|
Art. 25 lid 1
sub d Aw, art. 25 lid 2 Aw, art. 4 EVO, art. 6bis lid 4 BC.
Morele
rechten en internationaal privaatrecht. Nederlands
auteursrecht van toepassing op inbreukvraag ingevolge art.
6bis lid 4 BC. Opdracht tot het vervaardigen van
muurschilderingen beheerst door Frans recht ingevolge art. 4
EVO. Geen beroep op morele rechten art. 25 Aw, nu aan
aanwijzingsvereiste van art. 25 lid 2 niet is voldaan.
De
voorgeschiedenis van dit eindarrest is deze: schilder
Raedecker (overleden 1987) heeft de Nederlandse nationaliteit
maar woont en werkt al decennia in Frankrijk. Daar woont hij
ook als hij de opdracht aanneemt om diverse muurschilderingen
te vervaardigen (1969/70) voor de Carrouselzaal van het
Congresgebouw, thans Nederlands Congres Centrum geheten. De
muurschilderingen worden –zonder overleg met de erfgenamen van
de schilder– met latex overgeschilderd in het kader van de
renovatie van het gebouw in 1992. De weduwe van Raedecker
ontdekt dat enkele jaren later. De erven eisen herstel van de
schilderingen voor de Haagse rechtbank (AMI 2001/6, nr.
18). De vraag is naar welk recht beoordeeld moet worden
a) hoe de
overeenkomst uitgelegd moet worden (bevat deze een
instandhoudingsverplichting, etc.) en
b) of er sprake is van inbreuk op de morele rechten van de
auteur, en of de erfgenamen die kunnen inroepen.
Zowel Rechtbank
als Hof (tussenvonnis van 11 september 2003, zie AMI
2004-2, p. 78-80) achten Nederland het land van oorsprong van
de muurschilderingen, nu ze zijn aangebracht op een gebouw in
Nederland (art. 5 lid 4c onder ii Berner Conventie). Ingevolge
art. 5(3) BC, dat bepaalt dat de Berner Conventie geen
betrekking heeft op interne gevallen, d.w.z. zich niet bemoeit
met de bescherming van werken in het land van oorsprong zelf,
is de Berner Conventie daarmee niet langer relevant voor deze
casus. Het Hof oordeelde in zijn tussenarrest echter van wel:
art. 6bis lid 4 BC zou voorschrijven dat Nederlands
auteursrecht de vraag beheerst wat de voorwaarden zijn voor
uitoefening van het droit moral. Maar als Nederland land van
oorsprong is, doet art. 6bis m.i. verder niet ter zake.
Bovendien is genoemde bepaling –geďnspireerd op art. 5(2) BC,
laatste zin– naar mijn mening geen conflictregel. Zie hierover
uitgebreid mijn proefschrift Choice of Law in Copyright and
Related Rights, Alternatives to the Lex Protectionis
(London: Kluwer Law International 2003), m.n. hoofdstuk 3 en
4.
In eerste aanleg
oordeelt de Rechtbank dat de erven geen morele rechten kunnen
inroepen, omdat niet voldaan is aan het aanwijzingsvereiste
van art. 25(2) Auteurswet: als de auteur wil dat na zijn dood
de morele rechten uitgeoefend kunnen blijven worden, moet hij
bij uiterste wilsbeschikking aanwijzen wie dat moet doen. Het
Hof deelt in zijn tussenarrest het oordeel van de Rechtbank.
Een concept testament voldoet niet aan de Nederlandse
vormvereisten. Een brief waarin Raedecker zijn vrouw als enig
erfgename aanduidt van zijn gehele bezit, voldoet wel aan de
vormvereisten (art. 4:97 BW: handgeschreven, gedateerd en
ondertekend) maar houdt volgens het Hof niet een aanwijzing in
conform art. 25(2) Auteurswet.
Hoewel de vraag
of tegen het overschilderen een verzet mogelijk is op
moreelrechtelijke gronden (art. 25 lid 1 sub d, preciezer) in
principe naar Nederlands auteursrecht beantwoord dient te
worden, is daarmee niet gegeven dat ook het
aanwijzingsvereiste van art. 25(2) Aw onverkort geldt. Die
vraag heb ik mijn noot onder het tussenarrest al in
ontkennende zin beantwoord. Overigens, mocht de aantasting
hier gelijk te stellen zijn aan sloop/vernietiging, dan is
art. 25(2) Aw niet meer relevant, gezien de uitspraak van de
Hoge Raad in de zaak Jelles/Zwolle (HR 6 februari 2004,
AMI 2004-4). Als verzet tegen sloop of vernietiging
immers niet op grond van art. 25 lid 1 sub d Aw mogelijk is,
hoeft ook niet bekeken te worden of aan de aanwijzingseis van
art. 25(2) is voldaan. Het gaat dan om onrechtmatig handelen
dat gelegen moet zijn in schending van de maatschappelijke
zorgvuldigheidsnormen of misbruik van (eigenaars)bevoegdheid.
De normale eisen voor de overgang van vorderingen uit
onrechtmatige daad gelden dan. Gezien het feit dat eisers
herstel van de schilderingen willen (de latex is blijkbaar
verwijderbaar), zal er hier overigens wel geen sprake zijn van
werkelijke vernietiging.
Het Hof komt via
de Berner Conventie tot toepassing van Nederlands recht op de
inbreukvraag (zie r.o. 10), maar had daar m.i.. moeten komen
door toepassing van de hoofdregel van art. 3(1) Wet
Conflictenrecht Onrechtmatige Daad, die aanknoopt bij het
recht van de plaats waar de onrechtmatige daad plaatsvindt
(Nederland, aangezien er hier werd overgeschilderd). In het
ontwerp voor een Rome II verordening stelt de Europese
Commissie voor om inbreuken op intellectuele eigendomsrechten
te onderwerpen aan de lex protectionis. Deze conflictregel
wijst als toepasselijk aanhet recht van het land waarvoor
bescherming wordt ingeroepen; welk land niet
noodzakelijkerwijs de staat is waar een zaak voor de rechter
wordt gebracht (art. 8 Voorstel Verordening inzake het recht
dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, COM
2003(427) def.). Het Rome II voorstel is overigens onduidelijk
over de positie van morele rechten van de auteur, nu
|