|
1. Thoma is een Luxemburgse radiojournalist die
op het nationale radiostation RTL 92.5 een programma verzorgt dat over
milieuzaken handelt, getiteld Oekomagazin. De uitzending van 6 november
1991 gaat over de noodzaak van herbebossing van delen van Luxemburg na de
stormen van 1990 die grote schade hadden aangericht aan de Luxemburgse natuur.
De vraag is of de leveranciers van de bebossing hun producten slijten zonder
steekpenningen te betalen (Ieder land zijn eigen fraude: Nederland een
bouwfraude, Luxemburg een bosfraude!). Hij bouwt de uitzending over dit
onderwerp zo op dat hij een citaat uit een kritisch artikel van een journalist
Josy Braun overneemt dat op dezelfde dag in het Luxemburgse Tageblatt was
verschenen. Uit dit artikel citeert hij een aantal letterlijke passages,
waaronder die waarin Braun meldt dat hij van een betrouwbare bron heeft vernomen
dat deze maar een persoon binnen de bosautoriteiten (Water and Foresty
Commission) kent die niet corrupt is. Wie de schoen past trekke hem aan en kort
daarna startten de 63 overige ambtenaren een actie wegens belediging tegen
Thoma. Hun voornaamste grief is dat Thoma de beschuldigingen van Braun van
corruptie heeft overgenomen zonder deze af te zwakken of er afstand van te
nemen. Zij krijgen bij de Luxemburgse rechters gelijk. Thoma gaat naar
Straatsburg, waarbij hij zijn klacht met name baseert op de beslissing van het
Hof in de Jersild zaak (NJ 1995, 387, mnt EJD). In die zaak ging het om
een televisiejournalist die in de uitzending skinheads aan het woord had
gelaten die zich over bevolkingsgroepen beledigend hadden uitgelaten.
2. Het gaat in deze zaak om de vraag of een
journalist verantwoordelijk kan worden gesteld voor een (beledigend) citaat uit
een andere openbaargemaakte bron. Behalve aan het sprekend invoeren in een
televisie uitzending van iemand wiens uitlatingen men niet verifieert en ook
niet onderschrijft (de zaak Jersild) kan men ook denken aan de zaak Bladet
Tromsø (NJ 2001, 63, mnt EJD), waar het ging om het citeren uit een
officieel rapport. Iedere citaatzaak heeft echter weer haar eigen nuance. In
deze zaak gaat het om het citeren van een printmedium in de radio (iets wat
veelvuldig voorkomt).
3. De kernoverweging staat in overweging 62 die
er kortgezegd op neer komt dat de in Europa gegarandeerde persvrijheid in
beginsel verbiedt dat de boodschapper gestraft wordt. Het Hof herhaalt hier de
overweging uit de Jersildzaak: “punishment of a journalist for assisting in
the dissemination of statements made by another person would seriously hamper
the contribution of the press to discussion of matters of public interest and
should not be envisaged unless there are particular strong reasons to do so.”
Dat betekent dat informatie die is openbaargemaakt mag worden doorgegeven mits
herkomst ervan maar duidelijk wordt aangegeven, tenzij er klemmende redenen zijn
om dat niet te doen. In dit geval (overweging 64) vindt het Hof het voldoende
dat de radiojournalist duidelijk aangeeft dat hij citeert en er bij zegt dat het
artikel dat hij citeert in sterke bewoordingen is gesteld.
4. Het Hof leest in het Europese recht niet een
verplichting voor journalisten, zoals het formuleert in overweging 64, “systematically
and formally to distance themselves from the content of a quotation that might
insult or provoke others or damage their reputation." Deze regel is een
vuistregel. Wanneer een journalist (inmiddels) beschikt over bewijs dat het in
het citaat verwoorde onjuist is, kan hij het citaat niet doorgeven zonder dat er
bij te zeggen. Dat brengt de plicht om het publiek zo goed mogelijk te
informeren over zaken van openbaar belang ook mee.
5. Overigens toont deze zaak weer eens aan dat
het in veel gevallen zaak is de bron van het onjuiste en openbaargemaakte
bericht aan te pakken en niet de boodschapper. In deze zaak had een procedure
tegen de krant en Braun meer voor de hand gelegen.
EJD |