|
Buma/KaZaA
Hoge
Raad 19 december 2003
(Mrs. Neleman, Aaftink, Buchem-Spapens, Kop en Numann)
Cassatieberoep tegen arrest van Hof Amsterdam, waarin eis tot
aanpassing van de KaZaA-programmatuur op praktische gronden
was afgewezen, om processuele redenen verworpen. De klacht van
Buma/Stemra dat het hof de verspreiding van het programma had
moeten verbieden als aanpassing niet mogelijk zou blijken,
wordt verworpen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het
hof een dergelijke voorziening niet beschouwd als een minder
vergaande voorziening dan een bevel dit programma te wijzigen.
De Hoge Raad onthoudt zich van enig materieel oordeel over de
(on)rechtmatigheid van de verspreiding van de programmatuur
door KaZaA.
Arrest in de zaak van:
1.Vereniging Buma,
2.
Stichting Stemra, beide gevestigd te Amstelveen,
eiseressen tot cassatie, incidenteel verweersters, advocaat:
mr. T. Cohen Jehoram,
t e
g e n
KaZaA B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster in cassatie, incidenteel eiseres, advocaten: mrs.
W.E. Pors en C.B. Schutte.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: KaZaA - heeft bij
exploot van 9 november 2001 eiseressen tot cassatie – verder
tezamen te noemen: Buma/Stemra – in kort geding gedagvaard
voor de president van de rechtbank te Amsterdam en gevorderd
bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op
de minuut:
1. Buma/Stemra te gebieden om binnen twee dagen na betekening
van het in dezen te wijzen vonnis de onderhandelingen met
KaZaA op basis van de reeds gevoerde gesprekken en
onderhandelingen, met inachtneming van de redelijkheid en
billijkheid, voort te zetten teneinde de beoogde
licentieovereenkomst te sluiten, zulks op straffe van een
dwangsom van ƒ 50.000 per dag of dagdeel dat Buma/Stemra
hieraan niet voldoet, althans een voorziening te treffen als
door de president in goede justitie te bepalen, en
2. Buma/Stemra hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze
procedure, alle kosten op de tenuitvoerlegging vallende
daaronder begrepen.
Buma/Stemra heeft de vordering bestreden en in reconventie
gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: KaZaA te
bevelen om binnen 14 dagen na de betekening van het in dezen
te wijzen vonnis zodanige maatregelen genomen te hebben, dat
niet langer met behulp van het door haar aangeboden
computerprogramma op de auteursrechten met betrekking tot
muziekwerken behorende tot het Buma- respectievelijk
Stemrarepertoire inbreuk makende openbaarmakingen en
verveelvoudigingen van die muziekwerken kunnen plaatsvinden,
een en ander op verbeurte door KaZaA van een direct door
Buma/Stemra opeisbare dwangsom van ƒ 100.000 voor iedere dag
of gedeelte van een dag gedurende welke KaZaA in gebreke zal
zijn aan het op te leggen bevel te voldoen.
KaZaA heeft in reconventie de vordering bestreden.
De
president heeft bij vonnis van 29 november 2001 zowel in
conventie als in reconventie de vorderingen toegewezen, zij
het met matiging en maximering van de gevorderde dwangsommen.
Tegen dit in reconventie gewezen vonnis heeft KaZaA hoger
beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Buma/Stemra
heeft tegen het in conventie gewezen vonnis incidenteel hoger
beroep ingesteld. Bij arrest van 28 maart 2002 heeft het hof
zowel in het principaal als in het incidenteel appel het in
reconventie, respectievelijk in conventie gewezen vonnis van
de president vernietigd en, opnieuw rechtdoende, in het
principaal appel de vordering in reconventie van Buma/Stemra
en in het incidenteel appel de vordering in conventie van
KaZaA alsnog afgewezen.
[…]
3. Uitgangspunten in cassatie
3.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten vermeld in de
conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1. […]
4. Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.1
Onderdeel I.2 klaagt dat het hof in rov. 4.5-4.8 van zijn
arrest is uitgegaan van een onjuiste en onbegrijpelijke uitleg
van het door Buma/Stemra gevorderde. Het hof heeft, aldus het
onderdeel, de vordering van Buma/Stemra kennelijk aldus
begrepen dat (uitsluitend) werd gevorderd dat KaZaA zou moeten
verhinderen dat nog langer muziekbestanden zouden worden
uitgewisseld met reeds in het verleden door haar verspreide
programmatuur, terwijl deze beperking nergens in het door
Buma/Stemra gevorderde of de toelichting daarbij is te vinden,
en ook door KaZaA daarin niet is gelezen.
Het onderdeel gaat uit van een
onjuiste lezing van 's hofs arrest en kan derhalve bij gebrek
aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het arrest
bevat immers enerzijds geen aanwijzingen – die het onderdeel
overigens ook niet aanduidt – waaruit zou moeten worden
afgeleid dat het hof zich heeft beperkt tot het in het
verleden aangeboden computerprogramma, terwijl anderzijds uit
zijn overwegingen volgt dat het wel mede toekomstige
programmatuur op het oog heeft gehad. Dit blijkt onder meer
uit de in rov. 4.4 van zijn arrest weergegeven en door het hof
kennelijk onderschreven passages uit het rapport van prof.
Huizer, waarin onder meer de vraag wordt besproken of het
mogelijk is KaZaA - waarmee kennelijk wordt gedoeld op het
aldus genaamde programma - zodanig aan te passen dat het
auteursrechten dragende bestanden herkent en vervolgens
weigert die bestanden te communiceren, alsmede uit rov. 4.7,
waar het hof de stelling van Buma/Stemra bespreekt dat de
nieuwe exploitant van KaZaA in staat is het gebruik van haar
programma te controleren.
4.2
Onderdeel I.3 verwijt het hof dat het, indien het van oordeel
was dat het gevorderde bevel te ruim en/of te vergaand was, in
ieder geval wel een minder verstrekkende voorziening had
behoren toe te wijzen, hierin bestaande dat KaZaA niet langer
een computerprogramma zou aanbieden en verspreiden met behulp
waarvan op de auteursrechten met betrekking tot het
Buma/Stemra-repertoire inbreuk makende openbaarmakingen en
verveelvoudigingen van die muziekwerken kunnen plaatsvinden.
Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof de aldus
omschreven voorziening, die neerkomt op een algeheel verbod
het betrokken programma aan te bieden en te verspreiden, niet
beschouwd als een minder vergaande voorziening dan een bevel
dit programma te wijzigen. Dit oordeel behoefde geen nadere
motivering. Het onderdeel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
4.3
Onderdeel I.4 herhaalt de klacht van onderdeel I.3 met
betrekking tot een andere, door het onderdeel als minder
verstrekkend aangeduide, voorziening die het hof had behoren
te onderzoeken. Zo het voor KaZaA onmogelijk was de door
Buma/Stemra gevorderde maatregelen te treffen, dan was het,
aldus het onderdeel, in ieder geval voor KaZaA wel mogelijk
haar programma opnieuw te ontwerpen, zodanig dat geen inbreuk
makende openbaarmakingen en verveelvoudigingen kunnen
plaatsvinden, en te proberen haar gebruikers ervan te
overtuigen dat ze deze nieuwe versie moeten installeren.
Het onderdeel faalt. Het hof heeft in rov. 4.8 kennelijk
geoordeeld dat niet alleen met betrekking tot het bestaande
programma maar ook met betrekking tot een nieuw programma
weliswaar aanpassing mogelijk was, maar niet een zodanige
aanpassing dat geen op de auteursrechtenmet betrekking tot
muziekwerken behorende tot het Buma/Stemra-repertoire inbreuk
makende openbaarmakingen en verveelvoudigingen kunnen
plaatsvinden. Met name gelet op het door het hof weergegeven
verslag van prof. Huizer is dit oordeel niet onbegrijpelijk.
Mede in aanmerking genomen dat het hier om een kort geding
gaat, behoefde het hof dit oordeel niet nader te motiveren.
4.4
In rov. 4.6, tweede gedachtestreepje, bespreekt het hof een
productie 2s, die het omschrijft als een e-mail van 26 juli
2001 van de procureur van KaZaA aan Buma/Stemra. Onderdeel I.5
klaagt dat het hof uit het oog heeft verloren dat productie 2s
waarnaar Buma/Stemra in haar conclusie van eis in reconventie
had verwezen, haar eigen productie 2s was, waarin wel degelijk
sprake is van een toezegging van KaZaA “possible
infringements” tegen te gaan. Het onderdeel is op zichzelf
gegrond, maar het kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie
leiden, nu het niet inhoudt dat en waarom het hof tot een
ander oordeel had moeten komen indien het productie 2s van
Buma/Stemra in zijn overwegingen had betrokken.
4.5
Nu het oordeel van het hof zelfstandig kan worden gedragen
door de blijkens het hiervoor in 4.1 - 4.4 overwogene
tevergeefs bestreden overwegingen van het hof, behoeven de
onderdelen II en III geen behandeling.
5. Beoordeling van het
middel in het incidentele beroep
Het hof heeft KaZaA
veroordeeld in de kosten van het geding in conventie en in de
kosten van het incidenteel appel. Daaraan heeft het hof ten
grondslag gelegd dat KaZaA tijdens de terechtzitting in hoger
beroep haar vordering tot dooronderhandelen heeft ingetrokken
en dat dit meebrengt dat de grief in het incidenteel appel,
die zich richt tegen het in conventie gegeven bevel aan
Buma/Stemra de onderhandelingen met KaZaA voort te zetten,
slaagt en dat het vonnis, voor zover in conventie gewezen,
moet worden vernietigd (rov. 4.11).
Aldus overwegende heeft het hof miskend dat intrekking door
KaZaA van haar vordering niet noodzakelijkerwijs betekent dat
de vordering in eerste aanleg ten onrechte is toegewezen en
heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat de daartegen
gerichte grief van Buma/Stemra gegrond is. Het hof heeft
derhalve ten onrechte KaZaA in de kosten van het geding in
eerste aanleg en in hoger beroep veroordeeld, zodat het middel
slaagt.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale
beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Buma/Stemra in de kosten van het geding in
cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van KaZaA begroot
op € 301,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris;
in het incidentele
beroep:
- vernietigt het
arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 28 maart 2002;
- verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage
ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt Buma/Stemra in de kosten van het geding in
cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van KaZaA begroot
op € 68,07 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.
Conclusie
Advocaat-generaal Mr. D.W.F. Verkade
1. Inleiding
[…]
1.2. De onderhavige zaak
heeft destijds in de pers veel ophef gewekt. In de stukken van
het geding heeft Buma/Stemra gesproken over 'de meest
omvangrijke inbreuk op auteursrechten in de geschiedenis'. Ik
zal, na een weergave van de in cassatie tot uitgangspunt
dienende feiten, en van het procesverloop (par. 2), eerst het
relatief eenvoudige principale middelonderdeel I behandelen
(par. 3). Indien Uw Raad met mij van oordeel is dat dat
onderdeel faalt, mist Buma/Stemra m.i. daarmee belang bij de
behandeling van de verdere onderdelen, en is daarmee in het
principale beroep voor Uw Raad de kous af (par. 4).
Voor mij is de kous daarmee niet af, want ik dien mij, hoe dan
ook, wél uit te laten over de principale middelonderdelen II
en III.
[…]
2. Feiten en procesverloop
2.1. In cassatie kan van het
volgende worden uitgegaan.
a) Kazaa biedt via haar website
http://www.kazaa.com
een computerprogramma aan voor uitwisseling van verschillende
soorten bestanden door de individuele gebruikers via het
internet. De software die Kazaa via haar website verspreidt
wordt ook wel peer-to-peer technologie genoemd. Daarbij kunnen
individuele gebruikers zelfstandig informatie aanbieden, maar
ook informatie vinden en downloaden van andere individuele
gebruikers (peers).
b) Het computerprogramma van Kazaa wordt onder meer gebruikt
voor uitwisseling van tekst-, beeld-, en geluidbestanden.
Hieronder vallen tevens auteursrechtelijk en nabuurrechtelijk
beschermde werken. Omdat de rechthebbenden van deze werken
niet gecompenseerd worden voor gebruik van hun werken voert
Kazaa al geruime tijd gesprekken met de betreffende
rechthebbenden, waaronder als belangrijkste gesprekspartner
Buma/Stemra.
c) Buma/Stemra oefenen ten behoeve van de
auteursrechthebbenden met betrekking tot vrijwel het gehele
beschermde wereldmuziekrepertoire in Nederland het
openbaarmakings- en verveelvoudigingsrecht uit, waaronder het
mechanisch reproductierecht, te weten verveelvoudiging van een
muziekwerk door vastlegging op geluidsdragers.
d) Omstreeks 2 september 2000 heeft Kazaa Buma/Stemra
aangeschreven teneinde in overleg te treden over een mogelijke
licentie voor het muziekgebruik van de gebruikers van de
software van Kazaa. Op 21 oktober 2000 heeft vervolgens een
eerste gesprek tussen partijen plaatsgevonden.
e) Op 21 december 2000 hebben partijen een Letter of Intent
gesloten, waarin als doel van de onderhandelingen staat
omschreven – voor zover van belang –
'(…)
1. FastTrack ( ontwerper
van het computerprogramma Kazaa, pres. ) and Buma/Stemra
shall enter into negotiations about terms and conditions on
which FastTrack may obtain a worldwide license for its
members which will allow them to share musical works on the
KaZaA network, without being liable for copyright
infringement.
2. FastTrack will design KaZaA in such a way that it
provides a controlled environment where the consumption of
music can be tracked to the extent that the i n formation
can be used to compensate copyright and neighbouring right
owners.
3. (…)
4. FastTrack will design the DRMS in such a way that it
allows KaZaA members to listen to musical works within the
KaZaA network, i.e. the system will not allow downloads that
enable users to listen to musical works on other
applications besides the KaZaA network. (…)'
Partijen hebben daarbij de
intentie uitgesproken de onderhandelingen zo snel mogelijk af
te ronden en uiterlijk 14 februari 2001 een definitieve
overeenkomst te sluiten.
f) Na verdere contacten tussen partijen zijn de
onderhandelingen in oktober 2001 op initiatief van Buma/Stemra
beëindigd.
[…]
3. Bespreking van
middelonderdeel I van het principale beroep
3.1. Zoals in de inleiding
uiteengezet, kan een beoordeling van middelonderdeel I m.i.
geredelijk plaats hebben zonder een nadere uiteenzetting
omtrent de auteursrechtelijke en verwante discussiepunten.
Ontdaan van de uitwerkingen en uitweidingen, komt het
onderdeel erop neer dat, nadat het hof in rov. 4.8 de
gevorderde aanpassing van Kazaa's computerprogramma niet
mogelijk had geoordeeld en daarom had afgewezen
('4.8. Een en ander
betekent dat de vordering in reconventie zich niet voor
toewijzing leent aangezien aannemelijk is dat het voor KaZaA
niet mogelijk is zodanige maatregelen te treffen, dat niet
langer met behulp van het door haar aangeboden
computerprogramma op de auteursrechten met betrekking tot
muziekwerken behorende tot het Buma/Stemra repertoire
inbreukmakende openbaarmakingen en verveelvoudigingen van
die muziekwerken kunnen plaatsvinden.(...)')
in plaats daarvan een
beperkter bevel of een verbod had moeten uitspreken. In
de subonderdelen I.2 e.v. legt het onderdeel daartoe
verschillende argumenten respectievelijk varianten aan de Hoge
Raad voor.
3.2. Alvorens daarop in te
gaan, herinner ik aan Buma/Stemra's reconventionele petitum in
prima:
'te bevelen om binnen 14
dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis
zodanige maatregelen genomen te hebben, dat niet langer met
behulp van het door haar aangeboden computerprogramma op de
auteursrechten met betrekking tot het Buma- respectievelijk
Stemrarepertoire inbreukmakende openbaarmakingen en
verveelvoudigingen van die muziekwerken kunnen plaatsvinden'
.
[…]
3.6. Subonderdeel I.3 acht de
beslissing van het hof rechtens onjuist althans onbegrijpelijk
in het licht van art. 48 Rv, omdat het hof op grond van die
bepaling in ieder geval gehouden was te onderzoeken of een
minder verstrekkende voorziening kon worden toegewezen. Het
subonderdeel verwijst hierbij naar HR 29 oktober 1993, NJ
1994, 107. Volgens het subonderdeel is een verbod tot het nog
langer aanbieden van de desbetreffende software zo'n minder
verstrekkende, in het gevorderde besloten, voorziening.
Blijkens een overweging (4.7) van het hof en de eigen
stellingen en feitelijke handelingen van Kazaa, was Kazaa
daartoe ook in staat, aldus het subonderdeel.
3.7. Is een totaalverbod op
het aanbieden van de betrokken software een minder
verstrekkende maatregel dan wijziging daarvan? Ik meen dat het
hof dit kennelijk en terecht anders gezien heeft. Wijziging
veronderstelt (normaliter) reductie van de bruikbaarheid van
het programma, met behoud van andere (zinvolle)
gebruiksmogelijkheden. Bij een totaalverbod blijft er niets
over.
[…]
3.14. In het bovenstaande heb
ik mij ingespannen om de gedetailleerde subonderdelen van
middelonderdeel I met eenzelfde mate van gedetailleerdheid te
bespreken, en ik heb daarbij geen gegronde klacht kunnen
aantreffen.
Ook als ik mij van die gedetailleerde subonderdelen losmaak,
en met welwillendheid probeer in middelonderdeel I nog de
algemene klacht 'in te lezen', dat het hof in Buma/Stemra's
eerder geciteerde initiële petitum als het ware vanzelf
zou hebben moeten lezen dat het gevorderde bevel tot
aanpassing, bij gebreke aan aanpassingsmogelijkheden, dán een
totaalverbod zou impliceren, kan ik nog steeds niet tot
gegrondbevinding van middelonderdeel I concluderen. Want als
men zou overwegen over de – tot aanpassing beperkte –
grammaticale tekst van het petitum heen te stappen, staan
daaraan m.i. met name in de weg de uitlatingen van Buma/Stemra
bij MvA in appel [1] en –
vooral – bij pleidooi in appel (vijfde pagina, onder het kopje
'Het Kazaa programma kan ook voor legitieme doeleinden
gebruikt worden'):
'Het argument is daarnaast
ondeugdelijk omdat Buma/Stemra niet vorderen dat het Kazaa
programma van de markt wordt gehaald, maar vorderen dat
Kazaa zodanige maatregelen neemt dat daarmee geen de
betreffende auteursrechten schendende openbaarmakingen en
verveelvoudigingen van muziekbestanden kunnen plaatsvinden,
zonder dat de andere gebruiksmogelijkheden wegvallen.'
[…]
4. Belang bij
middelonderdelen II en III? Duiding van 's hofs rov. 4.9
4.1. Uitgaande van het
falen van middelonderdeel I, rijst de vraag of Buma/Stemra nog
belang heeft bij de middelonderdelen II en III. Dit roept op
zijn beurt de vraag op of 's hofs afwijzing zelfstandig
gegrond kan zijn op de r.ovv. 4.4 t/m 4.8, zonder dat rov. 4.9
daaraan een essentiële schakel toevoegt.
4.2. De vraag stellen is m.i.
haar beantwoorden. Dat het hof het zelf zo gezien heeft,
blijkt m.i. uit (de aanhef van) 's hofs rov. 4.9: 'Voorts
merkt het hof nog op…'. Dit zijn bewoordingen die het karakter
van een overweging ten overvloede indiceren. Doorslaggevend is
uiteraard het geheel der overwegingen, maar daarvoor geldt
m.i. niet anders.
4.3. De afwijzingsgrond van
het hof in rov. 4.8, meer in het bijzonder de vaker geciteerde
deeloverweging:
'4.8. Een en ander betekent
dat de vordering in reconventie zich niet voor toewijzing
leent aangezien aannemelijk is dat het voor KaZaA niet
mogelijk is zodanige maatregelen te treffen, dat niet langer
met behulp van het door haar aangeboden computerprogramma op
de auteursrechten met betrekking tot muziekwerken behorende
tot het Buma/Stemra repertoire inbreukmakende
openbaarmakingen en verveelvoudigingen van die muziekwerken
kunnen plaatsvinden.(...)'
is naar mijn mening in het
licht van bovenstaande bespreking van middelonderdeel I,
zelfstandig dragend.
[…]
4.4. Een eventueel sneuvelen
van de in middelonderdelen II en III aangevallen rov. 4.9 kan
m.i. dus niet afdoen aan 's hofs zelfstandig dragende oordeel
in rov. 4.8. Het in mijn inleiding reeds aangegeven gevolg
daarvan is dat de Hoge Raad aan de principale middelonderdelen
II en III niet toekomt.
5. Inleidende opmerkingen bij de principale middelonderdelen
II en III
5.1. De principale middelonderdelen II en III stellen diverse
varianten van potentiële onrechtmatigheid van het omgaan met
zgn. 'peer-to-peer' software aan de orde. Alvorens de
afzonderlijke (sub)onderdelen te bespreken, zal ik eerst meer
algemeen ingaan op de auteursrechtelijke en (overige)
wettelijke aansprakelijkheid van de gebruiker en de aanbieder
van zulke software.
5.2.
De onderhavige computerprogrammatuur creëert een zgn. 'file
sharing'-netwerk tussen de gebruikers van de software. Via dit
netwerk kunnen gebruikers de zich op hun eigen computers
bevindende gegevens, zoals muziek, onderling uitwisselen.
[2] De gebruikers zijn
daarbij zowel aanbieder als ontvanger van de desbetreffende
digitale inhoud ('content'). Bijzonder aan de onderhavige
Kazaa-software is dat deze een file-sharing-netwerk tot stand
brengt, waarbij niet langer (zoals nog bij het file-sharing
netwerk van Napster het geval was
[3]) van een intermediaire
centrale databank gebruik wordt gemaakt; bij Kazaa vervullen
de individuele gebruikers zélf de zoek- en verwijsfunctie
(zoals door middel van tot 'supernode' verheven gebruikers,
die fungeren als ontmoetingsplaats voor omliggende
gebruikers). Duidelijk is dat file-sharing-netwerken (zoals
Kazaa) onder vuur liggen omdat via deze netwerken auteurs- en
nabuurrechtelijk beschermde werken kunnen worden uitgewisseld.
[…]
1) Inbreuk op auteursrecht:
directe inbreuk
Verrichten de gebruikers van Kazaa auteursrechtelijk relevante
handelingen?
5.5. De gebruikers
van Kazaa kunnen via internet vanuit hun PC – onder meer –
zgn. MP3 bestanden aan andere gebruikers beschikbaar stellen,
en evenzo van andere gebruikers de door hen beschikbaar
gestelde muziek ontvangen. Het beschikbaar stellen via
internet van (muziek)werken in de zin van de Auteurswet, vormt
een openbaarmaking in de zin van artt. 1 en 12 lid 1
Aw. [4] Ten aanzien van
deze openbaarmaking kan geen beroep worden gedaan op een
wettelijke beperking van het auteursrecht. Voorzover de
Kazaa-gebruiker zonder toestemming van de rechthebbende een
(nog) door het auteursrecht beschermd muziekwerk aanbiedt,
pleegt deze dus inbreuk op auteursrecht.
Omstreden is in hoeverre ook de ontvanger van de via
Kazaa uitgewisselde file een auteursrechtelijk relevante
(verveelvoudigings-)handeling verricht, respectievelijk of hij
daarbij een (succesvol) beroep op een wettelijke beperking kan
doen. Enkele schrijvers gaan ervan uit dat het downloaden door
de ontvanger door de wettelijke beperking van art. 16b Aw
(privé-kopie) wordt gedekt. [5]
Evenzo de minister van justitie, die op vragen van het CDA
omtrent peer-to-peer technologie, over de auteursrechtelijke
relevantie van de verveelvoudiging aan de ontvangerzijde
antwoordde:
'De Internetgebruiker die gebruik maakt van de mogelijkheden
die Napster, Kazaa en vergelijkbare peer-to-peer-diensten
bieden om werken van letterkunde, wetenschap of kunst te k o
piëren voor privé-gebruik opereert over het algemeen genomen
binnen de marges van het auteursrecht. Dat geldt ook wanneer
een privé-kopie wordt gemaakt van een origineel dat
illegaal, dat wil zeggen zonder toestemming van
auteursrechthebbende, is openbaar gemaakt.'[6]
Nu
ik eerder ervan ben uitgegaan dat op gebruikersniveau
auteursrechtelijk relevante openbaarmakingshandelingen
(kunnen) plaatsvinden, meen ik in het navolgende voorbij te
kunnen gaan aan de vraag of de gebruikers al dan niet tevens
in strijd met het auteursrecht verveelvoudigen.
De auteursrechtelijke – of andere – aansprakelijkheid van
Kazaa zelf
5.6. In cassatie kan
ervan worden uitgegaan dat Kazaa de programmatuur levert die
de gebruikers in staat stelt om onderling bestanden uit te
wisselen. Bij deze file sharing kan door gebruikers
auteursrechtelijk beschermde muziek worden uitgewisseld. De
onderdelen II en III van het middel stellen de vraag aan de
orde, hoe het handelen van Kazaa, als aanbieder van de file
sharing-software, in auteursrechtelijk dan wel algemeen
aansprakelijkheidsrechtelijk opzicht moeten worden beoordeeld,
wanneer op het niveau van de individuele gebruikers
auteursrechtinbreuken (openbaarmaking) plaats vinden. Deze
vraag valt m.i. uiteen in drie deelvragen:
a) verricht Kazaa, samen met de gebruikers, zelf mede een
openbaarmakingshandeling?
b) verricht Kazaa zelfstandig auteursrechtelijk relevante
handelingen? en
c) is Kazaa zodanig betrokken bij de auteursrechtinbreuken van
de gebruikers dat zij een onrechtmatige daad in de zin van
art. 6:162 BW pleegt jegens de auteursrechthebbenden?
a) Kan Kazaa, samen met de gebruiker, als mede-openbaarmaker
worden aangemerkt?
5.7. In (oudere)
jurisprudentie is de vraag aan de orde geweest of niet zelf
uitvoerende personen (tevens) als openbaarmakers kunnen worden
aangemerkt. In 1919 oordeelde de Hoge Raad dat de exploitant
van een 'cabaret' [7] niet
zelf (mede) een ongeoorloofde openbaarmaking verrichtte van
een aldaar door een pianist uitgevoerd muziekwerk:
'dat nu in het engageren van
een pianist om in een Cabaret op een openbaar concert, dat
men daar geeft, muziekstukken uit te voeren en het zoodoende
tot die uitvoeringen medewerken, op zich zelf zonder meer
nog niet oplevert openbaar maken, dat in den zin der wet
ongeoorloofd zou zijn…',
De
Hoge Raad liet hierop volgen dat:
'…
van medewerken tot ongeoorloofde uitvoeringen alleen dan
sprake zou kunnen zijn, indien mede feiten waren gesteld
waaruit zou voortvloeien, dat die ongeoorloofde uitvoeringen
in de opdracht waren begrepen, althans dat deze waren
voorzien of behoorden te worden voorzien'
[8]
Blijkens een arrest van 1920
ging de sociëteit, die in haar zaal gelegenheid gaf tot
uitvoeringen, in auteursrechtelijk opzicht vrijuit. De Hoge
Raad overwoog:
'dat toch ook in dit artikel [art. 12 Aw, A-G] die
uitdrukking [openbaar maken, A-G] de beteekenis heeft, welke
daaraan in het dagelijksch leven wordt toegekend, d.w.z. het
feitelijk ten gehore brengen van het werk.'[9]
In
een arrest van een week later uit 1920 blijkt op positieve
wijze het belang dat de Hoge Raad toekent aan een
rechtstreekse betrokkenheid bij de daadwerkelijke uitvoering:
de dirigent van een koorwerk geldt wél als mede-openbaarmaker
van dat 'zangstuk'. [10]
Dat het gelegenheid geven tot het plegen van
auteursrechtinbreuk op zichzelf niet voldoende is om als
(deelneming aan) auteursrechtinbreuk te gelden, blijkt ook uit
de volgende uitspraak, waarin het ging om de aansprakelijkheid
van de organisator van een muziekwedstrijd voor de
ongeoorloofde openbaarmaking van een bij die wedstrijd
voorgeschreven muziekwerk. De Hoge Raad overwoog:
'dat nu dit enkele feit [het gelegenheid bieden tot
uitvoering van muziekstukken], waar zelfs niet is gesteld,
dat verweerster kon of moest voorzien dat de vereenigingen
dat werk ongeoorloofd zouden uitvoeren, niet kan opleveren
deelneming of medewerking aan de schending van eischers
auteursrecht, noch op zich zelf een inbreuk op dit recht
maakt.' [11]
Ofschoon de Hoge Raad hier enige rol aan de voorzienbaarheid
van de te plegen rechtsinbreuken toekende, bleek hij het
gelegenheid geven tot auteursrechtinbreuk op zichzelf niet
als een auteursrechtelijke openbaarmaking te beschouwen.
[12] In latere
jurisprudentie is de voorzienbaarheid van belang geacht bij de
vraag of degene die inbreuk faciliteert, onzorgvuldig handelt
(zie hierna, onder c).
b) Verricht Kazaa – los van de gebruikers – zelf
auteursrechtelijk relevante handelingen?
- Zelfstandige verveelvoudiging- of
openbaarmakingshandelingen?
5.8. Behalve de
hiervoor ontkennend beantwoorde vraag, of Kazaa als
'mede-openbaarmaker' van de door de gebruikers verrichte
openbaarmakingen zou kunnen worden aangemerkt, kan de vraag
worden gesteld of Kazaa wellicht, los van de gebruiker,
zelfstandig inbreuk op auteursrecht pleegt. Buma/Stemra
verdedigt dat standpunt (met name in subonderdeel II.2) en
beroept zich daarbij op de zgn. kabelpiratenarresten uit de
jaren '80.
Het ging in die zaken om omroeprechtelijk illegale uitzenders
van tv-programma's die 's nachts, na afloop van de 'officiële'
uitzendingen, signalen op de ontvangstantenne van de
Amsterdamse kabelexploitant KTA instraalden, waardoor deze
signalen vervolgens via de kabel aan de abonnees werden
doorgegeven. Het door de piraten doorgestraalde aanbod omvatte
(onder meer) lopende bioscoopfilms. In een van procedures van
de auteursrechthebbenden tegen KTA oordeelde de Hoge Raad:
'Het Hof heeft […] vastgesteld dat de apparatuur van KTA de
van piraten ontvangen signalen bewerkt, versterkt en via het
kabelnet van KTA doorgeeft aan al haar abonnees te
Amsterdam. Dit een en ander moet aldus worden begrepen dat
het de activiteit van KTA is – bestaande in het in werking
doen zijn van haar apparatuur – die meebrengt dat haar
abonnees de films op hun scherm ontvangen. Daarvan uitgaande
heeft het Hof terecht geoordeeld dat hier sprake is van
openbaarmaking van de films door KTA in de zin van de
Auteurswet 1912'. [13]
In
een volgende procedure, ditmaal naar aanleiding van het
tijdens de reguliere kabeluitzendingen 'wegdrukken' van het
officiële signaal door het piratensignaal, herhaalde de Hoge
Raad zijn in bovengenoemd arrest gegeven oordeel, en
sanctioneerde voorts 's hofs oordeel dat KTA, op grond van
haar verplichting zich van auteursrechtinbreuken te onthouden,
haar net moest afschakelen zodra piraten een officiële
uitzending wegdrukten. [14]
In beide arresten werd de kabelexploitant door de Hoge
Raad dus als zelfstandige openbaarmaker van het door de
piraten ingestraalde signaal gekwalificeerd. Opgemerkt zij dat
deze opvatting van de Hoge Raad niet zonder kritiek is
gebleven. [15]
5.9. Na opkomst van de
digitale (netwerk)technieken is in de auteursrechtelijk
literatuur discussie ontstaan over de betekenis van deze
kabelpiraten-arresten voor de aansprakelijkheid van
intermediairs op internet (Internet Service Providers, ISP's),
alsmede de aansprakelijkheid van aanbieders van peer-to-peer
software. Seignette heeft zich ten aanzien van Napster – een
aanbieder van een peer-to-peer netwerk waarbij van een
centrale server gebruik wordt gemaakt
[16] ) – op het standpunt
gesteld dat Napster mogelijk op grond van deze arresten als
openbaarmaker kan worden aangemerkt.
[17] Anderen hebben
daarentegen toepasselijkheid van de kabelpiratenarresten op
internet van de hand gewezen. Zo heeft Dommering betoogd dat
de aansprakelijkheid van Internet Service Providers juist
geheel opnieuw – op grond van het onrechtmatige-daadsrecht –
moet worden beoordeeld. [18]
Visser, eveneens van mening dat de HR destijds zijn oordeel
beter op onrechtmatige daad dan op auteursrechtinbreuk had
kunnen baseren, is Dommering bijgevallen. Het faciliteren van
inbreuken door Napster levert volgens hem een onrechtmatige
daad op. Maar wanneer de bestandsuitwisseling niet langer via
een centrale server verloopt (zoals nog wel bij Napster), acht
hij de aanbieder van de file sharing software noch op
auteursrechtelijke, noch op (algemeen) delictuele grondslag
aansprakelijk. Uitsluitend de gebruikers zelf zouden wegens
auteursrechtinbreuk kunnen worden aangesproken.
[19] Ook Hugenholtz acht
Kazaa niet op auteursrechtelijke grondslag aansprakelijk,
omdat Kazaa niet zelf openbaar maakt of verveelvoudigt,
terwijl faciliteren van inbreuk niet met inbreuk kan worden
gelijkgesteld. In aansluiting bij de (hierna te bespreken)
Amerikaanse rechtspraak acht hij voor een eventuele
aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad beslissend
of de aangeboden Kazaa-software al dan niet in aanmerkelijke
mate ook voor niet-inbreukmakende activiteiten wordt gebruikt.
[20]
5.10. Veel geciteerd en ook naar mijn mening heel interessant
is het vonnis van de Haagse rechtbank in de zaak
Scientology/XS4ALL, waarin een auteursrechtelijke
aansprakelijkheid van Internet Service Providers werd
afgewezen en uitsluitend de gebruikers van Internet als
(mogelijke) inbreukmakers werden aangemerkt. Onder
omstandigheden werd wél een aansprakelijkheid van de provider
wegens onrechtmatige daad denkbaar geacht.
[21] Het vonnis is, in
elk geval wat het eerste element betreft, in appel onlangs
gevolgd door het Haagse hof:
'12. Naar het oordeel van het hof verschaffen
service-providers slechts de technische faciliteiten om
openbaarmaking van gegevens door anderen mogelijk te maken.
Het lijkt dan ook niet juist hen op één lijn te stellen met
uitgevers die, naar wordt aangenomen, zelf openbaar maken.
Dit oordeel is ook in overeenstemming met het Agreed
Statement bij het WIPO Auteursverdrag: […].'
[22]
5.11. De eerder genoemde kabelpiratenarresten zijn m.i. op de
onderhavige zaak niet van toepassing.
[23] De omstandigheid dat
bij de onderhavige gedecentraliseerde
peer-to-peer-file-sharing netwerken – anders dan bij KTA – de
softwareaanbieder niet zelfstandig openbaar maakt, ook niet in
technische zin als bij KTA, staat m.i. aan toepasselijkheid
van art. 12 Aw in de weg. Ook al is het Kazaa die de voor het
doorgeven van (met name) muziek via internet behulpzame
programmatuur ter beschikking stelt, inclusief het systeem van
'supernodes', het zijn de gebruikers zelf die vervolgens, met
gebruikmaking van die door hen verkregen programmatuur,
onderling de muziek doorgeven. Daarbij is Kazaa niet betrokken
op een wijze vergelijkbaar met die van KTA, nu KTA door het
laten 'openstaan' van haar antenne/zender/netwerk zelf de
'ingestraalde' films doorgaf aan de abonnees.
Tegen het door Buma/Stemra ingenomen standpunt pleit last but
not least dat bij de totstandkoming van het
WIPO-Auteursrechtverdrag van 1996 in een 'Agreed Statement'
uitdrukkelijk is bepaald dat het op internet toegesneden
openbaarmakingsrecht (het 'making-available'-recht) uit dit
verdrag niét ziet op het enkele ter beschikking stellen van de
faciliteiten om een werk openbaar te maken. Het 'Agreed
Statement' bij art. 8 van het Verdrag luidt:
'It is understood that the mere provision of physical
facilities for enabling or making a communication does not
in itself amount to communication within the mea n ing of
this Treaty or the Berne Convention. It is further
understood that nothing in Article 8 precludes a Contracting
Party from applying Article 11 bis (2)'.
[24]
-
'Indirecte auteursrechtinbreuk'?
5.12. De Auteurswet
bevat, anders dan tegenwoordig de Rijksoctrooiwet
[25] , geen bepalingen
over zgn. indirecte of middellijke inbreuk: dat wil zeggen
handelingen die (in het auteursrecht) zelf geen openbaarmaking
of verveelvoudiging opleveren, maar toch als inbreuk worden
aangemerkt omdat zij (kunnen) leiden tot inbreuk op
auteursrecht door een derde.
In de context van de onderhavige problematiek kan het zo juist
aangehaalde, bij de totstandkoming van het
WIPO-Auteursrechtverdrag van 1996 aanvaarde 'Agreed Statement'
als een voorbeeld van een tegenovergestelde bepaling worden
gezien.
5.13. Weliswaar kennen het WIPO-Auteursrechtverdrag en de
Auteursrechtrichtlijn (terugkerend in het wetsvoorstel 28 482)
een verbod van aanbieden van middelen ter omzeiling van
technische beschermingsmaatregelen, maar die regeling is
nadrukkelijk daarop toegesneden en daartoe beperkt.
[26]
[…]
2) Is het aanbieden van de
P2P-programmatuur anderszins onrechtmatig jegens BUMA?
5.15. Naar mijn hierboven
gemotiveerde mening dient ervan uitgegaan te worden dat de
aanbieder van peer-to-peer software als zodanig, dus voor
zover deze zelf geen werken openbaar maakt of openbaar
aanbiedt (laat staan: geïdentificeerd openbaar aanbiedt), niet
op basis van art. 1 jo art. 12 e.v. Auteurswet aansprakelijk
is. Dienen handelingen als die van Kazaa wél onrechtmatig
geoordeeld te worden op de voet van art. 6:162 BW?
[…]
Strijd met ongeschreven zorgvuldigheidsnormen
5.24. In enkele
gevallen heeft de Hoge Raad geoordeeld dat gedragingen (ook
nalaten) van derden, die betrokken waren bij door anderen
gepleegde rechtsinbreuken, in strijd met de in het
maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid kunnen zijn.
5.25. In de Bonda-zaak (waarnaar ook Buma/Stemra verwijst, in
middelonderdeel III.3) ging het om een octrooi voor een
werkwijze om bloedstolling in etenswaren tegen te gaan, door
middel van een zgn. 'non stolzout'. De Hoge Raad overwoog dat
de waarde van het octrooi gelegen was in de opbrengst van het
geleverde non stolzout, dat zelf niet onder het octrooi viel,
aan degenen die de werkwijze toepasten. Vervolgens oordeelde
hij:
'dat voor zover nu de bedoelde stellingen van [de Staat]
inhouden, dat Bonda het bedoelde anti-stolmiddel in zijn
bedrijf verkoopt en aflevert aan, of ten behoeve van,
personen of ondernemingen, waarvan hij bepaaldelijk weet,
dat zij, zonder daartoe gerechtigd te zijn, het met dit
middel behandelde bloed zullen gebruiken om de
geoctrooieerde wer k wijze in of voor hun bedrijf toe te
passen, derhalve om, al dan niet desbewust, octrooi-inbreuk
te plegen, de gestelde gedragingen van Bonda hierop
neerkomen, dat hij zich, ten koste van het den octrooihouder
toekomend debiet, een afzet voor zijn waar verschaft, welke
hij verkrijgt en alleen kan verkrijgen door willens en
wetens te profiteren van het feit, dat bepaalde personen het
octrooi schenden zonder dat dit met de in de Octrooiwet
gegeven rechtsmiddelen voldoende kan worden tegen gegaan, en
door deze octroo i schending ten eigen bate in de hand te
werken;
dat mag worden verlangd, dat de zorgvuldigheid, in het
maatschappelijk verkeer ten opzichte van de rechtmatige
belangen van den octrooihouder in acht te nemen, in ieder g
e val zover ga, dat men zich onthoude om, onder de hierboven
weergegeven omstandigheden, willens en wetens profijt te
trekken van octrooi-inbreuk door anderen en deze te
bevorderen.'
Kennis van de voorgenomen rechtsinbreuk was hierbij evenwel
vereist, want volgens de Hoge Raad was geen sprake van
onzorgvuldig handelen door Bonda, voorzover het ging om:
'verkoop en aflevering van het antistolmiddel door Bonda,
waarbij hij niet de wetenschap had, dat bepaalde personen
het met dit middel behandelde bloed zouden gebruiken om
octrooi-inbreuk te plegen;
dat wat dit deel der posita betreft het Hof terecht is
uitgegaan van de gedachte, dat het in het belang van de
vrijheid van handel en bedrijf niet aangaat de bescherming,
welke het gemene recht den octrooihouder geeft, zover uit te
strekken, dat van den verkoper een mate van zorgvuldigheid
zou worden geëist, welke zou neerkomen op het opleggen van
een rechtsplicht jegens den octrooihouder zich te
vergewissen wat de koper met het gekochte gaat doen, te
minder waar de koopwaar is een op zichzelf bekend
antistolmiddel, dat verwerkt in bloed, ook allerlei andere
doeleinden kan dienen dan de bereiding van levensmiddelen.'
[27]
[28]
5.26. Met de stelling dat bepaalde personen (laat staan:
onbepaalde personen) het litigieuze middel zouden (kunnen)
gebruiken om octrooi-inbreuk te plegen, was de octrooihouder
er dus nog niet. Dit blijkt ook uit het vervolgarrest in de
Bonda-zaak. [29] In dat
arrest overwoog de Hoge Raad:
'dat – daargelaten of het Hof niet reeds aanstonds op grond
van vaststaande feiten en omstandigheden had kunnen
oordelen, dat voorshands aannemelijk was dat de bedoelde w e
tenschap bij Bonda heeft bestaan – voor de eerste grief van
[de Staat] slechts dan plaats zou zijn, indien ingevolge een
rechtsvermoeden deze wetenschap Bonda behoudens tegenbewijs
geacht moest worden aanwezig te zijn, voor het aannemen van
welk vermoeden echter geen grond aanwezig is.'
Het
cassatieberoep van de Staat (octrooihouder) werd verworpen.
5.27. De dilemma's die zich per saldo in die zaak aftekenden
en die zich ook nu weer aftekenen (in zoverre: niets nieuws
onder de zon) zijn, wat het recht aan moet met:
(i) de materieelrechtelijke beoordeling van het
aanbieden en leveren van voorwerpen of diensten, waarmee
enerzijds inbreuk op rechten van anderen kan worden gemaakt,
maar die anderzijds ook – meer of minder – andere doelen
kunnen dienen, waarbij van zodanige inbreuk géén sprake is;
(ii) indien om (kwalitatieve en) potentiële kwantitatieve
redenen van potentiële onrechtmatigheid wordt
uitgegaan, vervolgens:
(iii) (in kort geding) de voorshandse aannemelijkheid,
onderscheidenlijk (in bodemgeschil) de bewijslast en
daarmee het bewijsrisico ter zake van de mate waarin
de op zich zelf niet inbreukmakende handelingen/leveranties
aanleiding geven tot inbreuk, nog steeds ervan uitgaande dat
een (kleiner of groter, maar onbekend) gedeelte inbreuk zal
gaan maken, maar evenzeer ervan uitgaande dat het
complementaire deel van de afnemers dat dus niét al doen,
terwijl beide partijen niet weten wélke eindafnemers al of
niet inbreuk zullen maken;
en ten slotte (in bodemgeschil):
(iv) nadat een bewijs als onder (iii) bedoeld is geleverd: de
vraag of het aantal en/of de kwaliteit van de inbreukmakende
afnemers van dien aard is, dat het volvoeren resp. voortzetten
van de op zichzelf niet inbreukmakende handelingen, tóch
onrechtmatig moet worden geoordeeld, of niet. Daarbij is
andermaal van belang het in het Staat/Bonda I-arrest genoemde
criterium of de rechtsschendingen door derden van dien aard
zijn dat deze met de door de bijzondere wet gegeven aanspraken
al dan niet voldoende kunnen worden tegengegaan.
5.28. Uit Staat/Bonda II blijkt dat de Hoge Raad, na stappen
(i) en (ii), bij stap (iii) niet het bewijsrisico op Bonda
wilde leggen. [30]
5.29. De Hoge Raad heeft een uitspraak over onrechtmatig
handelen door 'indirecte auteursrechtinbreuk' gedaan in het
arrest Buma/De Vries van 1957.
[31] In de procedure van
Buma tegen De Vries, had het hof te Leeuwarden
aansprakelijkheid van De Vries ex art. 1401 BW aangenomen in
verband met auteursrechtinbreuken, gepleegd door musici die
optraden in het café van De Vries' echtgenote. De Vries had
volgens het hof in strijd met de in het maatschappelijk
verkeer betamende zorgvuldigheid gehandeld, omdat
- De Vries bij de muziekavonden in het café te Lippenhuizen
aanwezig was om er samen met zijn vrouw de tucht te handhaven,
en daarbij de zeggenschap had over het personeel, daaronder
begrepen de musici, terwijl de gemeentelijke
muziekvergunningen op zijn naam (en niet die van zijn
echtgenote) werden verleend,
- De Vries herhaaldelijk door Buma opmerkzaam was gemaakt op
reeds gepleegde inbreuken,
- het onder deze omstandigheden op zijn weg had gelegen om,
alvorens de muziekuitvoeringen plaatsvonden, opgave van de uit
te voeren nummers te vragen en zich ervan te vergewissen of
die nummers tot Buma's repertoire behoorden.
Ik teken aan dat van een aansprakelijkheid louter op grond van
'zaalhouderschap' of louter op grond van 'faciliteren' geen
sprake is. Zowel in het arrest van het hof, als in het arrest
van de Hoge Raad (die het cassatieberoep van De Vries
verwierp) is m.i. 'scharnierend' dat De Vries zeggenschap
had over het personeel, daaronder begrepen de musici. De
Hoge Raad geeft in zijn arrest expliciet aan dat het hof
(daarmee) niet heeft beslist dat voor het geven van een
gebod als het onderhavige voldoende is, dat de betrokkene
feitelijk bij machte is de inbreuk te verhinderen.
5.30. Ik attendeer terzijde nog op een door de Hoge Raad
beoordeelde 'decodeer'-zaak. In die (Antilliaanse) zaak
TDS/Groeneveld, door de Hoge Raad beoordeeld in 1993, ging het
om de verstrekking door Groeneveld van door hem vervaardigde
decoders, waarmee zijn afnemers de door het gesloten
abonneesysteem van TDS verspreide tv-programma's konden
ontvangen, dus met omzeiling van het door TDS gevraagde
abonnementsgeld. Het hof oordeelde dit handelen onrechtmatig,
en de Hoge Raad verwierp het cassatieberoep.
[32]
In die zaak was evenwel, anders dan in de zaak tussen
Buma/Stemra en Kazaa 'gegeven' dat de decoders van Groeneveld
geen ander doel dienden dan nu juist het ondermijnen van het
TDS-abonneesysteem.
5.31. In recente (lagere) rechtspraak is geoordeeld over de
aansprakelijkheid van internet providers voor doorgegeven
onrechtmatige informatie. Kazaa onderscheidt zich weliswaar
van zulke providers, omdat zij niet zelf doorgeeft of
anderszins bij de uitwisseling betrokken is (nadat zij de
software heeft verschaft), maar niettemin biedt deze
jurisprudentie m.i. aanknopingspunten voor de zorgvuldigheid
van bij rechtsinbreuken op het internet betrokken derden. De
voorlopig belangrijkste uitspraken op dit punt zijn de
hiervoor al genoemde uitspraken in de zaken van Scientology
c.s. tegen XS4ALL c.s. [33]
De rechtbank overwoog in het bodemgeschil allereerst dat de
Service providers zelf niet openbaarmaken, maar slechts de
technische faciliteiten verschaffen teneinde openbaarmaking
door anderen mogelijk te maken. Evenmin was sprake van een
auteursrechtelijk relevante verveelvoudiging door de provider.
De rechtbank vervolgde (rov. 16 in fine):
'Een en ander neemt niet
weg dat de Service Provider die niet zelf openbaar maakt en
verveelvoudigt, niettemin op grond van de zorgvuldigheid die
in het maatschappelijk verkeer betaamt gehouden kan zijn
zijn medewerking te verlenen en adequate maatregelen te
nemen als hij ervan in kennis wordt gesteld dat een van de
gebruikers van zijn computersy s teem door middel van diens
home page auteursrechtinbreuk pleegt of anderszins
onrechtmatig handelt. Van de Service Provider mag een zekere
mate van zorg worden verwacht ten aanzien van het voorkomen
van verdere inbreuk. Mede gelet op de omstandigheid dat de
Service Providers bedrijfsmatig handelen, de mogelijkheid
die hun ten die n ste staat de toegang tot de home page af
te sluiten en de schade die van verdere inbreuken het gevolg
zou kunnen zijn, moet worden geoordeeld dat de Service
Provider die ervan in kennis wordt gesteld dat een gebruiker
van zijn diensten op diens home page auteursrec h tinbreuk
pleegt of anderszins onrechtmatig handelt, terwijl aan de
juistheid van die kenni s geving in redelijkheid niet valt
te twijfelen, zelf onrechtmatig handelt indien hij alsdan
niet ingrijpt. Van de Service Provider mag dan worden
verwacht dat hij de inbreukmakende docume n ten uit zijn
computersysteem verwijdert en tevens dat hij aan de
rechthebbende op diens verzoek de naam en het adres van de
desbetreffende gebruiker bekend maakt.'
Het
vonnis sluit m.i. fraai aan bij het arrest Buma/De Vries.
[34]
[…]
5.34. Aan het slot van deze opmerkingen over zgn. 'indirecte
inbreuk' is het dienstig om nog eens te herinneren aan het
uitgangspunt bij de vraag of gedragingen in het
handelsverkeer al dan niet onzorgvuldig te achten zijn.
Terecht stelt Van Nispen in het commentaar in onderdeel IV
(Ongeoorloofde mededinging) van de losbladige Onrechtmatige
Daad voorop: Uitgangspunt: de vrijheid van handel en
bedrijf. [35] Van
Nispen wijst ook – met kennelijke instemming – op schrijvers
die menen dat 'nu de wetgever de aan de octrooihouder
krachtens diens recht voorbehouden handelingen nauwkeurig
heeft opgesomd en aldus de grenzen van de bescherming
wéloverwogen heeft vastgesteld, voor aanvullende werking van
het gemene recht geen plaats is'.
[36] Wat Van Nispen hier
schrijft over het octrooirecht geldt m.i. ook voor de aan de
auteursrechthebbende voorbehouden handelingen. Anders dan de
octrooiwetgever heeft de auteursrechtwetgever voorzien in veel
'opener' inbreukcriteria, en zulks welbewust, met het oog op
nieuwe technische ontwikkelingen. Maar zelfs die opener
begrippen kennen – zoals hierboven bleek – hun grenzen. En dan
blijft 'over die grenzen' de door Van Nispen voor het
octrooirecht aangegeven terughoudendheid ook in
auteursrechtelijke context passend.
Recente Amerikaanse rechtspraak
5.35. Amerikaanse gerechten hebben zich reeds enkele malen
uitgesproken over de aansprakelijkheid van aanbieders van
file-sharing-technologie en -diensten. Daarbij ging het steeds
om de vraag of deze aanbieders onrechtmatig handelden op grond
van contributory en/of vicarious copyright
infringement: in ons Nederlandse begrippenapparaat
onrechtmatigheidscategorieën op grond waarvan een betrokkene
bij een (directe) rechtsinbreuk door een ander, onder
omstandigheden onrechtmatig handelt.
Zo'n betrokkene geldt in de VS als contributory infringer,
wanneer hij 'with knowledge of the infringing activity,
induces, causes or materially contributes to the infringing
conduct of another.' [37]
Aansprakelijkheid op grond van vicarious infringement
wordt aang e nomen, indien de derde 'has a right and ability
to supervise the infringing activity and also has a direct
financial interest in such activities.'
[38] De eerste
onrechtmatigheidsvorm ziet dus, kort gezegd, op het
bevorderen van inbreuk, de tweede op het (hoewel mogelijk)
niet verhinderen van inbreuk.
5.36. In A&M Records, Inc., v. Napster, Inc. (2001),
stond de aansprakelijkheid van Napster centraal.
[39] Napster verzorgde
een file-sharing netwerk, waarbij zij o.m. een database
onderhield van alle bij haar gebruikers aanwezige (o.a.
inbreukmakende) files. De uitwisseling van files door de
gebruikers verliep daarbij dus steeds langs een centrale
server, waarmee Napster een centrale rol vervulde bij de file
sharing door haar gebruikers. Het hof oordeelde, zeer kort
samengevat, dat de gebruikers van Napster zowel bij het
aanbieden als het ontvangen van de uitgewisselde muziek-files
inbreuk op het auteursrecht pleegden, en voorts dat dit
gebruik niet als fair use (de voor het Amerikaanse
auteursrecht kenmerkende 'open' beperking) kon worden
aangemerkt.
Het hof was voorts van oordeel dat de handelingen van Napster
resulteerden in contributory copyright infringement.
Het hof achtte overigens, overeenkomstig het arrest van het
Supreme Court in de zaak Sony/Universal Studios
[40] , nog geen
aansprakelijkheid aanwezig op de enkele grond dat de structuur
van het systeem uitwisseling van auteursrechtelijk beschermd
materiaal mogelijk maakt. In dit geval werd echter 'sufficient
knowledge' omtrent de inbreukmakende activiteiten van
Napster's gebruikers bij Napster aanwezig geacht om
'contributory infringement' van Napster aan te nemen. Ook
vicarious infringement werd voldoende aannemelijk geacht,
omdat Napster onvoldoende had gedaan om controle uit te
oefenen over de uitwisseling door haar gebruikers, terwijl zij
daartoe de mogelijkheden had.
5.37. Op 25 april 2003 heeft het U.S. District Court van het
Central District of California in de zgn. Grokster-zaak de
aansprakelijkheid van aanbieders van software voor
gedecentraliseerde file-sharing netwerken, (vergelijkbaar
met de onderhavige software
[41] ) beoordeeld. [42]
Nadat de rechter had vastgesteld dat ten minste sommigen van
de gebruikers van de Grokster-software inbreukmakende
activiteiten verrichtten, onderzocht hij de door eisers
gestelde indirecte inbreukvarianten. De rechter kwam hierbij
tot het oordeel dat, anders dan bij Napster, bij Grokster geen
sprake was van contributory copyright infringement aan de
zijde van de aanbieder van de file sharing software. Hij
grondde dit oordeel in hoofdzaak op de omstandigheid dat de
gebruikers van Grokster de software voor zowel rechtmatige als
onrechtmatige doeleinden gebruiken, vergelijkbaar met
videorecorders en kopieermachines. Ofschoon de aanbieders
ervan op de hoogte zijn dat de software voor inbreukmakende
handelingen wordt gebruikt, was voor de rechter doorslaggevend
dat er geen sprake is van actieve en substantiële bijdrage
door Grokster bij de inbreuk zelf.
Ook het beroep op vicarious infringement werd
afgewezen. Weliswaar was voldaan aan de voorwaarde voor deze
vorm van aansprakelijkheid, dat Grokster financieel voordeel
had bij de inbreukmakende activiteiten van haar gebruikers,
maar het gerecht achtte niet aangetoond dat gedaagden de
mogelijkheid hadden het inbreukmakend gebruik, dat steeds
plaats heeft nadat de software aan de eindgebruiker is
geleverd, te controleren.
5.38. Uit de pers blijkt dat de muziekindustrie intussen ertoe
overgaat de individuele eindgebruikers van P2P-technologie
aansprakelijk te stellen.
[43]
Iets over Duits en Brits recht
5.39. Buma/Stemra beroept zich nog op een Duits arrest en op
Britse wetsartikelen. Opgemerkt zij dat het daarbij, anders
dan in de hiervoor besproken Amerikaanse zaken, niet om
uitspraken of wetgeving over nu juist het
peer-to-peer-fenomeen gaat.
[44]
Ik ga er met name even op in, omdat de s.t. zijdens
Buma/Stemra (nr. 5.21) verwijst naar een BGH-arrest uit 1984,
dat ik noch op de aangeven vindplaats, noch elders heb kunnen
vinden. Uit gezaghebbende Duitse literatuur – het
Urheberrecht Kommentar van Schricker e.a. – blijkt
intussen dat bij de auteursrechtinbreuk betrokken derden
aansprakelijk zijn, mits sprake is van 'adäquate
Verursachung'. Dit is bij het aanbieden/ter beschikking
stellen van middelen het geval, wanneer het
'bestimmungsgemässe Gebrauch' van deze middelen 'in der Regel
einen Eingriff in die Rechte Dritter mit sich bringt'. Dit
wordt in een 'Stichwort' als volgt samengevat: 'Haftung als
Störer = jeder, der in irgendeiner Weise willentlich und
adäquat kausal der rechtswidrigen Beeinträchtigung mitwirkt
und die rechtliche Möglichkeit zur Verhinderung hatte bzw. zur
Beseitigung der Störung hat und dem diese zumutbar ist'.
[45] Het Kommentar
van Schricker(/Wild) verwijst naar o.a. BGH 9 juni 1983, GRUR
1984, 54 ('Kopierläden'). Daarin oordeelde het BGH dat op de
houders van copyshops binnen de grenzen van hetgeen kan worden
gevergd, de plicht rust maatregelen te nemen om
auteursrechtinbreuken te voorkomen. Daaraan was volgens het
BGH evenwel reeds voldaan door het zichtbaar in de winkel
ophangen van de algemene voorwaarden, waarin gebruikers op hun
verantwoordelijkheid het auteursrecht te respecteren werden
gewezen. Verdergaande controle kon niet worden gevergd, aan
welk oordeel van het BGH onder meer de privacy van de
gebruikers en het overige rechtmatige gebruik van de
kopieermachines bijdroeg.
Hetgeen in de s.t. zijdens Buma/Stemra (nr. 5.22) over Brits
recht wordt opgemerkt acht ik niet terzake, althans niet
richtinggevend. [46]
Tussenconclusie; tussenopmerkingen
5.40. M.i. kan een aanbieder van peer-to-peer filesharing
software als de onderhavige niet zelf wegens inbreuk op
auteursrecht worden aangesproken. Mogelijk kan deze aanbieder
onder omstandigheden onrechtmatig handelen worden verweten.
Met strafrechtelijke deelneming is onrechtmatigheid (art.
6:162 lid 2 BW) gegeven, maar daarvoor gelden stringente
vorwaarden. Strijd met ongeschreven zorgvuldigheidsnormen
wegens het bevorderen van inbreuken (vgl. contributory
infringement in het Amerikaanse recht) of het nalaten
(verdere) inbreuken te verhinderen (vgl. vicarious
infringement in het Amerikaanse recht) is eveneens
denkbaar. [47] Maar ook
daaraan stelt de bestaande jurisprudentie, m.i. niet ten
onrechte, vrij zware eisen.
5.41. In het voorafgaande is
voorts gebleken dat de wetgevende organen oog hebben voor de
problemen waartoe de (gewenste) ontwikkeling van de digitale
techniek en het (gewenste) succes van internet aanleiding
kunnen geven, en voor de delicate afwegingen die daarbij
geboden kunnen zijn. Gebleken is dat de (Europese) wetgever in
het kader van die afweging welwillend staat tegenover
bescherming van rechthebbenden door technische maatregelen, in
die zin dat verwijdering of omzeiling van technische
beveiliging verboden wordt. Gebleken is echter ook dat de
politieke (wetgevende) organen er niet voor voelen om de
aanbieder van communicatiefaciliteiten waarmee derden inbreuk
op auteursrecht kunnen maken, maar ook veel andere, legitieme
handelingen kunnen verrichten, vanwege het auteursrechtrisico
te belemmeren. Ik kan dat niet beter verwoorden dan door
nogmaals het Agreed Statement bij art. 8 van het
WIPO-Auteursrechtverdrag van 1996 weer te geven:
'It is understood that the
mere provision of physical facilities for enabling or making
a communication does not in itself amount to communication
within the meaning of this Treaty or the Berne Convention.
It is further understood that nothing in Article 8 precludes
a Contracting Party from applying Article 11 bis (2)'.
5.42. Terugblikkend in de tijd,
constateer ik dat zich eerdere soortgelijke afwegingen hebben
voorgedaan bij de opkomst van de reprografie, en van de
audiorecorder en van de videorecorder
[48] , opgevolgd door hun
digitale zusjes. Die zijn telkens niet verboden, maar wél
gevolgd door een door de wetgever vormgegeven
compensatiestelsel.
5.43. Ik onderken dat de Kazaa-programmatuur, evenals het
Grokster-systeem, bepaald minder 'content-neutraal' is dan een
kopieerapparaat of een audiorecorder. De Kazaa-programmatuur
maakt mogelijk om 'peers' die bepaalde 'content' willen
ontvangen resp. bereid zijn die aan te bieden, bij elkaar te
brengen. Maar, enerzijds, is de Kazaa-programmatuur allerminst
beperkt tot beschermde objecten: er is ook veel 'vrije'
muziek. De Kazaa-programmatuur is bovendien niet beperkt tot
muziek.
Anderzijds kan men zich afvragen tot hoevéél meer of anders
(in vergelijking tot Kazaa) de audio- en video-recorders
gediend hebben dan tot: het kopiëren (inclusief onderhands
verspreiden) van auteursrechtelijk beschermd werk. Toch werd
er geen aanleiding gezien om dáárom zulke apparatuur te
verbieden.
5.44. Ook al kunnen nieuwe technische ontwikkelingen
(tijdelijk) ten koste gaan van bepaalde beroepsgroepen of
bedrijfstakken, de wetgever en de rechter schrikken er – m.i.
terecht – voor terug om dáárom die nieuwe (op zichzelf meestal
toegejuichte) technische vernieuwingen te verbieden of af te
remmen. Op het gevaar af dat alle vergelijkingen natuurlijk
als 'mank' kunnen worden aangevochten, zeg ik toch nog maar
eens dat het spoor natuurlijk ten koste ging van de
trekschuit. Maar ook dit: de phonografie (Edison c.s.)
en de radio gingen ten koste van de kleine individuele
uitvoerende zangers en musici. Het waren de componisten
(verenigd in Buma/Stemra), en de ster-uitvoerders op
fonogrammen, en de fonografische industrie, die van die
technische ontwikkeling (enorm) geprofiteerd hebben. Dat is
hen graag gegund, al pink ik een traan weg over het daardoor
veroorzaakte noodlot voor de kleine straat- en
café-muzikanten. Geen wetgever of rechter die zich om deze
laatsten bekommerde.
De klachten van de componisten (en de uitverkoren uitvoerders
op CD's, en de fonografische industrie) zijn vatbaar voor
relativering als men onderkent dat het vaker is voorgekomen
dat wéér een nieuwe ontwikkeling in de techniek meebrengt dat
aan door eerdere technische ontwikkelingen verkregen grote
extra mogelijkheden en posities, geknaagd wordt. Overigens
wordt zowel in de gewone pers als in de vakpers, en natuurlijk
op internet, alom 'gefilosofeerd' over modellen, waarbij er
wél betaald wordt aan de componisten c.s.: weliswaar per
eenheid minder dan voorheen, maar daar zou een aanzienlijke
vergroting van het aantal eenheden tegenover kunnen staan. Het
mooiste bij technisch-economische ontwikkelingen is immers:
uitkomen op een zgn. win/win-model.
6. Bespreking van de principale middelonderdelen II en III
6.1.
Middelonderdeel II klaagt over het eerste deel van rov. 4.9,
waarin het hof, kort gezegd, de directe inbreuk op
auteursrecht door Kazaa (openbaar maken en/of verveelvoudigen
van auteursrechtelijk beschermde werken) van de hand heeft
gewezen.
[…]
6.3.
Subonderdeel II.2 bevat als centraal argument dat de
activiteit van Kazaa – activiteit bestaande in 'het in werking
doen zijn van haar software-applicatie' – meebrengt dat haar
'afnemers' (het hof spreekt over 'gebruikers') de
auteursrechtelijk beschermde werken op hun computer (kunnen)
ontvangen en op hun computer aan alle andere afnemers (kunnen)
aanbieden, en dat het hof heeft miskend dat Kazaa daarmee
(ook) zelf auteursrechtelijk relevante handelingen verricht.
6.4.
De klacht gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. Hetgeen
Buma hiér aan Kazaa verwijt, zouden auteursrechthebbenden m.i.
evenzo kunnen verwijten aan aanbieders van netwerksystemen in
het algemeen, Mircosoft Outlook en Netscape daaronder
begrepen, en trouwens ook geavanceerde scanningsapplicaties
als Acrobat. Het aanbieden of 'in werking doen zijn' van zulke
communicatiehulpmiddelen – ofschoon alleszins bruikbaar voor
het openbaar maken en verveelvoudigen van auteursrechtelijk
beschermde werken – valt niet op zichzelf aan te merken als
'openbaar maken' dan wel 'verveelvoudigen', of men zou (ver)
buiten de oevers gaan van hetgeen naar – een zelfs ruim
opgevat – spraakgebruik onder 'openbaar maken'
onderscheidenlijk 'verveelvoudigen' in de zin van artt. 1, 12,
13 en 14 Aw kan worden begrepen.
6.5.
Voor zover subonderdeel II.2 postuleert dat het openbaar maken
en verveelvoudigen van auteursrechtelijk beschermde werken het
direct gevolg van de activiteit van Kazaa zou zijn,
gaat het m.i. om een in cassatie niet toelaatbaar feitelijk
novum, en – los daarvan – om een stelling die feitelijke
grondslag ontbeert. Noch gesteld, noch gebleken is immers dat
de activiteit van Kazaa zou leiden tot 'directe', min of meer
'spontane' verspreiding van auteursrechtelijk beschermde
werken; anders dan zich wellicht – helaas – voordoet bij de
verspreiding van sommige computervirussen.
6.6.
In nr. 5.11 (mede verwijzend naar nr. 5.8) heb ik reeds
aangegeven dat (ook) de 'kapelpiraten'-jurisprudentie van de
Hoge Raad niet van toepassing te achten is op de activiteiten
van Kazaa.
6.7.
De omstandigheden die in het slot van subonderdeel II.2 worden
aangevoerd, kunnen m.i. niet tot een ander oordeel leiden. Dat
Kazaa het gebruik van de gebruikers 'actief zou ondersteunen'
is niet redengevend voor een eigen openbaarmaking door Kazaa.
Hetzelfde geldt voor de in het subonderdeel aangevoerde
omstandigheid dat Kazaa een website heeft geopend waarop zij
aan haar gebruikers de software ter beschikking stelt met het
specifieke doel die gebruikers in de gelegenheid te stellen om
'(muziek)bestanden' ter beschikking te stellen, op te zoeken
en te downloaden. Nog daargelaten dat deze stelling zelf reeds
aangeeft dat het niet alléén om muziekbestanden gaat – zoals
ook, onbestreden in cassatie, door het hof in rov. 4.4 jo.
rov. 4.5 is vastgesteld – leveren de hier bedoelde handelingen
nog geen eigen openbaarmaking door Kazaa op.
De stelling in het subonderdeel dat de elektronische
verstrekking van muziekbestanden onderdeel is van een 'door
Kazaa ontworpen systeem' kan evenmin tot deze conclusie
leiden.
De in het vonnis in prima (rov. 8) door de president van de
rechtbank aanvaarde, en door Buma/Stemra in de toelichting op
subonderdeel II.2 ingeroepen stellingen dat het Kazaa-systeem
'als een technische eenheid' is te beschouwen, 'dat door
middel van software zó is ontworpen dat de gebruikers de door
hen gewenste bestanden niet anders kunnen vinden en worden
“verbonden” met de betreffende aanbiedende gebruiker van het
bestand dan door het gebruik van dit door Kazaa ontworpen
systeem', kan Buma/Stemra ten deze evenmin baten. Uit r.ovv.
4.4 en 4.5 van 's hofs arrest, waartegen geen klacht is
gericht [49] , blijkt dat
het hof is uitgegaan van een ander feitencomplex ('De Kazaa
toepassing is niet afhankelijk van enige bemoeienis van Kazaa
bv'), waardoor deze stellingen achterhaald zijn.
6.8.
Met het oog op een door haar gewenste uitleg van de artikelen
1 en 12 Auteurswet beroept Buma/Stemra zich in subonderdeel
II.3 op inhoud en strekking van artikel 9 lid 2 Berner
Conventie respectievelijk art. 5 lid 5 van de
Auteursrechtrichtlijn 2001/29.
Artikel 9 lid 2 Berner Conventie luidt:
'Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie
voorbehouden om in bijzondere gevallen het verveelvoudigen
van genoemde werken toe te staan, mits die verveelvoudiging
geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk en
de wettige belangen van de auteur niet op ongerechtvaardigde
wijze schaadt.'
Artikel 5 van de Auteursrechtrichtlijn geeft in de leden 1-4
een opsomming van voorgeschreven respectievelijk toegelaten
restricties of beperkingen op de in artt. 2-4
toegekende rechten met betrekking tot verveelvoudiging,
immateriële openbaarmaking, en distributie van exemplaren.
Artikel 5 lid 5, het laatste lid, luidt:
'De in de leden 1, 2, 3 en 4 bedoelde beperkingen en
restricties mogen slechts in bepaalde bijzondere gevallen
worden toegepast, mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan
de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de
wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden
geschaad.'
6.9.
Het subonderdeel faalt, omdat het uitgaat van een onjuiste
rechtsopvatting. De aangehaalde bepalingen hebben betrekking
op wettelijke beperkingen van het reproductierecht
(Berner Conventie) resp. de auteursrechten meer in het
algemeen (Richtlijn): aan die beperkingsmogelijkheden stellen
art. 9 lid 2 BC resp. art. 5 lid 5 van Rl. 2001/29 de daar
bedoelde grenzen. Aan toepassing van of toetsing aan deze
bepalingen komt men – nog daargelaten het discussiepunt of zij
wel rechtstreeks in rechte inroepbaar zijn, dan wel zich naar
tekst en/of strekking tot wetgever richten – dus pas toe, als
het gaat om uitleg c.q. toepassing van wettelijke
beperkingen op de eerder bedoelde rechten met betrekking
tot verveelvoudiging, immateriële openbaarmaking, en
distributie van exemplaren, die krachtens de Berner Conventie
of Rl. 2001/29 aan de auteur toekomen.
[50] Hoewel de
Verdragsluitende Staten bij de Berner Conventie, resp. de
Richtlijnwetgever natuurlijk daarvoor hadden kúnnen kiezen,
hebben zij juist niet ervoor gekozen om de uitleg van de
begrippen verveelvoudiging, immateriële mededeling en
beschikbaarstelling aan het publiek, en distributie van
exemplaren, afhankelijk te stellen van criteria als bedoeld in
art. 9 lid 2 BC en art, 5 lid 5 Rl. 2001/29. Het eerder
aangehaalde 'Agreed statement' bij het
WIPO-Auteursrecht-verdrag, welk verdrag de inspiratiebron voor
Rl. 2001/29 is, wijst ten deze juist in een andere richting
[51] , evenals de
kennelijk daaraan ontleende considerans sub 23 van de
Richtlijn:
'(23) Deze richtlijn moet
het recht van de auteur van mededeling van werken aan het
publiek verder harmoniseren. Aan dit recht moet een ruime
betekenis worden gegeven die i e dere mededeling omvat die
aan niet op de plaats van oorsprong van de mededeling
aanwezig publiek wordt gedaan. Dit recht dient zich uit te
strekken tot elke dergelijke doorgifte of wederdoorgifte van
een werk aan het publiek, per draad of draadloos, met
inbegrip van uitzending. Dit recht heeft geen betrekking op
enige andere handeling.'
Niet alleen de laatste volzin
is veelzeggend, maar ook de uit de eerdere volzinnen blijkende
bedoeling dat het 'recht van mededeling aan het publiek'
steeds een 'mededeling' ('communication') ervan, dan wel een
'doorgifte of wederdoorgifte' aan het publiek veronderstelt.
Ten aanzien van Kazaa heeft het hof (mede op basis van rov.
4.4 in verbinding met rov. 4.5) met juistheid zulks niét
aangenomen.
[…]
6.13. Onderdeel III klaagt
dat het hof in de tweede helft van rov. 4.9 het recht, in het
bijzonder art. 6:162 BW geschonden heeft door, kort gezegd,
het afwijzen van onrechtmatig handelen. Ik geef 's hofs hier
bedoelde deeloverweging gemakshalve hieronder nog eenmaal
weer:
'4.9. […] Het is ook niet
zo, althans daarvan kan voorshands niet worden uitgegaan,
dat het computerprogramma van KaZaA uitsluitend
[52] wordt gebezigd
voor het downloaden van auteursrechtelijk beschermde werken.
Door KaZaA zijn in hoger beroep een groot aantal voorbeelden
overgelegd (producties 17 en 18) van werken die hetzij met
toestemming van de auteur met behulp van KaZaA worden
verspreid, hetzij in het publieke domein zijn gevallen,
hetzij geen auteursrecht e lijke bescherming genieten of
waarvan de verspreiding is toegestaan op grond van een
wettelijke beperking. Ook Huizer geeft in zijn 'expert
opinion' voorbeelden van andersoortig gebruik. Buma/Stemra
stelt wel (mva ad grief 2) dat de enige, althans enige
wezenlijke functie van het computerprogramma van KaZaA is om
gebruikers in staat te stellen om bestanden met beschermde
werken uit te wiss e len, doch deze door KaZaA gemotiveerd
bestreden stelling wordt in het geheel niet nader door
Buma/Stemra geadstrueerd. Dat dit 'andere' gebruik betekenis
mist (mva ad grief 5) geldt ongetwijfeld voor Buma/Stemra,
maar daarmee is niet gezegd dat dit ook voor die 'andere'
gebruikers geldt. Van de juistheid van het standpunt van
Buma/Stemra kan voorshands dan ook niet worden uitgegaan. Op
grond van een en ander kan het aanbieden van het litigieuze
computerprogramma door KaZaA niet onrechtmatig worden
geoordeeld.'
[…]
6.15. Subonderdeel III.2
klaagt dat het hof ten onrechte van (doorslaggevend) belang
heeft geacht dat het Kazaa-computerprogramma niet
uitsluitend wordt gebezigd voor het downloaden van
auteursrechtelijk beschermde werken. […]
6.16. De subonderdelen III.3
en III.4 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Buma/Stemra
leunt hierin op het (eerste) Staat/Bonda-arrest van HR 18
februari 1949, NJ 1949, 357 m.nt. PhANH, BIE 1949, p. 42 m.nt.
VdM (ik wees in nr. 5.26 ook op het arrest Staat/Bonda II).
6.17. Mijn in nrs. 5.31 en
5.32 neergelegde analyse van de Staat/Bonda-jurisprudentie,
gecombineerd met een analyse van de in het middelonderdeel
bestreden tweede helft van rov. 4.9 van het arrest in onze
zaak Buma/Stemra vs. Kazaa, laat zien dat het hof, zonder
schending van het recht, de vraag naar potentiële
onrechtmatigheid (stappen (i) en (ii)) onder ogen heeft
gezien. Aan een beoordeling van de voorshandse aannemelijkheid
van voldoende ernst om een verbod uit te spreken
(stappen (iii) en (iv)) is het hof niet toegekomen - en
behoefde het zonder schending van het recht niet toe te komen
- gegeven zijn (feitelijk), in kort geding gegeven oordeel
(cursiveringen van mij, A-G):
'Door KaZaA zijn in hoger
beroep een groot aantal voorbeelden overgelegd (producties
17 en 18) van werken die hetzij met toestemming van de
auteur met behulp van KaZaA worden verspreid, hetzij in het
publieke domein zijn gevallen, hetzij geen
auteursrechtelijke bescherming genieten of waarvan de
verspreiding is toegestaan op grond van een wett e lijke
beperking. Ook Huizer geeft in zijn 'expert opinion'
voorbeelden van andersoortig gebruik. Buma/Stemra stelt wel
(mva ad grief 2) dat de enige, althans enige wezenlijke
functie van het computerprogramma van KaZaA is om gebruikers
in staat te stellen om b e standen met beschermde werken uit
te wisselen, doch deze door KaZaA gemotiveerd b e streden
stelling wordt in het geheel niet nader door Buma/Stemra
geadstrueerd.'
Ik wijs er daarnaast nog op
dat Buma/Stemra – gelijk door het hof in rov. 4.6
geconstateerd en in zoverre in cassatie onbestreden – dat
Buma/Stemra niet gesteld heeft dat zij aan Kazaa
gespecificeerde opgave heeft gedaan van gevallen waarin
gebruikers met Kazaa-programmatuur auteursrechtinbreuken
hebben gepleegd, kennelijk ook niet aan de hand van
gespecificeerde voorbeelden. Minst genomen zou een reeks
voorbeelden genoemd kunnen zijn.
[53]
6.18. De subonderdelen III.3 en III.4 komen tegen 's hofs
hierboven weergegeven oordeel niet op. Daarmee is het lot van
deze subonderdelen m.i. bezegeld. Buma/Stemra heeft gewoon te
weinig ingebracht tegenover de gemotiveerde stellingen van
Kazaa, waaronder het rapport-Huizer. Ook als dat ligt aan de
door Buma/Stemra in kort geding ondervonden beperkingen, komt
dat voor risico van Buma/Stemra, nu zij zelf de betrokken
vordering in kort geding (in reconventie) heeft ingesteld.
6.19. Mijns inziens ligt, gezien dit feitelijk een en ander,
ook 's hofs hiér aangevallen rechtsoverweging in de lijn van
het vaker genoemde 'Agreed Statement' bij het
WIPO-Auteursrechtverdrag:
'It is understood that the mere provision of physical
facilities for enabling or making a communication does not
in itself amount to communication within the meaning of this
Treaty or the Berne Convention.'
6.20. In dezelfde lijn ligt ook het in nr. 5.37 aangehaalde
vonnis van de Amerikaanse rechter in de met deze Buma/Stemra
vs. Kazaa-zaak vergaand vergelijkbare 'Grokster'-zaak.
[…]
8. Conclusie
Mijn
conclusie strekt in het principaal cassatieberoep tot
verwerping, en in het incidenteel beroep tot vernietiging van
het arrest met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend
hof.
Noot
Het KaZaA-arrest is een zaak van records. Volgens Buma/Stemra
gaat het om 'de meest omvangrijke inbreuk op auteursrechten in
de geschiedenis'. Dat kan kloppen: op een willekeurige
vrijdagavond (2 januari 2004, om 22.07 uur) zijn 571.248.998
bestanden (4.389.376 Gigabyte) voor 'file sharing'
beschikbaar. Daarvan is, schat ik voorzichtig, zo'n 99%
inbreukmakend. Ook een record: niet eerder is een uitspraak
van een Nederlandse rechter zo breed uitgemeten in de
internationale media (zie 'KaZaA-overwinning is wereldnieuws',
http://www.solv.nl). Van Singapore tot San Diego
kopten de bladen in koor: Dutch Supreme Court rules file
sharing is legal. En nooit eerder is over een gerechtelijk
oordeel zo consequent verkeerd gerapporteerd. Over de
rechtmatigheid van 'file sharing' ging deze zaak immers in het
geheel niet. Maar zelfs over de rechtsvraag die in eerdere
instanties wèl centraal stond, de rechtmatigheid van het
aanbieden van de KaZaA-programmatuur, heeft de HR geen
uitspraak gedaan. Buma/Stemra is gestruikeld over een
'technicality'. De gevorderde aanpassing van de
KaZaA-programmatuur zodat daarmee geen inbreuk (meer) kon
worden gepleegd, was naar het oordeel van het hof bij de
huidige stand van de techniek onmogelijk. Omdat Buma/Stemra
verzuimd had (subsidiair) te vragen om een algemeen
verspreidingsverbod, was haar lot in cassatie bezegeld. Het
arrest van de HR moge inhoudelijk teleurstellen, het kwam niet
onverwacht.
En
dat is vooral sneu voor advocaat-generaal (en redactielid)
Verkade, auteur van de meest uitvoerige conclusie die mij ooit
onder ogen is gekomen, wiens magnum opus van 44 bladzijden,
hierboven in verkorte vorm afgedrukt, een beter lot had
verdiend. Maar ook voor de AG zal de afloop van deze zaak geen
verrassing zijn geweest, getuige § 3 van zijn conclusie,
waarin het principaal cassatieberoep met onwrikbare logica
naar de prullenbak verwezen wordt. Met dat al zijn de boeiende
beschouwingen van de AG over de (on)rechtmatigheid van de
gedragingen van KaZaA in het luchtledige blijven hangen, en
dat is jammer. Ze zijn echter belangwekkend genoeg om
publicatie in AMI te rechtvaardigen. Doordat de HR zich over
enige materiële rechtsvraag niet heeft uitgesproken, kan deze
noot beperkt blijven tot enkele overpeinzingen over het leven
op aarde ná het KaZaA-arrest.
Totdat de HR in een bodemprocedure, die wel niet lang op zich
zal laten wachten, heeft beslist, blijft het oordeel van het
hof obiter dictum, dat de verspreiding van de
KaZaA-programmatuur niet onrechtmatig is, overeind staan. Wat
nu? Duidelijk is dat de rechthebbenden door de massale
uitwisseling van bestanden (niet alleen muziek, maar ook
films, foto's, videogames, computersoftware en zelfs romans)
enorme schade lijden, zodat niet verwacht mag worden dat zij
de afloop van een bodemprocedure zullen afwachten. Nu KaZaA
voorlopig buiten schot blijft, zullen zij elders hun recht
proberen te halen, in de eerste plaats bij de inbreukmakers
zelf: de gebruikers van KaZaA. Dat is de ironie van de
overwinning van KaZaA, die door internetgebruikers en
cyberlibertarians wereldwijd met gejuich begroet is.
Hopelijk weet de Stichting Brein, die in Nederland met dit
soort vuil werk belast is, hierbij te voorkomen dat, net als
in Amerika, kleine kinderen en broze bejaarden binnenkort boze
advocatenbrieven in de bus krijgen.
Een
sociaal meer aanvaardbaar alternatief, waarover in de vakpers
nog weinig is gespeculeerd, is het aanpakken van de internet
service providers, die dankzij de zegeningen van ADSL het
succes van KaZaA mogelijk hebben gemaakt, en daarvan ook volop
profiteren. Kunnen de ISP's voor de schade die rechthebbenden
lijden aansprakelijk worden gesteld? Op grond van de
E-commerce Richtlijn, die binnenkort in een nieuw art. 6:196c
BW zal zijn omgezet, vermoedelijk niet. Art. 12 van de
richtlijn voorziet in een wettelijke exoneratie van de louter
passief 'doorgevende' ISP; de access provider is
derhalve nooit schadeplichtig. Maar de richtlijn sluit een
gerechtelijk verbod of gebod jegens de ISP niet uit, zo blijkt
uit het derde lid: 'Dit artikel doet geen afbreuk aan de
mogelijkheid voor een rechtbank of een administratieve
autoriteit om in overeenstemming met het rechtsstelsel van de
lidstaat te eisen dat de dienstverlener een inbreuk beëindigt
of voorkomt.' Is een ISP technisch in staat een file-sharende
abonnee op aanwijzing van een rechthebbende af te sluiten?
Ongetwijfeld. Uitgaande van het gebruikte IP-adres zal het de
provider weinig moeite kosten een inbreukmakende abonnee te
identificeren, zelfs als deze onder pseudoniem op het
P2P-netwerk opereert. De ISP's plegen de verkeersgegevens van
hun klanten nauwkeurig te registreren. In sommige gevallen
worden grootschalig opererende P2P-ers al eigener beweging
door hun ISP's afgesloten om overbelasting van het netwerk te
voorkomen. De door de ISP's gehanteerde contractsvoorwaarden
laten afsluiting wegens auteursrechtinbreuk of overbelasting
ook toe.
De
voor hosting service providers ontwikkelde 'notice and
take-down' procedure, die in de praktijk goed blijkt te
werken, zou hier als voorbeeld kunnen dienen. Een dergelijk
mechanisme moge op het eerste gezicht moeilijk te rijmen zijn
met de door de access providers beleden – en in het licht van
de informatievrijheid belangrijke – 'access for all'
filosofie, daar staat tegenover dat hierdoor voorkomen wordt
dat de providers in rechte worden gedwongen de identiteit van
hun abonnees aan de rechthebbenden te onthullen, met alle
privacybezwaren van dien (zie
A. Ekker en O.L. van Daalen,
'De provider als speurhond van de muziekindustrie', JAVI
2003-4, p. 129-134). Voor de providers én de gebruikers lijkt
een actieve betrokkenheid van de ISP's derhalve het minste van
twee kwaden. Idealiter maken de ISP's en de rechthebbenden
hierover op brancheniveau procedurele afspraken. Overweging 40
van de richtlijn roept hiertoe in feite op; zie ook de brief
van de minister van Justitie aan de Tweede Kamer van 29
september 2003, Kamerstukken TK, 28197, 15, p. 4.
Een
meer radicale oplossing van het KaZaA-probleem is natuurlijk
legalisering, bij voorkeur in combinatie met een heffing.
Enkele Amerikaanse schrijvers (W. Fisher, 'Digital Music:
Problems and Possibilities',
http://www.law.harvard.edu/Academic_Affairs/
coursepages/tfisher/Music.html en N.W. Netanel, 'Impose a
Noncommercial Use Levy to Allow Free Peer-to-Peer File
Sharing', Harvard Journal of Law & Technology, Vol. 13,
december 2003) hebben zich hiervoor inmiddels sterk gemaakt.
Recent heeft ook KaZaA-advocaat Chr. Alberdingk Thijm voor een
P2P-heffing gepleit (NRC/Handelblad 29 december 2003); ook de
AG lijkt hier wel iets voor te voelen (§ 5.42). Zo'n heffing
zou op verschillende manieren gestalte kunnen krijgen: door
een opslag op PC's, harde schijven, CD-branders en
MP3-spelers, door verplichte afdracht van ISP's en/of door een
heffing op de P2P-programmatuur zelf. Voor een dergelijke
'verheffing' valt op het eerste gezicht veel te zeggen. Aan
een massaal gepleegde en door brede lagen van de bevolking
kennelijk ondersteunde auteursrechtinbreuk wordt in één klap
een einde gemaakt. Rechthebbenden die door KaZaA en haar
soortgenoten grote schade lijden, komen financieel – een
beetje – aan hun trekken. Vooral de rechtenorganisaties zullen
voor een heffing wel te vinden zijn. Bovendien: het prachtige
medium P2P wordt door het auteursrecht niet de nek omgedraaid,
zoals de technocraten vrezen.
Maar
aan een legalisering zijn ook belangrijke nadelen verbonden.
Door het toestaan van P2P file sharing wordt een groot deel
van het digitale domein voorwerp van een wettelijke licentie.
Daarmee worden de incentives voor het ontwikkelen van een
regulier online muziek- en filmaanbod, dat na een veel te
trage start eindelijk op gang begint te komen (zie voor een
mooi voorbeeld iTunes van Apple,
http://www.apple.com/itunes), ondergraven. Wie gaat
nog investeren in een digitale muziekwinkel, als iedere
zestienjarige vanaf zijn harde schijf een quasi-gratis
alternatief in petto heeft? Anders dan de AG in § 5.44 nogal
onbekommerd suggereert, zie ik uit KaZaA en soortgelijke
diensten geen levensvatbaar legaal 'business model'
voortkomen. Wie bereid is voor online muziek te betalen, zal
kwaliteit verlangen; die is in een P2P-systeem niet
gegarandeerd. Legalisering van KaZaA in combinatie met een
heffing belemmert met andere woorden de totstandkoming van een
reguliere digitale muziekmarkt.
Tegen het invoeren van heffingen op digitale apparatuur zijn
daarnaast diverse principiële en praktische bezwaren aan te
voeren. De computer is geen 'dedicated' apparaat, zoals een
videorecorder of fotokopieerapparaat, maar een universele
('Turing') machine, die voor allerlei auteursrechtelijk
irrelevante toepassingen geschikt is en gebruikt wordt (zie
P.B. Hugenholtz & L. Guibault, The Future of Levies in a
Digital Environment, Amsterdam: IViR 2003,
http://www.ivir.nl/publications/other/DRM&levies-report.pdf,
p. 48 e.v.). Waarom zouden de miljoenen 'onschuldige'
PC-gebruikers, die KaZaA niet hebben geïnstalleerd en geen
behoefte hebben aan een harde schijf vol MP3-bestanden, moeten
boeten voor het (wan)gedrag van hun medegebruikers? Invoering
van een P2P-heffing zou bovendien de opmars doorkruisen van
het Digital Rights Management, dat het mogelijk maakt het
licentiëren van werken te individualiseren en ongeautoriseerd
kopiëren te voorkomen. Niet voor niets bepaalt art. 5 lid 2
sub b van de Auteursrechtrichtlijn dat bij de vaststelling van
de 'billijke compensatie' voor de thuiskopie rekening is te
houden 'met het al dan niet toepassen van de in artikel 6
bedoelde technische voorzieningen'. Als over enige tijd de
platenfabrikanten massaal zijn overgestapt op technische
beveiliging, een voorspelbaar gevolg van het succes van KaZaA,
valt er voor de gemiddelde P2P-er weinig meer te 'sharen'. Wat
is dan nog de ratio van een heffing?
Daarmee zijn we aangeland bij de wettelijke bezwaren. File
sharing gaat gepaard met reproduceren en openbaarmaken. De
Auteursrechtrichtlijn, die beide exploitatierechten
harmoniseert, bevat in art. 5 leden 2 en 3 een limitatieve
opsomming van toegestane wettelijke beperkingen. De richtlijn
laat de lidstaten de vrijheid het digitaal thuiskopiëren te
onderwerpen aan een beperking (art. 5 lid 2 sub b), waaronder
ook het downloaden uit een P2P-netwerk begrepen kan worden.
Maar 'sharen' is ook openbaarmaken, en daarvoor laat de
richtlijn beslist geen ruimte. In Europa heeft speculeren over
een 'KaZaA-heffing' dus weinig zin.
Keren wij, tenslotte, terug naar de bron van het kwaad. Valt
KaZaA echt niet aan te pakken? Volgens het Amsterdamse hof,
daartoe geadviseerd door Prof. dr. ir. E. Huizer, hoogleraar
internettoepassingen van de Universiteit Twente, was KaZaA
technisch niet in staat tot ingrijpen tegen haar
inbreukmakende gebruikers, zoals ISP's dat wel kunnen. In zijn
noot onder het arrest (Mediaforum 2002/5, p. 191)
spreekt Koelman zijn twijfels uit over deze feitelijke
constatering. KaZaA doet en kan veel meer dan het leveren van
software. In het verleden heeft het bedrijf bewezen haar
gebruikers door middel van 'spyware' in de gaten te kunnen
houden en ongeautoriseerde gebruikers af te kunnen sluiten.
Maar ook als Prof. Huizer gelijk zou hebben, staat KaZaA's
onschuld niet vast. In mijn noot onder het vonnis van de
President (AMI 2002/1, p. 25) heb ik gepleit voor
toepassing van het in de Amerikaanse jurisprudentie
ontwikkelde criterium van substantial non-infringing use.
Als het programma in aanmerkelijke mate voor
niet-inbreukmakende doeleinden wordt gebruikt, is verspreiding
ervan rechtmatig (zie ook Seignette, AMI 2002/4, p.
142). Het Amsterdamse hof heeft door de magere feitelijke
stellingen van Buma/Stemra deze toets niet goed kunnen
verrichten (ro. 4.9). Is één procent legaal gebruik voldoende
om KaZaA rechtmatig te verklaren? Ik meen van niet. Voorlopige
conclusie: KaZaA is nog niet 'legaal'.
Zie
voor uitspraken en annotaties in eerdere instanties: Pres. Rb.
Amsterdam 29 november 2001, AMI 2002/1, p. 21 m.nt.
P.B. Hugenholtz; Hof Amsterdam 28 maart 2002, Mediaforum
2002/5, p. 188 m.nt. K.J. Koelman, AMI 2002/4, p. 134
m.nt. J. Seignette op p. 142.
P.B.
Hugenholtz |