|
HR
16 juni 2006, JOL
2006, 375, RvdW
2006, 609, LJN: AU8940 (mrs.
D.H. Beukenhorst, P.C. Kop, E.J. Numann, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser;
A-G mr. D.W.F. Verkade)
Nabootsing
van een parfum; vraag of een geur(combinatie) auteursrechtelijke bescherming
kan genieten; de omschrijving van 'werk' in art. 10 van de Auteurswet luidt
algemeen en belet niet daaronder een geur(combinatie) te begrijpen; beslissend
is of het gaat om een voortbrengsel dat vatbaar is voor menselijke waarneming
en of het een eigen, oorspronkelijk karakter heeft; dat het
menselijk reukzintuig aan het vermogen tot het onderscheiden van geuren grenzen
stelt, doet hieraan niet af, evenmin als de omstandigheid dat niet alle bepalingen
en beperkingen in de Auteurswet op 'geurwerken' kunnen worden toegepast;
de geur van een parfum mag niet worden vereenzelvigd met de reukstof(fen)
die de geur teweegbrengen.
Samenvatting
Kecofa brengt onder de merknaam
'Female Treasure' flacons eau de parfum op de markt, waarvan de geur sterk
doet denken aan het parfum 'Trésor' van Lancôme. Een poging
van Lancôme om op grond van merkinbreuk de verkoop van 'Female Treasure'
te verbieden is in 1997 bij het Hof Amsterdam mislukt. [1] Volgens het Hof bestond er tussen beide merken onvoldoende overeenstemming.
Vervolgens heeft Lancôme Kecofa in 2000 opnieuw gedagvaard, ditmaal
voor de rechtbank Maastricht. Lancôme baseert zich nu ook op auteursrechtelijke
bescherming voor haar parfum. Deze grondslag staat in cassatie centraal.
Nadat de rechtbank in een tussenvonnis
had geoordeeld dat een geurcombinatie in beginsel voor auteursrechtelijke
bescherming in aanmerking komt, kwam ook het Hof Den Bosch tot het oordeel
dat het parfum Trésor kan worden aangemerkt als een oorspronkelijk
werk in de zin van de Auteurswet. Anders dan de rechtbank ging het hof hierbij
uit van de samenstelling van de reukstof. De oorspronkelijkheid van het parfum
volgde volgens het hof onder meer uit het door Lancôme geschetste creatieve
proces van parfum-ontwerpen, en uit het feit dat Trésor 'vanwege zijn
geur bij zijn introductie al direct bijzonder populair was'. Het hof oordeelde
verder dat de enkele omstandigheid dat een parfum wat betreft een aantal
algemeen omschreven kenmerken zou passen binnen een bepaalde stijl of traditie,
onvoldoende is om te besluiten dat het niet oorspronkelijk is. De stelling
van Kecofa dat het parfum Trésor een bewerking is van het parfum Eternity
van Calvin Klein achtte het hof onvoldoende onderbouwd. Mede op basis van
een door Lancôme overgelegd Frans onderzoeksrapport, waaruit zou blijken
dat 24 van de 26 bestanddelen van beide parfums identiek zijn, concludeerde
het Hof vervolgens dat Female Treasure is aan te merken als een ongeoorloofde
verveelvoudiging van Trésor, zodat Kecofa inbreuk maakt op het auteursrecht
van Lancôme .
In cassatie bestrijdt Kecofa niet
dat een geur(combinatie) in beginsel in aanmerking komt voor auteursrechtelijke
bescherming, maar wel dat de samenstelling van een reukstof een werk in auteursrechtelijke
zin kan zijn. Volgens Kecofa kan eenzelfde geur door reukstoffen van zeer
verschillende samenstelling worden voortgebracht, en een kleine variatie
in de samenstelling tot een wezenlijk andere geur leiden. Het hof had zich
derhalve niet op het Franse onderzoeksrapport, dat bovendien pas in een zeer
laat stadium door Lancôme was overlegd, mogen baseren.
De Hoge Raad stelt voorop (ro.
3.3.2) dat een geur- of geurcombinatie in aanmerking kan komen voor auteursrechtelijke
bescherming:
De in art. 10 Aw,
naast de niet-limitatieve opsomming van werksoorten, neergelegde omschrijving
van wat als 'werk' in de zin van die wet moet worden verstaan luidt algemeen
en belet niet daaronder een geur te begrijpen. Dat brengt mee dat voor de
vraag of een geur in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming
beslissend is of het daarbij gaat om een voortbrengsel dat vatbaar is voor
menselijke waarneming en of het een eigen, oorspronkelijk karakter heeft
en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Het werkbegrip van de Auteurswet
vindt weliswaar zijn begrenzing waar het eigen, oorspronkelijk karakter enkel
datgene betreft wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een technisch
effect, maar nu bij een parfum van een louter technisch effect geen sprake
is, belet ook deze laatste eis niet het toekennen van auteursrechtelijke
bescherming aan de geur van een parfum. De omstandigheden dat de eigenschappen
van het menselijk reukzintuig aan het vermogen tot het onderscheiden van
geuren grenzen stellen en dat de mate waarin men afzonderlijke geuren kan
onderscheiden van mens tot mens verschilt, doen aan het vorenstaande niet
af, evenmin als de omstandigheid dat de specifieke aard van geuren tot gevolg
heeft dat niet alle bepalingen en beperkingen in de Auteurswet daarop onverminderd
toepassing kunnen vinden, gelet bijvoorbeeld op het, aan de normale verbruiker
niet te ontzeggen, gebruik van een parfum, dat naar zijn aard noodzakelijkerwijs
verspreiding van de geur meebrengt.
Een geur kan, ook voor de toepassing van het auteursrecht,
niet worden vereenzelvigd met de stof of stoffen die de geur teweegbrengen.
Deze stof of stoffen fungeren als - niet noodzakelijkerwijs exclusieve -
belichaming van het werk dat de geur is, en zij dragen er tevens toe bij
dat de geur niet, als te vluchtig of onstabiel, van auteursrechtelijke bescherming
moet worden uitgesloten. Bij een parfum dient de geur dan ook te worden onderscheiden
van het mengsel van stoffen waaruit het parfum is samengesteld en waaruit,
wanneer het mengsel is blootgesteld aan de open lucht, de gasvormige geurstoffen
vrijkomen die met het reukorgaan kunnen worden waargenomen.
De klacht van Kecofa dat
het hof ten onrechte is uitgegaan van de reukstof in plaats van de geur,
wordt door de Hoge Raad terzijde geschoven (ro. 3.3.3):
Het hof heeft [...]
zij het in minder gelukkige bewoordingen, tot uitdrukking gebracht dat de
auteursrechtelijke bescherming toekomt aan de geur, zoals die in de zich
in de parfumflesjes bevindende reukstof is vastgelegd. Bij de beoordeling
van de inbreukvraag heeft het hof vervolgens terecht onderzocht of de geur
Female Treasure als verveelvoudiging van het werk Trésor moet worden
aangemerkt.
Omdat ook de andere cassatieklachten
van Kecofa (onder meer over het in een laat stadium overleggen van het onderzoeksrapport,
waardoor Kecofa in haar verdediging zou zijn geschaad) geen doel treffen,
wordt het cassatieberoep verworpen.
Noot
Studentes die voor een
prikje lekker willen ruiken kunnen al jaren terecht bij de Kerkraadse Cosmetica
Fabriek BV (Kecofa). Onder het motto Alleen Uw Beurs Ruikt Het Verschil
produceert Kecofa 'smell-alikes' van allerlei bekende parfums, en verkoopt
deze zeer goedkoop onder namen die aan de nageaapte merken doen denken. Het
Lancôme-parfum 'Trésor' heet in de Kecofa-versie 'Female Treasure',
en was tot voor kort te koop voor minder dan vijf Euro per fles van 100 ml.
En dat is natuurlijk geen geld voor een geur die door Kecofa als volgt beschreven
werd: ' Top Notes: Peach, Apricot, Pineapple, Bergamot, Green Note.
Middle Notes: Rose, Orris, Lily of the Valley, Jasmin, Heliotrope.
Base Notes: Sandal, Cedar, Musk, Amber, Vanilla, Cinnamon.'
Bestaat er auteursrecht op de originele
geur van een parfum? De Hoge Raad meent in navolging van de Maastrichtse
rechtbank en het Bossche hof van wel, en schrijft daarmee wereldgeschiedenis.
Voor het eerst laat een hoogste nationale rechter het parfum toe tot het
auteursrechtelijke paradijs. Een mooie primeur voor het Nederlandse auteursrecht,
maar ook een uitspraak die vragen oproept. [2]
Het auteursrecht beschermt 'werken
van letterkunde, wetenschap of kunst'. Art. 10 lid 1 van de Auteurswet geeft
een groot aantal voorbeelden van werken, inclusief 'toneelwerken', 'pantomines'
en 'muziekwerken', maar geuren of parfums komen in deze opsomming niet voor.
Dat is echter niet beslissend; de werkenlijst van art. 10 Aw is niet-limitatief,
zoals blijkt uit het slot van het eerste lid: 'en in het algemeen ieder
voortbrengsel op het gebied van letterkunde, wetenschap of kunst, op welke
wijze of in welken vorm het ook tot uitdrukking zij gebracht'.
De eerste vraag is dus of hier
sprake is van een ' voortbrengsel op het gebied van letterkunde, wetenschap
of kunst'. Valt de geur van een parfum binnen het domein dat traditioneel
door het auteursrecht wordt bestreken? Deze 'domeinvraag', die vooral tot
doel heeft het auteursrecht systematisch van andere rechten van intellectuele
eigendom (met name het octrooirecht) af te bakenen, wordt in de Nederlandse
rechtstheorie en -praktijk meestal overgeslagen. Het begrip 'letterkunde,
wetenschap of kunst' is zo ruim, dat de meeste menselijke scheppingen daar
wel onder vallen. De Hoge Raad stapt, mijns inziens te gemakkelijk, over
deze voorvraag heen, en volstaat met de opmerking dat 'het werkbegrip van
de Auteurswet zijn begrenzing [vindt] waar het eigen, oorspronkelijk karakter
enkel datgene betreft wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een technisch
effect'. Inderdaad, het auteursrecht beschermt geen technische effecten,
maar daarmee is de domeinvraag nog niet beantwoord . Behoort het ontwerpen
van een parfum tot het domein van 'letterkunde, wetenschap of kunst' (kortweg
cultuur), of bevinden we ons hier eerder op het terrein van industrie en
nijverheid, waarvoor andere wettelijke vereisten en veel kortere beschermingstermijnen
gelden? Het ontwikkelen van een nieuwe douche-gel, een diepvriesmaaltijd
of het kleurengamma van een verffabriek wordt evenmin door de techniek bepaald,
en is ongetwijfeld creatief, maar wordt daardoor nog niet met auteursrechtelijke
bescherming beloond. Auteursrechtelijke bescherming impliceert in casu dat
de geur van Trésor tot 70 jaar na de dood van haar ontwerper(s)
dus wellicht tot het eind van deze eeuw gemonopoliseerd blijft. Het
is de vraag of dat uit een oogpunt van vrije mededinging wenselijk is.
De Hoge Raad concentreert zijn
analyse op twee andere, in de rechtspraak en rechtsleer ontwikkelde criteria:
waarneembaarheid (het werk moet zijn geuit) en oorspronkelijkheid (het werk
moet een eigen oorspronkelijk karakter hebben en het persoonlijk stempel
van de maker drager). Aan de eerste eis is eenvoudig voldaan; de geur van
een parfum is door de mens waarneembaar, ook al verschilt de mate waarin
een mens geuren kan onderscheiden van persoon tot persoon. Ook de eis van
een eigen oorspronkelijk karakter is overkomenlijk. Het ontwerpen van een
parfum is een creatief proces, waarin subjectieve (esthetische) keuzen worden
gemaakt.
Blijft over het door sommigen
[3] geopperde wetstechnische bezwaar dat een 'geurwerk' in het auteursrechtelijke
systeem niet goed valt in te passen. Als een parfum onder het auteursrecht
valt, is het in het openbaar dragen ervan 'openbaar maken', een handeling
waarvoor normaliter de toestemming van de rechthebbende vereist is. Mag de
geparfumeerde consument straks zonder 'gebruikslicentie' niet meer de straat
op? Zo'n vaart zal het wel niet lopen, [4] maar de voorbeelden van op winst gerichte parfum-openbaarmaking (onder
meer door stewardesses en coiffeusses) die AG Verkade in zijn conclusie fantaseert,
doen vermoeden dat er over auteursrecht op parfums nog heel wat meer te procederen
valt.
Stof tot overpeinzing biedt ook
het onderscheid tussen geur en reukstof, dat als een rode draad door het
Parfumarrest loopt. Nadat de rechtbank in eerste instantie auteursrechtelijke
bescherming van de geur van een parfum in beginsel had aanvaard, spitst het
hof zijn analyse toe op de fysieke samenstelling van het parfum: de reukstof.
Uiteindelijk strijkt de Hoge Raad deze plooi weer glad door in het arrest
van het hof, heel welwillend, te lezen 'dat de auteursrechtelijke
bescherming toekomt aan de geur, zoals die in de zich in de parfumflesjes
bevindende reukstof is vastgelegd'. Inderdaad kan aan de reukstof als zodanig
uit de aard der zaak geen auteursrechtelijke bescherming toekomen. Het auteursrecht
beschermt nu eenmaal immateriële creaties, geen tastbare goederen. Maar
welke immateriële creatie? Gaat het om de combinatie van ingrediënten
(de receptuur) die de specifieke geur veroorzaken? Of is het de 'geurcompositie'
zelf, die los staat van de chemische samenstelling van het parfum? Het onderscheid
is belangrijk, omdat receptuur en geur zich niet 1:1 tot elkaar verhouden.
[5] Een kleine verandering in het recept kan een grote verandering in
de geur tot gevolg hebben. Omgekeerd kunnen reukstoffen van geheel verschillende
samenstelling een zelfde geur teweegbrengen. [6] Receptuur de samenstelling van een stof is in wezen
octrooirechtelijke materie, en hoort dus niet thuis in het auteursrecht.
Maar een auteursrecht op de geurcompositie ('geurwerk'), waarvoor de Hoge
Raad zich sterk maakt, schept ook de nodige problemen. Het omvat in wezen
alle mogelijk manieren om dezelfde of een gelijkende geur te realiseren,
tenzij er van ontlening (nabootsing) geen sprake is. Een auteursrecht op
geurwerken is dus bijzonder krachtig.
Hier komt bij dat een geurwerk
zonder deskundig 'psychosensorisch' onderzoek moeilijk valt te objectiveren.
Het menselijke reukzintuig is onderontwikkeld, waardoor geuren (net als smaken)
sterk verschillen. Het verbaast niet dat het hof een eigen reukoordeel niet
heeft aangedurfd, en grotendeels is afgegaan op het (au fond partijdige)
oordeel van het Franse onderzoeksbureau. Dit alles betekent dat de beschermingsomvang
van een geurwerk niet precies is vast te stellen, waardoor de rechtszekerheid
gevaar loopt. Hierbij speelt een rol dat het auteursrecht, anders dan andere
rechten van intellectuele eigendom, geen registratievereiste stelt. In het
merken- en modellenrecht is de beschermingsomvang onmiddellijk te kennen
uit een openbaar register. In het auteursrecht is aan zo'n register meestal
geen behoefte, omdat het werk in kwestie doorgaans duidelijke contouren heeft:
een concrete film, roman of computerprogramma. Die natuurlijke contouren
ontbreken bij een geurwerk. Hier had de werkenlijst van art. 10 Aw, die
enkel scheppingen noemt die zijn gericht tot oog en oor en daardoor vrij
nauwkeurig zijn af te bakenen, de Hoge Raad tot leidraad kunnen zijn.
Juist omdat een geur zich zo lastig
laat duiden, heeft het Europese Hof van Justitie de mogelijkheid van
merkenrechtelijke bescherming van olfactorisch tekens ( 'geurtekens')
enkele jaren geleden afgewezen. [7] Voor de registratie als merk geldt de eis van grafische voorstelling.
Het teken moet nauwkeurig beschreven kunnen worden, anders biedt het merkenregister
onvoldoende rechtszekerheid aan derden. I n het geval van een geurteken voldoet
volgens het Hof 'noch een scheikundige formule, noch een beschrijving met
woorden, noch het depot van een geurmonster noch een combinatie daarvan'
aan deze eis.
Drie dagen voor het het arrest
van de Hoge Raad, op 13 juni 2006, wees het Franse Cour de Cassation auteursrechtelijke
bescherming van de geur van een parfum radicaal af. De geur is het resultaat
van toegepaste know-how en komt daardoor niet in aanmerking voor auteursrechtelijke
bescherming, aldus vrij vertaald de hoogste Franse rechter. [8] Een mooi geval van omgekeerde wereld. Kecofa zal binnenkort naar
Parijs verhuizen, en Zuid-Limburg verheugt zich op de komst van de Franse
parfumhuizen.
Noten
[1]
Hof
Amsterdam 17 april 1997, te kennen uit HR 13 november 1998, NJ 1999, 133.
[2]
Zie
voor een uitvoerige analyse van de belangrijkste rechtsvragen de mooie conclusie
van AG Verkade.
[3]
P.B.
Hugenholtz, AMI 2002-5, p. 195.
[4]
Aldus ook A.A. Quaedvlieg, AMI 2006, 14.
[5]
J.E.R. Frijtters en C.P.M. van Houte, 'De
geur van parfum zit niet in de fles', NJB 2004, p. 1988 e.v.
[6]
Vergelijkbare auteursrechtelijke problemen
doen zich voor in de kookkunst. Zie P.B. Hugenholtz 'Recept, Gerecht en
Auteursrecht',
in: D.W.F. Verkade en D.J.G. Visser, Intellectuele eigenaardigheden,
Deventer: Kluwer 1998, p. 175-179, alsmede
E.J. Dommering, AMI 1992/1, p. 17.
[7]
HvJ EG 12 december 2002, C-273/00, NJ 2003,
600 m.nt. JHS (Sieckmann).
[8]
H. Cohen Jehoram, NJB 2006, p. 1627.
|