|
1. Deze zaak gaat (opnieuw) over de betekenis
van waarde-oordelen en de omvang van de betekenis van het begrip 'public
figure'. Meestal draait het bij het Hof, wanneer het nationale beledigingszaken
volgens een Europese maatstaf moet beoordelen, om deze twee criteria. Ruwweg
hanteert het Hof dan deze twee maatstaven: waarde-oordelen zijn vrij, en 'public
figures' moeten zich meer laten welgevallen dan privépersonen (ik verwijs naar
de door het Hof geciteerde precedenten en de daarbij verschenen annotaties in de
NJ). Vaak ligt het echter genuanceerd, zoals deze zaak leert.
2. Vilja Laanaru is de echtgenote van Edgar
Savisaar, een vooraanstaand Estoonse politicus en een tijd lang Minister
President van Estonia. In de periode dat Savisaar nog met een ander was getrouwd
is zijn verhouding met Vilja Laanaru begonnen. In die periode heeft zij ook een
kind van hem gekregen, dat zij door haar ouders heeft laten opvoeden. Op 10
oktober 1995 heeft Savisaar, toen hij minister van Binnenlandse Zaken was, zijn
ambt moeten neerleggen, omdat hij beschuldigd werd van het maken van
clandestiene opnamen van gesprekken met Estoonse politici. De weergave van de
feiten is in het arrest summier, maar kennelijk heeft Vilja Laanaru daarover op
dezelfde dag een publieke verklaring afgelegd, inhoudende dat zij als
functionaris op hetzelfde ministerie volledig verantwoordelijk was voor het
maken van deze opnamen. Mevrouw Laanaru vertrouwt in 1995 het schrijven van haar
mémoires toe aan een journalist Russak met wie zij later ruzie krijgt over de
publicatie ervan zonder haar toestemming. Tammer interviewt Russak over deze
kwestie waarbij ook de betrokken periode uit Laanaru's leven, waarover in de
mémoires wordt verhaald, aan de orde komt. Russak vertelt dat Laanaru haar
verklaring van 10 oktober 1995 in gesprekken met hem had ingetrokken en zich had
afgevraagd of ze het huwelijk van de ten tijde van het begin van hun verhouding
en de geboorte van het kind nog getrouwde Savisaar, niet kapot had gemaakt. Ook
had ze zich afgevraagd of ze haar moederschap niet had opgeofferd aan haar
politieke carrière. Tammer vraagt dan aan Russak of hij niet een heldin van de
verkeerde vrouw heeft gemaakt. Vilja Laanaru kon geen voorbeeld voor jonge
meisjes zijn, want zij was een huwelijkkapotmaakster (in het Estoons één
woord: abielulõkuja) en een moederplichtverzaakster (in het Estoons ook
één woord: rongaema). De door Laanaru tegen Tammer gestarte
beledigingsactie gaat over die twee woorden en dat is ook de inzet van de
beslissing van het Hof: Is er een Europese norm voor het Estoonse abielulõkuja
en rongaema?
3. Er komen bij de Estoonse gerechten
taalgeleerden aan te pas om vast te stellen of de twee tamelijk ouderwetse
woorden in hedendaags Estoons nog dezelfde negatieve connotatie hebben als
vroeger. Men is het er over eens dat huwelijkkapotmaakster zich leent voor
fetelijke verificatie en derhalve descriptiever is dan het
moederplichtverzaakster. Toch vinden de nationale rechters het nog steeds
beledigend. Bij het Hof beroept Tammer er zich op dat Laanaru een publiek
persoon was en dat het over publieke feiten uit haar leven als politica ging. De
gebezigde woorden waren waarde-oordelen. Tammer beriep zich dus op de door het
Hof, te beginnen bij Lingens (NJ 1987, 901, mnt E.A.A), ontwikkelde norm
dat over publieke personen robuust en in gekleurde termen mag worden gesproken.
Het pakt anders uit.
4. Opvallend is dat het Hof zich in
rechtsoverweging 67 achter de kwalificatie van de nationale rechters verschuilt,
die hadden geoordeeld dat “rongaema and abielulõkuja amounted
to value judgements couched in offensive language, recourse to which was not
necessary in order to express a 'negative' opinion.” Wij zien dat er nog
steeds geen heldere lijn is te ontdekken wat het Hof in dit soort zaken zelf
moet onderzoeken en wat zij als kwalificatie door de nationale rechter
accepteert (zie mijn noot bij de zaak Präger en Oberschlick vs Oostenrijk, NJ
1996, 497). Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat in dit geval de
ontoegankelijkheid van de nationale taal een rol heeft gespeeld. In de zaken
waar het Hof het public figure verweer accepteerde ging het om beledigingen in
het Duits, een taal waarvan het Hof de 'kleur' van de woorden beter kon
beoordelen. Maar wat moeten we in Straatsburg vinden van rongaema en abielulõkuja?
5. In rechtsoverweging 68 trekt het Hof een
scheidslijn tussen het publieke en het privé leven van Vilja Laanaru. Met deze
overweging kunnen wij iets meer, omdat het Hof hierin aangeeft dat niet alle
privé feiten uit het leven van een publieke figuur tot het publieke domein
behoren waarover in stevige termen mag worden bericht (vgl over de vraag in
hoeverre echtgenoten en vriendinnen van politici ook publiek figuur kunnen zijn:
A. Nieuwenhuis in zijn noot bij dit arrest in Mediaforum 2001-4, p. 128).
Van belang is met name de overweging van het Hof dat het privéleven van mevrouw
Laanaru in 1996, ten tijde van het gewraakte interview, geen punt van openbare
discussie was. Het privé leven van een politicus is dus geen schietschijf, al
zal een misstap in privé snel de aandacht trekken van de publieke opinie.
Politici dienen zich immers onberispelijk te gedragen, zo wil het de
volksmoraal.
6. En toch blijven we bij deze zaak zitten met
de vraag of de journalist niet terecht een gewetenloze politica aan de kaak
heeft willen stellen. Ik weet niet of er voor 'gewetenloze politica' een Estoons
woord bestaat en of dat in hedendaags plaatselijk spraakgebruik beledigend is.
EJD
|