|
Op 26 april 2004 is de Europese
richtlijn 'betreffende de maatregelen en procedures om de handhaving van
intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen' (kortweg 'Handhavingsrichtlijn')
aangenomen. De timing vier dagen voor de uitbreiding van de Europese
Unie is niet toevallig. De angst dat de Europese markt binnenkort
wordt overspoeld met namaakproducten uit het 'Wilde Oosten' is groot; het
is dus belangrijk dat de piraterijbestrijding in de toetredingslanden goed
op orde is. Vandaar dat de richtlijn in recordtempo door de Brusselse wetgevingsmolen
is gejaagd; tussen het eerste richtlijnvoorstel (d.d. 30 januari 2003) en
de definitieve aanvaarding liggen amper 15 maanden.
Door het fast tracken van de
richtlijn heeft de Commissie belangrijke concessies aan de Raad en het Parlement
moeten doen. Zo is het strafrechtelijke hoofdstuk, dat voorzag in draconische
sancties, waaronder ontneming van sociale uitkeringen en een Berufsverbot
voor veroordeelde piraten, gesneuveld; het strafrecht, zo oordeelde het Parlement
terecht, behoort tot de derde peiler. Ook een science fiction-achtige bepaling
ter bescherming van 'technical devices', zoals holografische codes en verborgen
zendertjes, is in de uiteindelijke richtlijn verdwenen.
Gebleven zijn moeilijk leesbare bepalingen
over de civielrechtelijke handhaving van rechten van intellectuele eigendom
vooral over de verkrijging en bewaring van bewijs, over voorlopige
maatregelen en over civiele sancties ten gronde. Wie deze regels vergelijkt
met het bestaande Nederlandse procesrecht of met het hoofdstuk handhaving
van het TRIPs-verdrag (art. 41-62), dat als belangrijke bron van inspiratie
heeft gediend, ziet geen spectaculaire innovatie. Van de 'TRIPs-plus elementen',
die het oorspronkelijke voorstel kenmerkten, is weinig overgebleven. Te wijzen
valt wellicht op art. 7 (maatregelen ter bewaring van bewijs), dat geen pendant
heeft in het TRIPs-verdrag, maar zozeer met compromissen is doorregen dat
moeilijk valt te zeggen welke verplichtingen hieruit voor de lidstaten precies
voortvloeien.[1] Moet Nederland straks aan de Anton Piller Order of zijn de
bestaande remedies voldoende?[2] Ook art. 14, dat vergoeding van volledige proceskosten lijkt voor
te schrijven, is zozeer van elastiek dat het maar de vraag is of de Nederlandse
wetgever er echt iets mee moet.[3] Met dat al is het verleidelijk na lezing van de richtlijn uit te roepen
'Dit hebben we al!', eenmaal te gapen en dit nieuwste stukje Brussels broddelwerk
vervolgens onderin een la te leggen.
Maar er is meer. Het eerste richtlijnvoorstel
leidde begin 2003 tot ongekend kritische reacties, niet alleen van de gebruikelijk
'anti's' uit de hoek van Open Source Software, maar ook van liefst 36 hoogleraren
intellectuele eigendom, waaronder ondergetekende.[4] Recent heeft de Nederlandse Commissie Auteursrecht, die de minister
van Justitie adviseert over auteursrechtelijke aangelegenheden, zich bij
dit koor van criticasters gevoegd. De kritiek concentreert zich op drie aspecten:
reikwijdte ('scope'), subsidiariteit en proportionaliteit.
Ten eerste: de reikwijdte. Blijkens
de toelichting en omringende publiciteit, inclusief een heuse FAQ-file op
het web,[5] dient de richtlijn de piraterijbestrijding. Het oorspronkelijke voorstel
beperkte de werkingssfeer dan ook tot inbreuken die 'voor commerciële
doeleinden' werden gepleegd of die aanmerkelijke schade aan de rechthebbende
toebrachten. In de definitieve versie is deze beperking komen te vervallen;
de in de richtlijn voorgeschreven sancties gelden in beginsel voor alle vormen
van inbreuk, dus ook voor situaties waarin een eiser tegenover een bona
fide gedaagde (misschien wel: de echte rechthebbende) staat. Het is de
vraag of het rechtvaardig en doelmatig is dat de eisende partij in zulke
situaties over het complete scala aan rechtsmiddelen beschikt. In het civiele
procesrecht is de equality of arms een belangrijk beginsel; door geen
onderscheid te maken tussen een piraat en een bona fide mededinger wordt
dat beginsel genegeerd.[6]
Ten tweede: de subsidiariteit.
In de 'Professors' Letter' in EIPR wordt benadrukt dat iedere lidstaat op
zijn eigen wijze de checks and balances van het procesrecht heeft vormgegeven;
daarbij spelen nationale culturen en tradities (common law of civiel recht)
een belangrijke rol. Niet voor niets is het procesrecht tot op heden goeddeels
ongeharmoniseerd terrein gebleven. De one size fits all benadering
van de richtlijn houdt met deze juridische cultuurverschillen onvoldoende
rekening. Van het beginsel van subsidiariteit, een belangrijke regel van
EG-recht, valt in elk geval weinig te bespeuren.
Ten derde: de proportionaliteit.
De richtlijn is doordrongen van de gedachte dat inbreuk op IE-rechten ernstiger
is dan schending van 'normale' vermogensrechten, waardoor aanvullende rechtsmiddelen
geboden en gerechtvaardigd zijn. Deze gedachte moge ook onder de lezers van
dit blad gemeengoed zijn, er valt wel wat op af te dingen. IE-piraterij is
een groot maatschappelijk kwaad, daarover zijn we het eens, maar er bestaan
ernstiger delicten op aarde. Waarom zouden Microsoft en Louis Vuitton over
meer procesrechtelijke bevoegdheden moeten beschikken dan de slachtoffers
van een milieudelict of een verkeersongeval? Zelfs het TRIPs-verdrag benadrukt
met zoveel woorden dat er voor het recht van intellectuele eigendom geen
procesrechtelijke Sonderreglung hoeft te worden getroffen.[7]
Proportionaliteit houdt in dat
sancties evenredig moeten zijn aan het nagestreefde doel; van dat beginsel
is in de richtlijn evenmin veel terug te vinden. Het staat geenszins vast
staat dat effectieve piraterijbestrijding noopt tot uitbreiding van het bestaande
arsenaal aan procesrechtelijke middelen en sancties. Waarom groeit en bloeit
de piraterij in het 'Wilde Oosten'? Niet omdat het procesrecht in die landen
bij 'het Westen' achterloopt (veel toetredingslanden hebben hun civiele recht
en IE-wetgeving recent vernieuwd), maar omdat opsporing en handhaving van
IE-rechten in die landen geen hoge prioriteit heeft. En ook, omdat advocaten
en rechters over weinig gespecialiseerde kennis beschikken. De Handhavingsrichtlijn
zal daar niets aan veranderen, zo voorspel ik.
P.B. Hugenholtz
Noten
[1]
Art. 7 eerste lid, eerste alinea luidt als
volgt: ' De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties,
reeds voordat een bodemprocedure is begonnen, op verzoek van een partij die
redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd tot staving van
haar beweringen dat er inbreuk op haar intellectuele-eigendomsrecht is gemaakt
of zal worden gemaakt, onmiddellijk afdoende voorlopige maatregelen kunnen gelasten om het relevante
bewijsmateriaal in verband met de vermeende inbreuk te beschermen, mits de
bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd. Tot deze maatregelen
kunnen behoren de gedetailleerde beschrijving, met of zonder monsterneming,
dan wel de fysieke inbeslagneming van de litigieuze goederen en, in voorkomend
geval, de bij de productie en/of distributie daarvan gebruikte materialen
en werktuigen en de desbetreffende documenten. Deze maatregelen worden genomen,
zo nodig zonder dat de wederpartij wordt gehoord, met name indien het aannemelijk
is dat uitstel de rechthebbende onherstelbare schade zal berokkenen, of indien
er een aantoonbaar gevaar voor vernietiging van bewijsmateriaal bestaat.[…]'
[2]
J.L.R.A. Huydecoper, 'Nous Maintiendrons
de nieuwe “Richtlijn handhaving”', AMI 2004/3, par. 6.
[3]
Art. 14 luidt als volgt: ' De lidstaten dragen
er zorg voor dat, als algemene regel, redelijke en evenredige gerechtskosten
en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, door
de verliezende partij zullen worden gedragen, tenzij de billijkheid zich
daartegen verzet.'
[4]
W.R. Cornish e.a., 'Procedures and Remedies
for Enforcing IPRs: the European Commission's Proposed Directive', EIPR
2003, p. 447-449.
[5]
Frequently asked questions, http://europa.eu.int/comm/internal_market/en/intprop/docs/index.htm#directives
.
[6]
Huydecoper, a.w., par. 20.
[7]
Art. 47 lid 5 TRIPs.
|