| Wie op het Internet schade
lijdt door anonieme uitlatingen of anoniem geplaatste
informatie zal doorgaans graag willen weten wie hiervoor
verantwoordelijk is. Voor de hand ligt een vordering tegen de
provider van de anonieme boosdoener. Dit artikel bespreekt een
drietal procedures in Nederland waarin van een provider de
afgifte van identificerende informatie werd geëist. Vervolgens
wordt ingegaan op enkele vraagstukken die samenhangen met de
anonimiteit en uitingsvrijheid van Internetgebruikers.
Tenslotte komt de Amerikaanse 'John Doe' procedure aan de
orde.
Jurisprudentie in
Nederland
Tot nu toe is Nederland, voor
zover mij bekend, slechts drie maal in een civiele procedure
van een provider afgifte van namen en adressen van abonnees
geëist. Twee maal ging het om inbreuken op auteursrecht, in
het derde geval om onrechtmatigheid wegens het aanzetten tot
sabotage. In Scientology/XS4all
[1] betrof het
onrechtmatige publicatie op het Internet van auteursrechtelijk
beschermde werken van de Scientology-kerk door abonnees van
provider XS4all. De kerk vorderde van XS4all afgifte van de
namen en adressen van deze abonnees. De President van de
rechtbank oordeelde dat van een provider kan worden verwacht
dat hij de inbreukmakende documenten uit zijn computersysteem
verwijdert indien hij van het onrechtmatig handelen in kennis
is gesteld en aan de juistheid van die kennisgeving in
redelijkheid niet valt te twijfelen. Tevens dient hij dan op
verzoek van de rechthebbende naam en adres van de
verantwoordelijke gebruikers bekend te maken.
In Deutsche Bahn/XS4all
[2] ging het om een website
van een groepering linkse activisten. Via XS4all was het
mogelijk toegang te krijgen deze website, waar onder andere
artikelen van het in Duitsland verboden linkse blad Radikal
te vinden waren. In twee van deze artikelen werden tips
gegeven over het saboteren van de Duitse Spoorwegen.
[3] Deutsche Bahn spande
een kort geding aan waarin zij eiste dat deze artikelen
ontoegankelijk werden gemaakt. Deze eis werd door de
Voorzieningenrechter ingewilligd. Daarnaast vorderde Deutsche
Bahn afgifte van de namen en adressen van de gebruikers van de
website. Zij stelde dat toegang tot de bron voor haar
noodzakelijk was, teneinde te voorkomen dat de informatie met
betrekking tot de sabotagehandleiding opnieuw gepubliceerd
wordt bijvoorbeeld via andere service providers. De rechter
was van oordeel dat Deutsche Bahn voldoende aannemelijk had
gemaakt een rechtens te respecteren belang te hebben bij
afgifte van de namen en adressen voorzover het ging om de
houder(s) van de website. Een bevel tot afgifte van de namen
en adressen van alle gebruikers van de websites, waaronder ook
zijn begrepen de bezoekers van de websites, strekte naar zijn
oordeel echter te ver. Het raadplegen van een website is op
zichzelf immers niet onrechtmatig.
De meest recente procedure is
Teleatlas N.V./Planet Media Group N.V.
[4] . Teleatlas, een
producent van computerprogrammatuur, vorderde dat Planet werd
veroordeeld om naam, adres en woonplaats vrij te geven van een
abonnee die op grote schaal illegale kopieën maakte van
software waarop Teleatlas het auteursrecht heeft. Met deze
gegevens zou Teleatlas juridische stappen kunnen ondernemen
tegen deze persoon. De voorzieningenrechter oordeelde dat bij
de beoordeling van de vraag of een dergelijke vordering kan
worden toegewezen, de nodige terughoudendheid in acht moet
worden genomen. Dit in verband met de onomkeerbaarheid van de
beslissing. De gevraagde voorziening kan alleen dan worden
toegewezen als met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid
vaststaat dat de bodemrechter eveneens zal beslissen dat
Planet de gevraagde NAW-gegevens dient te verschaffen (r.o.
4.2.)
De vordering van Teleatlas
was gebaseerd op artikel 8 sub f van de Wet bescherming
persoonsgegevens (Wbp). Dit artikel bepaalt dat verstrekking
van persoonsgegevens door een verantwoordelijke (in casu
Planet Media) aan derden alleen kan geschieden indien dit
noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde
belang van die derde, tenzij het belang of de fundamentele
rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het
recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer,
prevaleert. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de
verstrekking dient onder meer de vraag beantwoord te worden of
het doel dat met de verwerking wordt nagestreefd ook langs
andere weg kan worden bereikt. Planet bracht in haar verweer
naar voren dat Teleatlas onvoldoende naar alternatieve wegen
had gezocht. Zij noemde onder andere de mogelijkheid om de
toegang van de klant tot het internet te blokkeren en het
aanspreken van eBay, een veilingsite waarvan de anonieme
boosdoener gebruik had gemaakt om de software te verspreiden.
Ebay vermeldt op haar website dat zij gegevens van haar
gebruikers openbaar maakt en afgeeft in geval van inbreuk op
intellectuele eigendomsrechten. Verder had Teleatlas kunnen
proberen via het rekeningnummer van de persoon in kwestie,
zijn adresgegevens bij zijn bank te achterhalen. Tenslotte
stond volgens Planet de met meer waarborgen omklede
strafrechtelijke weg open. Voor een strafrechtelijke
vervolging van de auteursrechtinbreuk zal het Openbaar
Ministerie immers ook de identiteit van de boosdoener dienen
te achterhalen.
Volgens de rechter was
inderdaad niet komen vast te staan dat Teleatlas de gegevens
niet op een andere wijze had kunnen achterhalen. De door
Planet genoemde alternatieven waren door Teleatlas niet of
nauwelijks weersproken en Teleatlas had, behoudens een
telefoontje naar Justitie, geen pogingen ondernomen om de
gegevens op andere wijze te verkrijgen. De vordering werd
derhalve afgewezen.
Analyse van de drie
uitspraken
De besproken uitspraken
leveren geen eenduidig criterium op aan de hand waarvan kan
worden beoordeeld of NAW-gegevens moeten worden vrijgegeven.
Het Scientology-vonnis introduceert de regel dat bij een
kennisgeving van onrechtmatig handelen waaraan in redelijkheid
niet valt te twijfelen de informatie moet worden verwijderd en
naam en adres van de gebruiker bekend moeten worden gemaakt.
Visser signaleert in zijn noot bij het vonnis de problemen die
dit criterium oplevert. [5]
Wat te doen als deze anonymus een beroep doet op het
citaatrecht, of wanneer op andere wijze onduidelijkheid
bestaat over de juistheid van de kennisgeving? Men zou kunnen
stellen dat de provider dan niet verplicht is naam en adres
van de anonymus te onthullen. Dit heeft echter als gevolg dat
de rechthebbende niemand kan aanspreken. De anonieme
content-provider kent hij niet en de service provider is niet
aansprakelijk zolang de juistheid van de kennisgeving niet
vaststaat. Volgens Visser is dit een onwenselijke situatie en
moet het voor een rechthebbende mogelijk zijn om die twijfel
weg te nemen door tegen iemand een procedure te beginnen. Hij
stelt daarom dat ook in gevallen waarin er in redelijkheid
getwijfeld kan worden over de vraag of er al dan niet sprake
is van auteursrechtinbreuk, de service provider toch, op
straffe van mede- of zelfs volledige aansprakelijkheid,
verplicht is de naam en het adres van de gebruiker/content
provider bekend te maken. Dit uitgangspunt heeft echter als
gevolg dat een service provider die de anonimiteit van zijn
gebruiker wil garanderen zelf de aansprakelijkheid op zich
moet nemen. De aansprakelijkheid kan door middel van een
vrijwaring worden afgewenteld op de gebruiker, maar die zal in
de meest gevallen onvoldoende verhaal bieden. Visser trekt
zelf de conclusie dat service providers hierdoor
waarschijnlijk niet meer zullen toestaan dat anoniem
informatie wordt aangeboden op de homepages van gebruikers.
Ook kan het zijn dat zij in hun algemene gebruiksvoorwaarden
zullen opnemen dat de identiteit van een gebruiker op eerste
verzoek aan een ieder bekend zal worden gemaakt.
Mijns inziens is er nog een
ander probleem. Verwijdering van de informatie en onthulling
van identiteit dienen afzonderlijk te worden beoordeeld.
Wanneer de onrechtmatigheid is vastgesteld en ontoegankelijk
maken dus geboden is, zal immers een aanvullend belang van de
eiser aannemelijk moeten worden gemaakt om de onthulling van
identiteit te rechtvaardigen. In de zaak Deutsche
Bahn/XS4all lijkt de rechter ook van dit standpunt uit te
gaan. Uit de onrechtmatigheid van de informatie volgt naar
zijn mening niet automatisch een plicht om namen en adressen
te verstrekken. Deutsche Bahn moet immers aannemelijk maken
dat zij hierbij een 'rechtens te respecteren belang' heeft.
Uit het vonnis wordt echter niet duidelijk op grond waarvan
een dergelijk belang kan worden vastgesteld.
In de zaak van Teleatlas
tegen Planet wordt weer een andere benadering gekozen. Deze
uitspraak biedt de meest aanknopingspunten voor een
evenwichtige beoordeling. Een belangrijke constatering is hier
dat het onthullen van identiteit onomkeerbaar is. Dit is een
belangrijk verschil met het ontoegankelijk maken van
informatie. Informatie kan weer terug worden geplaatst op het
Internet maar de anonimiteit van een Internetgebruiker kan
niet meer worden hersteld. De noodzaak van een onthulling moet
daarom extra streng worden beoordeeld. In deze zaak gebeurt
dit aan de hand van artikel 8 sub f Wbp.
[6] Hoewel de tekst van dit
artikel weinig houvast geeft, volgt uit de Memorie van
Toelichting dat de vereisten van het proportionaliteits- en
het subsidiariteitsbeginsel moeten worden nageleefd.
[7] De rechter is op dit
punt erg streng. Dit lijkt mij een juiste benadering. Het is
immers niet de bedoeling dat providers gebruikt gaan worden
als private opsporingsinstantie voor een ieder die last heeft
van informatie op het Internet
[8] . Het door Planet aangedragen alternatief van de “met
meer waarborgen omklede strafrechtelijke weg” lijkt mij echter
niet reëel. Een burger of private instantie met een redelijk
belang moet immers ook in staat worden gesteld om via de
civiele weg het spoor te volgen van degene die inbreuk heeft
gemaakt op zijn rechten. [9]
De strafrechtelijke weg is geen daadwerkelijk alternatief
omdat het Openbaar Ministerie niet verplicht is om tot
vervolging over te gaan. Afhandeling via het strafrecht biedt
de burger onvoldoende controle op een adequate behartiging van
zijn belangen en heeft een te kleine kans van slagen.
Overigens is het argument van de alternatieve mogelijkheden
problematisch. Dit argument kan door iedere houder van
persoonsgegevens, zoals bijvoorbeeld de door Planet genoemde
bank van de anonymus, worden gebruikt. Uiteindelijk dient
doorslaggevend te zijn bij wie de benodigde gegevens op de
voor de betrokkene minst ingrijpende wijze kunnen worden
verkregen. [10] Voor de
betrokkene maakt het echter weinig uit of zijn gegevens via de
provider, via E-bay of via zijn bank worden achterhaald.
Dit brengt ons op een ander
punt. Gezien het grote belang dat een anonieme gebruiker bij
de handhaving van zijn anonimiteit kan hebben, is het raadzaam
dat hij in kennis wordt gesteld van de poging om zijn
identiteit te achterhalen en dat hij de gelegenheid krijgt om
zijn argumenten naar voren te brengen. Het zou daarom goed
zijn wanneer aan de provider een “notificatieverplichting”
wordt opgelegd, inhoudende dat hij verplicht is de klant in
kwestie op de hoogte te stellen.
Vrijheid van meningsuiting
Er wordt in de uitspraken
nauwelijks ingegaan op het belang van anonimiteit in het kader
van de vrijheid van meningsuiting. Zowel het ontoegankelijk
maken van de informatie, als het vrijgeven van de identiteit
kan een belemmering vormen voor de vrije meningsuiting van de
anonymus. In de Scientology-zaak ging de President van de
rechtbank op beide problemen echter niet in. Hij overwoog
slechts, zonder verdere argumentatie, dat door zijn oordeel
het recht op vrijheid van meningsuiting zoals neergelegd in
art. 10 EVRM niet werd geschonden.
[11] De geringe aandacht
voor de vrijheid van meningsuiting is hier waarschijnlijk een
gevolg van het feit dat het ging om inbreuk op auteursrechten.
In zulke gevallen wordt een beroep op de vrijheid van
meningsuiting niet snel gehonoreerd. In het geval van Deutsche
Bahn werd het beroep op vrijheid van meningsuiting eveneens
verworpen. Een bevel tot het ontoegankelijk maken van de
informatie was niet in strijd met de vrijheid van
meningsuiting omdat de op de sites beschreven handelingen
onrechtmatig waren jegens Deutsche Bahn en gevaar konden
opleveren voor personen en zaken.
[12] Op een mogelijk
verband tussen de anonimiteit van Internetgebruikers en hun
recht op vrijheid van meningsuiting werd niet ingegaan. In de
uitspraak inzake Teleatlas werd de vrijheid van
meningsuiting om begrijpelijke redenen niet als argument naar
voren gebracht.
Ook de Hoge Raad heeft het
belang van anonimiteit in het verleden te weinig onderkend. In
het arrest Muurkranten overwoog zij dat een door een
gemeentelijke overheid vastgesteld verbod om anonieme
muurkranten op te hangen geen ontoelaatbare inbreuk is op
artikel 7 Grondwet. Daarbij werd echter geen enkele aandacht
besteed aan de bijdrage die anonimiteit zou kunnen leveren aan
de vrije meningsuiting. [13]
Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde in de
zaak Goodwin wel dat journalisten het recht hebben om
hun bronnen geheim te houden. Een journalistiek
verschoningsrecht is een basisvoorwaarde voor de
uitingsvrijheid en een bevel tot onthulling van een bron kan
een 'chilling effect' hebben op de persvrijheid, aldus het
Hof. [14] In het arrest
Van den Biggelaar nam de Hoge Raad deze zienswijze over.
[15] In geen van beide
uitspraken werd echter ingegaan op het belang van anonimiteit
voor de bron. Het ging hier dan ook in de eerste plaats om een
recht van de journalist.
Wanneer zich in de toekomst
procedures gaan voordoen over discriminatie, aantasting van
eer en goede naam, belediging of het aanzetten tot haat zal de
rechter dieper in moeten gaan op de relatie tussen anonimiteit
en uitingsvrijheid. Hierop vooruitlopend is het wellicht
zinvol enige aandacht te schenken aan de bescherming van
anonieme uitingen in de Verenigde Staten. In de Verenigde
Staten wordt het recht om anoniem te zijn al sinds lange tijd
erkend als onderdeel van het recht op Freedom of Speech van
het First Amendment. De politieke en staatkundige geschiedenis
van dit land is dan ook doordrenkt van anonieme en pseudonieme
meningsuitingen, variërend van essays over burgerrechten tot
anonieme pamfletten. In de zaak Talley v. California
[16] oordeelde het
Supreme Court dat “anonymous pamphlets, leaflets, brochures
and even books have played an important role in the progress
of mankind. Persecuted groups and sects from time to time
throughout history have been able to criticize oppressive
practices and laws either anonymously or not at all.” In
McIntyre v. Ohio [17]
overwoog het hof dat “ under our Constitution,
anonymous pamphleteering is not a pernicious, fraudulent
practice, but an honorable tradition of advocacy and of
dissent. Anonymity is a shield from the tyranny of the
majority ” . Anonimiteit beschermt volgens het Supreme
Court onpopulaire individuen tegen vergelding en hun ideeën
tegen onderdrukking. De keuze voor anonimiteit kan zijn
ingegeven door angst voor economische vergelding, het lastig
gevallen worden door overheidsinstanties, sociale verbanning
of louter door het verlangen om zoveel mogelijk van zijn
privacy te bewaren.
De mogelijkheid om anoniem te
zijn kan voor het individu bevrijdend werken. Hij hoeft niet
langer bevreesd te zijn voor represailles. De bescherming van
de anonimiteit stelt hem hierdoor beter in staat deel te nemen
aan de openbare discussie en maakt het makkelijker om zich te
ontplooien en op te komen voor zijn eigen belang. Bovendien
stelt anonimiteit mensen in staat vertrouwelijk met elkaar van
gedachten te wisselen over controversiële onderwerpen en een
mening te vormen, alvorens men (al dan niet anoniem) in de
openbaarheid treedt. Ten slotte kan men het recht om
informatie te ontvangen uitoefenen zonder gehinderd te worden
door het idee dat anderen meekijken. Zodoende wordt informatie
voor meer mensen makkelijker toegankelijk. Denk aan de
mogelijkheid om via het Internet informatie te verzamelen over
seksueel overdraagbare aandoeningen en websites als die van
Alcoholics Anonymous, waar mensen de gelegenheid krijgen om
persoonlijke problemen met anderen te delen. Anonimiteit kan
hier voor het individu in psychologische zin bevrijdend werken
maar heeft ook een algemeen maatschappelijk nut.
Hier kan nog aan worden
toegevoegd dat een zekere mate van anonimiteit gunstige
effecten kan hebben voor het openbare debat. Controversiële
meningen komen makkelijker in de openbaarheid wanneer het
individu niet wordt gehinderd door het idee dat hij na het
uiten van een mening misschien lastig gevallen zal worden door
bedrijven of overheidsinstanties die niet gesteld zijn op
kritiek. Onthulling van identiteit maakt het voor de partij
die het onderwerp is van kritiek mogelijk de content-provider
te achtervolgen met procedures. Zodoende kan men kritische
geluiden het zwijgen opleggen. Alleen het dreigen met
juridische procedures kan hiervoor al voldoende zijn. Dit
blijkt bijvoorbeeld uit het conflict dat enige tijd geleden
speelde tussen Radio 538 en de beheerders van de website
Radiowereld.nl. De laatste onderhield tot augustus 2001 een
forum met de naam “Mediaroddels” waarin bezoekers de laatste
nieuwtjes over de mediawereld konden spuien. Bezoekers konden
hun berichten anoniem plaatsen. De gebruikte pseudoniemen
werden vermeld maar de identiteit van de afzenders was, voor
zover deze te achterhalen viel, slechts bekend bij de
beheerders van de site. De rubriek werd gebruikt voor het doen
van allerlei beledigende uitlatingen aan het adres van
medewerkers en dj's van radio 538. Zo werd van DJ Erik de
Zwart gezegd dat hij een cokesnuiver is en dat hij “zijn
kippen verkracht”. De zanger Gordon moest volgens andere
bezoekers “als een MKZ-koe geruimd worden” omdat hij
homoseksueel is. Andere homoseksuele werknemers van radio 538
moesten “een spuitje krijgen”. Radio 538, de werkgever van
onder andere Erik de Zwart, dreigde naar aanleiding van de
beledigingen met juridische stappen. Zij eiste dat de
anonimiteit van de bezoekers werd opgeheven en dat beledigende
bijdragen uit het forum verwijderd werden. De vrijwilligers
van Radiowereld vreesden juridische procedures tegen het
kapitaalkrachtige Radio 538 en stopten de roddelrubriek.
[18]
Nu zijn de uitlatingen in de
Radiowereld-casus misschien geen goed voorbeeld van anonymous
speech die bescherming tegen de 'tyranny of the majority'
nodig heeft. Velen zullen van mening zijn dat de uitspraken
over het 'ruimen' van Gordon en 'spuitjes geven' te ver gaan
en dat zij de bescherming van de uitingsvrijheid niet
verdienen. Dit is echter niet waar het om gaat. Het is heel
goed mogelijk dat de beledigingen aan het adres van Gordon en
de medewerkers van Radiowereld onrechtmatig zijn en dat het
onrechtmatige karakter de doorbreking van anonimiteit
rechtvaardigt. Als dit zo is, dient dit echter vastgesteld te
worden door de rechter. Hij dient de belangen van de anonieme
afzenders en de slachtoffers van de beledigende uitlatingen
tegen elkaar af te wegen. Het recht om anoniem te blijven moet
daarbij steeds gelden als een hoofdregel, ook wanneer de
inhoud van uitlatingen weinig verheffend is. De afweging wordt
nu overgelaten aan de beheerders van de Radiowereld-site. Zij
willen de anonimiteit van de bezoekers aanvankelijk beschermen
maar worden vervolgens zelf aansprakelijk gesteld, waardoor ze
uiteindelijk gedwongen zijn om de hele rubriek uit de lucht te
halen. Daarmee worden ook onschuldige bezoekers getroffen.
John Doe procedures in de
Verenigde Staten
De constitutionele
bescherming van anonimiteit heeft in de Verenigde Staten
geleid tot een aantal uitspraken over de doorbreking van
anonimiteit door Internetproviders.
[19] Het gaat daarbij om
de zogenaamde “John Doe” [20]
law suits. Procedureel verschillen zij van de Nederlandse
procedures doordat zij gericht zijn tegen de anonymus en niet
tegen de provider zelf. De provider is hier dus geen
procespartij. Hij wordt slechts ingeschakeld om de anonymus te
identificeren.
In de zaak Doe v. 2The
Mart.com, Inc. [21]
benadrukte de rechter dat gevallen waarin eisers de onthulling
van de identiteit van anonieme Internetgebruikers verzoeken
aan extra kritisch onderzoek moeten worden onderworpen. Om te
bepalen of het belang van de eiser zwaarder weegt dan het
First Amendment moet een vier-stappen-toets worden doorlopen.
Voordat de rechter een ISP'er of een andere tussenpersoon
beveelt om de identiteit van de gedaagde vrij te geven dient
hij na te gaan of: (1) de dagvaarding te goeder trouw is
uitgebracht en geen onbetamelijk doel nastreeft, (2) de
informatie die die eiser verlangt in verband staat met een
belangrijke eis of verweer, en (3) de identiteitsgegevens
“directly and materially relevant” zijn voor die eis of dat
verweer. Aan deze drie eisen werd in In re Subpoena Duces
Tecum to America Online
[22] nog de eis toegevoegd dat de benodigde informatie
niet uit andere bron kan worden verkregen. Een rechter in New
Jersey was nog strenger en verlangde van de eiser dat hij zich
inspande om de anonieme gedaagde op de hoogte te stellen van
de poging om zijn identiteit te achterhalen. Zodoende zou de
gedaagde een redelijke mogelijkheid hebben om op de
aantijgingen te reageren. De eiser moest daarnaast duidelijk
aangeven welke laakbare uitingen elk van de afzonderlijke
gedaagden gedaan had. [23]
Conclusie
De kans is groot dat
procedures ter doorbreking van anonimiteit zich in Nederland
vaker voor gaan doen. Het is te hopen dat rechters in hun
uitspraken voldoende gewicht zullen toekennen aan het belang
van Internetgebruikers bij hun anonimiteit. Hoofdregel dient
te zijn dat anonimiteit slechts op basis van een zwaarwegend
belang mag worden doorbroken. Juist omdat de betrokkene
anoniem is, zal hij zich immers moeilijk tegen het onthullen
van zijn identiteit kunnen verzetten. In de rechtspraak dient
daarom een procedure te worden ontwikkeld die heldere criteria
geeft voor het afwegen van belangen en de betrokkene in de
gelegenheid stelt zijn kant van het verhaal, bijvoorbeeld via
de provider, kenbaar te maken. Hoewel de Amerikaanse
vier-stappen-toets procesrechtelijk waarschijnlijk niet zonder
meer toepasbaar is in Nederland, kunnen de daarin gebruikte
criteria goed als voorbeeld dienen.
[1] Pres. Rb. 's-Gravenhage
9 juni 1999, Mediaforum 1999-7/8, nr. 37 m.nt. D.J.G.
Visser (Scientology/XS4ALL).
[2] Vzr. Rb. Amsterdam, 25
april 2002, KG 02/790 OdC, Mediaforum 2002-6, nr. 24 (Deutsche
Bahn/XS4all).
[3] In één van de artikelen
werden aanwijzingen gegeven met betrekking tot het stoppen,
vertragen of anderszins saboteren van het treinverkeer van
Deutsche Bahn. Ook werd beschreven hoe een haakklauw kan
worden vervaardigd, waarmee elektrische bovenleidingen van het
spoorwegnetwerk kunnen worden vernield.
[4] Vzr. Rb. Utrecht, 9
juli 2002, KG ZA 02-563, (Teleatlas N.V./Planet Media Group
N.V.). Zie
http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/frameset.asp?ljn=AE5537.
[5] Zie voor de noot van
Visser Mediaforum 1999-7/8, p. 207 (Scientology/XS4ALL).
[6] Volgens
Steenbruggen
is artikel 8 hier niet het juiste artikel om aan te toetsen
omdat het in geen enkel geval een plicht tot verstrekking in
het leven roept. Zie de noot van Steenbruggen bij Rb. Utrecht,
9 juli 2002, KG ZA 02-563, Computerrecht 2002/5.
[7] Overweging 4.3. van het
vonnis. Artikel 8 eerste aanhef en onder sub f Wbp luidt:
Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien de
gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het
gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een
derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang
of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in
het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke
levenssfeer, prevaleert.
[8] Zie ook S. Nas, 'De
privacy spagaat', Mediaforum 2001-11/12, p. 334 e.v.
[9] Zie het standpunt van
de overheid in de nota "Wetgeving voor de elektronische
snelweg"; voor onrechtmatige handelingen in de digitale
omgeving moet altijd een verantwoordelijke zijn aan te wijzen.
Het handhaven van rechten is voor de burger alleen mogelijk
wanneer hij, net als de opsporingsautoriteiten, in staat wordt
gesteld om het elektronische spoor van de inbreukmaker te
volgen. Kamerstukken II 1997-1998, 25880, nrs. 1-2, p.
5-6.
[10] De Memorie van
Toelichting benadrukt dat de gegevensverwerking niet is
toegestaan indien de belangen van de derde met minder
ingrijpende middelen kunnen worden gediend. Zie
Kamerstukken 1997/1998, 25892, nr. 3, p 86.
[11] R.o. 17.
[12] R.o. 10.
[13] HR 24 juni 1980, NJ
1981, 659 (Muurkrant Utrecht). Volgens de Meij baseerde de
Hoge Raad haar oordeel gedeeltelijk op ondeugdelijke gronden.
Zie J. M. de Meij,
'Utrechtse Muurkrant-verordening is onverbindend',
Tijdschrift voor openbaar bestuur 1980, p. 121-125.
[14] EHRM 27 maart 1996,
NJ 1996, 577 (Goodwin) Hoofdregel is dat een
journalist ten overstaan van de rechter zijn bronnen niet
hoeft te onthullen, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de in
het tweede lid van artikel 10 EVRM genoemde belangen en de
bijzondere omstandigheden van het geval openbaarmaking van de
bron noodzakelijk maken.
[15] HR 10 mei 1996,
NJ 1996, 578 (Van den Biggelaar).
[16] Talley v.
California, 362 U.S. 60 (1960).
[17] McIntyre v. Ohio
Elections Comm'n, 514 U.S. 334 (1995).
[18] Zie o.a.
http://www.webwereld.nl/nieuws/8161.phtml en
http://www.volkskrant.nl/nieuws/nieuwemedia/996733024151.html.
[19] Slachtoffers van
kritiek sporen via een John Doe procedure vaak mensen op die
op message boards kritiek op hen geuit hebben. Dit gaat
meestal als volgt: een bedrijf of instantie spant een zaak aan
tegen de anonieme afzender/content-provider op grond van
'libel' of 'defamation'. In deze procedure wordt de provider
gedwongen om de identiteit van zijn klant te onthullen. Hierna
wordt de procedure gestopt en wordt een nieuwe procedure
aangespannen tegen de ontmaskerde criticus, of een andere
actie ondernomen (bijvoorbeeld ontslag als de criticus een
werknemer blijkt te zijn). Het bezwaar van deze gang van zaken
is het feit dat rechters vaak bereid zijn een bevel tot
ontmaskering te geven, ook wanneer niet vaststaat dat de
eisende partij een legitiem belang heeft.
[20] In de Verenigde
Staten en Canada word de benaming John of Jane Doe gebruikt
voor een anonieme, onbekende of algemene persoon. De term
wordt ook gebruikt in procedures tegen personen waarvan de
identiteit onbekend is.
[21] Doe v.
2TheMart.com, Inc., 140 F. Supp. 2d 1088, 1093 (W.D. Wash.
2001).
[22] In re Subpoena
Duces Tecum to America On-line, Inc., 52 Va. Cir. 26 (Cir.
Ct. Fairfax county 2000).
[23] Dendrite
International, Inc. v. Doe, 342 N.J. Super. 134 (App. Div.
2001). |