| Gegevens over het
communicatiegedrag van de burger worden op grote schaal
opgeslagen in de systemen van telecom operators en
Internetproviders. Deze gegevens, ook wel verkeersgegevens
genoemd, worden gebruikt om de transmissie mogelijk te maken
en rekeningen op te stellen. Ze hebben onder andere betrekking
op duur, tijdstip, volume en routering van de communicatie en
de locatie van de gebruiker. De vergaring en verwerking van
deze gegevens wordt steeds onoverzichtelijker. Het aantal
verschillende informatiediensten neemt toe en de consument
heeft als gevolg van de toenemende mobiliteit van
randapparatuur in toenemende mate overal waar hij zich bevindt
contact met verschillende netwerken. In de toekomst zal een
mobiele telefoon wanneer zijn eigenaar op het werk is
aangekomen automatisch overschakelen op het netwerk van de
werkgever om ''s avonds wanneer men thuiskomt weer verbinding
te maken met het eigen vaste netwerk. Elke keer als een
gebruiker van netwerk wisselt, is er een andere operator die
persoonsgebonden informatie verzamelt. Om het allemaal nog
erger te maken ontbreekt bij telecomaanbieders iedere
standaard voor de verwerking van gegevens.
De toenemende complexiteit van
informatieverwerking en de samenvloeiing van
communicatietechnieken stellen juristen voor moeilijke vragen.
Om privacyregels over verwerking van verkeersgegevens te
kunnen handhaven dient men bijvoorbeeld vast te stellen wie
verantwoordelijk is voor de gegevensverwerking. Dit is niet
altijd even eenvoudig wanneer de rolverdeling in het
communicatieproces niet duidelijk is. Een ander probleem is
het onderscheid tussen de inhoud van communicatie en de
verkeersgegevens dat in huidige regelgeving wordt gemaakt.
Kennisname van de inhoud wordt van oudsher gezien als een
zwaardere inbreuk op de privacy dan kennisname van de
verkeersgegevens. Voor het eerste gelden in het Wetboek van
Strafvordering bijvoorbeeld zwaardere eisen. Bij modernere
communicatietechnieken is het onderscheid tussen inhoud en
verkeersgegevens niet altijd goed meer te handhaven. In een
e-mail zijn gegevens over de communicatie, zoals het
e-mailadres van de ontvanger en de 'subject line' nauwelijks
los te koppelen. Een e-mail is één datapakket waarin
verkeersgegevens en inhoud als het ware aan elkaar zijn
geplakt. Een ander voorbeeld is de URL. Dit is een
verkeersgegeven want het geeft de locatie van de informatie
aan. In de meeste gevallen kan men aan de URL echter ook zien
wat ongeveer de aard van de geraadpleegde informatie was.
Wanneer men gebruik maakt van zoekprogramma's worden de
gebruikte keywords zelfs in de URL opgenomen. Ook hier lopen
inhoud en verkeersgegevens dus door elkaar heen.
Privacy
Wie beschikt over
verkeersgegevens weet niet alleen veel over het
communicatiegedrag van een persoon maar soms ook over ander
gedrag en zelfs over de inhoud van communicatie. Zo kan men
bij mobiele communicatie niet alleen achterhalen dat Jantje
Pietje om zes uur 's avonds heeft opgebeld maar ook dat hij
zich toen op het Museumplein te Amsterdam bevond. Combineert
men verkeersgegevens met aanvullende informatie over zender of
ontvanger dan kan men bovendien vaststellen wat ongeveer de
inhoud van de communicatie is geweest: Jantje belde met zijn
advocaat, psycholoog of huisarts of logde in op de website van
Alcoholics Anonymous of een politieke partij. Verkeersgegevens
kunnen een dermate indringend beeld geven van feitelijk gedrag
en communicatiehandelingen dat kennisname daarvan misschien
wel als een even zware privacyinbreuk moet worden beschouwd
als kennisname van de inhoud. Dit geldt temeer nu het opvragen
van verkeersgegevens bij de opsporing van strafbare feiten
niet meer alleen ten dienste staat van het aftappen maar
steeds meer een afzonderlijk instrument wordt. Bovendien is
niet alleen de privacy in het geding maar ook de vrijheid van
individuen om informatie uit te wisselen en hun mening te
uiten zonder dat de overheid over hun schouder meegluurt.
Bewaarplichten
Een actuele discussie waarin
het probleem van de complexiteit van het communicatieproces en
het belang van de privacy samenkomen, is die over de
wenselijkheid van een bewaarplicht voor verkeersgegevens. Dat
verkeersgegevens waardevolle informatie bevatten is ook bij
opsporingsinstanties al lange tijd bekend. Huidige regelgeving
verplicht telecomaanbieders alleen tot het bewaren van
verkeersgegevens van pre-paid mobiele telefonie voor een
periode van drie maanden. S inds kort is er echter beroering
over een uitgelekt voorstel van de Europese Commissie om een
algemene bewaarverplichting in te voeren voor één tot twee
jaar. Doorvoering van deze maatregel zou een trendbreuk
betekenen. Waar nu nog wordt uitgegaan van de beschikbaarheid
van verkeersgegevens in de praktijk, merkt een 'a priori'
bewaarplicht voor een dergelijke periode alle Nederlanders bij
voorbaat als verdachte aan.
Naïef
Hoe moeten we deze
bewaarplicht nu beoordelen? Veel mensen stellen zich op het
standpunt dat zij van dergelijke maatregelen niets te vrezen
hebben. "Ik heb toch niets te verbergen" is vaak de gedachte.
Om een aantal redenen lijkt deze manier van denken mij naïef.
In de eerste plaats getuigt het van een te groot vertrouwen in
de overheid. Men moet altijd rekening blijven houden met de
neiging van opsporingsinstanties om te zoeken naar nieuwe en
ruimere bevoegdheden. Wanneer bevoegdheden eenmaal zijn
toegekend bestaat vervolgens het risico dat men de grenzen
daarvan opzoekt. Hoe dit uit de hand kan lopen is wel gebleken
uit de IRT-enquête. Zo onderzocht de commissie van Traa de
omstreden Delta-methode waarbij containers met drugs door
werden gelaten om inzicht te krijgen in criminele organisaties
en om bewijs te verzamelen. In de tweede plaats laat men op
deze manier de grenzen van de privacy volledig bepalen door
dat wat technisch mogelijk is. Er komen steeds meer technieken
om de burger gade te slaan. Wanneer men deze steeds toelaat
omdat men toch niets te verbergen heeft komt er een dag dat
men bij alles wat men doet traceerbaar is. Het derde bezwaar
heeft te maken met de effectiviteit. De discussie daarover is
nauwelijks gevoerd. Dat is ook bijna onmogelijk omdat er heel
weinig feitenmateriaal beschikbaar is op grond waarvan men de
effectiviteit kan beoordelen. We weten niet hoe vaak
verkeersgegevens worden opgevraagd door politie en justitie en
evenmin hoe vaak deze gegevens daadwerkelijk nut hebben bij de
opsporing van strafbare feiten. Europarlementariërs en
kamerleden die dit probleem aan de kaak stellen worden gesust
met toverwoorden als veiligheid en bestrijding van
criminaliteit en terrorisme. Deze houding staat een echte
discussie over de effectiviteit en proportionaliteit van een
vergaande bewaarplicht in de weg. Voordat wordt begonnen met
de aanleg van een enorme boterberg van digitale informatie
dient hierover meer helderheid te worden verkregen. Tenslotte
een argument dat alle Nederlanders aan zal spreken. De kosten
van een bewaarplicht zullen, zoals eerder al bij de invoering
van aftapverplichtingen gebeurde, worden afgewenteld op de
telecomaanbieders. Zij zullen die vervolgens doorberekenen aan
de klant en die klanten, dat zijn wij allemaal. Genoeg reden
dus voor een kritische blik.
|