Noot bij EHRM 6 februari 2001 inzake Tammer/Estonia
NJ 2002, 158

E.J. Dommering


 

1. Deze zaak gaat (opnieuw) over de betekenis van waarde-oordelen en de omvang van de betekenis van het begrip 'public figure'. Meestal draait het bij het Hof, wanneer het nationale beledigingszaken volgens een Europese maatstaf moet beoordelen, om deze twee criteria. Ruwweg hanteert het Hof dan deze twee maatstaven: waarde-oordelen zijn vrij, en 'public figures' moeten zich meer laten welgevallen dan privépersonen (ik verwijs naar de door het Hof geciteerde precedenten en de daarbij verschenen annotaties in de NJ). Vaak ligt het echter genuanceerd, zoals deze zaak leert.

2. Vilja Laanaru is de echtgenote van Edgar Savisaar, een vooraanstaand Estoonse politicus en een tijd lang Minister President van Estonia. In de periode dat Savisaar nog met een ander was getrouwd is zijn verhouding met Vilja Laanaru begonnen. In die periode heeft zij ook een kind van hem gekregen, dat zij door haar ouders heeft laten opvoeden. Op 10 oktober 1995 heeft Savisaar, toen hij minister van Binnenlandse Zaken was, zijn ambt moeten neerleggen, omdat hij beschuldigd werd van het maken van clandestiene opnamen van gesprekken met Estoonse politici. De weergave van de feiten is in het arrest summier, maar kennelijk heeft Vilja Laanaru daarover op dezelfde dag een publieke verklaring afgelegd, inhoudende dat zij als functionaris op hetzelfde ministerie volledig verantwoordelijk was voor het maken van deze opnamen. Mevrouw Laanaru vertrouwt in 1995 het schrijven van haar mémoires toe aan een journalist Russak met wie zij later ruzie krijgt over de publicatie ervan zonder haar toestemming. Tammer interviewt Russak over deze kwestie waarbij ook de betrokken periode uit Laanaru's leven, waarover in de mémoires wordt verhaald, aan de orde komt. Russak vertelt dat Laanaru haar verklaring van 10 oktober 1995 in gesprekken met hem had ingetrokken en zich had afgevraagd of ze het huwelijk van de ten tijde van het begin van hun verhouding en de geboorte van het kind nog getrouwde Savisaar, niet kapot had gemaakt. Ook had ze zich afgevraagd of ze haar moederschap niet had opgeofferd aan haar politieke carrière. Tammer vraagt dan aan Russak of hij niet een heldin van de verkeerde vrouw heeft gemaakt. Vilja Laanaru kon geen voorbeeld voor jonge meisjes zijn, want zij was een huwelijkkapotmaakster (in het Estoons één woord: abielulõkuja) en een moederplichtverzaakster (in het Estoons ook één woord: rongaema). De door Laanaru tegen Tammer gestarte beledigingsactie gaat over die twee woorden en dat is ook de inzet van de beslissing van het Hof: Is er een Europese norm voor het Estoonse abielulõkuja en rongaema?

3. Er komen bij de Estoonse gerechten taalgeleerden aan te pas om vast te stellen of de twee tamelijk ouderwetse woorden in hedendaags Estoons nog dezelfde negatieve connotatie hebben als vroeger. Men is het er over eens dat huwelijkkapotmaakster zich leent voor fetelijke verificatie en derhalve descriptiever is dan het moederplichtverzaakster. Toch vinden de nationale rechters het nog steeds beledigend. Bij het Hof beroept Tammer er zich op dat Laanaru een publiek persoon was en dat het over publieke feiten uit haar leven als politica ging. De gebezigde woorden waren waarde-oordelen. Tammer beriep zich dus op de door het Hof, te beginnen bij Lingens (NJ 1987, 901, mnt E.A.A), ontwikkelde norm dat over publieke personen robuust en in gekleurde termen mag worden gesproken. Het pakt anders uit.

4. Opvallend is dat het Hof zich in rechtsoverweging 67 achter de kwalificatie van de nationale rechters verschuilt, die hadden geoordeeld dat “rongaema and abielulõkuja amounted to value judgements couched in offensive language, recourse to which was not necessary in order to express a 'negative' opinion.” Wij zien dat er nog steeds geen heldere lijn is te ontdekken wat het Hof in dit soort zaken zelf moet onderzoeken en wat zij als kwalificatie door de nationale rechter accepteert (zie mijn noot bij de zaak Präger en Oberschlick vs Oostenrijk, NJ 1996, 497). Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat in dit geval de ontoegankelijkheid van de nationale taal een rol heeft gespeeld. In de zaken waar het Hof het public figure verweer accepteerde ging het om beledigingen in het Duits, een taal waarvan het Hof de 'kleur' van de woorden beter kon beoordelen. Maar wat moeten we in Straatsburg vinden van rongaema en abielulõkuja?

5. In rechtsoverweging 68 trekt het Hof een scheidslijn tussen het publieke en het privé leven van Vilja Laanaru. Met deze overweging kunnen wij iets meer, omdat het Hof hierin aangeeft dat niet alle privé feiten uit het leven van een publieke figuur tot het publieke domein behoren waarover in stevige termen mag worden bericht (vgl over de vraag in hoeverre echtgenoten en vriendinnen van politici ook publiek figuur kunnen zijn: A. Nieuwenhuis in zijn noot bij dit arrest in Mediaforum 2001-4, p. 128). Van belang is met name de overweging van het Hof dat het privéleven van mevrouw Laanaru in 1996, ten tijde van het gewraakte interview, geen punt van openbare discussie was. Het privé leven van een politicus is dus geen schietschijf, al zal een misstap in privé snel de aandacht trekken van de publieke opinie. Politici dienen zich immers onberispelijk te gedragen, zo wil het de volksmoraal.

6. En toch blijven we bij deze zaak zitten met de vraag of de journalist niet terecht een gewetenloze politica aan de kaak heeft willen stellen. Ik weet niet of er voor 'gewetenloze politica' een Estoons woord bestaat en of dat in hedendaags plaatselijk spraakgebruik beledigend is.

EJD


Geplaatst 18.05.2001