| Nr. 19 Manfred Spaargaren
Confiserie / Da Vinci Bonbons & Chocolade c.s.
Pres. Rb. Amsterdam
9 augustus 2001, rolnummer KG 01/1143
(mr Orobio de Castro)
Auteursrecht op bonbons
(art. 10 Auteurswet)
de vennootschap onder firma
MANFRED SPAARGAREN CONFISSERIE V.O.F. gevestigd te Amstelveen,
eiseres bij dagvaarding van 12 juli 2001, procureur mr R.E.
van Schaik
tegen
1. de vennootschap onder
firma DA VINCI BONBONS & CHOCOLADE V.O.F., gevestigd te
Amsterdam,
2. Theodora Jennie BAKKER,
wonende te Amsterdam,
3. Jan BLANCKE, wonende te
Amsterdam, gedaagden, procureur mr C.J. de Lange.
[…]
Gronden van de beslissing
1. In dit vonnis wordt
uitgegaan van de volgende feiten.
a. Spaargaren is in
november 1993 eigenaar geworden van de bonbonmakerij van
banketbakker Amold Cornelis en maakt en verkoopt sindsdien,
naast de door hem zelf ontwikkelde bonbons de voorheen door
Cornelis gemaakte bonbons.
b. Daaronder bevinden zich
-onder meer -de volgende bonbons:
no 8: nougat giandua
(melk),
no 10: cointreaux (melk),
no 11: nougat giandua
(wit),
no 16: giandua
(hazelnoot/melk),
no 23: geniber mok.
marsepein (puur),
no 25: amandelpaté
(melk),
no 27: creme/caramel
(puur),
no 30: caramel/giandua
(puur),
no 31: thé (melk),
no 2: cognac (melk),
no 32: florentiner
(puur),
no 21: room caramel
marsepein (puur),
no 36: honing
(wit/hazelnoot)
c. Blancke was tot en met
31 oktober 1994 als hoofd productie in dienst bij eerst
Cornelis, later Spaargaren. Nadien is hij een eenmanszaak
begonnen die vervolgens is opgegaan in Da Vinci. Da Vinci
maakt en verkoopt eveneens bonbons.
d. Dertien van de dertig
door Da Vinci geproduceerde en verkochte soorten bonbons,
vertonen qua uiterlijke vormgeving een gelijkenis met de
onder l.b genoemde, door Spaargaren gemaakte bonbons en
bevatten voorts dezelfde basisingrediënten.
2. Spaargaren vordert in dit
geding, kort gezegd, Da Vinci c.s. te bevelen met
onmiddellijke ingang het maken van inbreuk op het auteursrecht
van Spaargaren op de onder 1.b genoemde bonbons te staken,
daaronder begrepen het maken en verkopen van die, of
soortgelijke bonbons, zulks op straffe van verbeurte van een
dwangsom van ƒ 5.000,-- voor elke dag dat zij daarmee in
gebreke blijven. Voorts vordert zij Da Vinci c.s. hoofdelijk
te veroordelen tot betaling van een voorschot op de door
Spaargaren gemaakte buitengerechtelijke kosten van f 3.500,--,
alles met veroordeling van Da Vinci c.s. in de kosten van het
geding.
3. Spaargaren legt aan haar
vordering ten grondslag dat de door haar gemaakte bonbons, elk
voor zich, zijn te beschouwen als een werk in de zin van
artikel 10 van de Auteurswet 1912. Zij onderscheiden zich
immers zowel door uiterlijke vormgeving, samenstelling als
smaak van door anderen gemaakte bonbons. Iedere bonbon bestaat
uit een unieke samenstelling van ingrediënten die, in
samenhang met de uiterlijke vormgeving en de daarop
aangebrachte versieringen, maakt dat elke afzonderlijke bonbon
een oorspronkelijk ontwerp is dat het persoonlijk karakter van
de ontwerper draagt, aldus Spaargaren.
Spaargaren stelt dat zij
auteursrechthebbende is op zowel het uiterlijk als de
recepttuur en smaak van de hiervoor onder 1. b genoemde
bonbons. Zij heeft immers het auteursrecht op die bonbons van
haar voorganger Cornlis verkregen en heeft voorts zelf bonbon
no 31 ontwikkeld.
Door bonbons te maken en te
verkopen die zowel qua smaak en samenstelling als qua
uiterlijk vrijwel identiek zijn aan de hiervoor onder l.b
genoemde bonbons, maken Da Vinci c.s. inbreuk op het op die
bonbons rustende en aan Spaargaren toebehorende auteursrecht.
4. Subsidiair stelt
Spaargaren zich op het standpunt dat Da Vinci c.s. jegens haar
onrechtmatig handelen, aangezien zij verwarring bij het
publiek veroorzaken door, zonder dat daarvoor een goede reden
is, bonbons te verkopen die vrijwel identiek zijn aan de
bonbons die Spaargaren verkoopt.
5. Da Vinci c.s. hebben
gemotiveerd verweer gevoerd.
6. Het geschil tussen
partijen spitst zich allereerst toe op de vraag of de onder
l.b genoemde bonbons een werk zijn in de zin van artikel 10
van de Auteurswet 1912. Daarvan is sprake indien de bonbons
een eigen oorspronkelijk karakter bezitten en het persoonlijk
stempel van de maker dragen. Da Vinci c.s. betwisten dat zulks
het geval is en stellen daartoe dat de bonbons
oorspronkelijkheid missen. Enerzijds borduurt de samenstelling
van de bonbons immers voort op bestaande, algemeen bekende
recepten, terwijl anderzijds de uiterlijke vormgeving slechts
een minimale variatie op reeds lang bestaande vormen behelst.
Er is dan ook geen sprake van een werk als bedoeld in de
Auteurswet, zodat daaraan ook geen auteursrechtelijke
bescherming toekomt, aldus Da Vinci c.s.
Daartegenover heeft
Spaargaren betoogd dat niet slechts gelet moet worden op de
afzonderlijke elementen, zoals receptuur, vormgeving en smaak,
maar dat deze elementen met name in onderling verband
beschouwd maken dat sprake is van een uniek creatief werk.
Het gelijk is aan de zijde
van Spaargaren. Aannemelijk is dat de onder 1.b genoemde
bonbons zijn aan te merken als een creatie van de maker,
waarbij telkens een specifieke combinatie van ingrediënten
wordt gecombineerd met een specifieke vormgeving. Hoewel in
het bestek van dit kort geding niet is vast te stellen of
zulks ook geldt ten aanzien van de smaak van de bonbons, maken
deze beide elementen tezamen genomen reeds dat voor elk type
bonbon afzonderlijk sprake is van een creatieve prestatie met
een eigen oorspronkelijk karakter dat het persoonlijk stempel
van de maker draagt. Dit brengt mee dat elk van de onder l.b
genoemde bonbons geldt als een werk in de zin van de
Auteurswet 1912 en dat, nu Da Vinci c.s. dit niet hebben
betwist, Spaargaren daarop auteursrechthebbende is.
7. Vervolgens is aan de orde
of Da Vinci c.s. inbreuk maken op het auteursrecht van
Spaargaren door haar bonbons na te bootsen. Da Vinci c.s.
betwisten dit en voeren aan dat zij, binnen de beperkingen die
gelden, zoals technische en productie factoren, haar eigen
ideeën toepast. Daarnaast worden de spuitbonbons van Da Vinci
c.s., in tegenstelling tot die van Spaargaren, handgemaakt,
zodat tussen de door haar en Spaargaren gemaakte bonbons een
wezenlijk verschil bestaat.
Ter terechtzitting is
gebleken dat de als productie l.a en l.b overgelegde bonbons
van respectievelijk Spaargaren Da Vinci c.s., zowel qua kleur,
vorm en aangebrachte versierselen een treffende gelijkenis
vertonen. Bovendien bevatten de bonbons, zoals eveneens volgt
uit de door zowel Da Vinci als Spaargaren gehanteerde
benamingen, steeds dezelfde (basis)ingrediënten. Nu zowel
uiterlijke vorm als ingrediënten telkens per soort bonbon
overeenstemmen is aannemelijk dat de bonbons van Da Vinci in
ieder geval uiterlijk een nabootsing zijn van de bonbons van
Spaargaren. Een en ander is des te aannemelijker, nu de maker
van de bonbons van Da Vinci, Blancke, als ex-werknemer van
Spaargaren geacht moet worden diens bonbons van binnen en
buiten te kennen. Wat de uiterlijke vormgeving van de bonbons
betreft is de vordering dus toewijsbaar. Hieruit volgt dat de
vordering, gelet op het belang van Spaargaren bij staking van
de voortgaande inbreuk op zijn auteursrecht ter voorkoming van
daaruit voortvloeiende ( omzet)schade, voldoende spoedeisend
is en toewijsbaar als hieronder vermeld.
Niet kan worden beoordeeld of
de bonbons ook qua smaak overeenstemmen, nu de president zich
op dit punt niet voldoende deskundig acht. Voor zover de
vordering betrekking heeft op het interieur van de bonbons is
derhalve deskundig onderzoek nodig, waartoe dit kort geding
zich niet leent. In zoverre wordt de vordering afgewezen.
[…]
Beslissing
1. Veroordeelt Da Vinci om
onmiddellijk na betekening van dit vonnis te staken en
gestaakt te houden de inbreuk op de auteursrechten op de
uiterlijke vormgeving van de hiervoor onder l.b genoemde
bonbons, daaronder begrepen het (doen) vervaardigen, het in
voorraad (doen) hóuden en het (doen) verhandelen daarvan,
waaronder te verstaan het (doen) vervaardigen, het in voorraad
(doen) houden en het (doen) verhandelen van de, in de aan dit
vonnis gehechte dagvaarding onder 8. genoemde bonbons, op
straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 500,--
(vijfhonderd gulden) voor elke dag dat Da Vinci c.s. met de
nakoming dit gebod in gebreke blijven, tot een maximum van in
totaal ƒ 15.000,-- (vijftienduizend gulden).
2. Veroordeelt Da Vinci,
Bakker en Blancke hoofdelijk om aan Spaargaren te voldoen ƒ
2.903,25 (tweeduizend negenhonderddrie gulden en vijfentwintig
cent).
3. Veroordeelt Da Vinci c.s.
in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van
Spaargaren begroot op ƒ 718,92 aan verschotten, waaronder ƒ
400,-- wegens vastrecht en op ƒ 1.550,-- aan salaris
procureur.
4. Verklaart dit vonnis tot
zover uitvoerbaar bij voorraad.
5. Stelt de termijn als
bedoeld in artikel 50 lid 6 van het Agreement on Trade-related
Aspects of Intellectual Property Rights op drie maanden na
deze uitspraak.
6. Wijst het meer of anders
gevorderde af.
[…]
|