Noot bij EHRM 29 maart 2001 inzake Thoma/Luxemburg
NJ 2002, 159

E.J. Dommering


 

1. Thoma is een Luxemburgse radiojournalist die op het nationale radiostation RTL 92.5 een programma verzorgt dat over milieuzaken handelt, getiteld Oekomagazin. De uitzending van 6 november 1991 gaat over de noodzaak van herbebossing van delen van Luxemburg na de stormen van 1990 die grote schade hadden aangericht aan de Luxemburgse natuur. De vraag is of de leveranciers van de bebossing hun producten slijten zonder steekpenningen te betalen (Ieder land zijn eigen fraude: Nederland een bouwfraude, Luxemburg een bosfraude!). Hij bouwt de uitzending over dit onderwerp zo op dat hij een citaat uit een kritisch artikel van een journalist Josy Braun overneemt dat op dezelfde dag in het Luxemburgse Tageblatt was verschenen. Uit dit artikel citeert hij een aantal letterlijke passages, waaronder die waarin Braun meldt dat hij van een betrouwbare bron heeft vernomen dat deze maar een persoon binnen de bosautoriteiten (Water and Foresty Commission) kent die niet corrupt is. Wie de schoen past trekke hem aan en kort daarna startten de 63 overige ambtenaren een actie wegens belediging tegen Thoma. Hun voornaamste grief is dat Thoma de beschuldigingen van Braun van corruptie heeft overgenomen zonder deze af te zwakken of er afstand van te nemen. Zij krijgen bij de Luxemburgse rechters gelijk. Thoma gaat naar Straatsburg, waarbij hij zijn klacht met name baseert op de beslissing van het Hof in de Jersild zaak (NJ 1995, 387, mnt EJD). In die zaak ging het om een televisiejournalist die in de uitzending skinheads aan het woord had gelaten die zich over bevolkingsgroepen beledigend hadden uitgelaten.

2. Het gaat in deze zaak om de vraag of een journalist verantwoordelijk kan worden gesteld voor een (beledigend) citaat uit een andere openbaargemaakte bron. Behalve aan het sprekend invoeren in een televisie uitzending van iemand wiens uitlatingen men niet verifieert en ook niet onderschrijft (de zaak Jersild) kan men ook denken aan de zaak Bladet Tromsø (NJ 2001, 63, mnt EJD), waar het ging om het citeren uit een officieel rapport. Iedere citaatzaak heeft echter weer haar eigen nuance. In deze zaak gaat het om het citeren van een printmedium in de radio (iets wat veelvuldig voorkomt).

3. De kernoverweging staat in overweging 62 die er kortgezegd op neer komt dat de in Europa gegarandeerde persvrijheid in beginsel verbiedt dat de boodschapper gestraft wordt. Het Hof herhaalt hier de overweging uit de Jersildzaak: “punishment of a journalist for assisting in the dissemination of statements made by another person would seriously hamper the contribution of the press to discussion of matters of public interest and should not be envisaged unless there are particular strong reasons to do so.” Dat betekent dat informatie die is openbaargemaakt mag worden doorgegeven mits herkomst ervan maar duidelijk wordt aangegeven, tenzij er klemmende redenen zijn om dat niet te doen. In dit geval (overweging 64) vindt het Hof het voldoende dat de radiojournalist duidelijk aangeeft dat hij citeert en er bij zegt dat het artikel dat hij citeert in sterke bewoordingen is gesteld.

4. Het Hof leest in het Europese recht niet een verplichting voor journalisten, zoals het formuleert in overweging 64, “systematically and formally to distance themselves from the content of a quotation that might insult or provoke others or damage their reputation." Deze regel is een vuistregel. Wanneer een journalist (inmiddels) beschikt over bewijs dat het in het citaat verwoorde onjuist is, kan hij het citaat niet doorgeven zonder dat er bij te zeggen. Dat brengt de plicht om het publiek zo goed mogelijk te informeren over zaken van openbaar belang ook mee.

5. Overigens toont deze zaak weer eens aan dat het in veel gevallen zaak is de bron van het onjuiste en openbaargemaakte bericht aan te pakken en niet de boodschapper. In deze zaak had een procedure tegen de krant en Braun meer voor de hand gelegen.

EJD


Geplaatst 18.05.2001