Het onderscheppen van telecommunicatie door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten [1]
Verschenen in Computerrecht 2002-2, p. 77-83.

A.H. Ekker


Op 5 februari 2002 werd het voorstel voor de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (WIV 2002) aangenomen door de Eerste Kamer. [2] De taakomschrijving van de diensten in de oude WIV 1988 was volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak in strijd met artikel 8 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) omdat onvoldoende duidelijk was ten aanzien van wie, onder welke omstandigheden en met welke middelen de diensten informatie mochten vergaren. [3] In de nieuwe WIV is daarom getracht de bevoegdheden van de diensten duidelijker vast te leggen. Tegelijkertijd is een aantal nieuwe mogelijkheden gecreëerd om informatie te vergaren. Zo zijn de diensten voor het eerst bevoegd om brieven te openen. Ook krijgen zij vergaande bevoegdheden tot het onderscheppen en analyseren van telecommunicatie. Deze verruimde bevoegdheden liggen in het verlengde van het alsmaar toenemend aftappen door politie en justitie en, naar men mag aannemen, door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Het is de vraag of de nieuwe bevoegdheden en de nieuwe taakomschrijving van de diensten voldoende duidelijk zijn om de toets van artikel 8 EVRM te doorstaan. Ook blijkt het wetsvoorstel uit te gaan van een eigenaardige interpretatie van het communicatiegeheim.

Taken van de diensten.

Op dit moment telt Nederland twee inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) verzamelt gegevens over antidemocratische en staatsgevaarlijke organisaties en personen. De Militaire Inlichtingendienst (MID) onderzoekt het potentieel en de strijdkrachten van andere mogendheden en verzamelt gegevens die nodig zijn ter bescherming van de veiligheid en de paraatheid van de Nederlandse krijgsmacht. Onder de nieuwe WIV zullen beide diensten voortaan door het leven gaan als de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD). Met deze naamswijziging heeft men aan willen geven dat beide diensten zowel inlichtingen- als veiligheidstaken vervullen.

In de nieuwe WIV is aan de taakomschrijving van de diensten in de artikelen 6 (AIVD) en 7 (MIVD) een element toegevoegd. De diensten mogen straks onderzoek verrichten betreffende andere landen met betrekking tot onderwerpen die door de Minister-president zijn aangewezen (art. 6 lid 2 en art 7 lid 2 sub e WIV 2002). Langs deze weg nemen zij taken over van de voormalige Inlichtingendienst Buitenland. De MIVD zal daarnaast informatie gaan vergaren omtrent handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde (art. 7 lid 2 onder 2º WIV 2002).

Om duidelijker aan te geven onder welke omstandigheden en met inzet van welke middelen bijzondere bevoegdheden mogen worden uitgeoefend, wordt in de nieuwe WIV als leidend begrip voor de activiteiten van de diensten het aan artikel 8 lid 2 EVRM ontleende begrip “nationale veiligheid” geïntroduceerd. [4] Deze term bestrijkt zowel het takenpakket van de diensten onder de WIV 1988 als de uitbreiding daarvan in de WIV 2002 en is bedoeld om de taakuitoefening te reguleren en af te bakenen.

De aansluiting bij artikel 8 EVRM betekent dat de invulling van dit begrip mede bepaald wordt door de jurisprudentie van het Europese Hof. Uit deze jurisprudentie kan op dit moment worden afgeleid dat de nationale veiligheid in ieder geval in het geding kan zijn bij het schenden van staatsgeheimen en militaire geheimen, de verspreiding van opruiende geschriften onder militairen, het oproepen tot en het goedkeuren van geweld, het verrichten van neonazistische activiteiten, het verrichten van terroristische activiteiten en de publicatie van geheime informatie in geschriften die schade kunnen toebrengen aan het functioneren van de staatsveiligheidsdienst van een land. Uiteraard is deze opsomming niet limitatief.

De nieuwe taakomschrijving

Artikel 6 lid 2 WIV 2002:

 De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst heeft in het belang van de nationale veiligheid tot taak:

a. het verrichten van onderzoek met betrekking tot organisaties en personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat.

Artikel 7 lid 2 WIV 2002:

De Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst heeft in het belang van de nationale veiligheid tot taak:

a. het verrichten van onderzoek:

1°. omtrent het potentieel en de strijdkrachten van andere mogendheden, ten behoeve van een juiste opbouw en een doeltreffend gebruik van de krijgsmacht;

2°. naar factoren die van invloed zijn of kunnen zijn op de handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde voor zover de krijgsmacht daarbij is betrokken of naar verwachting betrokken kan worden;

(…)

e. het verrichten van onderzoek betreffende andere landen, ten aanzien van onderwerpen met een militaire relevantie die door Onze Minister-president, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze betrokken Ministers, met het oog op het belang van de staat zijn aangewezen.

Bevoegdheden tot het aftappen van telecommunicatie.

Tot 1971 bestond er geen wettelijke basis voor het afluisteren van telecommunicatie ten behoeve van de staatsveiligheid. Het afluisteren van telefonie door de BVD werd geacht voort te vloeien uit de algemene taak van deze dienst. [5] Eind jaren zestig werd de bescherming van de persoonlijke levenssfeer mede als gevolg van de technische ontwikkelingen actueel en voelde men de noodzaak inbreuken daarop strafbaar te stellen. Ten behoeve van de BVD werd voorzien in een aantal strafuitsluitingsgronden die voorzagen in de bevoegdheden tot:

a. het met een technisch hulpmiddel afluisteren en opnemen van gesprekken dan wel van gegevensoverdracht door middel van een geautomatiseerd werk in woningen, besloten lokalen of erf (art. 139a, derde lid, aanhef en onder 3° Sr),

b. het met een technisch hulpmiddel afluisteren en opnemen van gesprekken die elders dan in een woning, besloten lokaal of erf worden gevoerd alsmede het met een technisch hulpmiddel aftappen of opnemen van gegevensoverdracht door middel van een geautomatiseerd werk of telecommunicatie elders dan in een woning, besloten lokaal of erf (art. 139b, derde lid Sr), en

c. het met een technisch hulpmiddel aftappen of opnemen van door middel van een openbaar telecommunicatienetwerk, of door middel van daarop aangesloten randapparatuur overgedragen gegevens (art. 139c, tweede lid, aanhef en onder 3° Sr).

In de nieuwe WIV is gekozen voor een andere aanpak. De mogelijkheden tot aftappen zijn anders geformuleerd en in een aantal opzichten aanmerkelijk verruimd. Hieronder zullen de relevante artikelen worden besproken.

Aftappen, ontvangen, opnemen en afluisteren.

Artikel 25 lid 1 WIV 2002:

De diensten zijn bevoegd tot het met een technisch hulpmiddel gericht aftappen, ontvangen, opnemen en afluisteren van elke vorm van gesprek, telecommunicatie of gegevensoverdracht door middel van een geautomatiseerd werk, ongeacht waar een en ander plaatsvindt. Tot de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin, behoort tevens de bevoegdheid om versleuteling van de gesprekken, telecommunicatie of gegevensoverdracht ongedaan te maken.

Deze bepaling maakt zowel het aftappen van telefoonverkeer als het aftappen van bijvoorbeeld elektronisch berichtenverkeer en internetverkeer mogelijk. Onder telecommunicatie wordt in artikel 1.1 onder c van de Telecommunicatiewet immers verstaan iedere overdracht, uitzending of ontvangst van signalen van welke aard ook door middel van kabels, radiogolven, optische middelen of andere elektromagnetische middelen.

Voor het uitoefenen van deze bevoegdheden heeft de AIVD toestemming nodig van de Minister van Binnenlandse Zaken (art. 25 lid 2). De MIVD dient toestemming te verkrijgen van de Minister van Defensie. In de oude regeling werd nog toestemming verleend door vier Ministers. Volgens de regering was dit niet langer nodig aangezien de toegevoegde waarde van een last, afgegeven door meerdere Ministers in de praktijk gering was gebleken. [6]

Het verzoek tot toestemming wordt gedaan door het hoofd van de betreffende dienst en dient ten minste het telefoonnummer of technisch identiteitsnummer waarop de tap geplaatst wordt te bevatten en de soort bevoegdheid die de dienst wenst uit te oefenen (art. 25 lid 4). Met het laatste wordt gedoeld op bijvoorbeeld het afluisteren van gesprekken met een richtmicrofoon of het aftappen van telecommunicatie door middel van een telefoontap. Ook dient in het verzoek te worden aangegeven tegen welke persoon of organisatie men de bevoegdheid wil inzetten en wat de reden daarvoor is. De toestemming wordt verleend voor een periode van ten hoogste drie maanden en kan telkens op een daartoe strekkend verzoek worden verlengd voor een zelfde periode (art. 19 lid 3).

Om de bevoegdheid tot aftappen effectief te kunnen uitoefenen is voorzien in de mogelijkheid om versleuteling ongedaan te maken. Onder versleuteling wordt in dit verband verstaan elke denkbare methode om informatie voor een derde ontoegankelijk te maken. Hieronder vallen in ieder geval de cijfermatige versleuteling (encryptie) en verhaspeling (scrambling) van informatie. [7]

Searchen

Artikel 25a lid 1 WIV 2002:

1. De diensten zijn bevoegd tot het met een technisch hulpmiddel ontvangen en opnemen van niet-kabelgebonden telecommunicatie die zijn oorsprong of bestemming in andere landen heeft aan de hand van een technisch kenmerk ter verkenning van de communicatie. De diensten zijn bevoegd om van daarbij ontvangen gegevens kennis te nemen. Tot de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin, behoort tevens de bevoegdheid om versleuteling van de telecommunicatie ongedaan te maken.

Het gaat hier om het zogenaamde “searchen” van niet-kabelgebonden telecommunicatie die zijn oorsprong of bestemming heeft in andere landen. Bij “niet-kabelgebonden telecommunicatie” moet volgens de Memorie van Toelichting gedacht worden aan etherverkeer in de ruimste zin van het woord en in het bijzonder aan de interceptie van telecommunicatieverkeer dat via satellieten plaatsvindt. Bij het searchen tracht men te achterhalen wat de aard is van telecommunicatie over een bepaalde frequentie (technische kenmerken) en welke persoon of organisatie daarvan de afzender is. Het searchen is erop gericht vast te stellen of er sprake is van telecommunicatie waarvan kennisneming voor een goede taakuitvoering van de diensten noodzakelijk is. Voor dit doel mag van de ontvangen gegevens “steekproefsgewijs” kennis worden genomen. Er wordt onderzocht of het om digitale of analoge signalen gaat en met welk medium (telex-, telefoon-, of dataverkeer) en in welke vreemde taal wordt uitgezonden. Volgens de regering is de uitoefening van de bevoegdheid tot gerichte en ongerichte interceptie in de praktijk onmogelijk zonder dat de niet-kabelgebonden telecommunicatie is verkend door middel van het searchen.

Artikel 25a lid twee bepaalt dat geen toestemming is vereist voor de uitoefening van deze bevoegdheid. Volgens de regering zou een toestemmingsvereiste zinloos zijn. Het searchen is niet gericht op een specifieke persoon of organisatie, zodat het niet mogelijk is in een verzoek om toestemming de identiteit van de betrokken persoon of organisatie te vermelden. Ook is er geen specifieke reden voor het searchen aan te geven. Dit zou betekenen dat het toestemmingsvereiste op niets anders betrekking zou kunnen hebben dan hetgeen in het eerste lid van artikel 25a als algemeen doel is omschreven. [8]

Het searchen kan alleen plaatsvinden ten aanzien van niet-kabelgebonden telecommunicatie die zijn oorsprong of bestemming heeft in andere landen en dus niet ten aanzien van zodanige communicatie die zijn oorsprong én bestemming in Nederland heeft. Searchen op binnenlandse telecommunicatie is niet toegestaan. Deze beperking wordt in de nota van wijziging slechts heel summier gemotiveerd met de opmerking dat het searchen zich richt op HF-radioverkeer en satellietverkeer. Hiervan zou binnen Nederland geen gebruik worden gemaakt, dat voor de diensten relevant is. [9] Verderop in de Kamerstukken wordt echter gesteld dat er met het oog op het recht op privacy voor gekozen is het searchen te beperken tot bovengenoemde vormen van telecommunicatie. [10]

Wanneer de identiteit van de persoon of organisatie is vastgesteld, dient binnen twee dagen een verzoek tot toestemming te worden ingediend om af te luisteren via de weg van artikel 25. Het searchen is immers slechts gericht op het verkennen van communicatie en niet op het kennisnemen van de volledige inhoud. Totdat die toestemming is verleend, mag van de opgenomen telecommunicatie niet verder worden kennisgenomen (art. 25a lid 4). Indien het ontvangen of opnemen niet noodzakelijk blijkt te zijn voor een goede taakuitvoering van de dienst, worden de opgenomen gegevens terstond vernietigd (art. 25a lid 5).

Ongericht ontvangen.

Artikel 26 lid 1 WIV 2002:

De diensten zijn bevoegd tot het met een technisch hulpmiddel ongericht ontvangen en opnemen van niet-kabelgebonden telecommunicatie. Tot de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin, behoort tevens de bevoegdheid om versleuteling van de telecommunicatie ongedaan te maken.

Met “ongericht ontvangen en opnemen” wordt gedoeld op interceptie die zich niet richt op berichten, afkomstig van een bepaalde persoon of organisatie, dan wel gerelateerd aan een technisch kenmerk. Het gaat hier om het onderscheppen en opslaan van al het berichtenverkeer dat via een bepaald satellietkanaal of een bepaalde etherfrequentie wordt verzonden.

De leden drie tot en met zes verschaffen de diensten de mogelijkheid om de verzamelde gegevens verder te verwerken. Met behulp van de computer kan razendsnel worden gescand op (a) gegevens betreffende de identiteit van een persoon of organisatie, (b) een nummer als bedoeld in artikel 1.1, onder t van de Telecommunicatiewet (cijfers, letters of andere symbolen, bestemd voor toegang of identificatie), en (c) aan een nader omschreven onderwerp gerelateerde trefwoorden. Voor selectie als bedoeld onder (a) en (b) moet op dezelfde wijze als in artikel 25 toestemming worden verkregen. Toestemming voor selectie als bedoeld onder (c) wordt verleend voor ten hoogste een jaar (art. 26 lid 5). Het verzoek om toestemming dient in alle gevallen een nauwkeurige omschrijving van het onderwerp te bevatten alsmede de reden waarom de selectie dient te worden toegepast (art. 26 lid 4 sub a en b en lid 5, sub a en b). De regering heeft aangegeven dat van de mogelijkheid om te selecteren op trefwoorden als bedoeld onder (c) selectief (voornamelijk beperkt tot satellietverkeer) en terughoudend gebruik zal worden gemaakt. Of dit ook daadwerkelijk gebeurt, zal worden gecontroleerd door de onafhankelijke commissie van toezicht die krachtens artikel 59 van de WIV 2002 wordt ingesteld. [11]

Voor het ongericht ontvangen is geen toestemming vereist (art. 26 lid 2). Volgens de regering is er nog geen sprake van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, en meer in het bijzonder het telefoon- en telegraafgeheim, zolang er nog geen kennis wordt genomen van de inhoud van de gegevens. Het geven van toestemming zou alleen betrekking kunnen hebben op de frequentie of het satellietkanaal en zou daarom weinig toegevoegde waarde hebben. [12]

De krachtens artikel 26 verzamelde gegevens mogen, voor zover zij niet zijn geselecteerd, voor een periode van ten hoogste een jaar worden bewaard ten behoeve van een nadere selectie. Nadere selectie kan echter slechts plaatsvinden ten behoeve van onderzoeken van een dienst waarvoor op het moment van het opvangen en opnemen van de desbetreffende gegevens toestemming was verleend. Volgens de regering kan het voorkomen dat ongeselecteerde gegevens relevante informatie bevatten die later alsnog kunnen worden geselecteerd aan de hand van selectiecriteria, ontleend aan andere bronnen van een andere dienst of op een later tijdstip ontvangen en opgenomen gegevens. [13] Versleutelde gegevens mogen worden bewaard tot een jaar na het moment waarop de versleuteling ongedaan is gemaakt (art. 26 lid 10). Het enkele feit dat er versleuteling is toegepast maakt telecommunicatie al interessant voor de diensten, aldus de regering. Totdat de mogelijkheid bestaat of is ontwikkeld om de versleuteling ongedaan te maken moeten de gegevens bewaard kunnen worden.

Wat zijn de belangrijkste wijzigingen?

De reikwijdte van de aftapmogelijkheden in artikel 25 is aanzienlijk ruimer dan de mogelijkheden onder de oude WIV. De diensten zijn onder de nieuwe wet bevoegd tot het aftappen, ontvangen, opnemen en afluisteren van “ elke vorm van telecommunicatie of gegevensoverdracht door middel van een geautomatiseerd werk”. Hiermee worden in één volzin alle activiteiten bestreken die voorheen op grond van de strafuitsluitingsgronden van de artikelen 139a tot en met c Sr plaatsvonden. Er wordt bovendien niet langer onderscheid gemaakt tussen de plaats waar het gesprek, de gegevensoverdracht of de telecommunicatie plaatsvindt. Daarnaast zijn de bevoegdheden tot searchen en ongericht ontvangen geheel nieuw. Voor het eerst mogen de diensten niet-kabelgebonden telecommunicatieverkeer onderscheppen en verwerken dat niet via een openbaar telecommunicatienetwerk wordt getransporteerd. [14] Bovendien zijn alle bevoegdheden in de artikelen 25, 25a en 26 ook toegekend aan de MIVD. De MIVD, die voorheen geen enkele formele bevoegdheid tot aftappen had, zal dus gaan afluisteren in het belang van doelen die voorheen niet geacht werden een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer te rechtvaardigen. Tenslotte is er voor het eerst voorzien in de bevoegdheid voor beide diensten tot het ongedaan maken van versleuteling.

De eisen van artikel 8 EVRM

Artikel 8 EVRM verleent aan eenieder “the right to respect for his correspondence”. Dit artikel is door het Europese Hof van toepassing geacht op alle vormen van informatieoverdracht, waaronder naast briefwisseling ook telefoonverkeer en andere vormen van telecommunicatie. Inbreuken moeten op grond van het vereiste van “accordance with the law” een materieelrechtelijke basis hebben in het nationale recht en voldoen aan de eisen van voorzienbaarheid en kenbaarheid. Dit betekent dat de taakomschrijving van de diensten met een zodanige precisie moet zijn geformuleerd dat een indicatie wordt gegeven van de omstandigheden waarin en de voorwaarden waaronder de diensten van de mogelijkheid tot interceptie gebruik kunnen maken. De taakomschrijving fungeert immers als beslissend criterium voor iedere taakuitoefening door de diensten. Ook de bevoegdheden van de diensten moeten voldoende duidelijk zijn omschreven.

Voorzienbaarheid

De Tweede Kamer was weinig optimistisch over de voorzienbaarheid. Vooral bij de introductie van het begrip “nationale veiligheid” werden vele kritische kanttekeningen gemaakt. Men vond het begrip te vaag en de vrees werd geuit dat sprake zou zijn van een onoverzienbare taakuitbreiding van de diensten. Men verzocht de regering dan ook om een meer expliciete beschrijving te geven. Aan dit verzoek werd echter niet voldaan. [15] De regering volstond met op te merken dat het Europese Hof aan de nationale wetgever een ruime “margin of interpretation” laat.

De Raad van State stelde de associatie met artikel 8 EVRM ter discussie. Volgens de Raad is er een spanning tussen de noodzakelijke ruime interpretatie van het begrip “nationale veiligheid” en het feit dat dit begrip is ontleend aan een beperkingsgrond uit een verdragsbepaling. Daarnaast vond zij het onjuist om de taakomschrijving van de diensten afhankelijk te maken van ontwikkelingen in de jurisprudentie van het EHRM.

Ook in een ander opzicht is de taakomschrijving er niet veel duidelijker op geworden. Doordat de oude taakomschrijving grotendeels is gehandhaafd met toevoeging van het nieuwe begrip “nationale veiligheid”, ontstaat een gelaagdheid van criteria die niet bijdraagt aan de overzichtelijkheid. Zo wordt uit de toelichting van de regering niet duidelijk wat precies de verhouding is tussen de begrippen “democratische rechtsorde” en “de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat” enerzijds, en het overkoepelende begrip “nationale veiligheid” anderzijds. Hebben eerstgenoemde criteria eigenlijk nog wel toegevoegde waarde? Hetzelfde probleem doet zich voor met de in de taakomschrijving van de MIVD opgenomen begrippen. Wellicht was het beter geweest de taakomschrijving geheel te herzien en de gebruikte begrippen duidelijker te omschrijven. Wel erg gemakkelijk wordt door de regering geconcludeerd dat alle huidige en toekomstige taken in het belang van de “nationale veiligheid” kunnen worden uitgeoefend. De toepassing van dit begrip zal in de praktijk waarschijnlijk nog heel wat problemen op gaan leveren.

De bevoegdheden tot aftappen, searchen en ongericht ontvangen dienen eveneens met een redelijke mate van precisie te zijn omschreven. In dat verband moet worden stilgestaan bij de afbakening van het “gewone” afluisteren op grond van artikel 25 ten opzichte van de bevoegdheden tot het searchen en ongericht aftappen. Men kan zich afvragen of in de praktijk wel een duidelijk onderscheid valt te maken. In veel gevallen gaat het bij het searchen en ongericht ontvangen niet zozeer om de inhoud van gesprekken en e-mailverkeer maar om het in kaart brengen van netwerken. Daarvoor is het in de eerste plaats van belang vast te stellen uit welke personen of organisaties een netwerk bestaat en hoe vaak wordt gecommuniceerd. Hiervoor kan het searchen en ongericht ontvangen in bepaalde gevallen reeds voldoende informatie opleveren. Aftappen op grond van artikel 25 is dan niet meer nodig. De vraag is dan ook of er geen aanleiding is om bij de besluitvorming over searchen en ongericht ontvangen strengere waarborgen te hanteren.

Kenbaarheid

De regering was van mening dat aan het kenbaarheidsvereiste in de WIV 2002 voldaan zou zijn door de invoering van een wettelijke plicht tot het publiceren van een jaarverslag. Hierin worden immers telkens de taak- en aandachtsgebieden van de diensten over het afgelopen en het komende jaar vermeld. Door kamerleden werd dit in twijfel getrokken aangezien de jaarverslagen pas na afloop gepubliceerd worden. De burger heeft dus niet de mogelijkheid zijn gedrag daarop af te stemmen. Ook is het de vraag of de jaarverslagen vallen onder het begrip "law" in de zin van artikel 8 lid 2 EVRM. In de zaak Leander werd een instructie van de Zweedse regering door het Hof als "law" geaccepteerd. Het is echter niet zeker of een jaarverslag ook als “law” aangemerkt zou worden. [16]

De eisen van artikel 13 lid 2 Grondwet

Het telefoon- en telegraafgeheim van artikel 13 lid 2 Grondwet beschermt de verzender van een boodschap tegen kennisneming door derden. Algemeen wordt aangenomen dat deze bescherming ook betrekking heeft op nieuwere vormen van telecommunicatie. In het hiernavolgende zal ervan worden uitgegaan dat het communicatiegeheim dient te worden geïnterpreteerd als een transportgeheim. [17] Het onderwerp van de bescherming van artikel 13 lid 2 Grondwet is in die visie de vertrouwelijkheid van het communicatiekanaal over het gehele traject van zender naar ontvanger.

Bij een kritische beschouwing van de artikelen 25, 25a en 26 van de WIV 2002 valt het op dat de regering het communicatiegeheim verschillende keren op een twijfelachtige manier interpreteert. In de eerste plaats kan men vraagtekens plaatsen bij het standpunt dat bij het ongericht ontvangen geen sprake is van een inbreuk op het telefoon- en telegraafgeheim zolang er nog geen kennis wordt genomen van de inhoud van de gegevens. Dit standpunt miskent het feit dat het communicatiegeheim betrekking heeft op de bescherming van het communicatie kanaal. Zodra telecommunicatie wordt opgenomen is de vertrouwelijkheid van dat kanaal geschonden en heeft er dus een inbreuk plaatsgevonden. Het feit dat van de inhoud nog geen kennis is genomen doet hier niets aan af. Evenmin is van belang dat de identiteit van verzender en ontvanger nog niet vaststaat. Ter verduidelijking kan de vergelijking worden gemaakt met de bescherming van het briefgeheim. Deze bescherming is niet afhankelijk van de vraag of de afzender bekend is. Als deze heeft nagelaten zijn naam en adres achter op de envelop te zetten betekent dit niet dat de postbode de brief kan openen zonder het briefgeheim te schenden.

De interpretatie van de regering is evenmin in overeenstemming met artikel 8 EVRM. Het Europese Hof heeft in de zaak Klass uitdrukkelijk aangegeven dat de enkele aanwezigheid van wetgeving op het gebied van aftappen, ook al is er nog geen tot op de persoon herleidbare informatie afgeleid, in beginsel in strijd kan zijn met artikel 8 EVRM.

Ook bij het searchen wringt de regering zich in vreemde bochten. Artikel 25a staat de diensten toe bij het searchen kennis te nemen van de ontvangen gegevens zodat de bij artikel 26 gevolgde redenering hier niet opgaat. Daarom wordt een andere weg gekozen: “Dat (…) van een deel van de inhoud van de telecommunicatie moet worden kennisgenomen is onvermijdelijk om te bepalen wie de telecommunicatie verricht en of het om een persoon of organisatie gaat, die gelet op de taakstelling van de diensten, de aandacht verdient. Het searchen is er echter niet op gericht om van de volledige inhoud van de telecommunicatie kennis te nemen. In zekere zin valt deze activiteit te vergelijken met het inluisteren op telefoongesprekken teneinde vast te stellen of een verbinding goed verloopt”. [18] Hier wordt door de regering verwezen naar de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 13 Gw. In haar toelichting bij de grondwetsherziening van 1983 wees de regering erop dat de instandhouding van telecommunicatieapparatuur voortdurende controle en herstel vereist. Om de kwaliteit van de verbindingen te controleren was het nodig dat op telefoongesprekken werd ingeluisterd. Het zou volgens de regering “te ver gaan het telefoongeheim zo ruim op te vatten dat ook deze technische controle- en herstelwerkzaamheden, waarbij wel een iets van een gesprek moet worden opgevangen, als inbreuken op dit recht zouden worden aangemerkt.” [19]

Volgens een aantal fracties in de Tweede Kamer gaat de vergelijking met het searchen mank. [20] Bij het inluisteren voor kwaliteitscontrole was het kennisnemen van de inhoud een niet beoogd, technisch gevolg van de werkzaamheden. Bij het searchen is de inhoud wel van belang en kan verkregen informatie aanknopingspunten bieden voor verder onderzoek. Dat bij het searchen niet van de volledige inhoud van de communicatie kennis wordt genomen en het “slechts” gaat om het vaststellen van de aard van de communicatie doet niet ter zake.

Ook hier kan een vergelijking met het briefgeheim duidelijkheid scheppen. Wanneer een postbode een brief openmaakt en daarvan slechts een gedeelte leest om “de aard van de communicatie vast te stellen”, heeft hij dan inbreuk gemaakt op het communicatiegeheim? Het antwoord dient bevestigend te zijn. De envelop is immers geopend zodat de vertrouwelijkheid van het kanaal is geschonden. Het feit dat de postbode misschien niet van plan is om de brief in zijn geheel te lezen verandert hier niets aan.

Een tweede punt van kritiek zou kunnen zijn dat het bij het searchen in veel gevallen niet mogelijk is om vast te stellen dat bepaalde telecommunicatie zijn oorsprong of bestemming heeft buiten Nederland zonder dat daarvoor van de betreffende telecommunicatie kennis wordt genomen. Om de “binnenlandse” communicatie te scheiden van de “buitenlandse” zal dus ook, zij het kortstondig, kennis moeten worden genomen van de binnenlandse communicatie. Hier is dus sprake van een innerlijke tegenstrijdigheid. Zeker bij internetverkeer is het heel goed mogelijk dat communicatie met oorsprong en bestemming in Nederland een omweg maakt via het buitenland en daarbij ook via de satelliet wordt getransporteerd. Dit punt is belangrijk omdat d e regering heeft aangegeven dat er juist ook in het licht van het recht op privacy voor is gekozen het searchen te beperken tot HF-radioverkeer en satellietcommunicatie die hun oorsprong of bestemming in het buitenland hebben. Hierbij moet tenslotte nog worden opgemerkt dat door de regering geen woord is gewijd aan het feit dat bij het searchen wel inbreuk wordt gemaakt op de privacy van zenders en ontvangers in het buitenland.

Tenslotte is het in verband met de interpretatie van het communicatiegeheim van belang om stil te staan bij het verschil in beschermingsniveau tussen de kabelgebonden en de niet-kabelgebonden delen van het transportkanaal. De niet-kabelgebonden delen zijn onder de nieuwe WIV minder beschermd aangezien hier de bevoegdheden van de artikelen 25a en 26 kunnen worden aangewend. Men kan zich afvragen of dit juist is. Het verschil in bescherming staat in ieder geval in schril contrast met de bedoeling van de wetgever bij de invoering van de wet Computercriminaliteit. Hier werd door de wetgever juist getracht de bescherming over het gehele transportkanaal gelijk te trekken door het ontvangen van gegevens door middel van een “radio-elektrische ontvanginrichting” ook strafbaar te stellen.

De verkeerde interpretatie van het communicatiegeheim in de WIV 2002 heeft vooralsnog weinig nadelige consequenties. Het stellen van een toestemmingsvereiste heeft, zoals de regering terecht betoogt, bij het searchen en ongericht ontvangen weinig zin aangezien niet duidelijk is waarop deze toestemming betrekking zou moeten hebben. Wel krijgt men bij het lezen van de Kamerstukken sterk de indruk dat de regering het communicatiegeheim uitlegt op de manier die haar het beste uitkomt. Zeker de regering zou zorgvuldiger met onze grondrechten om dienen te gaan.

Notificatieplicht

Notificatie is het uitbrengen van een verslag omtrent de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid aan degene ten aanzien van wie die bevoegdheid is toegepast. Een dergelijke verplichting voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is van belang voor de effectieve handhaving van het communicatiegeheim, aangezien een betrokkene alleen tegen een inbreuk op zijn rechten op kan komen als hij weet dat die inbreuk heeft plaatsgevonden. Het huidige beperkingsregime van artikel 13 Grondwet voorziet niet in een notificatieplicht. In de toekomst zal deze naar verwachting wel worden opgenomen. Verschillende auteurs menen dat uit artikel 8 EVRM wel een notificatieplicht voortvloeit. De wetgever dacht hier echter anders over en bleek bij de totstandkoming van de WIV 2002 zeer huiverig. Men vreesde dat een te ruimhartige regeling inzage zou kunnen geven in de werkwijze en het kennisniveau van de diensten. Uiteindelijk werd in artikel 33a bepaald dat de betrokken Minister vijf jaar na de beëindiging van de uitoefening van een bevoegdheid dient te onderzoeken of tot notificatie kan worden overgegaan. Dit geldt overigens alleen voor bevoegdheden waarbij inbreuk wordt gemaakt op het huisrecht (art. 12 Gw) en het brief, telefoon- en telegraafgeheim (art. 13 Gw).

Aangezien het searchen op basis van artikel 25a niet als een inbreuk op het telefoon- en telegraafgeheim wordt opgevat, is de notificatieplicht op dit artikel niet van toepassing. Ook hier heeft de verkeerde interpretatie van het communicatiegeheim geen ernstige gevolgen. Zodra bij de uitoefening van deze bevoegdheid de identiteit van een persoon of organisatie komt vast te staan moet namelijk toestemming worden verkregen als bedoeld in artikel 25 lid 2. Het gericht aftappen vindt vanaf dat moment verder plaats op basis van artikel 25 zodat de notificatieplicht van kracht wordt. Bij het ongericht ontvangen ontstaat de notificatieplicht zodra gegevens worden geselecteerd (art. 26 lid 3).

De invoering van een notificatieverplichting is in het licht van de privacy en de bescherming van het communicatiegeheim een aanzienlijke verbetering. Dat Nederland in dit opzicht voorop loopt blijkt uit het feit dat in Europa alleen Duitsland een dergelijke regeling heeft. De Nederlandse notificatieregeling biedt echter zeer ruime mogelijkheden tot uitstel en afstel. De verplichting vervalt indien notificatie bronnen of methoden van de diensten of de identiteit van behulpzame personen zou kunnen onthullen of wanneer betrekkingen met andere landen en met internationale organisaties ernstig zouden kunnen worden geschaad (art. 33a lid 7). Daarnaast wordt van notificatie afgezien wanneer gegevens over de betreffende persoon minder dan vijf jaar geleden zijn verwerkt (art. 33a lid 6 Jo. art. 50 lid 1 sub a onder ten eerste). De verplichting vervalt ook als de betrokkene niet met een redelijke inspanning te traceren is (art. 33a lid 5). Indien notificatie om een van bovengenoemde redenen niet mogelijk is, wordt de nieuw in het leven geroepen commissie van toezicht hiervan op de hoogte gebracht. Daarbij moet de motivering worden vermeld (art. 33a lid 2).

Verkeersgegevens

Verkeersgegevens vormen volgens het Europese Hof een onlosmakelijk onderdeel van de communicatie en vallen daarom onder de bescherming van artikel 8 EVRM. [21] Door de Nederlandse regering word het opvragen van verkeersgegevens echter niet beschouwd als een inbreuk op artikel 13 Grondwet. [22] In Nederland worden verkeersgegevens beschermd door artikel 11.5 van de Telecommunicatiewet. In dit artikel zijn regels opgenomen over de verwerking van verkeersgegevens door aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken- en diensten. De hoofdregel is dat verkeersgegevens bij beëindiging van de oproep moeten worden verwijderd of geanonimiseerd. Verwerking is daarna slechts nog mogelijk voor bepaalde doelen, zoals bijvoorbeeld het opstellen van een nota voor een abonnee.

Aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is in artikel 27 de nieuwe bevoegdheid toegekend tot het opvragen van verkeersgegevens. De aanbieders van netwerken- en diensten dienen op verzoek alle verkeersgegevens te verstrekken ten aanzien van een bepaald nummer. Het betreft hier nummers als bedoeld in artikel 1.1 onder t Tw, dat wil zeggen: Alle cijfers, letters of andere symbolen, al dan niet in combinatie, die bestemd zijn voor toegang tot of identificatie tot diensten en netwerken. Het gaat dus niet alleen om telefoonnummers maar ook om bijvoorbeeld IP-adressen. De diensten zijn bevoegd tot het gebruik van een technisch hulpmiddel om dit nummer te verkrijgen. Voor de uitoefening van deze bevoegdheid is geen toestemming vereist van de Minister (art. 27 lid 2).

Het schriftelijke verzoek tot de verstrekking van deze gegevens dient een omschrijving te bevatten van de soort gegevens die verlangd worden en de periode waarover zij moeten worden verstrekt. Tot deze gegevens worden in ieder geval de nummers gerekend die zijn opgeroepen of waarmee verbinding is gelegd en de nummers waar vanaf eerstgenoemd nummer is opgeroepen of verbonden. Ook de “gegevens betreffende de identiteit van de persoon”, oftewel de persoonsgegevens, van de persoon of organisatie aan wie het nummer toebehoort en de aanvangstijd, duur en eindtijd van de oproep of de verbinding zijn zulke gegevens. Vaak zal een verzoek tot het verstrekken van verkeersgegevens voorafgaan aan het aftappen en opnemen van telecommunicatie op grond van artikel 25 van de WIV 2002. Op deze manier kunnen immers gegevens worden verkregen die behulpzaam kunnen zijn bij de beoordeling van de vraag of een tap noodzakelijk is, en zo ja ten aanzien van wie.

Het is niet duidelijk waarom de notificatieplicht niet ook geldt voor het opvragen van verkeersgegevens. Er is immers sprake van een inbreuk op artikel 8 EVRM. De regering heeft zich hierover echter niet uitgelaten.

Het Actieplan Terrorismebestrijding en Veiligheid [23]

Na de aanslagen in de Verenigde Staten heeft het kabinet een lijst opgesteld van 43 actiepunten die op diverse beleidsterreinen een effectievere strijd tegen het terrorisme mogelijk moeten maken. Het plan richt zich onder andere op een nauwere samenwerking van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten met zusterdiensten in Europa en de VS. [24] In de actiepunten 15 tot en met 18 zijn enige concrete maatregelen genomen die betrekking hebben op het verzamelen van gegevens door de diensten door middel van aftappen en ontsleuteling.

In de eerste plaats is zeker gesteld dat "bepaalde vormen van communicatie" die tot nu toe slechts met grote moeite en met onbetrouwbare middelen te intercepteren waren, nu technisch makkelijker te volgen zijn, zodat het "uitluisteren" geen bijzondere technische kennis meer vereist. Ook wordt er voor gezorgd dat de overheid, wanneer in de toekomst wordt overgegaan op nieuwe communicatieprotocollen, direct in staat is om deze af te tappen. [25]

In de tweede plaats zal er versnelde besluitvorming plaatsvinden over de rechtmatige toegang van de veiligheidsdiensten en de politie in cryptografische voorzieningen bij derde partijen (Trusted Third Parties) en zal er worden gestreefd naar regulering van krachtige cryptografie voor publiek gebruik. Gecertificeerde TTP´s die vertrouwelijkheidsdiensten aanbieden kunnen rechtmatige toegang tot de klare tekst verschaffen door de encryptiesleutel aan de bevoegde autoriteiten te verstrekken. Daarnaast wordt onderzocht of er aanvullende maatregelen nodig zijn om de toegang tot versleutelde berichten door opsporings- en inlichtingendiensten te garanderen.

Een derde actiepunt is het verrichten van onderzoek naar de categorieën gegevens die telecomaanbieders bewaren en de belemmeringen die de diensten ondervinden door de afwezigheid van bewaarplichten voor historische verkeersgegevens. De mogelijkheid tot het analyseren van internationaal telefoonverkeer zal in overeenstemming met de Europese lidstaten worden versterkt. Wanneer de aanbieders de benodigde gegevens niet beschikbaar hebben wordt een wettelijke bewaarplicht overwogen.

Tenslotte zal de satellietinterceptiecapaciteit van de diensten ten behoeve van terrorismebestrijding worden uitgebreid. Deze uitbreiding wordt gemotiveerd met de stelling dat terroristische organisaties hun toevlucht vaak zoeken in onherbergzame gebieden van waaruit zij voor hun communicatie zijn aangewezen op satellietverbindingen.

Conclusie

De omschrijving van de hierboven behandelde bevoegdheden in de nieuwe WIV is in het licht van Grondwet en EVRM een grote vooruitgang. Wel moet men constateren dat de bevoegdheden, met name die van artikel 25, zeer ruim zijn geformuleerd. Het is daarom opvallend dat juist over artikel 25 in de Tweede Kamer relatief weinig discussie is gevoerd. Dit komt misschien doordat de nieuwe bevoegdheden tot searchen en ongericht ontvangen in artikel 25a en 26 als meer bedreigend voor de persoonlijke levenssfeer werden ervaren, zodat de discussie zich hierop concentreerde. Bovendien is artikel 25, in tegenstelling tot de artikelen 25a en 26, vrij simpel en duidelijk geformuleerd.

De bevoegdheden blijven door hun ruime omschrijving ongrijpbaar. Op het punt van de interpretatie van het communicatiegeheim zijn zij daarnaast betwistbaar te noemen. De regering lijkt het communicatiegeheim bij de totstandkoming van het wetsvoorstel uit te hebben gelegd op de manier die haar het beste uitkomt. Met name lijkt men te uitgebreide verplichtingen tot het vragen van toestemming aan de Minister te hebben willen voorkomen. Het is zeer de vraag of op deze manier voorzien is in voldoende controle op de wijze waarop de diensten van hun bevoegdheden gebruik zullen gaan maken.

Voor alle in dit artikel behandelde bevoegdheden geldt dat de verbondenheid met het begrip “nationale veiligheid” problematisch is. Over de inhoud van dit begrip dient, mede met het oog op de door artikel 8 EVRM vereiste voorzienbaarheid, nog stevig gediscussieerd te worden. Ook loopt men het risico door de rechter op het matje te worden geroepen als de jaarverslagen niet als "law" in de zin van artikel 8 lid 2 EVRM kunnen worden aangemerkt.

Gezien de ruime mogelijkheden tot uitstel en afstel, zal in de praktijk moeten blijken in hoeveel gevallen daadwerkelijk genotificeerd wordt. Het steeds maar toenemende aantal taps rechtvaardigt een extra kritische blik. Bij enkele duizenden taps per jaar wordt de controle op de feitelijke uitoefening en de afweging van proportionaliteit en subsidiariteit immers een stuk moeilijker en arbeidsintensiever. Het zou vanuit dat oogpunt goed zijn geweest als de frequentie van toestemmingsverlening voor het uitoefenen van bijzondere bevoegdheden en de hoeveelheid afgegeven notificaties, alsmede het aantal besluiten tot uitstel of afstel, in de jaarverslagen zouden worden opgenomen. Een amendement in die richting van het Kamerlid Harrewijn werd echter niet aangenomen. [26]

De concrete consequenties van het Actieplan Terrorismebestrijding en Veiligheid zijn nog niet duidelijk. Enerzijds zijn de maatregelen vaag omschreven, anderzijds gaat het om het doen van onderzoek waarvan de uitkomst nog niet vaststaat. De plannen voor het eventueel invoeren van een bewaarplicht voor internationale verkeersgegevens roepen wederom de vraag op naar de juridische status van deze gegevens. Hierover bestaat, gezien het standpunt van de regering dat zij niet vallen onder de bescherming van artikel 13 Grondwet, nog onduidelijkheid.


[1] Dit artikel is een bewerking van een doctoraalscriptie, geschreven aan het Instituut voor Informatierecht van de Universiteit van Amsterdam, onder begeleiding van mr. L. F. Asscher.

[2] Het wetsvoorstel zal naar verwachting medio 2002 worden gepubliceerd in het Staatsblad.

[3] Van Baggum en Valkenier, 16 juni 1994, AB 1995, 238.

[4] Kamerstukken 1999/2000, 25877, nr. 9, p. 1-2.

[5] Kamerstukken 1969/70, 9419, nr. 5, p. 5.

[6] Kamerstukken 1997/98, 25877, nr. 3, p. 41.

[7] Kamerstukken 1997/1998, 25877, nr. 3, p. 40.

[8] Kamerstukken 2000/2001, 25877, nr. 14, p. 34.

[9] Kamerstukken 1999/2000, 25877, nr. 9, p. 24.

[10] Kamerstukken 2000/2001, nr. 14, p. 36.

[11] Kamerstukken 1997/98, 25877, nr. 3, p. 45.

[12] Kamerstukken 1997/98, 25877, nr. 3, p. 44.

[13] Kamerstukken 1999/2000, 25877, nr. 9, p. 26.

[14] Momenteel geschiedt het aftappen en opnemen van “door middel van een radio-ontvangapparaat ontvangen gegevens” zonder dat daarvoor een expliciete bevoegdheid aanwezig is. Dat afluisteren kan immers door iedereen geschieden zolang daarbij geen “bijzondere inspanning is geleverd of een niet toegestane ontvanginrichting is gebruikt” (art. 139c lid 1, aanhef en onder ten eerste). Van deze mogelijkheid wordt gebruik gemaakt door het Strategisch Verbindingsinlichtingen Centrum van de MID.

[15] Kamerstukken 2000/2001, 25877, nr. 14, p. 14. Zie ook Handelingen 2001/2002, nr. 93, Tweede Kamer, p. 5848.

[16] Zie ook het voorlopig verslag van de Eerste Kamer. Eerste Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 25877, nr. 58, p. 5.

[17] Zie E.J.Dommering, 'Geen telefoongeheim op de elektronische snelweg', Mediaforum 1997-10, p. 142-147 en L.F.Asscher, Constitutionele convergentie van pers, omroep en telecommunicatie, Deventer: Kluwer 1999, p. 58 e.v.

[18] Kamerstukken 1999/2000, 25877, nr. 9, p. 23.

[19] Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 3, p. 45.

[20] Zie bijvoorbeeld Kamerstukken 1999/2000, 25877, nr. 11, p. 12.

[21] EHRM 2 augustus 1984 (Malone), NJ 1988, 534.

[22] Kamerstukken 1999/2000, 25877, nr. 14, p. 35.

[23] Zie Kamerstukken 2001/2002, 27925, nr. 10 .

[24] Kamerstukken 27925, nr. 10, p. 3.

[25] Zie voor een uitgebreid overzicht van de genomen maatregelen de voortgangsrapportage d.d. 26 oktober 2001, Kamerstukken 2001/2002, 27925, nr. 21.

[26] Zie het amendement-Harrewijn, Kamerstukken 2000/2001, 25877, nr. 31. Zie ook Handelingen 2000/2001, nr. 93, Tweede Kamer, p. 5859. Volgens de Minister zouden dit amendement slechts leiden tot buitensporige registratie- en rapportageverplichtingen voor de diensten.


Geplaatst 01.01.2002