|
Pim Fortuyn werd op 6
mei 2002 vermoord. Vrijwel onmiddellijk klonken
verwijten aan het adres van politici en journalisten.
Zij zouden een klimaat hebben geschapen waarin dit soort
aanslagen mogelijk werd. Op dinsdag 14 mei, één dag
voor de Tweede Kamerverkiezingen, kreeg de beschuldiging
juridisch vorm. De advocaten Spong en Hammerstein deden
bij de hoofdofficier van justitie te Rotterdam aangifte
tegen Thom de Graaf (D66), Bas Eenhoorn (VVD), Rob
Oudkerk (PvdA), Marcel van Dam (VARA en Volkskrant),
Peter Storm (De Socialist), Matty Verkamman (Trouw), de
redactie van NRC-Handelsblad en de makers van enkele
websites. De aangifte gaat niet zo ver dat de genoemde
personen mede verantwoordelijk worden gehouden voor de
moord als zodanig. Het verwijt spitst zich toe op het
strafbare feit als bedoeld in art. 137d Sr: het
aanzetten tot haat jegens Pim Fortuyn en zijn partij
'wegens hun levensovertuiging', in het bijzonder doordat
Pim Fortuyn zou zijn vergeleken met nazi's en fascisten.
Enkele van de gewraakte uitingen verwezen namelijk naar
Hitler, Himmler, Eichmann, Mussert en Mussolini.
Wat zijn de juridische
merites van deze aangifte? De strafrechter zou nogal wat
obstakels moeten overwinnen alvorens strafbaarheid aan
te nemen. Zo noemt art. 137d Sr weliswaar het begrip
'levensovertuiging', maar geen 'politieke gezindheid'.
Uit de tekst van art. 1 Grondwet blijkt dat men beide
categorieën los van elkaar moet zien. Een tweede
obstakel is het vereiste van opzet, dat besloten ligt in
het woord 'aanzetten'. Dolman behandelde een paar
nummers geleden (Mediaforum 2002-1, p. 15-18) de
mogelijkheid van voorwaardelijk opzet. Voor
strafbaarheid blijft echter vereist dat de dader
tenminste de kans dat anderen door zijn uitlating tot
haat, discriminatie of gewelddadig optreden worden
bewogen, willens en wetens heeft aanvaard. Dat zal in
casu moeilijk zijn te bewijzen. Het meest principiële
obstakel is tenslotte de vrijheid van meningsuiting.
Venijnige uitspraken over politieke tegenstanders zullen
eerder bescherming genieten dan uitspraken met een
racistisch karakter. Een scherp politiek debat heeft
immers een nuttige functie voor de democratie. In dit
geval speelt ook nog de omstandigheid dat Pim Fortuyn
evenmin een blad voor de mond nam. Een beroep op art. 10
EVRM lijkt dus kansrijk. Of verandert een discussie
principieel zodra men het woord 'nazi' in de mond neemt?
Vergelijkingsmateriaal
biedt in de eerste plaats de civiele procedure van het
Patriottisch Democratisch Appel tegen de journalist
Grubben (HR 13 juni 1997, NJ 1998, 361 m.nt. EJD). De
uitkomst was dat Grubben niet onrechtmatig had gehandeld
door het PDA als een 'racistische partij' aan te duiden.
Nu het ging om reacties op openbare uitlatingen van een
politieke partij bracht art. 10 EVRM volgens de Hoge
Raad met zich mee, dat de grenzen van een aanvaardbare
kritiek ruim moesten worden gesteld. Grubben zou slechts
een waardeoordeel hebben uitgesproken, waarover
verschillende opvattingen mogelijk zijn. Het onderscheid
tussen feitelijke mededelingen en waardeoordelen is
sedert het arrest-Lingens (EHRM 8 juli 1986, NJ 1987,
901) een bekend thema in de Straatsburgse
jurisprudentie. De eis in het Oostenrijkse strafrecht
dat negatieve waardeoordelen moeten worden 'bewezen' is
een onmogelijke en daarom een beperking van de
uitingsvrijheid die niet noodzakelijk is in een
democatische samenleving. Enige grondslag in de feiten
is voldoende. Recent nog oordeelde het Straatsburgse Hof
dat een tijdschrift de vrijheid had de Oostenrijkse
partij FPÖ van 'rassistische Hetze' te beschuldigen, nu
dit was gebeurd in het kader van een politieke discussie
over het vreemdelingenbeleid (EHRM 26 februari 2002, Mediaforum
2002-4, p. 114).
De Straatsburgse
jurisprudentie is een ware 'Fundgrube' voor de
verdediging van scherpe critici. In de zaak Oberschlick
I (1991) had een journalist de standpunten van een
rechtse politicus vergeleken met het manifest van de
vroegere NSDAP. Resultaat: de vergelijking was
toegestaan. Uitlatingen over een onderwerp van algemeen
belang genieten extra bescherming (Sürek, 1999).
Politici, inclusief backbenchers, moeten meer over hun
kant laten gaan dan gewone burgers (Krone Verlag, 2002).
Personen die zelf krasse beschuldigingen uiten mogen met
gelijke munt worden terugbetaald (Nilsen en Johnsen,
1999). Ik kan me maar twee arresten voor de geest halen
die wellicht steun bieden voor een vervolging. In de
eerste plaats de zaak Wabl (2000), waarin het Hof
oordeelde dat een verbod om de kwalificatie
'nazi-journalistiek' te herhalen geen strijd opleverde
met art. 10 EVRM. Er bestond namelijk onvoldoende
verband tussen de vastgestelde feiten en het
stigmatiserende waardeoordeel. In de tweede plaats de
zaak Zana (1998), waarin de Turkse overheid met succes
aanvoerde dat de heer Zana met zijn uitlatingen ten
gunste van de PKK een lont in een kruitvat had
aangestoken. Doorslaggevend was de 'already explosive
situation in that region'.
De kans dat de aangifte
tot een veroordeling zal leiden, lijkt me al met al
verwaarloosbaar klein. In bepaalde opzichten zou een
procedure tegen Spong en Hammerstein zelf, tegen wie
inmiddels ook aangifte is gedaan, betere perspectieven
bieden. Te denken valt aan de explosieve situatie waarin
zij critici van Pim Fortuyn publiekelijk als schuldigen
aanwezen. In de Volkskrant van 13 mei 2002 verklaarde
Spong bovendien dat het hem 'geen barst' kon schelen dat
zijn optreden de boel kon laten escaleren. Een
onverschilligheid die doet denken aan voorwaardelijk
opzet. De indruk bestaat dat de twee strafpleiters in
feite een politieke strategie uitvoerden door kort voor
de verkiezingen – Freudiaans schreef ik bijna
'verziekingen' – de publieke opinie te beïnvloeden,
terwijl de meeste politieke partijen hun campagnes
hadden stopgezet. Dat is echter geen zaak voor de
strafrechter, maar hoogstens voor de tuchtrechtspraak
van de Nederlandse orde van advocaten. |