Annotatie bij Vzr. Rb. Haarlem 29 juni 2007 (Life Safety Products / Autovision)
Verschenen in AMI 2007-6, nr. 23, p. 194-198.

M.M.M. van Eechoud


Veiligheidshamer geïmporteerd uit Duitsland voor Nederlandse markt. Auteursrechtinbreuk naar Nederlands recht. Grensoverschrijdend verbod voor gehele EER. Geen ambtshalve toepassing internationaal privaatrecht?

De Nederlandse eiser LSP heeft in 2005 de intellectuele eigendomsrechten verkregen op een veiligheidshamertje voor het breken van autoruiten, door een Duitser ruim twintig jaar eerder ontworpen (LifeHammer). De Nederlandse gedaagde betrekt uit Duitsland voor de Nederlandse markt vergelijkbare veiligheidshamers, bij het bedrijf dat is opgericht door de zoon van de ontwerper (SOS-Hammer). De rechter vindt met de eiser dat de SOS-Hammer sprake is van auteursrechtinbreuk, en geeft een verbod niet slechts voor Nederland, maar voor de hele Europese Economische Ruimte.

Bij de analyse van de vraag of sprake is van een inbreuk valt wel een kanttekening te plaatsen. Zo acht de rechter het feit dat de SOS-hamer net als de LifeHammer aan beide zijden van de hamerkop ijzeren punten heeft medebepalend voor het oordeel dat sprake is van een verveelvoudiging. Mij lijkt een dergelijke vormgeving vooral een kwestie van functioneel ontwerpen. Als men in nood (auto te water bijvoorbeeld) met het hamertje een autoruit wil inslaan is het gezien de samenstelling van autoglas wel zo handig als de hamer een scherpe punt heeft, dat maakt immers de ruit veel makkelijker in te slaan dan met een groter plat slagoppervlak. En het is ook wel zo prettig voor de zinkende en lichtelijk in paniek verkerende automobilist als hij niet in het donker hoeft uit te vogelen wat voor- en achterkant van de hamer zijn.

De auteursrechtelijke aspecten daargelaten, is er vooral wat aan te merken op de internationaalprivaatrechtelijke behandeling van het geschil. Waarop baseert de rechter zijn bevoegdheid om een voor de hele EER geldend verbod te geven? En onder toepassing van welk (auteurs)recht komt hij tot de conclusie dat zo'n verbod op zijn plaats is? Internationaal privaatrechtelijke overwegingen zijn uit het vonnis niet kenbaar. De voorzieningenrechter beperkt zich tot de opmerking dat in het algemeen een grensoverschrijdend gebod tot de mogelijkheden behoort, en gedaagde het territoriaal bereik van het gevraagde verbod niet heeft bestreden. Het feit dat de Nederlandse rechter met internationale rechtsmacht een grensoverschrijdend verbod kan geven, ook in kort geding, betekent echter niet dat de rechter daarbij voorbij kan gaan aan het terzake doende conflictenrecht (in HR 24 november 1989, NJ 1992, 404 nt. DWFV (Interlas), en HR 21 februari 1992, NJ 1993, 164 nt. J.H. Spoor (Barbie) ging het enkel om de vraag of gegeven rechtsmacht, een grensoverschrijdend gebod mogelijk is).

IPR dient ambtshalve te worden toegepast. In casu zijn dat de EEX-Verordening waar het om rechtsmacht gaat, en voor het toepasselijk recht de Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad (WCOD, Stb. 2001, 190). Op grond van art. 2 EEX-Vo is in geschillen over (onder meer) auteursrechtinbreuk bevoegd de rechter van de woonplaats van gedaagde (forum rei), dus hier de Nederlandse rechter. Daarbij zij wel opgemerkt dat de EEX-Vo niet van toepassing is op interne (niet- internationale) geschillen. Uit de feiten zoals weergegeven in het vonnis blijkt van geen andere internationale dimensie dan dat de leverancier van de vermeend inbreukmakende hamertjes in Duitsland is gevestigd. De eiser stelt volgens de rechter dat klager importeert en distribueert voor de Nederlandse markt (r.o. 3.2). Des te vreemder is het dat het EER-wijde verbod zonder nadere motivering wordt gegeven.

Wat daar van zij, aangenomen dat de Haarlemse rechter bevoegd is op grond van de forum rei regel, kan hij op grond van de EEX-verordening ook uitspraak doen over inbreuken op auteursrecht in andere (EU) landen. Maar niet met toepassing van Nederlands auteursrecht. Art. 3 van de WCOD geeft regels voor het toepasselijk recht bij onrechtmatige daden, waaronder inbreuken op intellectuele eigendomsrechten. Hoofdregel is de de lex loci delicti, d.w.z. het toepasselijk recht is dat van het land waar de daad die plaatsvindt. Dus Nederlands recht beheerst de auteursrechtinbreuk die in Nederlands plaatsvindt, Duits recht de inbreuk in Duitsland, etc. Als de rechter een inbreukverbod voor andere landen wil geven, dient hij dus eerst te bepalen of de handelingen wel inbreukmakend zijn naar de respectieve nationale rechtsstelsels, of de gedaagde ook naar dat recht aansprakelijk is, en of een verbod wel een maatregel is die onder het desbetreffende vreemde recht beschikbaar is. Bij een EER-wijd verbod hoort dus een analyse van het auteursrecht van 27 landen, Nederland niet meegerekend.

Nu is in de WCOD ook de in de rechtspraak ontwikkelde 'gevolgenuitzondering' gecodificeerd. Als dader en benadeelde zoals in deze zaak in hetzelfde land woonachtig zijn, beheerst het recht van dat land de onrechtmatige daad (art. 3(3) WCOD). Heeft de rechter deze regel hier toegepast en kwam hij zo op Nederlands recht? Aangezien elke referentie aan conflictenrecht in het vonnis ontbreekt is waarschijnlijk van bewuste toepassing geen sprake. Overigens levert een onverkorte toepassing van de wet van de gemeenschappelijke woonplaats vreemde gevolgen op: ook het bestaan van een absoluut vermogensrecht, zeg maar de goederenrechtelijke kant van het geschil, wordt zo aan het onrechtmatige daad statuut onderworpen, terwijl de (internationaal) geaccepteerde norm is dat het recht van het land waarvoor bescherming wordt ingeroepen aard, omvang en duur van het intellectuele eigendomsrecht bepaalt.

In de nabije toekomst wordt de WCOD grotendeels verdrongen door Europese conflictregels, met de inwerkingtreding op 11 januari 2009 van de Rome II verordening inzake het recht van toepassing op niet-contractuele verbintenissen (Verordening EG nr. 864/2007, PbEG L199/40 van 11 juli 2007). Artikel 8(1) van die verordening bepaalt: 'Op een niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, is het recht van toepassing van het land waarvoor de bescherming is gevraagd.' De lex protectionis wordt daarmee de enige verwijzingsregel voor IE-inbreuken. We hoeven dan bij nauwelijks gemotiveerde vonnissen als bovenstaande niet meer te speculeren of (on)bewust de gevolgenuitzondering is toegepast (die overigens ook in Rome II terugkomt voor allerhande onrechtmatige daden). Blijft staan dat van de rechter in een zaak als deze, een motivering verwacht mag worden die niet alleen inzichtelijk maakt dat de lex protectionis is toegepast, maar ook waarom dat moet leiden tot een zo verstrekkend grensoverschrijdend verbod. Zeker als uit de stellingen van de eiser niet is af te leiden dat er sprake is van inbreuk buiten Nederland.


Geplaatst 19.12.2007