|
Veiligheidshamer
geïmporteerd uit Duitsland voor Nederlandse markt.
Auteursrechtinbreuk naar Nederlands recht.
Grensoverschrijdend verbod voor gehele EER. Geen
ambtshalve toepassing internationaal privaatrecht?
De
Nederlandse eiser LSP heeft in 2005 de intellectuele
eigendomsrechten verkregen op een veiligheidshamertje
voor het breken van autoruiten, door een Duitser ruim
twintig jaar eerder ontworpen (LifeHammer). De
Nederlandse gedaagde betrekt uit Duitsland voor de
Nederlandse markt vergelijkbare veiligheidshamers, bij
het bedrijf dat is opgericht door de zoon van de
ontwerper (SOS-Hammer). De rechter vindt met de eiser
dat de SOS-Hammer sprake is van auteursrechtinbreuk, en
geeft een verbod niet slechts voor Nederland, maar voor
de hele Europese Economische Ruimte.
Bij
de analyse van de vraag of sprake is van een inbreuk
valt wel een kanttekening te plaatsen. Zo acht de
rechter het feit dat de SOS-hamer net als de LifeHammer
aan beide zijden van de hamerkop ijzeren punten heeft
medebepalend voor het oordeel dat sprake is van een
verveelvoudiging. Mij lijkt een dergelijke vormgeving
vooral een kwestie van functioneel ontwerpen. Als men in
nood (auto te water bijvoorbeeld) met het hamertje een
autoruit wil inslaan is het gezien de samenstelling van
autoglas wel zo handig als de hamer een scherpe punt
heeft, dat maakt immers de ruit veel makkelijker in te
slaan dan met een groter plat slagoppervlak. En het is
ook wel zo prettig voor de zinkende en lichtelijk in
paniek verkerende automobilist als hij niet in het
donker hoeft uit te vogelen wat voor- en achterkant van
de hamer zijn.
De
auteursrechtelijke aspecten daargelaten, is er vooral
wat aan te merken op de internationaalprivaatrechtelijke
behandeling van het geschil. Waarop baseert de rechter
zijn bevoegdheid om een voor de hele EER geldend verbod
te geven? En onder toepassing van welk (auteurs)recht
komt hij tot de conclusie dat zo'n verbod op zijn plaats
is? Internationaal privaatrechtelijke overwegingen zijn
uit het vonnis niet kenbaar. De voorzieningenrechter
beperkt zich tot de opmerking dat in het algemeen een
grensoverschrijdend gebod tot de mogelijkheden behoort,
en gedaagde het territoriaal bereik van het gevraagde
verbod niet heeft bestreden. Het feit dat de Nederlandse
rechter met internationale rechtsmacht een
grensoverschrijdend verbod kan geven, ook in kort
geding, betekent echter niet dat de rechter daarbij
voorbij kan gaan aan het terzake doende conflictenrecht
(in HR 24 november 1989, NJ 1992, 404 nt. DWFV (Interlas),
en HR 21 februari 1992, NJ 1993, 164 nt. J.H. Spoor (Barbie)
ging het enkel om de vraag of gegeven rechtsmacht, een
grensoverschrijdend gebod mogelijk is).
IPR
dient ambtshalve te worden toegepast. In casu zijn dat
de EEX-Verordening waar het om rechtsmacht gaat, en voor
het toepasselijk recht de Wet Conflictenrecht
Onrechtmatige Daad (WCOD, Stb. 2001, 190). Op
grond van art. 2 EEX-Vo is in geschillen over (onder
meer) auteursrechtinbreuk bevoegd de rechter van de
woonplaats van gedaagde (forum rei), dus
hier de Nederlandse rechter. Daarbij zij wel opgemerkt
dat de EEX-Vo niet van toepassing is op interne (niet-
internationale) geschillen. Uit de feiten zoals
weergegeven in het vonnis blijkt van geen andere
internationale dimensie dan dat de leverancier van de
vermeend inbreukmakende hamertjes in Duitsland is
gevestigd. De eiser stelt volgens de rechter dat klager
importeert en distribueert voor de Nederlandse markt
(r.o. 3.2). Des te vreemder is het dat het EER-wijde
verbod zonder nadere motivering wordt gegeven.
Wat
daar van zij, aangenomen dat de Haarlemse rechter
bevoegd is op grond van de forum rei regel, kan hij op
grond van de EEX-verordening ook uitspraak doen over
inbreuken op auteursrecht in andere (EU) landen. Maar
niet met toepassing van Nederlands auteursrecht. Art. 3
van de WCOD geeft regels voor het toepasselijk recht bij
onrechtmatige daden, waaronder inbreuken op
intellectuele eigendomsrechten. Hoofdregel is de de lex
loci delicti, d.w.z. het toepasselijk recht is dat
van het land waar de daad die plaatsvindt. Dus
Nederlands recht beheerst de auteursrechtinbreuk die in
Nederlands plaatsvindt, Duits recht de inbreuk in
Duitsland, etc. Als de rechter een inbreukverbod voor
andere landen wil geven, dient hij dus eerst te bepalen
of de handelingen wel inbreukmakend zijn naar de
respectieve nationale rechtsstelsels, of de gedaagde ook
naar dat recht aansprakelijk is, en of een verbod wel
een maatregel is die onder het desbetreffende vreemde
recht beschikbaar is. Bij een EER-wijd verbod hoort dus
een analyse van het auteursrecht van 27 landen,
Nederland niet meegerekend.
Nu
is in de WCOD ook de in de rechtspraak ontwikkelde
'gevolgenuitzondering' gecodificeerd. Als dader en
benadeelde zoals in deze zaak in hetzelfde land
woonachtig zijn, beheerst het recht van dat land de
onrechtmatige daad (art. 3(3) WCOD). Heeft de rechter
deze regel hier toegepast en kwam hij zo op Nederlands
recht? Aangezien elke referentie aan conflictenrecht in
het vonnis ontbreekt is waarschijnlijk van bewuste
toepassing geen sprake. Overigens levert een onverkorte
toepassing van de wet van de gemeenschappelijke
woonplaats vreemde gevolgen op: ook het bestaan van een
absoluut vermogensrecht, zeg maar de goederenrechtelijke
kant van het geschil, wordt zo aan het onrechtmatige
daad statuut onderworpen, terwijl de (internationaal)
geaccepteerde norm is dat het recht van het land
waarvoor bescherming wordt ingeroepen aard, omvang en
duur van het intellectuele eigendomsrecht bepaalt.
In
de nabije toekomst wordt de WCOD grotendeels verdrongen
door Europese conflictregels, met de inwerkingtreding op
11 januari 2009 van de Rome II verordening inzake het
recht van toepassing op niet-contractuele verbintenissen
(Verordening EG nr. 864/2007, PbEG L199/40 van 11
juli 2007). Artikel 8(1) van die verordening bepaalt:
'Op een niet-contractuele verbintenis die voortvloeit
uit een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, is
het recht van toepassing van het land waarvoor de
bescherming is gevraagd.' De lex protectionis
wordt daarmee de enige verwijzingsregel voor
IE-inbreuken. We hoeven dan bij nauwelijks gemotiveerde
vonnissen als bovenstaande niet meer te speculeren of
(on)bewust de gevolgenuitzondering is toegepast (die
overigens ook in Rome II terugkomt voor allerhande
onrechtmatige daden). Blijft staan dat van de rechter in
een zaak als deze, een motivering verwacht mag worden
die niet alleen inzichtelijk maakt dat de lex
protectionis is toegepast, maar ook waarom dat
moet leiden tot een zo verstrekkend grensoverschrijdend
verbod. Zeker als uit de stellingen van de eiser niet is
af te leiden dat er sprake is van inbreuk buiten
Nederland. |