit fysieke of
conceptuele scheidbaarheid? Is auteursrechtelijke bescherming
slechts voorbehouden aan een gebruiksvoorwerp waarvan de vorm,
los van de gebruiksfunctie, een zelfstandige esthetische
functie vervult (de vaas als beeldhouwwerk)? Of volstaat dat
in het ontwerp van een 'useful article' afzonderlijke
esthetische elementen zijn aan te wijzen? Amerikaanse rechters
en rechtsgeleerden zijn er nog niet uit; ik ben benieuwd wat
het Haagse Hof er straks van vindt.
P.B. Hugenholtz
|