| Acht jaar na de
aanvaarding van de Europese Databankrichtlijn zijn de
contouren van het nieuwe recht sui generis nog steeds
onduidelijk.
Kernbegrippen, zoals de definitie van 'databank' en de eis van
'substantiële investering', worden in de Europese rechtspraak
en rechtsleer verschillend geduid. Conclusies over het nuttig
effect van de richtlijn zijn vooralsnog niet te trekken.
Inleiding
De publicatie in het
Staatsblad van de Belgische Auteurswet in 1994 werd ook elders
in de Benelux met vreugde begroet. Voortaan bezaten wij
Nederlanders de oudste nog levende auteurswet in Europa, de
Auteurswet 1912. Maar dit voorrecht is betrekkelijk. De
schoonheid en eenvoud van de Nederlandse wet zijn al lang
geleden opgeofferd aan de abstractie van de Europese
eenwording. Het voortschrijdende proces van harmonisatie, dat
een van de oorzaken is geweest van de Belgische
hercodificatie, heeft ook in de Nederlandse wet diepe sporen
achtergelaten. De Europese Databankrichtlijn, waarover deze
bijdrage handelt, is hiervan slechts één voorbeeld.
Meer dan acht jaren zijn
voorbijgegaan sinds de Databankrichtlijn door de Europese
wetgever werd aanvaard.[1]
De richtlijn creëerde een uniek
tweeledig rechtsregime op grond waarvan de lidstaten verplicht
werden te voorzien in de bescherming van (elektronische en
niet-elektronische) databanken door middel van auteursrecht en
een nieuw sui generis recht, het zogenoemde
'databankenkrecht'. De uiterste datum van implementatie
verstreek op 1 januari 1998, een deadline die enkel door
Duitsland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en Oostenrijk
gehaald is. In België is de richtlijn omgezet bij wet van 31
augustus 1998, in Nederland bij wet van 8 juli 1999.
[2]
Sedert de aanvaarding van de
richtlijn heeft de Europese Commissie, de trotse vader van het
sui generis recht, het nieuwe rechtsregime trachten te
exporteren naar zoveel mogelijk landen buiten de Europese
Unie, onder meer door het onderdeel te maken van de zogenoemde
associatieovereenkomsten. Dientengevolge bestaat het
databankenrecht inmiddels in meer dan veertig staten.
Bovendien ijvert de Commissie in internationaal verband voor
de totstandkoming van een verdrag ter bescherming van
databanken. Een hiertoe strekkend ontwerp werd pas in een laat
stadium afgevoerd van de agenda van de diplomatieke
conferentie van de WIPO die in 1996 plaats had in Genève. In
een mededeling aan de WIPO gedaan in 2002 meet de Commissie
breed uit over het vermeende succes van het sui generis recht
en dringt er bij de WIPO op aan de discussie over een
internationaal verdrag te hervatten.
[3]
'The sui generis protection
operates successfully in the 15 Member States of the European
Community. […] Moreover, more than 27 other countries
associated with the European Community apply it as well. We
will have to find a common approach to the protection of
databases also at international level if all our economies are
to benefit from electronic databases and a world-wide exchange
of data on appropriate terms and conditions.'
De mededeling suggereert dat
het sui generis recht in Europa inmiddels een rustig bezit is.
Niets is echter minder waar; over wezenlijke aspecten van het
recht bestaat ruim acht jaar na de aanvaarding van de
richtlijn in de – inmiddels overvloedige – Europese
rechtspraak [4] nog steeds
grote onduidelijkheid. Ik zal dit illustreren aan de hand van
de meest wezenlijke 'databankrechtelijke' rechtsvraag: wat is
eigenlijk het object van het sui generis recht?
Wat is een databank?
Wat onder een 'databank'
verstaan moet worden, is te lezen in artikel 1 lid 2 van de
richtlijn: 'een verzameling van werken, gegevens of andere
zelfstandige elementen, systematisch of methodisch geordend,
en afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins
toegankelijk.' [5] Een
databank is dus meer dan een verzameling van data . Het
kan ook gaan om een verzameling van werken , bij
voorbeeld een bloemlezing, encyclopedie of multimedia-CD.
Eventueel kan de databank zelfs bestaan uit andere
elementen . De Europese wetgever doelt hier op
informatieproducten die niet als 'werken' of 'gegevens' zijn
aan te merken, zoals geluidsopnamen (fonogrammen) of
niet-originele foto's. Letterlijk geïnterpreteerd zou ook een
postzegelverzameling of een vlindercollectie als databank zijn
aan te merken. De toelichting bij het eerste ontwerp maakt
echter duidelijk dat de inhoud van de databank dient te
bestaan uit informatie , en wel 'information in the
widest sense of that term'. [6]
De onderdelen waaruit de
databank bestaat, moeten zelfstandig zijn. Niet iedere
verzameling van werken, gegevens of elementen is een databank
in de zin van de richtlijn. De verzameling filmbeelden die
tezamen een speelfilm vormen, is geen databank, zo blijkt uit
Overweging § 17. Het criterium van zelfstandigheid moet
voorkomen dat de richtlijn op ieder willekeurig
informatieproduct van toepassing zou zijn. Maar in een
digitale omgeving is dit criterium niet bijzonder
onderscheidend. In wezen is ieder informatieproduct, eenmaal
gedigitaliseerd, op te vatten als een verzameling enen en
nullen. Een zekere 'zelfstandige' betekenis valt aan de
afzonderlijke gegevens meestal niet te ontzeggen. Gevallen
waarin met toepassing van dit criterium bescherming aan een
vermeende 'databank' ontzegd werd, zijn dan ook zeldzaam.
Volgens het Landgericht in München is een digitaal
muziekbestand in Midi-formaat niet aan te merken als een
'databank', omdat de gegevens waaruit het bestand is opgebouwd
zelfstandigheid ontberen. [7]
Een tweede beperking van het
databankbegrip is gelegen in de eis dat de verzameling
systematisch of methodisch geordend is. De
spreekwoordelijke schoenendoos met losse aantekeningen is dus
geen databank; de harde schijf vol ongesorteerde, ruwe
gegevens evenmin. [8]
Daarentegen valt in Overweging § 21 te lezen 'dat dit
materiaal niet op een materieel geordende wijze hoeft te zijn
opgeslagen.' Kennelijk is in combinatie met de nodige
zoekprogrammatuur een verzameling van ruwe gegevens wel
degelijk een databank.
De databank moet, zoveel is
duidelijk, voldoende 'doorzoekbaar' zijn. Voor elektronische
databanken, waarop het begrippenkader van de richtlijn is
toegesneden, levert dit vereiste meestal geen problemen op.
Maar hoe deze eis toe te passen op een gegevensverzameling in
'papieren' vorm? Deze vraag stond centraal in een zaak die in
Nederland recent veel stof heeft doen opwaaien, de zaak
Wegener/Hunter. [9] Hunter
is exploitant van de website
http://www.nationalevacaturebank.nl , waarin vacaturemeldingen
waren opgenomen afkomstig uit de dagbladen van Wegener. Hunter
nam de peroneelsadvertenties die in de kranten verschenen
echter niet letterlijk over, doch ontleende hieraan enkel de
belangrijkste gegevens, zoals de naam en het adres van de
adverteerder, de geadverteerde functie, delen van de
functieomschrijving, het salaris, de naam van de werkgever,
etc. Wegener beriep zich op het sui generis recht met
betrekking tot de vacaturerubrieken in de kranten. Volgens de
rechter in eerste instantie
[10] waren deze rubrieken echter geen 'databanken'. De
globale ordening die in de rubrieken was aangebracht was
onvoldoende voor 'het snel en efficiënt kunnen raadplegen van
de opgeslagen informatie'. Immers, 'voor het opsporen van een
specifiek gewenste personeelsadvertentie is enig zoekwerk
vereist niettegenstaande er bij deze deelverzameling – net als
bij de krant in zijn geheel – sprake is van een zekere
ordening'.
Dat liet uitgever Wegener
zich niet tweemaal zeggen. Voor de zaak in appel bepleit werd,
kregen de krantenredacties instructie de vacaturerubrieken
zoveel mogelijk te indexeren. Met succes; naar het oordeel van
het Gerechtshof te Leeuwarden waren de rubrieken wel voldoende
'systematisch of methodisch' geordend. Daarbij overwoog het
hof dat dit criterium niet een eis van 'snel en efficiënt
kunnen raadplegen van de opgeslagen informatie' impliceert.
Een databanken dient,
tenslotte, afzonderlijk met elektronische middelen of
anderszins toegankelijk te zijn. Met 'afzonderlijk' wordt
bedoeld dat de opgeslagen gegevens, werken of andere elementen
individueel kunnen worden opgevraagd. Dit criterium speelde
een belangrijke rol in een Belgische zaak die handelde over
een systeem van kleurcodering. Volgens de rechter waren de
kleuren niet afzonderlijk opvraagbaar, zodat het complete
scala van kleuren niet als 'databank' kon worden aangemerkt.
[11]
Niettegenstaande de besproken
drie criteria laat de Europese rechtspraak zien dat het
databankbegrip zeer open gedefinieerd is en ruimte laat voor
bescherming van een breed scala van informatieproducten. Zo
werden als databanken aangemerkt: telefoongidsen,
wettenverzamelingen, huizenmarkten, omroepprogrammagegevens,
bibliografieën, encyclopedieën, bloemlezingen,
evenementinformatie, vacaturebanken, adressenlijsten,
handelsregisters, tentoonstellingscatalogi, websites met
toeristische inlichtingen, verzamelingen van hyperlinks,
hitparades, etc. Een kaartsysteem met beschrijvingen van 530
beeldhouwerken, dat gebruikt werd ter voorbereiding van een
boekpublicatie, werd door het Belgische Hof van Cassatie
eveneens als databank gekwalificeerd.
[12] Volgens de Britse
rechter Jacob gold dit zelfs voor de geheugenchip in een
snoepautomaat die het mogelijk maakt een ingeworpen muntstuk
automatisch te herkennen.
[13]
Wat is substantiële
investering?
Het sui generis recht is
evident een vorm van prestatie- of investeringsbescherming.
Het recht strekt er toe 'aanzienlijke menselijke, technische
en financiële inspanningen' te beschermen (Overweging § 7); de
investering is een 'kwestie van geld en/of tijd, moeite en
energie' (Overweging § 40). Deze investering moet
substantieel zijn; maar hoe omvangrijk vermeldt de
richtlijn niet. Een kleine aanwijzing is te vinden in
Overweging § 19, die verduidelijkt 'dat de compilatie van
meerdere vastleggingen van muziekuitvoeringen op een CD
normaliter niet binnen het toepassingsgebied van de Richtlijn
valt [...] omdat zij niet een voldoende substantiële
investering vertegenwoordigt om onder het recht sui generis te
vallen.' [14]
De investering kan
kwalitatief of kwantitatief van aard zijn, aldus de
richtlijn. Wat met 'kwantitatief' bedoeld wordt, is wel
duidelijk: de investering dient voldoende groot te zijn. In
een van de eerste uitspraken over het sui generis recht
oordeelde het Duitse federale gerechtshof dat de investeringen
in de productie van een telefoongids door Deutsche Telekom
'substantieel' waren; het hof sloeg daarbij acht op de vele
miljoenen marken die jaarlijks in het bijhouden van de gids
gestoken werden. [15] Het
hof schonk echter geen aandacht aan het 'spin-off' argument,
waarover hieronder meer. In de Belgische zaak Spot/Canal
Numédia maakte de rechter het zich wel erg gemakkelijk door te
oordelen dat eisers investering in een website met
bioscoopinformatie wel substantieel moest zijn, omdat gedaagde
aanvankelijk voor het gebruik ervan betaald had.
[16]
Wat onder een kwalitatieve
investering verstaan moet worden, is niet aanstonds
begrijpelijk. Waarschijnlijk wordt gedoeld op
wetenschappelijke, innovatieve of anderszins intellectuele
arbeid die niet met auteursrecht beloond wordt. Men denke aan
het arrest in de zaak Van Dale/Romme,
[17] waarin de
Nederlandse Hoge Raad deed uitkomen dat het 'deskundig'
selecteren van trefwoorden (door hierin gespecialiseerde
lexicografen) voor auteursrechtelijke bescherming onvoldoende
was. Het is echter niet eenvoudig een grens te trekken tussen
kwalitatieve investering en auteursrechtelijke originaliteit.
Rechtspraak op dit punt is er tot op heden nauwelijks. Een
uitzondering vormt de Franse zaak Cadremploi/Keljob,
waarin ge oordeeld werd dat het ontwerpen van een website een
kwalitatieve investering opleverde.
[18] Waarschijnlijk had
een auteursrechtelijke beoordeling tot een zelfde resultaat
geleid.
Investering waarin?
De investering moet
gedaan zijn in 'de verkrijging, de controle of de presentatie
van de inhoud' van de databank, aldus de richtlijn. Er moet
een zeker verband bestaan tussen de investering en de databank
waarvoor bescherming wordt ingeroepen. Maar welke
investeringen wel en niet mogen worden meegeteld, is
onduidelijk. Deze vraag is vooral problematisch als het gaat
om gegevensverzamelingen die als bijproduct van andere
activiteiten, als het ware 'vanzelf', tot stand komen.
Voorbeelden zijn programmaoverzichten, dienstregelingen,
telefoongidsen en competitieschema's. Mogen de kosten en
moeite waarmee het genereren van de gegevens gepaard is
gegaan, als investering in aanmerking worden genomen, ook
indien vast staat dat deze inspanningen niet op het tot stand
brengen van de databank gericht zijn?
[19]
In een zaak over de
bescherming van de programmagegevens van de Nederlandse
publieke omroep overwoog het Gerechtshof te Den Haag 'dat de
omroepen, waarvan de primaire taak is om landelijk radio- en
televisieuitzendingen te verzorgen, deze taak niet kunnen
vervullen zonder programmagegevens te verzamelen en
programmalijsten op te stellen, waarbij, nu het tegendeel niet
aannemelijk is geworden, moet worden aangenomen dat met het
enkele opstellen van programmalijsten geen (afzonderlijke)
substantiële investeringen in tijd, geld of anderszins zijn
gemoeid.' [20] Daarmee
omarmde het hof de zogenoemde 'spin-off' theorie, die eerder
door de Nederlandse wetgever tijdens de parlementaire
behandeling van de implementatiewet verdedigd was. In een
eerdere zaak over de bescherming van een telefoongids werd
door het Arnhemse gerechtshof echter in tegengestelde zin
geoordeeld. [21] Van een
duidelijke consensus over deze kwestie is in de Nederlands
rechtspraak dan ook nog geen sprake.
Elders in Europa woeden
vergelijkbare controverses. In het geschil tussen de British
Horseracing Board, het orgaan dat in Groot-Brittannië met het
organiseren van de paardenrennen is belast, en wedkantoor
William Hill gaat het om de vraag of de gegevens die William
Hill aan de BHB-databank onttrekt door het databankenrecht
beschermd zijn. In eerste instantie oordeelde de Britse
rechter Laddie:
'As one would expect, effort
put into creating the actual data which is subsequently
collected together in the database is irrelevant. This is
confirmed by art. 7(4) which draws a distinction between
rights in the database and rights in the data within the
database. […] For this reason, the costs and effort involved
in BHB fixing the date of a racing fixture does not count
towards the relevant investment to which database right is
directed.' [22]
In appel is door het Engelse
hof van beroep een aantal prejudiciële vragen aan het Hof van
Justitie voorgelegd, waarvan met name de tweede van belang is.
[23] De Britse rechter
wenst van het Hof te vernemen wat onder het 'verkrijgen' van
gegevens precies verstaan moet worden. In een Finse en een
Zweedse zaak, die eveneens op het gebruik van
wedstrijdgegevens voor gokdoeleinden betrekking hebben, zijn
vergelijkbare vragen gesteld. Inmiddels is de conclusie van
Advocaat-Generaal Stix-Hackl in deze zaken bekend.
[24] Zij velt een
dubbelzinnig oordeel over de spin-off theorie. Enerzijds
bevestigt zij dat de inspanningen die gemoeid gaan met het
genereren van de gegevens niet als 'investeringen' in de
databank, waarin deze gegevens zijn verzameld, mogen
meetellen. Onder 'verkrijgen' valt nu eenmaal niet het
'creëren' van gegevens, zo concludeert zij (par. 42).
Anderzijds verwerpt zij de 'spin-off' leer met zoveel woorden
(par. 47), en meent zij dat als het genereren van de gegevens
samenvalt met de productie van de databank, de gedane
investeringen wel in aanmerking genomen mogen worden (par.
43-46). Hoe zij tot dit oordeel komt, is echter niet
duidelijk.
Slot
Zoals het voorgaande
overzicht laat zien, zijn meer dan acht jaar na aanvaarding
van de Databankrichtlijn de contouren van het sui generis
recht nog steeds in nevelen gehuld. Kernbegrippen zoals de
definitie van 'databank' en de eis van 'substantiele
investering' worden in de rechtspraak en rechtsleer zeer
verschillend geduid. Is het databankbegrip zo breed dat
hieronder zelfs gedrukte dagbladen zijn te begrijpen, objecten
waaraan de ontwerpers van de richtlijn wel nooit gedacht
zullen hebben? Zijn databanken die het directe resultaat zijn
van activiteiten die als bijproduct gegevens genereren, zoals
het verzorgen van een telefoondienst of omroepuitzending,
beschermd? Zolang deze belangrijke vragen niet eenduidig zijn
beantwoord, is het veel te vroeg de balans op te maken van het
nieuwe recht. Het is in elk geval voorbarig te concluderen,
zoals de Europese Commissie dat in haar mededeling aan de WIPO
gedaan heeft, dat het recht 'succesvol in de lidstaten van de
Gemeenschap functioneert'. Voor een zo optimistische conclusie
is niet enkel eensluidende (of liever nog: eenvormige)
jurisprudentie vereist, maar ook gedegen economisch onderzoek
naar de positieve en negatieve effecten van de invoering van
het sui generis recht. Met dat al valt nieuwsgierig uit te
zien naar het evaluatierapport door de Europese Commissie, dat
door artikel 16 lid 2 van de richtlijn is voorgeschreven en al
geruime tijd aanstaande is.
Noten
[1] Richtlijn 96/9/EG van
het Europese Parlement en de Raad van 11 maart 1996
betreffende de rechtsbescherming van databanken, Pb EG L 77
van 27 maart 1996, p. 20 .
[2] Wet van 8 juli 1999,
Stb. 1999, 303.
[3] Submission from the
European Community and its Member States on the legal
protection of databases, Brussel, 22 november 2002, te vinden
onder
http://europa.eu.int/comm/internal_market/en/intprop/news
[4] Zie het door het
Instituut voor Informatierecht samengestelde overzicht van
Europese rechtspraak in 'The Database Right File',
http://www.ivir.nl/files/database/index.html
[5] Zie over
dit begrip uitvoerig A.A. Quaedvlieg, Informatierecht/AMI
2000/9, p. 177-186; en E. Derclaye, 'What is a Database?',
Journal of Intellectual Property Law 2002/6, p. 981-1011.
[6] Toelichting bij het
ontwerp van richtlijn, p. 19.
[7] Landgericht München I
30 maart 2000, Computer und Recht 2000, p. 389, met
noot M. Lehmann.
[8] De Toelichting bij het
ontwep van richtlijn sluit 'the mere stockage of quantities of
works or materials in electronic form' van de definitie uit
(p. 41).
[9] Hof Leeuwarden 27
november 2002, AMI 2003/2, p. 59-63, met noot P.B.
Hugenholtz.
[10] Voorzieningenrechter
Groningen 18 juli 2002, AMI 2002/5, p. 196-198, met
noot K.J. Koelman.
[11] Hof van beroep te
Brussel van 7 december 2001, JLMB, 2002, p. 873.
[12] Hof van Cassatie 11
mei 2001, Auteurs & Media 2001-3, p. 353-357 (Art
Research & Contact/S. Boas).
[13] High Court, Chancery
Division 11 juni 1999, EIPR 1999, N-158
(Mars/Teknowledge).
[14] Het voorbeeld van de
muziek-CD is niet toevallig gekozen; de Europese wetgever
wilde cumulatie van de richtlijn met het naburig recht van de
platenproducent (het fonogrammenrecht) uitsluiten.
[15] Bundesgerichtshof 6
mei 1999, Multimedia und Recht 1999, p. 470
(Tele-Info-CD), met noot J. Gaster.
[16] Rechtbank van eerste
aanleg Brussel 18 januari 2002, Revue Ubiquité - Droit des
Technologies de l'Information, 2002, nr. 12, p. 95-102 (
Spot/Canal Numédia).
[17] Hoge Raad 4 januari
1991, NJ 1991, 608 met noot DWFV; Computerrecht 1991 ,
p. 84 met noot. P.B. Hugenholtz (Van Dale/Romme).
[18] Tribunal de grande
instance Parijs 5 september 2001 ( Cadremploi/Keljob).
[19] Zie over deze vraag
uitvoerig P.B. Hugenholtz, 'De spin-off theorie uitgesponnen',
AMI 2002, p. 161.
[20] Hof Den Haag 30
januari 2001, Mediaforum 2001/2, p. 90, met noot T.F.W.
Overdijk; AMI 2001/3, p. 73, met H. Cohen Jehoram.
Tegen het arrest is cassatieberoep ingesteld.
[21] Hof Arnhem 15 april
1997, Informatierecht/ AMI 1997/10, p. 218;
Computerrecht 1997/6, p. 314 m.nt. H. Struik (KPN/Denda).
[22] High Court of
Justice, Ch. Div., 9 februari 2001, Zaak No. HC 2000 1335.
Uiteindelijk kwam de rechter tot het oordeel dat de databank
van de BHB als geheel wel sui generis bescherming
toekomt.
[23] Pb EG C
180/14 van 27 juli 2002. De tweede vraag luidt: “What is meant
by 'obtaining' in Article 7(1) of the Directive? […]”.
[24] Conclusie A.G.
Stix-Hackl 8 juni 2004, Zaak C-203/02 (BHB/William Hill).
|