| 1. De Zwitserse vereniging
tegen massale dierenfokkerijen ('gegen Tierfabriken') biedt
aan de Zwitserse publieke televisie een commerciële boodschap
aan waarin het vredige gezinsleven van zeugen in de natuur
wordt gecontrasteerd met een lawaaïge varkensstal vol biggen
die vechten voor een plaatsje voor de tralies van het hok om
er hun snuit door te steken. De stem bij het televisiespotje
maakt bij dat tweede beeld (het eerste in de natuur ging
gepaard met zachte orkestmuziek) de vergelijking met
concentratiekampen. De Zwitserse televisie weigert de
boodschap uit te zenden, welke beslissing wordt gesanctioneerd
door de Zwitserse rechters. Zo komt de zaak op het bord van de
Straatsburgse rechter wegens vermeende schending van artikel
10 EVRM. Een kamer van het Hof bestaande uit zeven rechters
geeft daarover een belangrijke beslissing, zonder dat het
nodig wordt gevonden de zaak naar een grote kamer van het Hof
te verwijzen. Het is een voor Nederland interessante
beslissing omdat ook hier veel te doen is over de
dieronwaardige toestanden op de massale varkensfokkerijen.
Robert Long werd in 2000 voor een vergelijking tussen
varkensstallen en concentratiekampen voor de Amsterdamse
President gedaagd, die echter vond dat een dergelijke forse
uitspraak gedaan mocht worden (zie Onrechtmatige Daad VII
(G.A.I. Schuijt),
nr. 72). 2. De
weigering de boodschap uit te zenden wordt gegeven door de AG
für das Werbefernsehen (in het arrest aangeduid als de
'Commercial Television Company') aan wie de exploitatie van
landelijke televisiereclameboodschappen is gedelegeerd. De
rechtsgang die daarop volgt is ingewikkeld, vooral omdat er
geen duidelijke klachtinstantie blijkt te bestaan voor
geschillen over de (niet) uitzending van reclameboodschappen.
Het Bundesgericht constateert dat dit een rechtsvacuum is,
maar vult dit zelf op door de klacht inhoudelijk te
beoordelen. Het wijst deze af op het argument dat het hier
niet gaat om een beoordeling van de programmatische
verantwoordelijkheid van de Zwitserse omroeporganisatie, maar
om een beslissing in het wettelijk kader dat de Zwitserse
Mediawet schetst voor reclame. Het draait dan om de regel dat
het uitzenden van politieke reclame verboden is. Deze regel
acht het Bundesgericht niet in strijd met artikel 10 EVRM,
omdat zij dient ter bescherming van de onafhankelijkheid van
omroepinstellingen waar zij beoogt te voorkomen dat deze
afhankelijk worden van financieel kapitaalkrachtige politieke
sponsors. Zij strekt dus tot bescherming van een evenwichtig
pluralisme in de samenleving. Het oordeelt dat er
alternatieven voor handen waren, omdat het verbod niet geldt
voor de geschreven pers, de film en de buitenlandse omroep die
te ontvangen is in Zwitserland. Bovendien had de Commercial
Television Company aangeboden over alternatieven te praten.
3. Het Hof moest eerst over
een preliminaire vraag beslissen, namelijk of de Staat
Zwitserland verantwoordelijk kan worden gesteld voor de
interne gang van zaken. Zwitserland had zich er op beroepen
dat het niet ging om de uitoefening van de publieke taak van
de omroep, maar om de contractuele vrijheid om commerciële
boodschappen uit te zenden. Het Hof gaat hier in de
overwegingen 46 en 47 handig omheen. 'Handig' omdat het geen
uitspraak doet over de horizontale werking van grondrechten.
Opmerkelijk is dat het Hof dat niet alleen niet nodig vindt,
maar ook niet wenselijk. Waarom het dat niet wenselijk vindt,
motiveert het niet. Betekent deze opmerking dat deze kwestie
binnen het Hof in discussie is? In andere zaken heeft het die
horizontale werking geconstrueerd via de positieve
verdragsverplichting in artikel 1 van het Verdag die een Staat
opdraagt om de naleving van de grondrechten op zijn
grondgebied te waarborgen (de zaak Fuentes Bobo, NJ
2001, 73 mnt EJD, zie m.n. onder 3 van deze annotatie). Het is
in elk geval niet nodig, omdat het gaat om de toepassing van
een (van de Zwitserse Staat afkomstige) publiekrechtelijke
regel die het uitzenden van politieke reclameboodschappen
verbiedt.
4. Het Hof oordeelt
(overweging 60 –61 en ook 73) dat het wettelijk verbod om
politieke reclameboodschappen om de redenen door het Bundes
Gerichtshof aangegeven, een door artikel 10 EVRM beschermd
doel kan dienen. Een soortgelijke beperking bij de sponsering
van verkiezingscampagnes heeft het ooit eens geaccepteerd ( de
zaak Bowman, NJ 2000, 338, mnt EJD). De toepassing van
het verbod kan echter de noodzakelijkheidstest niet doorstaan.
Het Hof past het in navolging van de zaak Barthold (NJ
1987, 900, mnt EAA) en in de zaak Hertel (NJ 1999, 712,
mnt EJD) herhaalde criterium toe dat de reclame boodschap
inhoudelijk beoordeeld moet worden. Er moet dus door de
commerciële vorm (een betaalde boodschap) heen worden gekeken.
Als het in feite gaat om een politieke boodschap, beoordeelt
het de opgelegde beperking integraal (ro 69-72). Deze zaak
verschilt in zoverre van Barthold en Hertel dat het hier
duidelijk gaat om een betaalde boodschap: het kopen van
zendtijd voor het uitzenden van het anti varkensfok spotje.
Beslissend is echter dat het niet ging om 'inciting the public
to purchase a particular product.., rather it reflected
controversial opinions pertaining to modern society in
general.' Die integrale beoordeling houdt in dat het de door
Zwitserland gegeven argumenten om deze boodschap niet uit te
zenden niet toereikend vindt. Beslissend acht het dat de
alternatieven voor de verspreiding van de boodschap niet
gelijkwaardig zijn aan de reclame op de nationale televisie
met nationale dekking (77).
5. Aandacht verdient nog
overweging 78 waar het Hof ingaat op de vraag of het gevolg
van zijn uitspraak is dat er een 'uitzendrecht' (een 'right to
an antenna') van een derde partij ontstaat dat inbreuk maakt
op het recht van de Commercial Television Company om zelf te
bepalen welke boodschappen worden uitgezonden. Het Hof zegt
dat er verschillende mogelijkheden zijn om de uitzending van
reclameboodschappen nationaal te organiseren. Zwitserland
heeft er voor gekozen daarmee een onderneming met exclusieve
rechten te belasten. Het had het ook anders kunnen doen. Het
Hof indiceert hiermee dat de zaak anders ligt wanneer er ook
andere bedrijven werkzaam zijn op de landelijke reclamemarkt.
Wat het geval is bij een collectieve weigering van alle
landelijk opererende omroepen die landelijke reclame
uitzenden, zegt het Hof niet.
6. De politieke
reclameboodschap heeft in juridisch Nederland vooral de
aandacht getrokken door de Boycot Outspan actie, gericht tegen
het apartheidsregime in Zuid Afrika waar deze sinaasappelen
vandaan komen De door de Anti Apartheidsbeweging in Nederland
aangeboden reclameboodschap liet het hoofd zien van een zwarte
Zuid-Afrikaan dat als een sinaasappel op de pers werd gelegd,
met de begeleidende tekst: Pers geen Zuid-Afrikaan uit. Het
betrof een reclameboodschap voor de geschreven pers die
beoordeeld werd door de Reclame Code Commissie. Deze achtte
haar in strijd met de goede smaak, een norm waaraan de
Commissie ingevolge de Reclamecode ook mag toetsen. Dat
resulteerde in een collectieve weigering (de aanbevelingen van
de Code Commissie zijn bindend voor de bij de Code
aangeslotenen) die de aanbieders aanvochten bij de rechter.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat de reclame alleen had mogen
worden verboden 'indien zij naar de in ons land, althans bij
de overgrote meerderheid van de bevolking levende opvattingen,
in ernstige mate wansmakelijk of onfatsoenlijk zou zijn, en de
lezers afkerig zou maken van het blad of het tijdschrift
waarin zij is geplaatst.' (Hof Amsterdam 30 oktober 1981,
NJ 1981, 422). De toetsing van de Codecommissie was dus te
vergaand geweest. Het gevolg van deze uitspraak was dat de
Codecommissie er aanvankelijk van afzag om politieke reclames
nog te toetsen aan de goede smaak, maar dat zij dat later, zij
het niet bindend, toch weer is gaan doen (Vgl.
E.J. Dommering
e.a.
Informatierecht, Amsterdam: Otto Cramwinckel 2000, p.
390).
7. De Reclamecode Commissie
gaat tegenwoordig ook over televisiereclame, omdat de Ster en
commerciële omroepinstellingen op grond van de wet verplicht
zijn zich bij de stichting Reclamecode aan te sluiten
(artikelen 61 a Mediawet en 52 b Mediabesluit). Het toezicht
van de Codecommissie is repressief; zij beoordeelt dus alleen
reclameboodschappen die al eens zijn uitgezonden, maar kan
deze dan wel verbieden. Voor de politieke reclame geldt de
regel dat de Codecommissie daarover vrijblijvend kan
adviseren. De weigering vooraf is niet in de Mediawet
geregeld, zodat daarvoor de burgerlijke rechter in kort geding
bevoegd blijft. Daarvan zijn ook wel voorbeelden te vinden. Zo
vond de President van de Rechtbank Amsterdam dat de Ster ten
onrechte een commerciële boodschap van de Volkskrant had
geweigerd waarin bekende politici voorkwamen. De President
meende dat de preventieve toetsing van een in dit geval
commerciële boodschap (het betrof reclame voor de
Volkskrant) uiterst terughoudend diende te gebeuren (Pr.
Amsterdam 8 mei 1985 BIE 1985, 434; bevestigd door Hof
Amsterdam 28 november 1985 IER 1986, 12). SBS weigerde
in 1998 een politieke reclame van de Centrumpartij uit te
zenden. De weigering werd door de President in Amsterdam
gesanctioneerd (Pr. Amsterdam 1 mei 1998 KG 1998, 171).
8. Wat betekent deze
uitspraak nu voor de weigering van een omroepinstelling een
politieke reclameboodschap uit te zenden? De positie van de
Ster is vergelijkbaar met die van de Zwitserse 'Commercial
Company', omdat de Ster het alleenrecht heeft voor het
uitzenden van reclameboodschappen voor de publieke omroep. De
wettelijke taak van de Ster is beperkt tot het uitzenden van
commerciële reclameboodschappen (art. 1 kk in samenhang met
art. 26 Mediawet; volgens
J.J.C. Kabel in
zijn
noot bij dit arrest in Mediaforum 2002-2, p. 58
onder 7 is het beleid van de Ster sedert 1998 echter om ook
politieke reclame te accepteren). De Ster heeft echter niet
meer het monopolie op televisiereclame nu er vele commerciële
landelijke aanbieders bij zijn gekomen. Van een
alleenvertoningsrecht zoals in Zwitserland is dus geen sprake.
Dit maakt dat ook een weigering pas onrechtmatig kan zijn als
er een onderling afgestemd gedrag van de omroepen sprake zou
zijn, zodat er geen alternatief is om via landelijke televisie
de doelgroep te bereiken. Dit was in de onder 7 genoemde zaak
van de Centrumpartij een van de overwegingen om de weigering
van SBS niet onrechtmatig te achten.
9. Aan welke norm moet een
(collectieve) weigering, vooraf door de rechter of achteraf
door de Code Commissie uitgelokt, getoetst worden? Omroepen en
Ster hanteren naast de normen van de Reclamecode algemene
voorwaarden die hen over het algemeen een discretionaire
weigeringsbevoegdheid geven. Daarmee is de vraag van de
horizontale werking van het grondrecht van vrijheid van
meningsuiting niet uit de weg te gaan. Tegenover elkaar staan
immers twee private partijen : de politieke adverteerder en de
omroepinstelling. In de literatuur wordt de horizontale
werking in zoverre aanvaard dat het belang van de vrijheid van
meningsuiting bij een leveringsweigering moet worden
meegewogen. De geciteerde Boycot Outspanzaak wordt daarbij als
voorbeeld genoemd (Vgl.
J.W. De Meij e.a.,
Uitingsvrijheid,
Amsterdam: Otto Cramwinckel 2000, p.81-87). Uitspraken van de
HR op dit punt zijn niet bekend. Wel is er de Rostellizaak
waarbij de gemeente Rijssen weigerde enige ruimte te verhuren
voor een hypnoseshow in de gemeente op grond van de te
verwachten inhoud van de voorstelling die niet strookte met de
streng calvinistische opvattingen binnen de gemeente. Het
beroep op de vrijheid van meningsuiting tegenover de
contracteervrijheid van de gemeente slaagde daarbij. Het
betrof hier evenwel geen zuiver geval van horizontale werking,
omdat het ging om de bijzondere verantwoordelijkheid van de
overheid ook in het aangaan van privaatrechtelijke
betrekkingen de grondrechten van de burgers te respecteren (HR
26 april 1996, NJ 1996, 728 m.nt EAA).
10. Hoe kan die
belangenafweging er uit zien? Noch de goede smaak (ook niet in
de beperkte opvatting van het Hof Amsterdam in de Boycot
Outspan zaak) noch het verwerpen van de mening die de
politieke reclameboodschap uitdraagt, zijn op zich zelf
genomen toereikend. Het EHRM gaat er consequent vanuit dat een
politieke meningsuiting moet kunnen schokken. Goede smaak,
moraal en fatsoen zijn geen normen die daarbij als eerste in
beeld komen. Ook het hebben van een verwerpelijke mening kan
dat niet zijn, omdat het Hof vasthoudt aan het criterium dat
het publiek ook moet kunnen kennisnemen van een dergelijke
mening (zaak Jersild, NJ 1995, 387, m.nt. EJD). Bij een
weigering van een politieke reclameboodschap zal de rechter
dus een onderzoek moeten instellen naar de proportionaliteit
van die weigering. Factoren die daarbij een rol spelen zijn:
het bestaan van alternatieven om de politiek doelgroep via het
televisiemedium te bereiken en de overtuigingskracht van de
motieven die voor de weigering worden gehanteerd. Wanneer er
geen alternatief is om de doelgroep via de televisie te
bereiken, is het argument dat de reclameboodschap niet
overeenstemt met de eigen mening en de eigen smaak van de
omroepinstelling onvoldoende.
EJD |