|
De opmars van het
auteursrecht door het rijk der zinnen zet door. Na het
smaakwerk, dat in de recente bonbonzaak
[1] voor het eerst
erkenning vond, is nu het geurwerk aan de beurt. De Kerkraadse
Cosmetica Fabriek BV (Kecofa) maakt bekende parfums na, en
verkoopt deze (zeer goedkoop) onder namen die in de verte aan
het nagebootste merk doen denken. Dat de gevestigde parfumorde
hier niet blij mee is, zal niet verbazen. Op haar eigen
website (http://www.kecofa.com)
meldt Kecofa triomfantelijk:
“Ja we weten het, de dure
designer producenten ergeren zich groen en geel aan ons, en
proberen KECOFA murw te procederen zelfs onze slogan (ALLEEN
UW BEURS RUIKT HET VERSCHIL) is voor Lancaster reden genoeg
om hiervoor een rechtszaak aan te spannen! terwijl L'Oreal
al jaren procedeert omdat een onzer geuren exact hetzelfde
ruikt terwijl het 10 keer zo goedkoop is.”
Inderdaad voert
L'Oreal-dochter Lancôme al jaren strijd tegen Kecofa. Het
Lancôme-parfum 'Trésor' heet in de Kecofa-versie 'Female
Treasure'. Een actie wegens merkinbreuk leed echter –
voorlopig – schipbreuk bij het Amsterdamse Hof.
[2] Voor de Maastrichtse
rechtbank gooit Lancôme het ten dele over een andere boeg; de
geur van het parfum is auteursrechtelijk beschermd. Omdat het
format van dit tijdschrift geen geurmonsters toelaat, volgt
hier een beschrijving van het parfum in kwestie.
[3] “Top Notes:
Peach, Apricot, Pineapple, Bergamot, Green Note. Middle
Notes: Rose, Orris, Lily of the Valley, Jasmin,
Heliotrope. Base Notes: Sandal, Cedar, Musk, Amber,
Vanilla, Cinnamon.” Kortom: een lekker luchtje. Maar
auteursrechtelijk beschermd?
Dat een parfum het nodige in
een mens teweeg kan brengen, weet eenieder die Het Parfum
gelezen heeft:
“De geur was zo hemels
lekker dat Baldini op slag het water in de ogen liep. […]
Het parfum was heerlijk. Vergeleken met “Amor en Psyche” was
het als een symfonie naast het eenzame gekras van een viool.
En het was meer. Baldini sloot zijn ogen en zag de meest
sublieme herinneringen in zich wakker worden. Hij zag zich
als jongeman 's avonds door de parken van Napels flaneren,
hij zag zich in de armen van een vrouw met zwarte lokken
liggen en zag het silhouet van een boeket rozen op de
vensterbank, waarover de nachtwind streek, hij hoorde
opgeschrikte vogels zingen en van verre de muziek uit een
havenkroeg, hij hoorde gefluister heel dicht bij zijn oor,
hij hoorde ikhouvanjou en voelde hoe hij van gelukzaligheid
kippenvel kreeg, nu! op dit moment! Hij deed zijn ogen open
en kreunde van genot.” [4]
Nee, uit esthetisch oogpunt
is er weinig reden het parfum de toegang tot het domein van
het auteursrecht te ontzeggen. Diverse Franse rechters hebben
in het verleden auteursrechtelijke bescherming van
geurcomposities aanvaard, onder bijval van o.a. K. Limperg.
[5]
Er zijn misschien wel andere
bezwaren. Allereerst de afbakening met het octrooirecht.
Volgens Van Nispen is een innovatieve geur als uitvinding
octrooieerbaar. Hij wijst op een oude beschikking van de
Octrooiraad over de smaak van tomatenpruimenjam.
[6] De Aanvraagafdeling
meende 'dat er geen enkele reden is waarom een smaak voorzover
die met voldoende objectiviteit te constateeren is, niet een
octrooieerbare uitkomst in den zin van den Octrooiwet zou
kunnen vormen, even goed als in de reukstoffenindustrie de
verkregen reuk de uitkomst oplevert'. In wezen gaat het in
zaken van parfumnabootsing om de bescherming van receptuur.
Zoals ik elders heb betoogd, is het octrooirecht hiervoor
inderdaad het aangewezen regime.
[7]
Een alternatief biedt
mogelijk het merkenrecht. In een veelgeciteerde beschikking
heeft het OHIM 'the smell of freshly cut grass' als geldig
merk voor tennisballen aanvaard. Ook enkele andere
merkenbureaus hebben de afgelopen jaren depots van geurmerken
geaccepteerd. Maar het laatste woord is hierover nog niet
gezegd. In een zeer lezenswaardige conclusie concludeerde
advocaat-generaal bij het Hof van Justitie Ruiz-Jarabo Colomer
onlangs dat art. 2 van de Merkenrichtlijn, dat eist dat een
teken 'vatbaar [is] voor grafische voorstelling', aan
merkenrechtelijke bescherming in de weg staat. De AG wijst er
op dat een beschrijving van een geur in woorden onvoldoende
duidelijkheid (en dus rechtszekerheid) biedt. Chemische
formules zijn evenmin geschikt, omdat zij weliswaar de
scheikundige samenstelling van een stof beschrijven, maar niet
de geur ervan. [8] Hoe dit
ook zij, vast staat dat de geur van een parfum nimmer als
geurmerk voor parfums zal kunnen gelden. De geur is immers een
wezenlijke eigenschap van de waar (art. 1 BMW), en daarmee als
object van merkenrechtelijke bescherming gediskwalificeerd.
[9]
Terug naar het auteursrecht.
Hoewel het werkbegrip van art. 10 lid 1 Auteurswet ('ieder
voortbrengsel op het gebied van letterkunde, wetenschap of
kunst, op welke wijze of in welken vorm het ook tot
uitdrukking zij gebracht') ongetwijfeld ruimte laat voor
auteursrechtelijke bescherming van parfums,
[10] zie ik toch enige
wetstechnische bezwaren. De uitsluitende rechten waarin de
Auteurswet voorziet – recht van verveelvoudiging en recht van
openbaarmaking – zijn, evenals de wettelijke beperkingen
ervan, toegesneden op scheppingen in visuele of auditieve
vorm, en daarom minder geschikt ter bescherming van creaties
die de andere zinnen prikkelen. Zo is een geurtje wel erg
gemakkelijk 'openbaar gemaakt'. Als we niet oppassen mag de
geparfumeerde consument straks zonder licentie de straat niet
meer op. Ook de toepassing van de wettelijke beperkingen
levert praktische problemen op. Valt een geurwerk eigenlijk te
citeren?
Het tussenvonnis van de
Maastrichtse rechtbank biedt nog meer stof voor overpeinzing.
Na in ro. 5.7 geconcludeerd te hebben dat een 'geurcombinatie'
in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming,
formuleert de rechtbank een bewijsopdracht die er op neer komt
dat Lancôme maar moet bewijzen
- dat haar parfum 'voldoet
aan de voor bescherming door het auteursrecht geldende
eisen';
- dat Lancôme hiervan als
maker is te beschouwen; en dat
- het geurtje van Kecofa
hierop inbreuk maakt.
Zo maakt de rechtbank het
zich wel erg gemakkelijk. Rechtsvragen als deze dienen niet
door partijen, maar door de rechter zelf te worden beantwoord.
P.B. Hugenholtz |