|
Samenvatting
Een technische
oplossing voor de organisatie van toegang tot elektronische
content is voorwaardelijke toegang. De beheerder van een
voorwaardelijk toegangsysteem kan beslissen wie toegang heeft
tot welke informatie onder welke voorwaarden en regels.
Voorwaardelijke toegang in digitale omroep is het onderwerp
van deze studie. Het onderzoek bestudeert de regulering van
voorwaardelijke toegang in het Europees mededingings-, media-
en telecommunicatierecht. Hoewel de studie elektronische
toegang betreffende digitale omroep bespreekt, zouden de
bevindingen nuttig en inspirerend kunnen zijn voor de
discussie van vergelijkbare problemen in andere sectoren,
zoals de online sector en Digital Rights Management, dat
elektronische oplossingen voor bescherming van exclusieve
rechten biedt.
Het onderzoek
toont aan dat de controle van de elektronische toegang tot
digitale betaaltelevisie fundamentele principes van
traditionele omroepregulering aantast. Het gaat hier om de
technologie-afhankelijke definities, de strikte scheiding
tussen inhoudelijke aspecten en transport en het
publiekrechtelijke kader dat geen acht slaat op de andere kant
van de markt, de positie van de consument. Het voorbeeld van
voorwaardelijke toegang in digitale omroep toont aan dat de
rol van technologie in de omroep verder gaat dan slechts een
transportrol. Bij betaaltelevisie zijn de aspecten van
transport en het aanbod van content aan de consument nauw met
elkaar verweven. Daarmee brengt het beweging in het
traditionele onderscheid tussen infrastructuur en content
regulering. De studie toont aan waarom het Europese media- en
telecommunicatierecht niet beantwoordt aan de belangen van
concurrenten en consumenten om een werkzame mededinging en
toegang tot content te handhaven. De studie identificeert
aspecten die kritisch zijn in deze context en pleit voor meer
aandacht voor de positie van het publiek in de regulering van
omroep. Er worden suggesties gegeven om het bestaande Europese
kader te verbeteren en zo de voorwaarden voor marktwerking, de
brede toegankelijkheid en de beschikbaarheid van elektronische
content te waarborgen. Daar hoort ook bij dat deze content
wordt aangeboden tegen redelijke, non-discriminatoire en
betaalbare voorwaarden.
Voorwaardelijke
toegang introduceert nieuwe mogelijkheden in de huidige
mediawereld. Dit is de transitie van traditionele 'omroep'
naar een interactieve en geïndividualiseerde manier van
uitzending. De distributie van signalen is georganiseerd via
intermediaire platforms en is beperkt tot abonnees. Toegang
tot media content is niet langer 'vrij'. Kijkers worden
consumenten. Zij ontvangen diensten op basis van een
contractuele en feitelijke relatie met de service provider. De
distributie van media content verschuift van een publieke
sfeer naar een meer persoonlijke sfeer waar de voorwaarden
voor toegang tot elektronische diensten direct onderhandeld
worden tussen de service provider en de verzoeker, en waar de
consumenten betalen voor toegang tot digitale omroep.
Enerzijds zijn
dit veranderingen die iets kunnen toevoegen aan de toenemende
keuze en diversiteit van het media aanbod. Het kan een element
van afstemming van vraag en aanbod toevoegen en kan de
consument meer autonomie geven. Nieuwe bronnen van
financiering kunnen resulteren in nieuwe en meer
gedifferentieerde diensten die voorheen niet economisch
aantrekkelijk waren. De marketing van digitale diensten via
intermediaire platforms, koppelstrategieën en de combinatie
van controle over verschillende lagen in de verticaal
georganiseerde distributieketen kunnen de populariteit,
efficiëntie en compatibiliteit van betaaltelevisie bevorderen.
Anderzijds kan
elektronische toegangscontrole samen met exclusieve rechten
van de content en de juiste marketing strategie een machtig
middel zijn om het meest waardevolle goed van elektronische
content markten, betalende consumenten, te monopoliseren. De
rol die elektronische toegangscontrole speelt in deze context
is het handhaven van exclusieve contractuele relaties met
consumenten alsmede het verzekeren van een marktaandeel.
Een uitdaging
voor regelgevers van voorwaardelijke toegang in digitale
omroep is het identificeren van situaties waarin elektronische
toegangscontrole kan leiden tot marktwerkings vraagstukken.
Een tweede uitdaging is het formuleren van oplossingen zonder
overregulering en negatieve effecten op innovatie, efficiency
en welvaart. Voor het doel van de analyse, is er in het
onderzoek een onderscheid in twee belangrijke thema's gemaakt:
de impact van elektronische toegangscontrole op a)
marktwerking en b) op consumententoegang tot content. De
studie benadrukt echter dat beide aspecten ieders keerzijde
van de medaille kunnen zijn. De studie heeft vier grote
categorieën geïdentificeerd van de effecten hoe
voorwaardelijke toegang in digitale omroep concurrenten en
consumenten raakt. De eerste categorie bestaat uit bottleneck
situaties. Met de doorgaande technische en organisatorische
ontwikkeling, is de toegang tot de digitale omroepmarkt
afhankelijk van een toenemend aantal faciliteiten zoals het
voorwaardelijke toegangsysteem, Application Programme
Interface, Elektronische Programmagids, factuursystemen en
exclusieve content rechten. Toegang tot bottlenecks is van
groot belang voor toetreders die de expertise of financiën om
hun eigen faciliteiten op te zetten, ontberen en derhalve
afhankelijk zijn van toegang tot bestaande voorzieningen. De
werkelijke bottleneck in betaaltelevisie markten is echter
toegang tot een consumentenbestand. Exclusieve controle over
een dominant technisch en marketing platform voor
betaaltelevisie is een belangrijk middel om het
consumentenbestand te monopoliseren door het binden van
abonnees en service providers aan een bepaald platform en het
weghouden van concurrerende service providers van de
desbetreffende abonnees. Monopolisering van het
consumentenbestand zal het resultaat zijn van een combinatie
van controle over de kracht van een bepaalde voorwaardelijke
toegangsstandaard en een marketingstrategie. Er zijn
verschillende instrumenten om consumenten in 'ommuurde tuinen'
te houden en hun te ontmoedigen om over te stappen naar
concurrerende providers. Het zijn, als tweede categorie,
technische 'lock-ins' en het gebrek aan
interoperabiliteitsoplossingen. Daarnaast zijn er contractuele
'lock-ins', bijvoorbeeld lange abonnementscontracten of
koppelstrategieën bij het aanbieden van programma's. Dit is de
deerde categorie. De consument kan dan alleen maar een grote
hoeveelheid kanalen in één pakket tegelijk afnemen. Technische
en contractuele 'lock-in of lock out'-situaties kunnen ook
bestaan in een grensoverschrijdende context met het effect dat
consumenten van één lidstaat van de Europese Unie niet de
diensten van een andere lidstaat kunnen ontvangen. De laatste
categorie wordt gevormd door wat de studie noemt ' het
informatie probleem'. Het verwijst naar de rol die
beschikbare, begrijpelijke en vergelijkbare informatie over
diensten speelt bij de keuzes van de consumenten. Maar de
regulering van betaaltelevisie is niet alleen een kwestie van
concurrentie. Publieke informatie beleidsoverwegingen spelen
ook een belangrijke rol. De fragmentatie van het publiek in
geabonneerde en ongeabonneerde consumenten kan resulteren in
sociale ongelijkheid en elektronische uitsluiting.
Andere
belangrijke reguleringsvragen draaien om het thema waar
vaak—maar misleidend—naar wordt verwezen als een 'individueel
toegangsrecht tot informatie'. Het onderzoek toont aan dat er
nog niet zoiets dergelijks als een 'individueel toegangsrecht
tot toegangsgecontroleerde informatie' bestaat, noch in het
Europese omroeprecht, noch kan een dergelijk recht worden
afgeleid uit artikel 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting). De
studie legt uit waarom een dergelijk recht zelfs onwenselijk
is. Er zijn echter wel belangen voor de ontwikkeling van
voorwaarden ten behoeve van het publiek ter voorkoming van
misbruik van de controle ten laste van de toegankelijkheid van
informatie. Daarnaast is er een meer algemeen,
beschermingswaardig belang in het functioneren van de media
als bron van informatie en kritisch debat en de invloed van
betaaltelevisie daarop.
De impact van
elektronische toegangscontrole op marktwerking is een thema
dat wordt behandeld op Europees niveau volgens het algemene
mededingingsrecht en het telecommunicatierecht of meer
specifiek de artikelen 5 (1)b en 6, Annex I van de
Toegangsrichtlijn. De toegankelijkheid van omroep content
wordt behandeld door het Europese omroeprecht, en hier meer
specifiek door artikel 3(a) van de Televisie zonder Grenzen
Richtlijn en artikel 9 en 9bis van de Europese Conventie
betreffende Grensoverschrijdende Televisie.
De studie toont
aan dat de belangrijkste reactie van de Europese regelgever op
bottleneck situaties rondom voorwaardelijke toegang,
verplichte toegang is. Dit is de verplichting om een
faciliteit te delen met concurrenten en hun gebruik te laten
maken van een voorwaardelijk toegangsysteem, een Elektronische
Programmagids of een Application Porgramme Interface. De
studie toont aan dat toegangsverplichtingen, onder bepaalde
omstandigheden, de juiste respons kunnen zijn tegen
bottlenecks, maar dat de gevallen waarin dit zo is
waarschijnlijk de uitzondering zijn. Het bestaan van
alternatieve oplossingen, het gemak waarmee faciliteiten
gedupliceerd kunnen worden als wel de prikkel tot en
winstgevendheid van exclusief gedrag, zijn factoren die in
overweging moeten worden genomen. Er is niet, of slechts
onvoldoende, rekening mee gehouden in artikel 6 van de
Toegangsrichtlijn. De reden waarom toegangsverplichtingen met
zorg dienen te worden toegepast, is niet slechts het gevaar
van overregulering en negatieve impulsen voor investeringen en
innovatie. Toegangsregulering kan ook schadelijk zijn voor het
bereiken van marktwerking en publieke informatie beleidsdoelen
voor de digitale omroepsector. Dit doet zich met name voor
waar de impact van een bottleneck situatie resultaat is van
een dominantie over een technische standaard, van eerste
toetreder voordelen en indirecte netwerkeffecten. Dit is vaak
het geval bij controle over voorwaardelijke toegang.
Toegangsverplichtingen kunnen ook een averechtse uitwerking
hebben en de positie van de bottleneck beheerder verder
versterken. Veel zal ook afhangen van hoe effectief het
toezicht op de redelijkheid en billijkheid van toegangsregels
kan zijn, zodra toegangsverplichtingen opgelegd zijn. De
studie is niet optimistisch dat dit het geval kan zijn.
Redenen voor twijfel zijn de beperkte reikwijdte van artikel 6
van de Toegangsrichtlijn, dat noch over content gerelateerde
kwesties gaat, noch de gevolgen van convergentie in overweging
neemt. Artikel 6 biedt ook geen oplossingen betreffende
transparantie en het gebrek van keuze en autonomie van de
consument. Meer in het algemeen bekritiseert de studie het
principe van strikte scheiding tussen vragen over content en
transport, evenals de technologie-afhankelijke wijze waarop
het communicatiekader nog steeds is geformuleerd. Een
conclusie van deze studie is daarom dat de regulering van
toegangscontrole, meer flexibele middelen en mogelijkheden ter
stimulering van marktwerking op de markt voor technische
betaaltelevisie en op de markt voor technische faciliteiten
vraagt.
Tevens
concludeert de studie dat de individuele abonneeservice
provider relatie een sleutel is tot effectieve behandeling van
marktwerking als ook van publieke informatie beleidsproblemen
in betaaltelevisie. Uiteindelijk is het de monopolisering van
het consumentenbestand dat de vooruitzichten betreffende de
toetreding tot-, en marktwerking op de markt van de rivalen
vermindert. De marktwerking van betaaltelevisiemarkten hangt
hoofdzakelijk af van het feit of consumenten vrij zijn te
kiezen en te wisselen tussen concurrerende aanbiedingen.
Consumentenvraag kan verder een belangrijk controle instrument
zijn betreffende de kwaliteit en consumentvriendelijkheid van
toegangsgecontroleerde diensten, onder voorbehoud dat
consumenten in een positie zijn om effectief hun voorkeuren te
kunnen uiten. Het is daarom dat de studie suggereert om
Nationale Reguleringsautoriteiten instrumenten te geven, opdat
zij de monopolisering van het consumentenbestand kunnen
tegengaan en voorwaarden kunnen creëren die het mogelijk maken
voor consumenten om toegang te krijgen tot de diverse diensten
van hun keuze tegen redelijke, betaalbare en
non-discriminatoire voorwaarden. Meer specifiek legt de studie
de nadruk op het belang van:
-
De
mogelijkheid om interoperabiliteitsoplossingen te
verplichten.
-
De
mogelijkheid om koppelverkoop te verbieden.
-
Transparantie
bevorderende maatregelen, inclusief het beschikbaar maken
van informatie van vergelijkbare diensten.
-
De
mogelijkheid om de redelijkheid van contractuele
voorwaarden, prijzen en dienstkwaliteit in betaaltelevisie
provider-consumentencontracten aan te sturen.
In het uitvoeren
van deze taken zouden de Nationale Reguleringsautoriteiten
voldoende flexibiliteit dienen te bezitten om rekening te
houden met de overwegingen van efficiëntie en welvaart,
evenals convergentie en de functionele en economische relaties
tussen de dienst en het transportniveau. De studie is
voorstander van het schrappen van artikel 6 van de
Toegangsrichtlijn, dat nog steeds gebaseerd is op
technologie-afhankelijk onderscheid en dat Nationale
Reguleringsautoriteiten niet veel flexibiliteit toekent.
Daarentegen zou de meer flexibele benadering in artikelen 8-13
van de Toegangsrichtlijn van toepassing dienen te zijn. Ten
tweede raadt de studie aan om artikel 5 (1)b van de
Toegangsrichtlijn te interpreteren in de zin van het flexibele
concept volgens de artikelen 8-13 van de Toegangsrichtlijn.
Ten derde adviseert de studie om een einde te maken aan het
niet van toepassing zijn van de Universele Diensten Richtlijn
op de omroepsector en in het bijzonder de voorzieningen
betreffende consumentenbescherming in de artikelen 17, 20, 21,
22 en 32. Regels die de positie van consumenten versterken en
beschermen zijn een belangrijk middel om te beantwoorden aan
de belangen van concurrenten en consumenten. Het middel om
marktwerking te bereiken alsmede brede toegang en
beschikbaarheid van toegangsgecontroleerde content, is de
verzekering dat consumenten toegang kunnen krijgen tot
toegangsgecontroleerde diensten onder redelijke, betaalbare en
non-discriminatoire voorwaarden. Discriminatie op grond van
woonplaats dient ook te worden aangepakt als een vorm van
discriminatie die schadelijk is voor het bereiken van de
Europese Interne Markt. Idealiter zou deze benadering
marktwerkings- en publieke informatie vraagstukken
tegelijkertijd kunnen aanpakken.
Een vraag die
verder onderzoek behoeft, is het potentieel aan regels
betreffende consumentenbescherming om de democratische,
culturele, sociale en individuele waarde van content voor
consumenten te realiseren. De auteur gelooft dat er in de
toekomst nog steeds een rol is weggelegd voor een vorm van
publieke mediarechtelijke interventie betreffende
toegangsgecontroleerde digitale omroep. Hetzelfde geldt voor
initiatieven om de creatie en distributie van content te
stimuleren, ongeacht de vraag van consumenten. Het is al
genoemd dat er valide redenen zijn, waarom het uit het oogpunt
van publiek informatiebeleid wenselijk kan zijn, dat in het
algemeen belang bepaalde content niet alleen onderworpen is
aan exclusieve, private elektronische controle van toegang.
Dit kan gaan om content van algemeen belang voor het publiek,
content in het publieke domein of content waarvoor het publiek
al eens heeft betaald. Een ander aspect is dat elektronische
toegangscontrole noch de marktwerking tussen 'vrije' televisie
en toegangsgecontroleerde televisie zou dienen te hinderen,
noch de media zou kunnen hinderen in haar taak om het publiek
goed te informeren.
Voor zover het
juridische initiatieven betreft, geeft de studie twee
interessante oplossingen aan, die op Europees niveau zijn
ontwikkeld: de lijst van belangrijke evenementen regeling en
het recht van korte reportage. Het concept van de lijst van
belangrijke evenementen is geregeld in artikel 3(a) van de
Televisie zonder Grenzen Richtlijn alsmede in artikel 9bis van
de Europese Conventie betreffende Grensoverschrijdende
Televisie van de Raad van Europa. Het 'lijst van belangrijks
evenementen' concept erkent het recht van lidstaten om een
zogenaamde lijst van belangrijke evenementen op te stellen,
inhoudende lijsten bevattende gebeurtenissen van bijzonder
publiek belang die daarom geheel of gedeeltelijk vrij
toegankelijk op televisie dienen te worden uitgezonden. De
onderliggende gedachte is de beperking van de exclusieve
exploitatie van uitzendingsrechten, ten behoeve van een
algemeen publiek belang in de publieke toegankelijkheid van
bepaalde content. Vrij toegankelijke televisie is in deze
context de rol toegewezen om content van algemeen belang voor
het publiek toegankelijk te maken, zelfs indien het
onderworpen is aan exclusieve uitzendingsrechten. Hoewel het
'lijst van belangrijke evenementen' concept in theorie een
behulpzaam middel zou kunnen zijn om een fragmentatie van het
publiek in geabonneerd en niet-geabonneerd te overwinnen,
concludeert het onderzoek ook dat het lijst concept en de
wijze waarop de implementatie heeft plaatsgevonden in vele
opzichten niet deugt. Een groot probleem betreffende het lijst
concept is de noodzaak om meer democratische, transparante en
deelnemende procedures te vinden om te kunnen vaststellen
welke evenementen van hoog of groot belang zouden kunnen zijn.
De huidige beperking van de restrictie tot hoofdzakelijk
belangrijke sportevenementen en een paar culturele evenementen
dekt echter niet nieuwswaardige evenementen in het algemeen,
content in het publieke domein of content gefinancierd door
belasting betalers. Het is moeilijk in te zien waarom het
publiek een beschermingswaardig belang heeft om alleen de
eerste twee categorieën te zien, niet de laatste, op vrij
toegankelijke televisie. De studie bekritiseert meer in het
algemeen, dat de lijst van belangrijke evenementen geen
rekening houdt met de situatie van consumenten, alias burgers,
betreffende content die wordt aangeboden via betaaltelevisie.
Dit beantwoordt niet aan de realiteit van de markt en het ziet
over het hoofd dat toegangsgecontroleerde omroep ook een
wenselijke aanvulling van het bestaande programma-aanbod kan
zijn, mits gegarandeerd is dat toegangsbeheerders hun macht
niet misbruiken ten nadele van consumenten en marktwerking.
Dit is een punt van kritiek dat diepgeworteld is in het
omroeprecht en de wijze waarop de sector is geregeld.
Omroepregelgeving gaat nog steeds uit van het
'eens-uitgezonden-toegang-voor-allen' concept van traditionele
omroepdiensten. Het ziet niet in dat, zoals in andere
communicatiesectoren, toegang tot omroepmarkten ook een
kwestie van individuele onderhandeling en contracten is
geworden.
Het tweede
instrument, het recht van korte reportage, is neergelegd in
artikel 9 van de Europese Conventie betreffende
Grensoverschrijdende Televisie. Op het moment van schrijven
was er een discussie gaande of het recht van korte reportage
tevens geïmplementeerd zou dienen te worden in de Europese
Televisie zonder Grenzen Richtlijn. De auteur gelooft dat het
recht van korte reportage een nuttig instrument is om de taak
van een goed geïnformeerde en goed informerende media te
bevorderen in een omgeving van elektronische toegangscontrole.
Het recht van korte reportage geeft alle omroepen het recht
hun publiek te informeren over bepaalde nieuws, sport en
culturele evenementen, zelfs indien een derde partij het
exclusieve recht tot uitzending van het evenement heeft.
Voorwaarde is dat de omroep het evenement beschouwt als van
hoog publiek belang en nieuwswaarde, en dat de uitzending
voldoet aan de vereisten van een 'korte reportage'. In
tegenstelling tot het 'lijst van belangrijke evenementen'
concept richt het recht van korte reportage zich niet zo zeer
op het verzekeren van de toegang voor consumenten tot een
bepaalde content, maar op geïnformeerd worden over de essentie
van de content in de mate die nieuwswaardig en van publiek
belang is. Een ander verschil wat betreft het recht van korte
reportage is dat het in eerste instantie aan de omroep is om
te bepalen welke informatie van publiek belang is. Bij het
'lijst van belangrijke evenementen' concept is deze taak
daarentegen gereserveerd voor regeringen en onderworpen aan
voorafgaande langdurige procedures. De efficiency van het
recht van korte reportage wordt echter bedreigd door het
gebrek aan duidelijke verplichtingen voor de beheerders van
toegangsgecontroleerde platforms om het dienstsignaal
onversleuteld beschikbaar te stellen. Het gebrek van een
dergelijke verplichting kan de uitoefening van het recht van
korte reportage belemmeren. Derden omroepen zijn nu
afhankelijk van de vrijwillige medewerking van de
toegangsbeheerder om het signaal zonder significante
tijdelijke vertraging beschikbaar te stellen.
Een conclusie
van deze studie is dat beiden, het recht van korte reportage
en het 'lijst van belangrijke evenementen' concept verbeterd
dienen te worden voordat ze een efficiënt antwoord kunnen zijn
op de elektronische uitsluiting van toegang tot algemeen
belang content en redelijkheid van toegangsmogelijkheden.
Verder mag elektronische toegangscontrole niet het
functioneren van de media verstoren.
Hoewel de studie
over voorwaardelijke toegang in digitale omroep gaat, is het
niet zo dat elektronische toegangscontrole een thema is dat
zich alleen beperkt tot de digitale omroepsector. Dit is al
het geval vanwege convergentie en de Europese multi-platform
strategie. Tevens heeft het ook te maken met het feit dat
elektronische toegangscontrole oplossingen net zo
aantrekkelijk zijn voor het internet of mobiele domein. Ook
hier biedt elektronische toegangscontrole de mogelijkheid tot
toegang tot digitale content, de mogelijkheid om niche markten
te bereiken, content controle en het onderhouden van
individuele commerciële relaties met consumenten. Met name in
verband met Digital Rights Management technologieën zijn al
vergelijkbare klachten betreffende bottleneck situaties, een
monopolisering van het consumentenbestand en het gebrek aan
transparantie en vergelijkbare informatie geconstateerd.
Verder onderzoek zal waarschijnlijk aantonen dat elektronische
toegangscontrole ook buiten digitale omroepmarkten
marktwerking en toegankelijkheid van inhoudelijke diensten kan
aantasten, zelfs indien men zich er rekenschap van geeft dat
er verschillen bestaan tussen de inhoudelijke regulering van
omroep en van niet-omroepdiensten.
In het geval dat
er overeenkomsten worden gevonden, kan lering worden getrokken
uit het betaaltelevisie voorbeeld. Een les van de
betaaltelevisie casus is dat elektronische toegangscontrole
samen gaat met kwesties van ongelijkheid van toegang tot
digitale content en elektronische uitsluiting.
Omroepregelgevers hebben dit relatief vroeg erkend en hebben
een benadering ontwikkeld die het waard is tevens te worden
besproken in de context van omroepdiensten. De lijst van
belangrijke evenementen en het recht van korte reportage
erkennen dat het de combinatie van elektronisch gecontroleerde
toegang en exclusieve content rechten is, die de toegang en de
beschikbaarheid van content aantast. Een oplossing die wordt
geboden om deze situatie aan te pakken, is door de
exclusiviteit van de exploitatierechten te verminderen,
tenminste wanneer het content in het algemeen belang betreft.
Een andere les die geleerd kan worden van de betaaltelevisie
casus is dat de Europese Toegangsrichtlijn voorziet in
middelen om met technische bottleneck situaties om te gaan. De
artikelen 8-13 van de Toegangsrichtlijn richten zich op de
sector van elektronische communicatie, op bottleneck situaties
en gedrag dat is gericht op monopolisering van het
consumentenbestand. De betaaltelevisie casus toont echter ook
aan dat het Communicatie Raamwerk gebaseerd is op een aantal
onderscheidingen die hinderlijk kunnen zijn. Met name het
onderscheid tussen het content en het transportniveau wordt
steeds moeilijker te maken en technologie-afhankelijke
juridische oplossingen zouden zoveel mogelijk verlaten dienen
te worden, wanneer het gaat om convergerende diensten.
Voorzichtigheid is op zijn plaats wanneer
toegangsverplichtingen als oplossingen voor bottleneck
situaties worden aangedragen. Dit is met name het geval indien
bottleneck situaties het gevolg zijn van controle van een
technische standaard. De effectieve toepassing en handhaving
van regels in de Toegangsrichtlijn dient ook rekening te
houden met zowel een technische als een content kant. Het
beste niveau om deze kwestie aan te pakken is waarschijnlijk
het niveau van toezicht en handhaving van de regelgeving.
Tenslotte is nog
een belangrijke les te leren uit de betaaltelevisie casus,
namelijk dat het stimuleren van marktwerking op het
faciliteits- en service niveau, indien dit mogelijk is, een
betere oplossing is om misbruik van machtspositie te
voorkomen. Een belangrijk element in zo een strategie zijn
garanties betreffende redelijkheid, betaalbaarheid en
keuzevrijheid van diensten voor de consument en
markttransparantie. De artikelen 8-13 van de Toegangsrichtlijn
en de Universele Diensten Richtlijn maken een nuttige stap in
deze richting door de mogelijkheid om
interoperabiliteitsoplossingen verplicht te stellen, de
mogelijkheid om koppelverkoop te verbieden, de mogelijkheid om
transparantie-bevorderende maatregelen te nemen en de
mogelijkheid om de juistheid van contractuele voorwaarden,
prijzen etc. in overeenkomsten tussen service providers en
consumenten te sturen. Hoe bruikbaar deze regels in de
praktijk zijn en of aanvullende maatregelen nodig zijn dient
verder onderzocht te worden. Zeker is dat de regels en
voorwaarden van redelijke, betaalbare en non-discriminatoire
toegang niet 'slechts' een zaak van billijkheid en
consumentenbescherming zijn, maar ook dienen om marktwerking
en toegankelijkheid te bevorderen en elektronische uitsluiting
te voorkomen |