Noot bij Pres. Rb. Amsterdam 9 augustus 2001
Verschenen in AMI 2001-6, p. 157.

P.B. Hugenholtz


Nr. 19 Manfred Spaargaren Confiserie / Da Vinci Bonbons & Chocolade c.s.

Pres. Rb. Amsterdam
9 augustus 2001, rolnummer KG 01/1143
(mr Orobio de Castro)

Auteursrecht op bonbons
(art. 10 Auteurswet)

 

de vennootschap onder firma MANFRED SPAARGAREN CONFISSERIE V.O.F. gevestigd te Amstelveen, eiseres bij dagvaarding van 12 juli 2001, procureur mr R.E. van Schaik

tegen

1. de vennootschap onder firma DA VINCI BONBONS & CHOCOLADE V.O.F., gevestigd te Amsterdam,

2. Theodora Jennie BAKKER, wonende te Amsterdam,

3. Jan BLANCKE, wonende te Amsterdam, gedaagden, procureur mr C.J. de Lange.

 

[…]

Gronden van de beslissing

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. Spaargaren is in november 1993 eigenaar geworden van de bonbonmakerij van banketbakker Amold Cornelis en maakt en verkoopt sindsdien, naast de door hem zelf ontwikkelde bonbons de voorheen door Cornelis gemaakte bonbons.

b. Daaronder bevinden zich -onder meer -de volgende bonbons:

no 8: nougat giandua (melk),

no 10: cointreaux (melk),

no 11: nougat giandua (wit),

no 16: giandua (hazelnoot/melk),

no 23: geniber mok. marsepein (puur),

no 25: amandelpaté (melk),

no 27: creme/caramel (puur),

no 30: caramel/giandua (puur),

no 31: thé (melk),

no 2: cognac (melk),

no 32: florentiner (puur),

no 21: room caramel marsepein (puur),

no 36: honing (wit/hazelnoot)

c. Blancke was tot en met 31 oktober 1994 als hoofd productie in dienst bij eerst Cornelis, later Spaargaren. Nadien is hij een eenmanszaak begonnen die vervolgens is opgegaan in Da Vinci. Da Vinci maakt en verkoopt eveneens bonbons.

d. Dertien van de dertig door Da Vinci geproduceerde en verkochte soorten bonbons, vertonen qua uiterlijke vormgeving een gelijkenis met de onder l.b genoemde, door Spaargaren gemaakte bonbons en bevatten voorts dezelfde basisingrediënten.

2. Spaargaren vordert in dit geding, kort gezegd, Da Vinci c.s. te bevelen met onmiddellijke ingang het maken van inbreuk op het auteursrecht van Spaargaren op de onder 1.b genoemde bonbons te staken, daaronder begrepen het maken en verkopen van die, of soortgelijke bonbons, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 5.000,-- voor elke dag dat zij daarmee in gebreke blijven. Voorts vordert zij Da Vinci c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot op de door Spaargaren gemaakte buitengerechtelijke kosten van f 3.500,--, alles met veroordeling van Da Vinci c.s. in de kosten van het geding.

3. Spaargaren legt aan haar vordering ten grondslag dat de door haar gemaakte bonbons, elk voor zich, zijn te beschouwen als een werk in de zin van artikel 10 van de Auteurswet 1912. Zij onderscheiden zich immers zowel door uiterlijke vormgeving, samenstelling als smaak van door anderen gemaakte bonbons. Iedere bonbon bestaat uit een unieke samenstelling van ingrediënten die, in samenhang met de uiterlijke vormgeving en de daarop aangebrachte versieringen, maakt dat elke afzonderlijke bonbon een oorspronkelijk ontwerp is dat het persoonlijk karakter van de ontwerper draagt, aldus Spaargaren.

Spaargaren stelt dat zij auteursrechthebbende is op zowel het uiterlijk als de recepttuur en smaak van de hiervoor onder 1. b genoemde bonbons. Zij heeft immers het auteursrecht op die bonbons van haar voorganger Cornlis verkregen en heeft voorts zelf bonbon no 31 ontwikkeld.

Door bonbons te maken en te verkopen die zowel qua smaak en samenstelling als qua uiterlijk vrijwel identiek zijn aan de hiervoor onder l.b genoemde bonbons, maken Da Vinci c.s. inbreuk op het op die bonbons rustende en aan Spaargaren toebehorende auteursrecht.

4. Subsidiair stelt Spaargaren zich op het standpunt dat Da Vinci c.s. jegens haar onrechtmatig handelen, aangezien zij verwarring bij het publiek veroorzaken door, zonder dat daarvoor een goede reden is, bonbons te verkopen die vrijwel identiek zijn aan de bonbons die Spaargaren verkoopt.

5. Da Vinci c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Het geschil tussen partijen spitst zich allereerst toe op de vraag of de onder l.b genoemde bonbons een werk zijn in de zin van artikel 10 van de Auteurswet 1912. Daarvan is sprake indien de bonbons een eigen oorspronkelijk karakter bezitten en het persoonlijk stempel van de maker dragen. Da Vinci c.s. betwisten dat zulks het geval is en stellen daartoe dat de bonbons oorspronkelijkheid missen. Enerzijds borduurt de samenstelling van de bonbons immers voort op bestaande, algemeen bekende recepten, terwijl anderzijds de uiterlijke vormgeving slechts een minimale variatie op reeds lang bestaande vormen behelst. Er is dan ook geen sprake van een werk als bedoeld in de Auteurswet, zodat daaraan ook geen auteursrechtelijke bescherming toekomt, aldus Da Vinci c.s.

Daartegenover heeft Spaargaren betoogd dat niet slechts gelet moet worden op de afzonderlijke elementen, zoals receptuur, vormgeving en smaak, maar dat deze elementen met name in onderling verband beschouwd maken dat sprake is van een uniek creatief werk.

Het gelijk is aan de zijde van Spaargaren. Aannemelijk is dat de onder 1.b genoemde bonbons zijn aan te merken als een creatie van de maker, waarbij telkens een specifieke combinatie van ingrediënten wordt gecombineerd met een specifieke vormgeving. Hoewel in het bestek van dit kort geding niet is vast te stellen of zulks ook geldt ten aanzien van de smaak van de bonbons, maken deze beide elementen tezamen genomen reeds dat voor elk type bonbon afzonderlijk sprake is van een creatieve prestatie met een eigen oorspronkelijk karakter dat het persoonlijk stempel van de maker draagt. Dit brengt mee dat elk van de onder l.b genoemde bonbons geldt als een werk in de zin van de Auteurswet 1912 en dat, nu Da Vinci c.s. dit niet hebben betwist, Spaargaren daarop auteursrechthebbende is.

7. Vervolgens is aan de orde of Da Vinci c.s. inbreuk maken op het auteursrecht van Spaargaren door haar bonbons na te bootsen. Da Vinci c.s. betwisten dit en voeren aan dat zij, binnen de beperkingen die gelden, zoals technische en productie factoren, haar eigen ideeën toepast. Daarnaast worden de spuitbonbons van Da Vinci c.s., in tegenstelling tot die van Spaargaren, handgemaakt, zodat tussen de door haar en Spaargaren gemaakte bonbons een wezenlijk verschil bestaat.

Ter terechtzitting is gebleken dat de als productie l.a en l.b overgelegde bonbons van respectievelijk Spaargaren Da Vinci c.s., zowel qua kleur, vorm en aangebrachte versierselen een treffende gelijkenis vertonen. Bovendien bevatten de bonbons, zoals eveneens volgt uit de door zowel Da Vinci als Spaargaren gehanteerde benamingen, steeds dezelfde (basis)ingrediënten. Nu zowel uiterlijke vorm als ingrediënten telkens per soort bonbon overeenstemmen is aannemelijk dat de bonbons van Da Vinci in ieder geval uiterlijk een nabootsing zijn van de bonbons van Spaargaren. Een en ander is des te aannemelijker, nu de maker van de bonbons van Da Vinci, Blancke, als ex-werknemer van Spaargaren geacht moet worden diens bonbons van binnen en buiten te kennen. Wat de uiterlijke vormgeving van de bonbons betreft is de vordering dus toewijsbaar. Hieruit volgt dat de vordering, gelet op het belang van Spaargaren bij staking van de voortgaande inbreuk op zijn auteursrecht ter voorkoming van daaruit voortvloeiende ( omzet)schade, voldoende spoedeisend is en toewijsbaar als hieronder vermeld.

Niet kan worden beoordeeld of de bonbons ook qua smaak overeenstemmen, nu de president zich op dit punt niet voldoende deskundig acht. Voor zover de vordering betrekking heeft op het interieur van de bonbons is derhalve deskundig onderzoek nodig, waartoe dit kort geding zich niet leent. In zoverre wordt de vordering afgewezen.

[…]

Beslissing

1. Veroordeelt Da Vinci om onmiddellijk na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden de inbreuk op de auteursrechten op de uiterlijke vormgeving van de hiervoor onder l.b genoemde bonbons, daaronder begrepen het (doen) vervaardigen, het in voorraad (doen) hóuden en het (doen) verhandelen daarvan, waaronder te verstaan het (doen) vervaardigen, het in voorraad (doen) houden en het (doen) verhandelen van de, in de aan dit vonnis gehechte dagvaarding onder 8. genoemde bonbons, op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 500,-- (vijfhonderd gulden) voor elke dag dat Da Vinci c.s. met de nakoming dit gebod in gebreke blijven, tot een maximum van in totaal ƒ 15.000,-- (vijftienduizend gulden).

2. Veroordeelt Da Vinci, Bakker en Blancke hoofdelijk om aan Spaargaren te voldoen ƒ 2.903,25 (tweeduizend negenhonderddrie gulden en vijfentwintig cent).

3. Veroordeelt Da Vinci c.s. in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van Spaargaren begroot op ƒ 718,92 aan verschotten, waaronder ƒ 400,-- wegens vastrecht en op ƒ 1.550,-- aan salaris procureur.

4. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5. Stelt de termijn als bedoeld in artikel 50 lid 6 van het Agreement on Trade-related Aspects of Intellectual Property Rights op drie maanden na deze uitspraak.

6. Wijst het meer of anders gevorderde af.

[…]


Noot

Een rechtszaak om je vingers bij af te likken. Over de bescherming van culinaire creaties werd in Nederland tot voor kort meer getheoretiseerd [1] en gecongresseerd [2] dan geprocedeerd. Jarenlang moesten we het doen met een enkel vonnis van de Rechtbank te Breda over de bescherming van Autodrop. [3] Sinds kort krijgt het culinaire auteursrecht ook in de rechtspraktijk contouren. In 1999 mocht het Amsterdamse Hof zich uitspreken over de bescherming van erotische taarten. [4] In de onderhavige zaak gaat het om de befaamde bonbons van Arnold Cornelis, die door Blancke, een ex-werknemer van Cornelis (thans Spaargaren), zouden zijn nagemaakt.

Rust er auteursrecht op bonbons? De magische slotformule van art. 10 lid 1 Auteurswet ('en in het algemeen ieder voortbrengsel op het gebied van letterkunde, wetenschap of kunst, op welke wijze of in welken vorm het ook tot uitdrukking zij gebracht') laat hiervoor op het eerste gezicht alle ruimte. Ook de eis van oorspronkelijkheid lijkt geen onneembare horde, er van uitgaande dat niet iedere praline uit dezelfde chocoladefabriek afkomstig is. Interessanter is de vraag: welke aspecten van de bonbon lenen zich voor auteursrechtelijke bescherming? In de eerste plaats natuurlijk de vorm (het uiterlijk). Het spreekt vanzelf dat een oorspronkelijk vorm gegeven bonbon, zoals ieder werk van toegepaste kunst, tegen nabootsing beschermd is. Of dat in casu het geval is, laat ik graag over aan de feitenrechter. Uiteraard dienen stijlelementen (het gekalligrafeerde 'Thé' op de theebonbons bijvoorbeeld) buiten beschouwing te blijven. [5]

Spelen de ingrediënten ook een auteursrechtelijke rol? De Amsterdamse President meent – met eiser Spaargaren – van wel. 'Aannemelijk is dat de […] bonbons zijn aan te merken als een creatie van de maker, waarbij telkens een specifieke combinatie van ingrediënten wordt gecombineerd met een specifieke vormgeving' (r.o. 6). Daarmee verklaart de President, in het voetspoor van de Bredase rechtbank, receptuur tot object van auteursrecht. Ten onrechte. Een recept is, afgezien van de opschriftstelling ervan, niets anders dan een culinaire werkwijze – een bereidingsmethode, die om rechtssystematische en wetstechnische redenen eerder thuishoort op het terrein van het octrooirecht dan dat van het auteursrecht. [6] Inderdaad zijn wel eens octrooien op culinaire werkwijzen verleend, onder meer voor het bereiden van (verrassend frisse) tomatenpruimenjam. [7]

De President lijkt daarenboven ruimte te zien voor auteursrechtelijke bescherming van de smaak (r.o. 6). In het verleden is wel geijverd voor – en een enkele maal zelfs geprocedeerd over – de bescherming van geurcomposities [8] , maar over smaak is bij mijn weten niet eerder auteursrechtelijk getwist. Volgens de Encyclopaedia Britannica beschikt de mens over vijf klassieke zintuigen (zicht, gehoor, reuk, smaak en tast), alsmede over receptoren voor beweging, hitte, koude, druk, evenwicht en pijn. Het auteursrecht houdt slechts met twee van deze zinnen uitdrukkelijk rekening: zien en horen. De 'werkenlijst' van art. 10 Aw noemt enkel creaties die visueel of auditief geconsumeerd worden; ook de exploitatierechten (openbaarmaken en verveelvoudigen) zijn geheel toegesneden op de communicatie door middel van beeld en geluid.

Over de wenselijkheid van een media- of techniekneutraal auteursrecht heerst brede consensus. [9] Moeten wij ook toe naar een 'zintuigneutraal' auteursrecht? Verkade heeft onlangs – spelenderwijs – de gedachte opgeworpen (en meteen weer verworpen) om auteursrechtelijke bescherming te erkennen op een oorspronkelijk beweging (in casu van een om drie assen draaiende, ziekmakende kermisattractie). [10] Zo biedt een zintuigneutraal auteursrecht uitzicht op een fantastisch scala van zinnenprikkelende rechtsobjecten: de massage met eigen persoonlijk karakter, de 'überdurchschnittliche' liefdesdaad, de adembenemende koude douche. Het Amsterdamse Hof, dat de bonbonzaak binnenkort krijgt voorgeschoteld, mag uitmaken of dat een wenselijke ontwikkeling is.

P.B. Hugenholtz

 


[1] E.A. Mout-Bouwman, 'De auteursrechtelijke bescherming van culinaire recepten', Informatierecht/AMI 1989/3, p. 51; Spoor/Verkade, nr. 81; P.B. Hugenholtz, 'Recept, gerecht en auteursrecht', in D.W.F. Verkade en D.J.G. Visser, Intellectuele eigenaardigheden. Opstellen aangeboden aan Mr Theo R. Bremer, Deventer: Kluwer 1998, p. 175-179.

[2] Frits Oppenoorth, 'Cactusbloesemhoningijs!', Informatierecht/AMI 1988/1, p. 14.

[3] Rb Breda 18 december 1990, Informatierecht/AMI 1992/1, p. 16, m.nt. E.J. Dommering.

[4] Hof Amsterdam 11 november 1999, Informatierecht/AMI 2000/4, p. 62, m.nt. J.F. Haeck.

[5] Zie met name HR 28 juni 1946, NJ 1946, 712 (Van Gelder/Van Rijn): geen auteursrechtinbreuk aangenomen ondanks het bezigen van hetzelfde materiaal en het volgen van dezelfde stijl.

[6] Zie hierover uitvoerig P.B. Hugenholtz, a.w. (noot 1).

[7] Octrooiraad (Afd. van beroep) 9 januari 1947, BIE 1947, nr. 41 (tomatenpruimenjam).

[8] Zie de literatuur genoemd bij Spoor/Verkade, nr. 81, noten 280 en 281.

[9] M. de Cock Buning, Auteursrecht en informatietechnologie, Amsterdam: Otto Cramwinckel 1998.

[10] Noot D.W.F. Verkade na Hof Amsterdan 9 december 1999, Informatierecht/AMI 2000/7, p. 142.


Geplaatst 01.01.2002