| Het is lange tijd tobben
geweest met de openbaarheid op Europees niveau (zie o.m.
L.W.M. Wopereis, 'De EuroWOB. Teruggeschrokken voor werkelijke
openbaarheid', Mediaforum 1994-5, p. 54-57; D. Curtin &
H. Meijers, 'Openbaarheid in Europa. Geheim bestuur door
Schengen en Maastricht?', NJB 1995-5, p. 158-180).
Sinds het Verdrag van
Amsterdam lijkt het zachtjes aan de goede kant op te gaan met
de openbaarheid. Verklaring 17 van de Slotakte bij Maastricht
meldde nog slechts dat transparantie van het
besluitvormingssproces het democratisch gehalte van de
Europese instellingen ten goede komt, en het vertrouwen van de
burgers in het bestuur vergroot. De toegang tot documenten van
o.m. Raad en Commissie diende dan ook verbeterd te worden (Trb.
1992, 74). Bij het Verdrag van Amsterdam is echter een nieuw
artikel 191A in het EG-Verdrag opgenomen, volgens welke iedere
EU-burger en ingezetene toegang heeft tot documenten van het
Europees Parlement, de Raad en de Commissie (Deel I, art. 2,
punt 45 Verdrag van Amsterdam, Trb. 1998, 11). De
uitwerking van dit artikel -dat overigens na de hernummering
voorzien bij art. 12 Verdrag van Amsterdam, art. 255 wordt- in
een verordening zal nog even op zich laten wachten.
De huidige regeling van
openbaarheid is gebaseerd op de reglementen van orde van de
Raad en Commissie (respectievelijk art. 151 lid 3 EG-Verdrag,
hernummerd tot art. 207 en art. 162 lid 2 EG-Verdrag,
hernummerd tot 218). Nederland was het er niet mee eens dat de
openbaarheidsregelingen gebaseerd werden op genoemde
verdragsbepalingen, omdat die enkel op de interne organisatie
van de Raad en de Commissie betrekking hebben. Het Gerecht van
Eerste Aanleg bepaalde echter dat bij gebreke aan algemene
regels over de openbaarheid, de instellingen de toegang tot
documenten wel op grond van hun interne organisatie moesten
baseren (GvEA
EG 30 april 1996, zaak C-58/94, Nederland/Commissie,
Jurispr. 1996, p. II-313).
Besluit 94/90/EGKS, EG,
Euratom van 8 februari 1994 en de daarbij goedgekeurde
gedragscode regelt de toegang tot documenten van de Commissie
en de Raad. In de zaak WWF UK/ Commissie bepaalde het gerecht
dat burgers rechten aan het besluit 94/90 kunnen ontlenen, ook
al bevat het besluit alleen verplichtingen die de Commissie
zichzelf vrijwillig heeft opgelegd bij wijze van maatregelen
van interne organisatie. De bedoeling van het besluit is
immers om burgers toegang te geven tot documenten, de
Commissie moet haar eigen besluit dan ook eerbiedigen (GvEA
EG 5 maart 1997, zaak T-105/95, WWF UK/Commissie, Jurispr.
1997, p. II-313).
In bovenstaande procedure
beriep een advocaat zich op de gdragscode om toegang te
krijgen tot bepaalde brieven van de Commissie aan nationale
rechters. Nederland steunde hem in zijn zaak, overigens zonder
veel resultaat.
Nationale rechters die vragen
hebben over artikel 85 en 86 EG-Verdrag kunnen afgezien van
het stellen van prejudiciële vragen op grond van artikel 177
EG-Verdrag, ook inlichtingen inwinnen bij de Commissie op
grond van Bekendmaking 93/C 39/05 (PbEG 1993 C39/6). De
Commissie vindt dat het aan de 'vragende' rechter is om te
bepalen of de inlichtingen die de Commissie op grond van deze
samenwerkingsvorm verstrekt, openbaar worden gemaakt. De
Commissie roept de uitzonderingsgrond van de gedragscode in,
welke bepaalt dat toegang geweigerd wordt als de
verpreiding van het document in kwestie schade kan
toebrengen aan het algemeen belang, waaronder begrepen
gerechtelijke procedures.
Het gerecht herinnert eraan
dat de ingeroepen weigeringsgrond absoluut is, maar dat bij de
toetsting van het verzoek de Commissie wél voor elk
afzonderlijk document moet onderzoeken of de verspreiding
ervan daadwerkelijk schade kan toebrengen (r.o. 43). Op
voorhand alle documenten die op grond van bekendmaking 93/C
39/05 aan nationale rechterlijke instanties worden gezonden
van openbaarheid uitzonderen, lijkt dus op het eerste gezicht
niet mogelijk.
In tegenstelling tot wat de
verzoeker stelt, is de weigeringsgrond niet beperkt tot
gevallen waarin de Commissie zelf partij is bij een
gerechtelijke procedure. Artikel 6 EVRM (eerlijk proces)
brengt met zich mee dat nationale en communautaire rechters de
vrijheid moeten hebben hun eigen procesregels toe te passen,
onder meer waar die betrekking hebben op de vertrouwelijkheid
van de stukken in het dossier (r.o. 47). De ingeroepen
weigeringsgrond strekt ook tot bescherming van deze
procedurele autonomie.
Het gerecht maakt onderscheid
tussen documenten die de Commissie uitsluitend voor een
welbepaalde gerechtelijke procedure heeft opgesteld, en andere
inlichtingen in het kader van Bekendmaking 93/C 93/05. Alleen
bij de eerste categorie kan volgens het gerecht de
|