De zaak Kuijer/Raad is er
een die m.i. illustreert dat de Raad vasthoudt aan een enge
uitleg van de Europese openbaarheidsregelingen, ondanks de
inmiddels vaste rechtspraak van Gerecht en Hof die inhoudt dat
het recht op toegang tot EU-documenten ruim, en de
weigeringsgronden eng, moeten worden geïnterpreteerd.
Kuijer, docent/onderzoeker asiel- en vluchtelingenrecht aan de
Universiteit Utrecht, verzocht de Raad om documenten van het
CIBGA (Europees Centrum voor informatie, beraad en
gegevensuitwisseling inzake asielaangelegenheden, opgericht
bij raadsbesluit in 1992). Het betrof door of namens het CIBGA
opgestelde rapporten over de situatie in en missies naar
asiellanden, alsmede een lijst met (nationale) contactpersonen
die zich met asielzaken bezig houden.
In de briefwisseling die volgde weigerde de Raad in eerste
instantie toegang tot rapporten over asiellanden (zeg maar:
landenberichten) en de lijst van contactpersonen, en beweerde
dat ze geen rapporten van missies had. Vervolgens zou de lijst
van contactpersonen niet bestaan, maar waren er wel
missieverslagen, die echter voor het grootste deel niet
verstrekt konden worden wegens bescherming van de
internationale betrekkingen. Ruim een half jaar later
-verzoeker was inmiddels naar het Gerecht gestapt- bleek de
lijst met contactpersonen uit het niets herrezen, maar zou het
aan de lidstaten zelf zijn om te beslissen over openbaarheid
van de gegevens op de lijst. Wilde lidstaten de informatie
niet vrijgeven en deed de Raad dat toch, dan zou dat namelijk
de toekomstige informatieuitwisseling inzake asielzaken kunnen
belemmeren en dus het algemeen belang schade toebrengen.
Voor het Gerecht komt niet
aan de orde of wat betreft de lijst met contactpersonen de
Raad de weigeringsgrond 'algemeen belang' wel juist
interpreteert, hetgeen ik betwijfel. De formulering van deze
uitzonderingsgrond is (art. 4 lid 1 Raadsbesluit 93/731):
'Er kan geen toegang worden verleend tot een document van de
Raad, wanneer de verspreiding ervan afbreuk zou kunnen doen
aan:
- de bescherming van het algemeen belang (openbare veiligheid,
internationale betrekkingen, monetaire stabiliteit,
gerechtelijke procedures, inspecties en enquêtes),
- ...'
Ik zie niet waar in dit
rijtje het belang past van het voorkomen dat op de tenen
getrapte lidstaten informatie achter gaan houden in de
samenwerking op EU-niveau. Evenmin is mij rechtspraak bekend
van het Gerecht of Hof waaruit zou blijken dat de tussen
haakjes opgesomde deelbelangen slechts ter illustratie dienen.
Wel heeft de Europese rechter bij herhaling uitgemaakt dat de
uitzonderingsgronden eng geïnterpreteerd dienen te worden.
Mocht de ontwerp-verordening (zie Mediaforum 2000-3, p.
73-79) die de huidige openbaarheidsregelingen gaat vervangen,
ongeschonden Raad en Parlement passeren, dan kan in de
toekomst de Raad mogelijk wel met een verweer als boven
toegang weigeren. De ontwerpverordening bevat namelijk
uitdrukkelijk het 'doeltreffend functioneren van de
instellingen' als punt van algemeen belang (art. 4 sub a,
tiende streepje, Ontwerp verordening).
Over de rol van de individuele lidstaat bij de beslissing om
al dan niet openbaar te maken liet het Hof zich uit in de
Van der Wal/Commissie (HvJEG
11 januari 2000, zaak C-174/98 P en C-189/98 P, zie
Mediaforum 2000-2, p. 76). Daar ging het om documenten die
betrekking hebben op gerechtelijke procedures in een lidstaat;
voor sommige documenten kan de procedurele autonomie van de
nationale rechter meebrengen dat diens nationale recht
beslissend is voor de vraag of Brussel al dan niet het
document verstrekt.
Ook kunnen nationale geheimhoudingsbepalingen doorwerken via
de uitzonderingsgrond (art. 4, vijfde streepje Raadsbesluit
93/731) 'de bescherming van de geheimhouding waarom verzocht
is door de natuurlijke of rechtspersoon die in het document
vervatte informatie heeft verstrekt, of die wettelijk vereist
wordt door de Lid-Staat die zulke informatie heeft verstrekt.'
Dat is echter heel iets anders dan een lidstaat de
mogelijkheid geven openbaarmaking te voorkomen door stekels op
te zetten, zoals de Raad lijkt voor te staan.
De verzoeker had nog
aangegeven dat hij geen belangstelling had voor email- en
telefoonnummers van contactpersonen, de Raad had die dus van
de lijst kunnen verwijderen. Maar volgens de Raad bestaat er
geen recht op gedeeltelijke toegang. De openbaarheidsregeling
zou juist tot doel hebben toegang te geven tot hele
documenten, niet tot daarin vervatte informatie (sic). Als de
Raad bovendien een gekuisde versie van de contactpersonenlijst
zou geven, waarin de gegevens van sommige landen zijn
weggelaten, zou het publiek zich geen mening kunnen vormen
over die lidstaten. Aangezien de Raad niet aangeeft hoe dat
laatste argument past in de weigeringsgronden, verwerpt het
Gerecht het.
Net als in Hautula/Raad (zaak
T-14/98 d.d. 19 juli 1999,
|