| In de afgelopen weken kwam
via de media naar buiten dat de Binnenlandse Veiligheidsdienst
(tegenwoordig: AIVD) in de Margarita-affaire zijn boekje flink
te buiten is gegaan. De dienst maakte een vérgaande inbreuk op
de privacy van Margarita en haar echtgenoot zonder de geldende
wettelijke voorschriften in acht te nemen.
In januari 2000 vroeg de
directeur van het Kabinet der Koningin (KdK), Felix Rhodius,
de Binnenlandse Veiligheidsdienst een onderzoek te doen naar
Edwin de Roy van Zuydewijn. De BVD onderzocht daarop zijn
eigen bestanden, die van Justitie, de gemeentelijke
basisadministratie, het Kadaster, de Belastingdienst en ten
slotte dossiers van de Sociale Dienst. De uitkomsten van het
onderzoek werden aan Rhodius verstrekt onder de voorwaarde dat
hij de gegevens niet aan 'onbevoegde derden' mocht
verstrekken. Rhodius stelde vervolgens echter de vader van
prinses Margarita, Carlos Hugo de Bourbon Parma, en haar
oudste broer op de hoogte. Later werd ook prins Bernhard
ingelicht. Hoewel het hoofd van de BVD volgens artikel 11 van
de oude Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV)
de minister van Binnenlandse Zaken bij voortduring in kennis
dient te stellen van 'al hetgeen van belang kan zijn',
gebeurde dit alles buiten de minister om. Onno Koerten, het
plaatsvervangend hoofd van de BVD onder wiens
verantwoordelijkheid het onderzoek plaatsvond, vond het niet
nodig zijn directe baas en de verantwoordelijke minister op de
hoogte te stellen. Er was immers slechts 'naslag' gedaan.
Men kan zich afvragen of het
onderzoek naar De Roy van Zuydewijn, gezien de
taakomschrijving van de BVD, eigenlijk wel te rechtvaardigen
was. Volgens artikel 8 lid 2 onder a van de WIV heeft de BVD
onder andere tot taak 'gegevens te verzamelen omtrent personen
en organisaties die aanleiding geven tot het ernstige
vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van
de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of
voor andere gewichtige belangen van de staat.' Was de enkele
omstandigheid dat De Roy van Zuydewijn als toekomstig lid van
de koninklijke familie dicht bij de Koningin zou komen te
staan, gecombineerd met enige bedenkingen omtrent zijn
verleden, in dit licht eigenlijk wel voldoende? Het is
achteraf moeilijk vast te stellen, temeer omdat niet precies
bekend is welke omstandigheden precies aanleiding vormden voor
het onderzoek. [1]
Bovendien zijn de criteria van artikel 8 WIV erg rekbaar. De
feitelijke gang van zaken wekt echter sterk de indruk dat het
onderzoek in de eerste plaats werd gedaan omdat Koningin
Beatrix dat wilde.
Het belangrijkste twistpunt
in de Tweede Kamer betrof de verstrekking van de verkregen
informatie door de BVD aan het KdK en door het KdK aan
familieleden van prinses Margarita. Artikel 12 WIV bepaalt dat
het hoofd van de BVD door de betrokken minister kan worden
gemachtigd andere overheidsorganen en -diensten gegevens
rechtstreeks ter kennis te brengen. Deze bepaling had de
verstrekking aan het KdK kunnen rechtvaardigen indien de
minister van het onderzoek op de hoogte was geweest en een
machtiging had verleend. Dit was zoals wij nu weten echter
niet het geval. Verstrekking aan de familieleden en prins
Bernhard had, met machtiging van de minister, door de BVD
kunnen plaatsvinden op basis van artikel lid 16 lid 2 WIV dat
ziet op de verstrekking van persoonsgegevens aan anderen dan
overheidsorganen. Om het ontbreken van een machtiging recht te
breien wringt Balkenende zich in vreemde bochten. De BVD zou,
aldus premier Balkenende, bevoegd zijn om aan personen en
instanties die belast zijn met de bescherming van 'gewichtige
belangen' als bedoeld in de taakomschrijving van de dienst (de
zogenaamde 'belangendragers') gegevens te verstrekken.
Balkenende schept zodoende een nieuwe, buitenwettelijke,
categorie van personen om de vereisten van de wet te omzeilen.
Het begrip 'belangendrager' (een typisch voorbeeld van
JPB-jargon) komt in de wet niet voor en heeft in de discussie
dan ook geen enkele betekenis. Waarom zouden de vader en de
broer van prinses Margarita bovendien als zodanig moeten
worden bestempeld? Zij bekleden geen officiële politieke of
ambtelijke functie maar zijn slechts leden van de familie.
In de brief aan de Kamer
schrijft Balkenende dat een machtiging voor verstrekking van
gegevens door het KdK, indien deze zou zijn gevraagd, door de
minister van Binnenlandse Zaken op aanvraag van het hoofd van
de BVD aan deze zou zijn verleend (en dus niet aan het
KdK). [2] Deze opmerking
komt als mosterd na de maaltijd maar geeft wel aan dat
verstrekking van informatie door het KdK in strijd met de wet
heeft plaatsgevonden. Het kan immers niet de bedoeling zijn
dat informatie die door de BVD alleen met machtiging van de
minister kan worden verstrekt, door het KdK zomaar kan worden
verspreid.
De rol van de BVD in de
Margarita-affaire verdient al met al geen schoonheidsprijs. De
dienst heeft zich voor het karretje van de Koningin laten
spannen en lapte belangrijke wettelijke voorschriften aan zijn
laars. Dit is zorgelijk aangezien de democratische controle op
de Binnenlandse Veiligheidsdienst toch al vrij beperkt is.
De kamerleden Van Bommel en
Halsema dienden vorige week een motie in waarin de regering
werd verzocht om onderzoeken naar (toekomstige) leden van de
koninklijke familie in de toekomst te laten vallen onder de
Wet veiligheidsonderzoeken.[3]
Deze wet maakt het mogelijk onderzoek te verrichten naar
personen met functies die de mogelijkheid bieden de nationale
veiligheid te schaden (de zogenaamde vertrouwensfuncties). Een
veiligheidsonderzoek kan slechts plaatsvinden met medeweten en
instemming van de betrokkene en vereist dat de
verantwoordelijke minister op de hoogte word gesteld. De motie
werd uiteindelijk ingetrokken omdat minister Donner
toezeggingen had gedaan andere, meer geschikte wettelijke
waarborgen in het leven te roepen. Laten we hopen dat Donner
de daad bij het woord voegt. |
[1] Zie voor de bespreking
in de Tweede Kamer Handelingen II 2002-2003, nr. 48,
Tweede Kamer, p. 3173-3232.
[2] Kamerstukken II,
2002/2003, 28811, nr.1.
[3] Kamerstukken II,
2002/2003, 28811, nr.3.
|