| Het begrip 'substantiële
investering' uit art. 1 Databankenwet
1 Het centrale
criterium voor sui generis bescherming van databanken is dat
sprake moet zijn van een subsantiële investering in de
verkrijging, presentatie of controle van de data. Tijdens de
parlementaire behandeling van de Databankenwet eind 1998
merkte de minister van Justitie op: ‘De leden van de
CDA-fractie vrezen, naar ik vermoed terecht, dat de vraag
wanneer sprake is van een “substantiële investering” tot veel
procedures aanleiding kan geven. …De interpretatie van dit
begrip moet inderdaad geheel voor rekening van de rechter
komen.’ (Kamerstukken II 1998/99, 26 108, nr. 6, p. 7).
2 Inmiddels
hebben diverse rechters zich van deze ondankbare taak
gekweten, met tegenstrijdige resultaten. Hof Arnhem paste al
anderhalf jaar vóór behandeling van het voorstel Databankenwet
de Databankrichtlijn anticiperend toe in de kort geding zaak
Denda/KPN & PTT Telecom (Hof Arnhem 15 april 1997,
Mediaforum 1997-5, p. B72-B76). Daar kwam zijdelings aan
de orde of KPN NV en KPN Telecom een beroep konden doen op de
sui generis bescherming van de Databankrichtlijn.
KPN Telecom’s klassieke papieren telefoongidsen en de
elektronische variant ‘CD-foongids’ zijn gevuld met gegevens
uit een bestand met abonneegegevens van KPN, het zgn.
8008-bestand (inmiddels heeft het KPN concern zijn
informatiesystemen anders georganiseerd, zie bijv. Besluit
OPTA 29 september 1999 inz. Denda/KPN Telecom). Denda
liet de telefoongidsen van KPN Telecom in China overtypen en
nam de data op in een elektronische telefoongids, die
concurreerde met de CD-foongids.
Was er sprake van substantiële investeringen van de zijde van
KPN c.s? KPN vond van wel, aan het bijhouden van het
8008-bestand besteedde de betrokken dochteronderneming alleen
al fl. 15 miljoen per jaar. Dat geld werd deels terugverdiend
door de data aan dochters en derden (andere telecombedrijven,
direct-marketing bedrijven etc.) te verkopen.
Denda bestreed dat sprake was van een substantiële investering
in de telefoonboekbestanden: over adressen en telefoonnummers
van abonnees beschikt KPN immers al, die moeten so wie so
verzameld en bijgehouden worden om bijvoorbeeld
telefoonrekeningen te kunnen opmaken en verzenden. De
investeringen worden dus eigenlijk gedaan ten behoeve van de
telefoniedienst (vgl. ook nr. 75, 180, 166 van het Voorlopig
oordeel van de OPTA, kenbaar uit eerdergenoemd besluit van
29.9.1999). Het omzetten van zo’n bestand naar
telefoongidsbestanden kost vervolgens niet al te veel moeite.
Die redeneerwijze sluit aan bij wat de minister later bij
behandeling van de Databankenwet in de Kamer zou zeggen:
alleen investeringen die gericht zijn op de totstandkoming van
de databank zelf tellen mee. Zijn de data bijvoorbeeld een
spin-off van andere activiteiten, dan zouden de investeringen
in die activiteiten niet mee moeten tellen (Kamerstukken II
1998/99, 26 108, nr. 6, p. 5).
Het Hof Arnhem verwierp echter het verweer van Denda. Het
opzetten en bijhouden van het 8008-bestand kost veel geld, en
dus is er substantieel geïnvesteerd in de telefoongidsen (r.o.
4.3.6-4.3.9). Dat de data niet (uitsluitend) verzameld zijn om
telefoonboeken te maken betrekt het Hof niet in zijn
overweging. Evenmin wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen
het 8008-bestand (van KPN NV) en de (elektronische)
telefoongids (van KPN Telecom BV).
In de vergelijkbare telefoongidsenzaak KPN/XSO, volgde
de Haagse president de lijn van Hof Arnhem (Pres. Rb. Den Haag
14 januari 2000, Informatierecht/AMI 2000-4, p. 71-73,
r.o. 7). Dat deed ook de president in het vonnis waarvan
beroep (Pres. Rb. Den Haag 12 september 2000, Mediaforum
2000-11/12, nr. 76 m.nt.
ondergetekende). Overigens is onlangs in de bodemprocedure
in de KPN/Denda-zaak ook uitspraak gedaan; de Rb. in
Almelo zag wijselijk af van anticiperende toepassing van de
Databankrichtlijn (Rb. Almelo 6 december 2000, ELRO AA8920,
www.rechtspraak.nl).
3 De ‘spin-off
telt niet’-benadering werd gevolgd door Pres. Rb. Rotterdam in
AD e.a. / Eureka
e.a. (22 augustus 2000, Informatierecht/AMI
2000-10, p. 205-210 m.nt. K.J. Koelman) en de NMa in De
Telegraaf/NOS & HMG (18 september 1998, Mediaforum
1998-10, nr. 50 m.nt. P.B. Hugenholtz, r.o. 7.2.4). In dat
rijtje lijkt het Hof Den Haag zich nu ook gevoegd te hebben.
4 Ter
herinnering: de individuele NVM-makelaars leveren middels een
netwerk gegevens aan ten behoeve van een centraal
woningbestand waarin zijn opgenomen beschrijvingen van de
45.000 woningen waarvoor de NVM-makelaars bemiddelen. Gegevens
uit dat centrale bestand zijn niet alleen bestemd om door
leden geraadpleegd te worden, ook anderen kunnen dat doen,
zowel gratis via de website van de NVM als –zeer tegen de zin
van eisers NVM en het Makelaars Diensten Centrum (MDC)– via de
zoekmachine El Cheapo van De Telegraaf.
Het Hof komt tot het oordeel dat de NVM-databank op internet
niet voldoet aan het substantiële-investeringsvereiste van
art. 1 Databankenwet. Investeringen in hardware (netwerkboxjes
e.d.) kwamen ten laste van individuele makelaars en bovendien
bestond de centrale databank en het daaraan verbonden interne
netwerk al, dus investeringen daarin tellen niet mee voor de
|