| Het collectieve
rechtenbeheer staat in Nederland van oudsher in het teken van
het monopolie. Onder invloed van het Europese
mededingingsrecht krijgen de rechtenorganisaties echter steeds
meer te maken met (vooral buitenlandse) concurrentie. Wordt
het tijd de markt voor het collectieve rechtenbeheer vrij te
maken? Welke lessen kunnen we trekken uit de liberalisatie van
de telecommunicatiemarkt?
Inleiding
Is concurrentie tussen
rechtenorganisaties wenselijk? De Nederlandse wetgever vindt
kennelijk van niet. De belangrijkste rechtenorganisatie op het
terrein van de naburige rechten, SENA, opereert op basis van
een wettelijk monopolie. Blijkens art. 15 WNR dient betaling
van de billijke vergoeding voor secundair gebruik van
fonogrammen te geschieden 'aan een door Onze Minister van
Justitie aan te wijzen representatieve rechtspersoon die met
uitsluiting van anderen met de inning en verdeling van deze
vergoeding is belast'; en dat is SENA.
SENA's tegenvoeter in het
auteursrecht, BUMA, geniet eveneens een wettelijk monopolie,
al zit dat wat ingewikkelder in elkaar. Artikel 30a van de
Auteurswet (het 'BUMA-artikel') schept op zich geen monopolie,
maar een vergunningenstelsel. Het monopolie zit verborgen in
het K.B. van 1932, dat op art. 30a is gebaseerd. Het K.B.
bepaalt dat de ministeriële toestemming 'bij voorkeur' wordt
verleend 'aan één rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid, welke door organisaties van Nederlandse
componisten en muziekuitgevers is gesticht'. Die rechtspersoon
is BUMA.
De geschiedenis van het
BUMA-monopolie is nauw verbonden met het onderwerp van deze
bijdrage. Tot BUMA het alleenrecht op de
muziekrechtenbemiddeling in Nederland verkreeg, moest zij
opboksen tegen de Franse SACEM, die destijds niet alleen in
Frankrijk, maar in grote delen van Europa (zelfs in het
Verenigd Koninkrijk) opereerde. Die mededinging ging SACEM zo
goed af, dat BUMA eraan ten onder dreigde te gaan. Door de wet
van 1932 kon SACEM in Nederland haar biezen pakken.
[2]
De toenmalige minister van
Justitie Donner noemde verschillende redenen voor de
introductie van een wettelijke regeling. Allereerst wees hij
op de afwezigheid van overheidstoezicht op het functioneren
van de bureaus, en aan de behoeften van muziekgebruikers om
bij één bureau toestemming voor een volledig repertoire te
verkrijgen. [3]
Verder werden 'culturele belangen' aangevoerd; door de
dreigende ondergang van BUMA zouden de Nederlandse componisten
grote schade lijden. [4]
En tenslotte redenen van doelmatigheid: het opereren van
meerdere rechtenbureaus naast elkaar werd inefficiënt geacht.
[5]
Tijdens de parlementaire
behandeling bleken diverse kamerleden bezwaar te hebben tegen
een wettelijk monopolie. Deze leden begrepen niet waarom
overheidsingrijpen in deze markt noodzakelijk was, en waarom
concurrentie op dit terrein, zoals elders gebruikelijk, zo
ongewenst was. Opgemerkt werd dat het verrichten van
bemiddeling inzake muziekauteursrecht geen 'naar zijn aard
monopolistisch bedrijf' is, en dat concurrentie zelfs 'zeer
nuttig' kan zijn. [6]
Daarentegen ging het wetsvoorstel de leden van de CPN
nog niet ver genoeg. CPN-kamerlid Wijnkoop sprak zelfs van
'fascistische wetgeving';
[7] liever had de CPN gezien dat de
muziekbemiddeling in handen kwam van een staatsbedrijf.
Ondanks deze en andere bezwaren tegen het wetsvoorstel werd
artikel 30a Auteurswet uiteindelijk met grote kamermeerderheid
aanvaard.
Tijdens de kamerbehandeling
rees ook de vraag of artikel 30a zich uitstrekt buiten de
Nederlandse landsgrenzen. Zou SACEM niet vanuit Frankrijk haar
bemiddelingsactiviteiten gericht op Nederland straffeloos
kunnen voortzetten? Volgens de minister was dat niet het
geval: ook 'contracteeren vanuit Parijs' viel volgens de
minister onder het vergunningenstelsel.
[8] Of de huidige
minister Donner dat nog steeds vindt, valt gezien de
beschikkingenpraktijk van de Europese Commissie, waarover
hieronder meer, overigens te betwijfelen.
Natuurlijk monopolie?
Laten we het er maar op
houden dat een combinatie van protectionistische,
sociaal-culturele en economische motieven aan het wettelijke
BUMA-monopolie ten grondslag heeft gelegen. Wat zijn deze
argumenten tegenwoordig waard? Ik bespreek eerst de
economische aspecten. Collectief rechtenbeheer vertoont de
kenmerken van een 'natuurlijk monopolie', dat wil zeggen: een
monopolie dat economisch efficiënter is dan vrije mededinging.
Zo'n kenmerk is bijvoorbeeld de zeer hoge barrier of entry
waarmee een nieuwkomer op de markt wordt geconfronteerd.
Nationaal en internationaal repertoire is doorgaans exclusief,
door middel van aansluit- en wederkerigheidscontracten, onder
de bestaande rechtenorganisaties verdeeld. Het opbouwen van
een nieuwe rechtencatalogus vergt enorme investeringen. De
database van SENA of BUMA is van onschatbare waarde, en valt
moeilijk te dupliceren. Hier komen zogenoemde
'netwerkeffecten' nog bij. De economische waarde van een
wereldrepertoire, dat door blanket licensing kan worden
geëxploiteerd, is veel groter dan de som der delen. Ook de
economies of scale maken toetreding tot de markt voor
nieuwkomers onaantrekkelijk. Vaste kosten van incasso,
administratie en repartitie dienen op een aanvankelijk zeer
beperkte royaltyomzet afgewenteld te worden, zodat
incumbents ten opzichte van nieuwkomers grote (en wellicht
beslissende) concurrentievoordelen genieten.
De theorie van het
natuurlijke monopolie heeft aan de basis gestaan van de
wettelijke monopolies die de PTT's in Europa gedurende een
groot deel van de vorige eeuw hebben genoten. De gedachte was
dat het aanleggen en onderhouden van verschillende parallelle
infrastructuren tot ruinous competition en uiteindelijk
kapitaalvernietiging zou lijden. Het zou daarom beter zijn
voor de economie om op deze markt geen concurrentie toe te
laten. De prijs die de PTT voor dit – door de wet ondersteunde
– natuurlijke monopolie moest betalen heette universele
dienstverlening. Als monopolist diende de PTT haar diensten
universeel – dat wil zeggen onder redelijke en
niet-discriminerende voorwaarden aan alle inwoners van het
land – aan te bieden. Deze verplichting had ook een sociale
dimensie. De 'weduwe in Appelscha' had recht op een betaalbare
telefoonaansluiting, ook al was het rendement ervan gering.
Het wettelijke monopolie van de PTT moest voorkomen dat
concurrenten enkel de rendabele markten (in de Randstad)
zouden exploiteren, waardoor de PTT met de onrendabele
buitengewesten zou achterblijven. Cream skimming heette
dat in vaktaal.
Tegen het einde van de jaren
'80 is de leer van het natuurlijk monopolie gaandeweg
verlaten, en is de telecommunicatiemarkt in Europa mede onder
invloed van een groot aantal Europese richtlijnen in snel
tempo geliberaliseerd. De liberalisering heeft echter niet
gebracht wat de vrije-marktdenkers ervan gehoopt hadden. De
voormalige PTT's hebben hun dominante posities in belangrijke
mate weten te behouden.
[9] Concurrentie door nieuwkomers komt nauwelijks
voor; het zijn de oude PTT's die elkaar op de Europese en
mondiale markt onderling bestrijden. Het nationale PTT-
monopolie is vervangen door een oligopolie van voormalige
PTT's, waardoor de mededinging beperkt is gebleven.
Wat de liberalisering van de
telecommunicatiemarkt ons ook heeft geleerd, is dat door het
vrij maken van de markt de noodzaak van toezicht en regulering
allerminst verdwijnt. De voormalige 'incumbent' blijft lange
tijd 'aanmerkelijke marktmacht' behouden, en is gemakkelijk
geneigd die te misbruiken. Krachtig mededingingsrechtelijk
toezicht, liefst sectorspecifiek, is dus geboden. In de
telecommunicatiesector is daarmee belast de OPTA, die over
verreikende bevoegdheden beschikt het marktgedrag van
dominante marktpartijen te sturen. Zo houdt de OPTA toezicht
op de wijze waarop tarieven worden berekend. Het spreekt dan
ook vanzelf dat de door KPN Telecom aan haar gebruikers in
rekening gebrachte tarieven transparant en openbaar zijn.
Rechtenorganisaties die nu klagen over de verscherping van het
collectief beheer die de Wet van 6 maart 2003
[10] gebracht
heeft, moeten zich geen illusies maken. Na eventuele
liberalisering zullen het toezicht en de overheidsbemoeienis
niet als sneeuw voor de zon verdwijnen.
Wat ons uitstapje in
'Telecom-land' ons ook laat zien is dat het naïef is te
verwachten dat het vrij maken van de markt voor het
rechtenbeheer automatisch tot een vrije markt leidt. De
structuur van de huidige markt wijst daar in feite al op. In
diverse deelsectoren (het mechanisch reproductierecht
bijvoorbeeld) bestaat helemaal geen wettelijk monopolie. Maar
van vrije mededinging is in deze markten nauwelijks sprake. De
wettelijke monopolies van BUMA en SENA zijn in Europees
verband zelfs uitzonderlijk te noemen. Toch bezitten GEMA
(Duitsland), SACEM (Frankrijk), SABAM (België) en SGAE
(Spanje) ieder in hun eigen land een feitelijk monopolie.
Misschien is de theorie van het natuurlijk monopolie zo gek
nog niet.
Sociale en
cultuurpolitieke grondslagen
Wat te denken van de
sociale en cultuurpolitieke factoren die destijds ook aan het
BUMA-monopolie ten grondslag zijn gelegd? Het culturele belang
van een 'eigen' rechtenorganisatie behoeft ook tegenwoordig
nauwelijks betoog. Zolang het gebruikelijk is, en door
nationale overheden sterk wordt bevorderd, dat
rechtenorganisaties een deel van hun winsten aan nationale
culturele 'goede doelen' spenderen, bestaat er een publiek
belang deze organisaties de hand boven het hoofd te houden.
Maar is dat voldoende om een wettelijk monopolie te
rechtvaardigen? Niet als vrije mededinging zou leiden tot
lagere tarieven voor gebruikers die zelf van culturele
subsidies afhankelijk zijn, zoals de publieke omroepen en de
concertpodia.
De sociale grondslag van het
monopolie weegt mijns inziens zwaarder. Collectief
rechtenbeheer is in de praktijk dikwijls de enige manier
waarop 'kleine' auteurs hun auteursrechten kunnen exploiteren.
In een vrije markt is 'cream skimming' een onvermijdelijk
verschijnsel. Een nieuwe rechtenorganisatie gaat er met de
profijtelijke auteurs van door, en laat de onrendabele
kleintjes achter bij de voormalige incumbent. De universele
dienstverlening, die de huidige rechtenorganisaties aan alle
auteurs en rechthebbenden beogen te bieden, komt door vrije
mededinging onder druk te staan. Ook de 'weduwe in Appelscha'
die zo nu en dan een liedje schrijft, wil haar rechten
collectief kunnen exploiteren. Dit sociale aspect – deze
solidariteit – kan een reden zijn een monopolie van
overheidswege in stand te houden. Een wetgever die het
maatschappelijk belangrijk vindt dat het auteursrecht en de
naburige rechten worden beschermd, moet ook de randvoorwaarden
scheppen waaronder deze rechten daadwerkelijk kunnen worden
uitgeoefend, zo zou men kunnen redeneren. Zo bezien, zou de
overheid een zorgplicht hebben het collectieve rechtenbeheer
in stand te houden. Hiermee verdraagt zich natuurlijk geen
vrije concurrentie.
De sociale dimensie van het
collectieve rechtenbeheer manifesteert zich ook in de
onvervreemdbare ('klevende') vergoedingsrechten, veelal op
basis van heffingen, die de afgelopen jaren aan auteurs en
uitvoerend kunstenaars zijn toegekend, en enkel door
collectieve rechtenorganisaties kunnen worden uitgeoefend.
Door deze 'verheffing van het auteursrecht'
[11] wordt het
collectieve rechtenbeheer nog meer dan vroeger onderdeel van
het cultuurbeleid van de overheid, en lijkt een vrije markt
verder weg dan ooit. Het is immers moeilijk voor te stellen
hoe een recht op billijke vergoeding in een marktmodel
collectief kan worden uitgeoefend. Rechtenorganisaties zijn
geen private partijen meer, concludeert Kretschmer.
[12] Het zijn
regulatory instruments geworden, die op de vrije markt
natuurlijk niets te zoeken hebben.
Europees mededingingsrecht
Intussen heeft de
Europese Commissie gedurende de afgelopen dertig jaren
geprobeerd het collectieve rechtenbeheer in het gareel van de
interne markt en het Europese mededingingsrecht te dwingen. De
beschikkingen van de Commissie hadden enerzijds betrekking op
de relatie tussen rechtenorganisaties en aangesloten auteurs,
anderzijds op de verhouding tot de gebruikers van
auteursrechtelijk beschermde werken. Ten aanzien van
eerstbedoelde relatie kan worden geconstateerd dat de Europese
Commissie collectief rechtenbeheer op zichzelf niet als
(verboden) kartelvorming wenst aan te merken. Drijber
concludeert dat van een inbreuk op artikel 81 lid 1 EG-verdrag
waarschijnlijk geen sprake is zolang het collectief
rechtenbeheer daadwerkelijk noodzakelijk is voor de
uitoefening van het auteursrecht. Indien de grote leden
van de rechtenorganisaties (met name de muziekuitgevers)
gedwongen zouden worden uit te treden, zou dat kunnen leiden
tot verlies aan kritische massa en uiteindelijk tot implosie
van de rechtenorganisatie.
[13]
Ten aanzien van de door de
rechtenorganisaties aan haar leden opgelegde rechtenverlening
is meermalen geoordeeld dat deze proportioneel dient te zijn,
met andere woorden niet verder behoort te gaan dan voor de
uitoefening van de taak van de rechtenorganisatie noodzakelijk
is. [14]
Voorts heeft de Europese Commissie enkele malen als misbruik
van machtspositie aangemerkt lidmaatschapsregels die het de
leden verbood het lidmaatschap in te ruilen voor dat van een
buitenlandse organisatie.
[15] Omgekeerd
heeft de Commissie als misbruik van machtspositie bestempeld
de weigering van een rechtenorganisatie buitenlandse artiesten
toe te laten. [16]
Misbruik zou zich tevens kunnen voordoen in de
repartitiesfeer, bijvoorbeeld indien de repartitie voor
bepaalde rechthebbenden manifest oneerlijk is.
Ook de relatie tussen de
rechtenorganisaties en de gebruikers heeft tot enige
beschikkingen en rechtspraak geleid. In de Tournier-zaak
[17] oordeelde het
Hof van Justitie dat 'blanket licensing' geen ongeoorloofde
mededingingsbeperking oplevert voor zover deze vorm van
licentiëren voor het behartigen van de belangen van de
aangesloten leden noodzakelijk is. SACEM kon dan ook niet tot
het opsplitsen van haar repertoire gedwongen worden, tenzij
dit zonder verhoging van de kosten van administratie en
toezicht mogelijk zou zijn. Inmiddels komt deze opsplitsing in
deelcatalogi (zoals klassiek, rock, dance, jazz, etc.) dankzij
de voortschrijdende automatisering van het rechtenbeheer snel
naderbij.
In dezelfde zaak oordeelde
het Hof dat de wederkerigheidscontracten tussen de
rechtenorganisaties onderling niet per se in strijd zijn met
het kartelverbod. Toegang van gebruikers tot de
rechtencatalogus van buitenlandse rechtenorganisaties mag
echter niet contractueel of anderszins (door onderling
afgestemd gedrag) worden uitgesloten.
Voorts oordeelde het Hof dat
het opleggen van tarieven die in vergelijking met de door
andere rechtenorganisaties gehanteerde tarieven excessief zijn
te noemen, misbruik van machtspositie oplevert. Een mogelijk
misbruik kan tevens gelegen zijn in de uitbreiding van het
monopolie van een rechtenorganisatie naar een aanpalende
markt. [18]
Zogenaamde nutsmonopolies
nemen in het Europese mededingingsrecht een bijzondere plaats
in. Artikel 86 lid 1 EG-verdrag bepaalt dat de lidstaten ten
aanzien van openbare bedrijven en ondernemingen 'waaraan zij
bijzondere of uitsluitende rechten verlenen' geen maatregelen
mogen nemen die in strijd zijn met het EG-verdrag. Met andere
woorden: de mededingingsregels gelden hier onverkort. Artikel
86 lid 2 maakt een uitzondering voor 'ondernemingen belast met
het beheer van diensten van algemeen en economisch belang'.
Dergelijke ondernemingen vallen in beginsel onder de
mededingingsregels, voor zover 'de toepassing daarvan de
vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde
bijzondere taken niet verhindert.'
Ten aanzien van GEMA heeft de
Europese Commissie in 1971 geoordeeld dat zij geen bijzonder
uitsluitend recht in de zin van artikel 86 lid 1 heeft
verkregen. [19]
Op grond van het Duitse recht komt iedere
rechtenorganisatie in beginsel voor een vergunning in
aanmerking. De wettelijke regeling van rechtenorganisaties in
Nederland is echter wezenlijk anders. Artikel 30a Auteurswet
en het KB van 1932 hebben Buma tot wettelijk monopolist
gemaakt, zodat hier mogelijk wel sprake is van een 'bijzonder
of uitsluitend recht' in de zin van het EG-verdrag.
Naar het oordeel van de
Europese Commissie was GEMA evenmin aan te merken als een
onderneming belast met 'diensten van algemeen economisch
belang' in de zin van artikel 86 lid 2. De Commissie meende
noch uit het wettelijk kader, noch uit de aan GEMA verleende
vergunning te kunnen opmaken dat er van een algemeen
economisch belang sprake was. Daarbij merkte de Commissie op
dat eventuele algemene culturele of sociale belangen niet als
zodanig zijn te kwalificeren. Ook in enkele andere zaken is
uitgemaakt dat collectief rechtenbeheer geen dienst van
algemeen economisch belang is.
[20]
In combinatie met de Europese
uitputtingsjurisprudentie heeft de Tournier-zaak met name voor
het mechanisch recht grote gevolgen gehad. Grote
platenmaatschappijen sluiten met rechtenorganisaties
tegenwoordig 'central licensing agreements' af, die het
mechanisch recht afdekken voor heel Europa. Deze contracten
plegen te worden afgesloten met de Europese rechtenorganisatie
die het laagste tarief offreert.
In de sfeer van de
uitvoeringsrechten is van intracommunautaire concurrentie
vooralsnog nauwelijks sprake geweest. Maar het internet, dat
alle grenzen slecht, zal daar geleidelijk verandering in gaan
brengen. Zo heeft in 2002 een groot aantal 'SENA's' onderling
afgesproken dat iedere rechtenorganisatie bevoegd is met
omroeporganisaties waar ook ter wereld licenties voor
simulcasting (het gelijktijdig doorgeven van
omroepprogramma's via het internet) af te sluiten. Een omroep
hoeft dus niet langer met een veelheid van nationale
rechtenorganisaties zaken te doen; iedere rechtenorganisatie
kan fungeren als one-stop shop. Deze mag echter niet
zelfstandig een prijs bepalen; het tarief is een optelsom van
nationale simulcasttarieven, vermeerderd met een opslag voor
de licentiegever.
Dit 'Simulcast agreement'
heeft van de Europese Commissie op 8 oktober 2002 een
ontheffing van het kartelverbod gekregen.
[21] Wel had de
Commissie kritiek op het gebrek aan transparantie in de
tarifering. De rechtenorganisaties dienen administratiekosten
en royalty's beter te scheiden.
Nationaal
mededingingsrecht
Ook het nationale
(mededingings)recht stelt grenzen aan het marktgedrag van
rechtenorganisaties. In het arrest Buma/Brinkmann
[22] uit 1968
oordeelde de Hoge Raad dat Buma haar machtspositie tegenover
gebruikers niet mag misbruiken. Al in 1961 had het Gerechtshof
in Arnhem, mede onder verwijzing naar artikel 30a Auteurswet,
geoordeeld dat Buma haar bevoegdheden niet naar willekeur mag
uitoefenen, en dat zij met de belangen van de gebruikers
rekening dient te houden. Cohen Jehoram leest in het arrest de
erkenning van een buitenwettelijke licentiëringsplicht.
[23]
Sinds de inwerkingtreding van
de Mededingingswet is ook op nationaal niveau een vorm van
mededingingstoezicht operationeel. Evenals het EG-verdrag
verbindt de Nederlandse wet sancties aan kartelvorming en
misbruik van machtsposities. Met het toezicht is belast de
Nederlandse mededingingsautoriteit (NMa), die inmiddels
eenmaal heeft beslist op een klacht over de tarieven van BUMA.
[24] In dit verband
zij opgemerkt dat het nieuwe regime dat de Wet toezicht
beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten
[25] in het leven
heeft geroepen geen afbreuk doet aan de competentie van de
NMa. [26]
Ook de nationale rechter is
incidenteel bereid het mededingingsrecht toe te passen op het
gedrag van de rechtenorganisaties. Zo constateerde het Hof Den
Bosch in 2000 dat Buma een machtspositie inneemt op een
aanmerkelijk deel van de gemeenschappelijke markt, waardoor
artikel 82 EG-verdrag kan worden toegepast.
[27] In navolging
van het Tournier-arrest stelde het hof dat Buma van haar
machtspositie misbruik zou maken door onbillijke contractuele
voorwaarden op te leggen, bijvoorbeeld doordat haar tarieven
aanzienlijk hoger zijn dan die in andere EU-lidstaten
gebruikelijk zijn. Naar het oordeel van het hof was dat in
casu echter niet het geval. Evenmin kon Buma naar het oordeel
van het hof worden gedwongen met iedere individuele
muziekgebruiker afzonderlijk te onderhandelen.
Harmonisatierichtlijnen
Het auteursrechtelijke
landschap in Europa wordt in toenemende mate bepaald door het
secundaire gemeenschapsrecht. Op het gebied van het
auteursrecht zijn sinds 1991 zeven harmonisatierichtlijnen
vastgesteld. Geen van deze richtlijnen handelt echter
specifiek over de positie van de rechtenorganisaties. De
Auteursrechtrichtlijn (2001/29/EG), die op 22 mei 2001 werd
aangenomen, wijdt in de considerans (overweging 17) wel enkele
woorden aan het collectieve rechtenbeheer. De passage kan
worden gelezen als een opmaat voor een communautair initiatief
op dit terrein:
'Vooral in het licht van de
behoeften van de digitale omgeving, moet worden gewaarborgd
dat de incasso-organisaties een hoger niveau van
rationalisatie en doorzichtigheid bereiken met betrekking
tot de eerbiediging van de mededingingsregels.'
In het Groenboek van 1995 dat
vooraf ging aan de Auteursrechtrichtlijn werd de behoefte aan
harmonisatie op het terrein van het collectieve rechtenbeheer
voor het eerst gepeild. Blijkens de Mededeling die de Europese
Commissie in 1996 publiceerde, zou uit de reacties op het
Groenboek van een dergelijke behoefte daadwerkelijk zijn
gebleken. De Commissie zag hierin aanleiding een studie te
laten verrichten, die resulteerde in een rapport van Deloitte
& Touche dat in 2000 werd afgesloten.
[28] Het rapport
bevat diverse aanbevelingen voor communautaire actie. Onder
meer wordt gewezen op het bestaan van wettelijke monopolies in
een klein aantal lidstaten, waaronder Nederland. Aanbevolen
wordt in alle lidstaten gelijke voorwaarden voor de toelating
van rechtenorganisaties te scheppen. Tevens worden
communautaire regels voor de controle op de tarieven en voor
de incasso en repartitie aanbevolen, alsmede gedragsregels
waaraan de rechtenorganisaties zich al dan niet vrijwillig
zouden hebben te onderwerpen.
Naar aanleiding van het
rapport werd door de Commissie op 13 en 14 november 2000 in
Brussel een hoorzitting georganiseerd. De samenvatting van de
hoorzitting laat zich lezen als de considerans van een
aanstaande harmonisatierichtlijn.
[29] Het
economische, sociale en culturele belang van het voortbestaan
van rechtenorganisaties werd allerwegen erkend. Evenzeer zou
consensus bestaan over het nut van exclusiviteit van
rechtenorganisaties op hun respectievelijke werkterreinen.
Dat de organisatiestructuur
van de rechtenorganisaties per lidstaat nogal verschilt, zou
niet als een groot probleem worden ervaren. Daarentegen zou
meer transparantie met betrekking tot de statuten van de
rechtenorganisaties en het afleggen van rekening en
verantwoording gewenst zijn. Een consensus werd eveneens
geconstateerd ten aanzien van de wenselijkheid communautaire
('Euro')licenties te verstrekken, zoals op het terrein van de
mechanische reproductie al langer gebruikelijk is. Voorts werd
de wens geuit het gedrag van de rechtenorganisaties aan
communautaire regels te onderwerpen, waaronder mogelijk ook
een licentiëringsplicht, alsmede een verplichting
licentievoorwaarden en tarieven transparant in te richten. Ten
aanzien van het toezicht op de rechtenorganisaties werd
geconstateerd dat zich binnen de Europese Gemeenschap nog
aanzienlijke verschillen voordeden, variërend van zeer
gedetailleerde branchespecifieke toezichtinstrumenten, zoals
in Duitsland, tot algemene mededingingsrechtelijke controle.
Naar verwachting zal de
Europese Commissie binnenkort concrete mededelingen doen over
de vorm en inhoud van een communautair initiatief. De zwaarte
hiervan kan variëren van een aanbeveling om te komen tot enige
vorm van (Europese) zelfregulering tot het veel zwaardere
middel van een harmonisatierichtlijn. Hierbij dient bedacht te
worden dat in een harmonisatierichtlijn enkel kwesties
geregeld mogen worden die van invloed zijn op het functioneren
van de interne markt. Het staat niet vast dat bestaande
verschillen in de wijze waarop nationale wetgevers het
rechtenbeheer en het toezicht hierop hebben ingericht het
functioneren van de interne markt verstoren. Hier komt bij dat
de Europese wetgever slechts mag optreden indien de
problematiek niet op nationaal niveau bevredigend kan worden
opgelost (het beginsel van subsidiariteit van artikel 5
EG-verdrag). Juist op het terrein van het collectieve
rechtenbeheer, waar sociale en culturele factoren de
economische belangen dikwijls overschaduwen, valt aan deze
subsidiariteitseis moeilijk te ontkomen. Een extra reden tot
terughoudendheid is gelegen in de 'cultuurparagraaf' van
artikel 151 van het EG-verdrag.
Naar het zich laat aanzien,
is de Europese Commissie echter vast besloten een
harmonisatie-initiatief te nemen. Dat is ook niet
verwonderlijk, nu de belangrijkste auteursrechtelijke kwesties
in de afgelopen jaren reeds zijn getrancheerd; de Commissie
heeft op auteursrechtelijk terrein momenteel niet veel werk om
handen. Het is echter niet waarschijnlijk dat de Commissie zal
kiezen voor een alomvattende communautaire regeling. Een
eventueel richtlijnvoorstel zal niet strekken tot het in het
leven roepen van een Europese toezichthouder of een Europese
geschillenregeling. Evenmin zal een richtlijn gedetailleerde
regels over de licentieverlening bevatten. Naar verwachting
zal een eventueel richtlijnvoorstel zich beperken tot
harmonisatie van vergunningsregimes, regels van toezicht en
eventuele rechtsgangen.
[30]
Toekomst van het
collectieve rechtenbeheer
Hoe ziet de toekomst van
het collectieve rechtenbeheer er uit, ervan uitgaande dat
intracommunautaire mededinging door de beschikkingen van de
Commissie onvermijdelijk geworden is? Ik schets een mogelijk
scenario. Nieuwkomers zullen zich niet op grote schaal
aandienen. Wel zullen de bestaande rechtenorganisaties in
toenemende mate met concurrentie van hun zusterorganisaties
elders in de Europese Unie en daarbuiten geconfronteerd
worden. Rechtenorganisaties zullen in toenemende mate
gedwongen worden 'Eurolicenties' te verstrekken.
Een belangrijke stimulans zal
uitgaan van de mondiale distributiemogelijkheden van het
internet. Doordat internetdistributie van muziek zowel
materiële als immateriële trekken vertoont, zullen
uitvoeringsrechten en mechanische rechten gezamenlijk
geëxploiteerd moeten worden. Op termijn lijkt een proces van
fusies tussen rechtenorganisaties onvermijdelijk. Bij dit
alles hangt de kleinere rechtenorganisaties voortdurend het
zwaard van Damocles van de beëindiging van de
wederkerigheidscontracten boven het hoofd.
Maar de grootste bedreiging
voor de muziekrechtenorganisaties komt mijns inziens niet
zozeer van de zusterorganisaties, als wel van hun eigen leden:
de muziekuitgevers, die veelal aan de platenmaatschappijen
zijn gelieerd. Hoewel het geloof in het digital rights
management soms wat naïef is, valt niet te ontkennen dat
de informatietechnologie de mogelijkheden van individueel
rechtenbeheer – vooral door verlaging van de transactiekosten
– sterk verbeterd heeft. Naar verwachting zullen de
muziekuitgevers van de kansen om hun rechtencatalogus in eigen
beheer uit te baten als eerste willen profiteren. Daarbij
vinden zij steun in de Tournier-beschikking, die in wezen een
bom onder het systeem van blanket licensing gelegd heeft.
Bovendien zullen 'grote' auteurs niet langer voetstoots
accepteren dat rechtenorganisaties over hun 'elektronische'
rechten beschikken.
Door het uittreden van de
grootste rechthebbenden dreigen de economies of scale
zich tegen de rechtenorganisaties te keren, en ontstaat
implosiegevaar. Omgekeerd zullen muziekgebruikers, alweer
onder verwijzing naar de Tournier-zaak, aanspraak maken op
maatwerklicenties en pay-per-use contracten. Met dat al
dreigt in een worst case scenario de economische
grondslag aan het collectieve rechtenbeheer compleet te
ontvallen.
Een geliberaliseerde markt
bevat, zo zal inmiddels duidelijk zijn, voor het collectieve
rechtenbeheer, en voor de 'kleine' auteurs die het daarvan
moeten hebben, grote risico's. Rechtenorganisaties zouden er
dan ook verstandig aan doen in politieke discussies hun
publieke taak meer te benadrukken, en zich daarnaar ook te
gedragen, bijvoorbeeld door de tariefstelling en de repartitie
zo transparant mogelijk te maken. Tegenover een publieke taak
staan publieke plichten. In plaats van te hoop te lopen tegen
een klein beetje meer overheidstoezicht zouden zij juist
moeten aandringen op versterking van hun publiek statuut – op
nationaal en Europees niveau – en het daarbij behorende
overheidstoezicht voor lief moeten nemen. Onder de paraplu van
Moeder Overheid is het leven meestal aangenamer dan in het
gure ondernemersklimaat van de vrije markt. Ook in dat opzicht
valt er van onze vroegere PTT, die onlangs bijna failliet is
gegaan, heel wat te leren. |