Bewaarplicht verkeersgegevens veroorzaakt digitale boterberg
Verschenen in I&I 2002/5, p. 2-3.

A.H. Ekker


Gegevens over het communicatiegedrag van de burger worden op grote schaal opgeslagen in de systemen van telecom operators en Internetproviders. Deze gegevens, ook wel verkeersgegevens genoemd, worden gebruikt om de transmissie mogelijk te maken en rekeningen op te stellen. Ze hebben onder andere betrekking op duur, tijdstip, volume en routering van de communicatie en de locatie van de gebruiker. De vergaring en verwerking van deze gegevens wordt steeds onoverzichtelijker. Het aantal verschillende informatiediensten neemt toe en de consument heeft als gevolg van de toenemende mobiliteit van randapparatuur in toenemende mate overal waar hij zich bevindt contact met verschillende netwerken. In de toekomst zal een mobiele telefoon wanneer zijn eigenaar op het werk is aangekomen automatisch overschakelen op het netwerk van de werkgever om ''s avonds wanneer men thuiskomt weer verbinding te maken met het eigen vaste netwerk. Elke keer als een gebruiker van netwerk wisselt, is er een andere operator die persoonsgebonden informatie verzamelt. Om het allemaal nog erger te maken ontbreekt bij telecomaanbieders iedere standaard voor de verwerking van gegevens.

De toenemende complexiteit van informatieverwerking en de samenvloeiing van communicatietechnieken stellen juristen voor moeilijke vragen. Om privacyregels over verwerking van verkeersgegevens te kunnen handhaven dient men bijvoorbeeld vast te stellen wie verantwoordelijk is voor de gegevensverwerking. Dit is niet altijd even eenvoudig wanneer de rolverdeling in het communicatieproces niet duidelijk is. Een ander probleem is het onderscheid tussen de inhoud van communicatie en de verkeersgegevens dat in huidige regelgeving wordt gemaakt. Kennisname van de inhoud wordt van oudsher gezien als een zwaardere inbreuk op de privacy dan kennisname van de verkeersgegevens. Voor het eerste gelden in het Wetboek van Strafvordering bijvoorbeeld zwaardere eisen. Bij modernere communicatietechnieken is het onderscheid tussen inhoud en verkeersgegevens niet altijd goed meer te handhaven. In een e-mail zijn gegevens over de communicatie, zoals het e-mailadres van de ontvanger en de 'subject line' nauwelijks los te koppelen. Een e-mail is één datapakket waarin verkeersgegevens en inhoud als het ware aan elkaar zijn geplakt. Een ander voorbeeld is de URL. Dit is een verkeersgegeven want het geeft de locatie van de informatie aan. In de meeste gevallen kan men aan de URL echter ook zien wat ongeveer de aard van de geraadpleegde informatie was. Wanneer men gebruik maakt van zoekprogramma's worden de gebruikte keywords zelfs in de URL opgenomen. Ook hier lopen inhoud en verkeersgegevens dus door elkaar heen.

Privacy

Wie beschikt over verkeersgegevens weet niet alleen veel over het communicatiegedrag van een persoon maar soms ook over ander gedrag en zelfs over de inhoud van communicatie. Zo kan men bij mobiele communicatie niet alleen achterhalen dat Jantje Pietje om zes uur 's avonds heeft opgebeld maar ook dat hij zich toen op het Museumplein te Amsterdam bevond. Combineert men verkeersgegevens met aanvullende informatie over zender of ontvanger dan kan men bovendien vaststellen wat ongeveer de inhoud van de communicatie is geweest: Jantje belde met zijn advocaat, psycholoog of huisarts of logde in op de website van Alcoholics Anonymous of een politieke partij. Verkeersgegevens kunnen een dermate indringend beeld geven van feitelijk gedrag en communicatiehandelingen dat kennisname daarvan misschien wel als een even zware privacyinbreuk moet worden beschouwd als kennisname van de inhoud. Dit geldt temeer nu het opvragen van verkeersgegevens bij de opsporing van strafbare feiten niet meer alleen ten dienste staat van het aftappen maar steeds meer een afzonderlijk instrument wordt. Bovendien is niet alleen de privacy in het geding maar ook de vrijheid van individuen om informatie uit te wisselen en hun mening te uiten zonder dat de overheid over hun schouder meegluurt.

Bewaarplichten

Een actuele discussie waarin het probleem van de complexiteit van het communicatieproces en het belang van de privacy samenkomen, is die over de wenselijkheid van een bewaarplicht voor verkeersgegevens. Dat verkeersgegevens waardevolle informatie bevatten is ook bij opsporingsinstanties al lange tijd bekend. Huidige regelgeving verplicht telecomaanbieders alleen tot het bewaren van verkeersgegevens van pre-paid mobiele telefonie voor een periode van drie maanden. S inds kort is er echter beroering over een uitgelekt voorstel van de Europese Commissie om een algemene bewaarverplichting in te voeren voor één tot twee jaar. Doorvoering van deze maatregel zou een trendbreuk betekenen. Waar nu nog wordt uitgegaan van de beschikbaarheid van verkeersgegevens in de praktijk, merkt een 'a priori' bewaarplicht voor een dergelijke periode alle Nederlanders bij voorbaat als verdachte aan.

Naïef

Hoe moeten we deze bewaarplicht nu beoordelen? Veel mensen stellen zich op het standpunt dat zij van dergelijke maatregelen niets te vrezen hebben. "Ik heb toch niets te verbergen" is vaak de gedachte. Om een aantal redenen lijkt deze manier van denken mij naïef. In de eerste plaats getuigt het van een te groot vertrouwen in de overheid. Men moet altijd rekening blijven houden met de neiging van opsporingsinstanties om te zoeken naar nieuwe en ruimere bevoegdheden. Wanneer bevoegdheden eenmaal zijn toegekend bestaat vervolgens het risico dat men de grenzen daarvan opzoekt. Hoe dit uit de hand kan lopen is wel gebleken uit de IRT-enquête. Zo onderzocht de commissie van Traa de omstreden Delta-methode waarbij containers met drugs door werden gelaten om inzicht te krijgen in criminele organisaties en om bewijs te verzamelen. In de tweede plaats laat men op deze manier de grenzen van de privacy volledig bepalen door dat wat technisch mogelijk is. Er komen steeds meer technieken om de burger gade te slaan. Wanneer men deze steeds toelaat omdat men toch niets te verbergen heeft komt er een dag dat men bij alles wat men doet traceerbaar is. Het derde bezwaar heeft te maken met de effectiviteit. De discussie daarover is nauwelijks gevoerd. Dat is ook bijna onmogelijk omdat er heel weinig feitenmateriaal beschikbaar is op grond waarvan men de effectiviteit kan beoordelen. We weten niet hoe vaak verkeersgegevens worden opgevraagd door politie en justitie en evenmin hoe vaak deze gegevens daadwerkelijk nut hebben bij de opsporing van strafbare feiten. Europarlementariërs en kamerleden die dit probleem aan de kaak stellen worden gesust met toverwoorden als veiligheid en bestrijding van criminaliteit en terrorisme. Deze houding staat een echte discussie over de effectiviteit en proportionaliteit van een vergaande bewaarplicht in de weg. Voordat wordt begonnen met de aanleg van een enorme boterberg van digitale informatie dient hierover meer helderheid te worden verkregen. Tenslotte een argument dat alle Nederlanders aan zal spreken. De kosten van een bewaarplicht zullen, zoals eerder al bij de invoering van aftapverplichtingen gebeurde, worden afgewenteld op de telecomaanbieders. Zij zullen die vervolgens doorberekenen aan de klant en die klanten, dat zijn wij allemaal. Genoeg reden dus voor een kritische blik.


Geplaatst 23.10.2002