|
1. Inleiding
In dit nummer van
Computerrecht komen twee nieuwe ontwikkelingen in het
auteursrecht aan de orde: een analyse van de nieuwe
Auteursrechtrichtlijn en een analyse van de Napsterzaak.
Met Napster maakte Hugenholtz met toepassing van
klassieke auteursrechtelijke beginselen al korte metten.
[1] Dat kwam hem
op enige kritische reacties te staan, waarin hem gebrek
aan visie werd verweten. Visser gaat daar in zijn
bijdrage op in. Uit de reactie van Schmidt: 'De
maatschappelijke innovatie ten gevolge van ICT heeft
belangwekkende economische kenmerken. In grote lijnen
gaat het om twee dingen: de spectaculaire afname van de
transactiekosten van communicatie (…) en de
spectaculaire toename van netwerkeffecten.' [2]
Dat zijn twee constateringen waarover ik in deze
opiniërende bijdrage iets zal proberen te zeggen. Mijn
conclusie is dat het om een weinig nauwkeurige
aanduiding van een omwenteling in de informatie-economie
gaat, maar dat die omwenteling wel noopt tot een nieuwe
plaatsbepaling van het auteursrecht. Dat is iets anders
dan afschaffing daarvan, zoals de reacties op
Hugenholtz' bijdrage lijken te suggereren.
Eerst zal ik iets
zeggen over het toekomstperspectief van de techniek, dan
iets over de exploitatie van informatie, vervolgens iets
over wat ik denk dat er op het Internet gaande (waarbij
Napster ter sprake komt) is en tenslotte iets over nieuw
auteursrecht. [3]
2. De digitale
technologie [4]
Technische
innovaties
Aan de productiekant
zal de wijze van produceren van boeken, films en audio
dramatisch veranderen en zal de lijn tussen bedenken,
produceren, distribueren en opslaan van informatie
drastisch verkorten. Daardoor zullen productie- en
distributiekosten dalen.
Aan de distributiekant
komen verschillende alternatieven in zicht. Het
telefoonnet wordt geüpgraded met de ADSL (Asymmetric
Digital Subscriber Line) techniek, waardoor de gebruiker
een smalle upstream, maar een breedbandige downstream
toegang heeft tot Internet- en Omroepdiensten. De kabel
zal breedbandige toegang up en downstream
gaan bieden. Daarnaast komen (breedbandige) draadloze
toegangswegen via digitale satellietdiensten, WLL
(Wireless Local Loop), UMTS (Universal Mobile
Telecommunications System) en andere toepassingen. Dat
betekent dat het huis van de toekomst data en ( 3 D)
programma's kan ontvangen via vier tot vijf
verschillende toegangskanalen. Daarnaast wordt
informatie in toenemende mate op CD ROM's
binnengebracht. Distributie van informatie zal steeds
minder een fysiek karakter krijgen (transport van
papier, filmrollen, CD's, video's), maar aan het eind
van een van de gekozen transmissiemiddelen in de
gewenste presentatievorm (tekens, beeld, geluid) worden
aangemaakt.
Aan de gebruikerskant
zullen zich eveneens dramatische veranderingen
voltrekken. De gebruiker zal in zijn PC meer
programmafuncties verkrijgen en in zijn (digitale) TV
toestel meer datafuncties. Hij zal meer PC's op het
telecommunicatienet aansluiten, één om een openbare
harde schijf te hebben waarop hij data files (muziek,
beeld, kennis) met anderen gaat delen door middel van
een peer to peer technology (rechtstreekse
toegang tot particuliere bestanden van andere
gebruikers) en één driedubbel beveiligd met
privé-bestanden. Deze zullen op verschillende plaatsen
thuis en op kantoor in een netwerk zijn opgesteld. De
gebruiker zal over een groot aantal andere randapparaten
beschikken. Naast de vaste telefoonaansluiting die
steeds meer de functie van datatransport zal verkrijgen
zullen dat zijn een mobiele telefoon met een
Internettoegang en palmtop apparatuur voor het zoeken op
Internet, versturen van e-mail en het downloaden van
informatie. Verder zal hij beschikken over DVD en CD
spelers waarop de gedownloade beeld- of
geluidsinformatie kan worden afgespeeld en op nieuwe
dragers worden vastgelegd. Op het interactieve vlak
beschikt hij over spelmachines om in de huiskamer 3 D
spelletjes (voetbalwedstrijden, achtervolgingen,
avonturen met aan de speler toegekende rollen in het
zelf in te vullen spel) op de TV te kunnen spelen,
webcam audio –en video apparatuur die hij zal inzetten
in zijn privé webstudio, waar hij eigen programma's op
het Internet zet, al of niet gemixt met van buitenaf
aangeboden programmamateriaal. Er wordt hem een keur aan
intelligente zoekmachines (browsers, conditional
accesssystemen, opvolgers van de HTML taal [5]
) aangeboden om informatie uit alle mogelijke
informatiebestanden in elke gewenste presentatievorm op
te halen.
En misschien beginnen
over een paar jaar ook de elektriciteitsnetten te
praten.
Wel convergentie,
geen substitutie
Het is een veel gehoord
misverstand dat elektronische media de papieren media
zullen verdringen en dat nieuwe elektronische media dat
met de oude zullen doen. Media krijgen wel andere
functies en soms vindt er volledige verdringing plaats.
De fax heeft de telex verdrongen (maar niet in het
politionele verkeer) en wellicht zal e-mail dat met de
fax doen. Maar in het algemeen is het toch
gecompliceerder.
Het is niet erg
waarschijnlijk dat de papieren informatiedrager zal
verdwijnen. Kranten, tijdschriften en boeken zullen
altijd deel blijven uitmaken van het
informatievoorzieningsproces. De 'paperless office'
heeft nog nooit zoveel papier geproduceerd. Pakken
papier worden dagelijks door geavanceerde kopieer - en
scanmachines opgegeten (Er zijn nog nooit zoveel bomen
gekapt als in de papierloze samenleving). De
functie en het gebruik van de papieren informatiedrager
zijn echter aanzienlijk veranderd. Wij zullen altijd een
krant en een tijdschrift blijven lezen omdat wij
behoefte hebben om een algemeen of gespecialiseerd
pakket van informatie dat gerelateerd is aan de
actualiteit in een keer te ontvangen. Hoe we daar
vervolgens van kennisnemen is een andere vraag. Na een
'quick scan' (een halfuurtje kranten lezen, een uurtje
vakliteratuur doornemen) gooiden we het pakket altijd al
weg (de krant) of bewaarden het (het tijdschrift in de
chronologische verzamelband of het boek alfabetisch op
schrijver of systematisch op onderwerp in de
boekenkast), en, voor zover we er iets van nodig hadden,
noteerden we de vindplaats (onze persoonlijke thesaurus)
of haalden we het pakket uit elkaar (het krantenartikel
werd uitgeknipt, het tijdschriftartikel of de relevante
pagina's uit het boek werd gekopieerd) en borgen het op
in de eigen gespecialiseerde verzameling (het knipsel-
of kopiemapje). Een groot deel van deze archief- en
opzoekfunctie wordt overgenomen door off line (CD ROM)
of on line (Internet) elektronische media. Steeds meer
zullen uitgevers er toe overgaan om hun papieren
informatieproduct flankerend met een van deze
elektronische archieffuncties ter beschikking te stellen
voorzien van krachtige zoekfuncties, en steeds meer
zullen we daar de informatie die ons eerder in een
pakket werd aangeboden gaan opzoeken en ophalen. Het
fotokopieerapparaat is een printer geworden die
deze informatie weer op een papieren informatiedrager
aan ons aanlevert. Deed het kopieerapparaat dat vroeger
uitsluitend in zwart-wit en in tekstvorm, nu doet hij
dat in kleur en met plaatjes. De gemiddelde juridische
student van vijf jaar geleden stond de hele dag
tijdschriftartikelen te kopiëren, de gemiddelde
juridische student van nu zit de hele dag informatie die
op Internet is gevonden uit te printen (En als de
informatie daar niet is te vinden dan bestaat zij
niet, maar dat is een ander onderwerp!).
Over omroep valt een
soortgelijk verhaal te vertellen. Op het werk het
laatste nieuws via de PC (evenals trouwens de headlines
van de avondeditie van de kranten op Internet), thuis
zeer veel programma's tegelijk op verschillende plaatsen
op verschillend randapparaten en in een verschillende
mix. TV en PC zullen naar elkaar toe groeien, maar niet
helemaal in elkaar opgaan, omdat mensen in de huiskamer
andere dingen doen dat in hun werkkamer. Maar er komen
wel meer functies bij: interactieve spelletjes, webtv en
als dat verveelt een televisieprogramma, dat de
gebruiker trouwens tal van interactieve mogelijkheden
biedt om via een van de beschreven randapparaten met dat
programma mee te doen. Het zappen wordt
multifunctioneel. En er zullen steeds meer zelfgemaakte
CD's en video's in de kast staan die zijn gedownload uit
een georganiseerd databestand of opgezocht in een
privé-bestand van een gebruiker die op een peer to
peer systeem is aangesloten. De gebruiker maakt een
eigen pakket dat hij samenstelt uit de pakketten die hem
worden aangeboden of die hij individueel ophaalt.
De
exploitatiemodellen van informatie
Informatiemarkten
hebben bijzondere kenmerken die berusten op het
semi-collectieve karakter van het goed informatie (de
consumptie van een informatiegoed is niet rivaliserend:
het lezen van een boek maakt de informatie in dat boek
niet minder beschikbaar voor een ander, in tegenstelling
tot een appel die door consumptie 'op' is) en de hoge
productiekosten in vergelijking tot de lage kosten van
reproductie en distributie. Voorts vertoont zij de
kenmerken van een netwerkeconomie, die wordt
gekarakteriseerd door compatibele producten (Cd spelers,
videorecorders, PC's, software), netwerkeffecten ofwel
schaalvoordelen aan de consumptiezijde (als er meer
gebruikers op een netwerk zijn aangesloten verhoogt dat
de waarde: mobiele telefoonaansluitingen en e-mail
worden interessant als iedereen het heeft), lock-in en
switching costs (een consument die bepaalde software
gebruikt zal niet gemakkelijk switchen: neem het
voorbeeld van de omschakeling van WP naar Word) en
schaalvoordelen aan de produktiezijde (hoge
productiekosten kunnen door consumptie op grote schaal
worden terug verdiend). [6]
Het auteursrecht heeft
zich ontwikkeld langs drie bekende exploitatiemodellen:
het theater, de drukpers, de omroep en telecommunicatie.
[7] Het theater
is zo oud als de Grieken, de drukpers kwam in de 18e
eeuw tot volle ontwikkeling, omroep en telecommunicatie
stammen van het eind van de 19e eeuw. [8]
Het auteursrecht wordt
wel het kind van de drukpers genoemd, nog altijd een van
de krachtigste informatietechnologieën die wij kennen.
Het auteursrecht heeft in het papieren tijdperk een
tamelijk stabiel exploitatiemodel ontwikkeld, omdat er
per informatiedrager kon worden afgerekend en er een
duidelijke scheiding tussen origineel en kopie was,
waardoor de secundaire markt van reproducties de
exploitatie niet in gevaar bracht. [9]
Bij tijdschriften en kranten is dit bovendien in de
buitengewoon lucratieve vorm van de voor uit betaalde
abonnementen te gieten waardoor de abonnee toegang kreeg
tot pakketten van informatie: packaging is
van oudsher een belangrijke vorm van
informatie-exploitatie geweest. [10]
Daar waar de verkoop van de aantallen beperkt bleef kon
door kruissubsidie van de opbrengst van veel verkochte
exemplaren binnen een onderneming een haalbare
exploitatie worden bereikt doordat de uitgever een
pakket van populaire en niet populaire informatie op de
markt zette (de discussie over de vaste boekenprijs is
daarvan een voorbeeld). Bij de kranten kon de reclame
als indirecte financieringsbron worden aangeboord. Bij
boeken die zich kenmerken door een individueel gebruik
is dat nauwelijks de moeite waard (hoewel reclame over
het eigen productassortiment daar voorkomt, hetgeen een
vorm van cross selling is).
De oudste vorm van
exploitatie is echter die van het theater: de uitvoering
voor een publiek dat een kaartje voor de toegang tot de
afgesloten plaats waar de uitvoering plaatsvond (het
theater) had gekocht. Hoe meer uitvoeringen, hoe meer
opbrengsten.
De eerste grote
omwenteling voor het auteursrecht vormde de uitvinding
van foto en film. Het auteursrecht worstelde vooral met
de objectvraag of een werk dat door een machine werd
gemaakt wel een auteursrechtelijk werk kon zijn (die
vraag keerde terug bij computersoftware). Wat de
exploitatievorm betreft bracht deze technologie geen
vernieuwing: de foto werd via reproducties van papieren
dragers verkocht, de film door het afdraaien van de
beeld- (en later ook: geluids-) drager in de afzondering
van een zaal die de toeschouwer tegen betaling van een
plaatsbewijs kon betreden. De foto volgde dus het
drukpersmodel, de film het theatermodel. Reclame werd
bij de film op productieniveau in de vorm van sponsoring
en op distributieniveau in de vorm van bioscoopreclame
gerealiseerd.
De uitvinding van de
telecommunicatie/omroep bracht de werkelijke omwenteling
in de exploitatie. Omroep betekende een totaal nieuw
fenomeen in het auteursrecht, dat allerlei vormen van
collectieve exploitatie in het auteursrecht
introduceerde. Omroep kenmerkte zich door een ongerichte
vorm van verspreiding vanuit een centraal punt waardoor
het onmogelijk was per informatiedrager of per gebruik
(zoals een bioscoopkaartje) af te rekenen. Hoewel in het
begin nog wel geprobeerd is het bioscoopmodel te
kopiëren, [11]
ontstonden tenslotte collectieve indirecte
financieringsvormen. Er kwam een nationale
gebruiksheffing (de omroepbijdrage die toegang gaf tot
een pakket informatie over een bepaald tijdvak per
territoir) en later de reclame. Omroep gefinancierd door
de omroepbijdrage behoefde zich niet om een specifiek
publiek te bekommeren, ja zelfs hadden de publieke
omroeporganisaties de plicht om het algemene publiek
binnen het territoir te bedienen: de informatie werd in
een totaal pakket aangeboden. Een vervolg op de
omroepexploitatie werd de kabel die met abonnees op de
kabel werkte waaraan pakketten programma's werden
aangeboden. [12]
In deze modellen was de
openbare en de privé-sfeer gescheiden: aan de ene kant
stond de door het auteursrecht gereguleerde openbare
sfeer waarvoor de gebruiker een (indirecte)
toegangsprijs betaalde. Aan de andere kant stond de
privé-sfeer waarbinnen de eindgebruiker vrij van de
informatie gebruik kon maken en deze ook voor eigen
gebruiksdoeleinden mocht reproduceren en opslaan.
Aan de openbare kant
kwam met name het omroepmodel en in mindere mate de pers
onder druk te staan. Reclame zou hier een van de
splijtzwammen blijken te zijn. Reclame is gebaseerd op
de ruilverhouding die bestaat tussen het publiek dat
door een bepaalde soort informatie wordt aangetrokken en
de reclameboodschap die voor dat publiek bestemd is. Dit
heeft twee effecten: een concentratie van populaire
programma's ('meer van hetzelfde') in het midden om een
groot publiek aan te trekken voor de grote merkreclame
en een differentiatie van doelgroepen vanuit het midden
dat met gespecialiseerde informatiepakketten en
gespecialiseerde reclameboodschappen wordt bediend.
Daardoor ontstonden gespecialiseerde magazines en
doelgroepzenders. Zolang daarmee voldoende (binnen de
doelgroep) homogene publieksvormen worden bereikt is
reclame een belangrijke inkomstenbron naast de betaling
per exemplaar of per tijdvak/territoir gebleven. De
introductie van commerciële omroep die geheel vanuit
reclame en sponsoring werd gefinancierd en waarnaar een
groot deel van het publiek ging kijken ondergroef de
legitimatie om een bepaalde categorie omroep (namelijk
de publieke omroep) door middel van een heffing te
financieren.
Aan de gebruikerskant
kwam het model onder druk te staan door de komst van het
fotokopieerapparaat en de audio –en videorecorder. De
mogelijkheid van grootschalig hergebruik in de
privé-sfeer verstoorde de 'natuurlijke' verhouding
tussen het openbare gebruik waarvoor werd betaald en het
vrije privé-gebruik. Het verschil tussen origineel en
kopie valt bij digitale exploitatie weg en daarmee de
ratio om op basis daarvan een exploitatiemodel te
bouwen. [13]
Bovendien bleek de
technologie het mogelijk te maken elektronische
informatie gericht te verspreiden op abonnementsbasis
door het signaal te coderen en kon informatie via het
telecommunicatienet ongericht worden aangeboden via
telefonische informatienummers waarvoor de (anonieme)
gebruiker per gebruik betaalde. Dat begon met
telefonische weerberichten en nieuwsberichten, maar nam
spoedig een grote vlucht. Dit opende nieuwe
perspectieven voor de herinvoering van het theatermodel,
maar leidde een ontwikkeling in waarin het publiek
verder werd versplinterd en het op basis van individueel
gebruik voor informatie ging betalen. De trend die ik
hier schets beslaat de laatste twintig jaar. Zij is in
zover nog in te bedden in de traditionele juridische
kaders doordat de verschillende media hun verschillende
functies behielden.
Telecommunicatie is bij
dit alles in de schaduw gebleven. Voor wat de
exploitatie van informatie betreft bleef het slechts een
ondersteunende elektronische drager van informatie. Het
speelde in zoverre slechts een rol dat verwisseling van
transmissiemiddel werd gezien als een nieuwe openbaarmaking,
zoals de controverse over de heruitzending over de kabel
van voor het eerst in de ether verspreide
omroepprogramma's leert. Verder bleef het een
individueel communicatiemiddel dat gebruikt werd voor de
uitwisseling van informatie tussen mensen voor
individuele vrije communicatie of transacties. Als
transactiemedium werd het ook het instrument voor het
uitwisselen van data tussen computers (e-commerce). Bij
de opmars van de digitale technologie en de daaruit
voortspruitende convergentie krijgt telecommunicatie als
exploitatiemodel van informatie een geheel nieuwe
dimensie. De oorzaken daarvan vat ik samen onder de
volgende punten:
- Geschakelde telefonie
beschikt over een nauwkeurig afrekensysteem: behalve de
transmissie kosten die per tijdseenheid worden
afgerekend en de vaste kosten voor de aansluiting op het
net kunnen 'informatiekosten' worden meegenomen waardoor
'pay per use' in het verschiet komt.
- Geschakelde telefonie
is een transactiemachine die gemakkelijk aan
betaalsystemen kan worden gekoppeld (credit card)
waarmee gebruik van informatie of afgenomen goederen en
diensten kunnen worden afgerekend. Het is bovendien zeer
geschikt persoonsgegevens over het publiek te
verzamelen waarmee verfijnde klantenbanken kunnen worden
opgebouwd die geschikt zijn voor marketing van
producten en diensten naar specifieke doelgroepen
- Toepassing van
breedband technieken maken het steeds gemakkelijke de
grote hoeveelheden data die voor het afleveren en
verzenden van beeld nodig zijn met grote snelheden af te
leveren.
- Het universele
protocol TCP/IP en het World Wide Web met de HTML taal
en de opvolgers daarvan zijn in staat grote
netwerkexternaliteiten te realiseren.
Wij kunnen het
telecommunicatiemodel (waar het hele Internet op is
gebaseerd), als het vierde model van de toekomst, aan de
tot nu toe besproken modellen toevoegen. Het heeft het
voordeel dat het individuele geldstromen van de
gebruiker richting informatie-exploitant op gang brengt.
Het heeft het nadeel dat het het publiek verder
versplintert waardoor het als reclame medium minder
geschikt is. De consument wordt een individuele karper
die telkens in een andere vijver zwemt, onvindbaar voor
ongerichte reclameboodschappen. Bovendien is de
attentiewaarde voor reclame op het Internet gering. [14]
Het is ook minder geschikt voor informatie packaging.
Tenslotte zet de onbegrensde uitwisselbaarheid van
informatie en (verticale) kopieerbaarheid [15]
van digitale informatie auteursrechtelijke exploitatie
op het spel. Hoe moet die digitale exploitatie op het
Internet er dan uit gaan zien?
3. De digitale
exploitatie
Ik probeer de nieuwe
situatie in een paar trends niet uitputtend samen te
vatten.
Multimediale
licenties verstrekt door auteurs aan producenten
De exploitatie van een
werk of een productie is niet meer aan een bepaald
medium of een bepaalde presentatievorm gebonden.
Uitgevers en muziekproducenten zullen wel proberen alle
licenties voor –vaak uiteenlopend gebruik in –alle
media in handen te krijgen. Alleen dan kunnen zij immers
met grootgebruikers paraplulicenties voor alle vormen
van mediaal gebruik aanbieden.
Gebruikerslicenties:
versioning van informatie [16]
Het verkopen van een
multimediaal product heeft de toekomst. Het vergt echter
een afgewogen strategie van prijsstelling van informatie
en de samenstelling van het aanbod. Er kan met de prijs
worden gediscrimineerd al naar gelang de soort van
gebruikersgroep. Er kunnen netwerkeffecten worden
nagestreefd door in een bepaald medium stukjes
informatie voor niets weg te geven. Het
informatie-aanbod in het ene medium behoeft niet
hetzelfde te zijn als in het andere. Er valt ook oude
met nieuwe economie te combineren. Uitgevers hebben
dikwijls een bestaande abonnementsrelatie met een
gebruiker voor een papieren product (bijvoorbeeld een
losbladig commentaar op het burgerlijk recht; een krant)
en die kunnen zij op deze manier geleidelijk aan
transformeren in een abonnement voor een multimediaal
product. Op den duur koopt de gebruiker dan een licentie
voor het gebruik van informatie in papieren of
elektronische vorm in een besloten gebruikersgroep (die
heel groot kan zijn: een wereldwijd kantoor of een
kantoor op een netwerk; de site licenties worden
belangrijk). Het verschil tussen oud en nieuw is dat bij
het papieren (losbladige) boek een exemplaar werd
gekocht, terwijl het verdere hergebruik via het
fotokopieerapparaat (overigens weinig succesvol getuige
de hoge transactiekosten van reproregelingen) werd
gereguleerd door het auteursrecht. In de nieuwe situatie
wordt een licentie gekocht voor alle vormen van gebruik
binnen een bepaalde organisatie, ongeacht of er nu
gekopieerd wordt, een CD ROM in een netwerk wordt
geplaatst of informatie wordt gedownload.
Customizing versus
packaging (bundling)
Het Internet en de
digitale omgeving bieden ongekende mogelijkheden om op
maat gesneden informatie te verstrekken. Napster is er
een voorbeeld van. De gebruiker haalt zijn of haar
favoriete nummers van het Internet en perst een eigen
CD. Het gebundelde pakket van de muziekuitgever die een
CD op de markt brengt krijgt daardoor een eigen functie
die tot heroverweging van marketingstrategieën noopt.
Het
pseudo-omroepmodel: 'portals' en 'communities'
Er is op het ogenblik
veel discussie over 'portals' en 'communities'. Het wil
zoveel zeggen dat een bepaalde homepagina zo wordt
ingericht dat er met doorlinken van de site een heel
pakket van door de organisator van de portal
geselecteerde informatie en gespecialiseerde producten
of diensten kan worden afgenomen. De aanbieder van de
webpagina gaat dus weer een packager worden,
vergelijkbaar met een omroeporganisatie. Hij beoogt
daarmee een doelgroep te vormen die ook voor
reclameboodschappen van belang is. Nieuw is dat hij ook
gaat bemiddelen bij de verkoop van goederen en diensten:
kranten en omroeporganisaties deden dat dusver niet
(behalve dan de variant van tele-aankoop op tv,
maar deze wordt doorgaans niet door omroeporganisaties
bedreven). Er zijn echter belangrijke verschillen met
het omroepmodel. Een van de aantrekkelijkheden van het
telecommunicatiemodel is het gemak waarmee
persoonsgegevens verzameld kunnen worden. Dit wordt dus
de nieuwe reclame-exploitatievorm. Dit kan gecombineerd
worden met spelletjes via het telefoonnetwerk, zoals wij
die ook al bij het klassieke omroepmodel waren
tegengekomen (het bellen van betaalnummers tijdens de
uitzending).
Gebruiksgemeenschappen
(Napster)
Alle hier beschreven
opties kunnen het onbeperkte vrije gebruik van
informatie niet aan banden leggen, met name als het gaat
om peer to peer technologieën, waarvan Napster
een variant is. Langs deze weg kunnen gebruikers immers
in elkaars muziek en beeld files (MP3) kijken en
er kopieën van maken en ophalen. De
auteursrechthebbenden zien machteloos toe. In het geval
van Napster konden zij nog een intermediair vinden die
zij konden verbieden dit soort gebruik in de
privé-sfeer mogelijk te maken, maar als zo'n
intermediair er niet is (en dat is het geval wanneer
gebruikers alleen nog maar software behoeven te
downloaden die rechtstreekse communicatie met mede
gebruikers mogelijk maakt) dan hebben zij alleen
duizenden anonieme individuele gebruikers tegenover zich
waartegen zij met het auteursrechtelijke verbodsrecht
machteloos zijn. Het is zelfs de vraag of de door de
rechter in de Napsterzaak opgelegde verboden om
auteursrechtelijk beschermd materiaal uit te (doen)
wisselen effectief zijn, omdat de filters die dat verbod
moeten effectueren gemakkelijk te omzeilen zijn.
Napster legt een nieuw
accent op de auteursrechtelijke verantwoordelijkheid van
het intermediair, zoals Visser in zijn artikel laat
zien. Interessanter is echter dat de muziekuitgevers en
CD producenten gokken op de voordelen van een
samenwerking.
De samenwerking tussen
Napster en Bertelsmann past in een trend die wij al bij
de digitalisering van de bibliotheken zagen.
Uitgevers/producenten zien dat er geen verschil meer
bestaat tussen de markt van primaire (het origineel) en
secundaire (hergebruik van het origineel of de kopie)
exploitatie en begeven zich daarom in die nieuwe
markten. Het bijzondere van Napster is dat het de
gebruikers zelf zijn die dit hergebruik organiseren.
Bertelsmann neemt daarom de klantenbank van Napster over
in de hoop die gebruikersgemeenschap te kunnen
exploiteren. Dit betekent dat de markt waarin customized
informatie rechtstreeks door de gebruiker wordt gebruikt
(digitaal gekopieerd) een zelfstandige betekenis krijgt.
Daarmee ontstaat een markt waarin de relatie tussen
producent en gebruiker niet langer door auteursrecht op
pakketten, maar door contractuele gebruikslicenties op
customized informatie wordt geregeerd. Of dit een
succesvol model is moet nog worden afgewacht.
Alle hier besproken
varianten en opties hebben een ding met elkaar gemeen.
Het voorheen auteursrechtelijk neutrale
telecommunicatiemodel, waarvan individuele gebruikers op
basis van tijdseenheden voor hun eigen communicatie
gebruik van maakten, is meer en meer het model geworden
met behulp waarvan auteursrechtelijk beschermd materiaal
wordt verspreid en individueel wordt afgerekend.
4. Een nieuwe rol
voor het auteursrecht?
De hier neergezette
ruwe schets heeft ingrijpende consequenties voor het
auteursrecht. In onderscheid er zes: De relatie
auteur-producent; de relatie producent-gebruiker; nieuwe
intermediairs; nieuwe werken; technische beveiliging;
vrij gebruik van informatie.
Relatie
auteur-producent
Ik heb onder 3 al aan
gegeven dat wij toe groeien naar multimediale licenties.
Het auteursrecht placht tot op heden mediagebonden te
denken. Dat betekende dat overdrachtsclausules
restrictief (per medium) werden uitgelegd (de Zweck
Übertragungsleer). Ik wil niet betogen dat die tot
het verleden behoort, maar meer dan tot nu toe zullen
partijen bij hun afspraken over overdracht van
auteursrecht zich er rekenschap van moeten geven dat het
gebruik van informatie niet meer aan één
informatiedrager, niet meer aan één medium en niet
meer aan één pakket is gebonden. Daarbij zal ook de
vraag moeten worden beantwoord of gelijktijdige
transmissie over verschillende media (kabel, ADSL, UMTS,
satelliet) even zo vele exploitatiehandelingen oplevert.
Bij gelijktijdige transmissie via de ether en de kabel
ging het auteursrecht tot dusver uit van twee
exploitatiehandelingen, maar in de nieuwe situatie is
dat niet zonder meer vanzelfsprekend. Bovendien zullen
er ontelbare gebruiksvarianten bestaan die niet meer
onder een noemer zijn te vangen. Dit betekent een
fundamentele wijziging in de auteur-producent relatie. [17]
Het vergt ook een andere aanpak bij de berekening van
royalty's.
Relatie
producent-gebruiker
In het klassieke
auteursrecht bestond de relatie tussen gebruiker en
producent uit een contractuele relatie of een
niet-contractuele. In de contractuele relatie sloten
gebruiker en producent een koopcontract waarbij een
informatiedrager werd overgedragen, waarover de
gebruiker vrij kon beschikken. In de niet-contractuele
ging het om een indirecte (deels door publiekrecht
geregeerde: denk aan de omroepbijdrage) relatie die naar
tijd en plaats was begrenst. Het gebruik van de
informatie in de privé-sfeer werd beheerst door
auteursrecht: de informatie kon worden gekopieerd, de
uitgezonden film op de videorecorder worden opgeslagen.
Meer en meer worden deze relaties vervangen door een
contractuele waarin de multimediale gebruikscondities
van de afgenomen informatie worden vastgelegd. Er is
geen onderscheid meer tussen afname van informatie en
gebruik in de privé-sfeer.
Nieuwe intermediairs
De E-commerce-richtlijn
en de Auteursrecht richtlijn zijn zeer begaan met de
vraag wat precies de verantwoordelijkheid is van
Internet Service Providers en zij hebben sterk
technologisch georiënteerde normen ontwikkeld voor het
al of niet vrij kunnen opslaan en vasthouden van
informatie in het kader van de transmissie daarvan (caching,
hosting). Deze regels geven zich geen rekenschap van
de nieuwe packagers van het Internet die portals en
communities ontwikkelen. Dit vraagt om een nieuw soort
regels, omdat de verantwoordelijkheidsrelatie tussen de
organisator van een portal en de daarop aangeboden
informatie veel diffuser is dan die tussen de producent
en het geproduceerde informatieproduct zoals bij een
uitgever of omroepinstelling.
Nieuwe werken
De nieuwe technische
omgeving en de nieuwe gebruiksvormen kenmerken zich door
een nieuw soort werken. De databank is er een van.
Gebruiks- en archieffuncties smelten in elkaar.
Informatie ontleent zijn meerwaarde steeds meer aan het
feit dat het deel uitmaakt van een systematische door de
gebruiker gemakkelijk te ontsluiten verzameling, zodat
hij de informatie in combinatie met andere informatie op
door hem gekozen tijdstippen en plaatsen kan raadplegen.
Een tweede soort werk
dat in deze omgeving past is het werk waarvan de vorm
niet volledig vastligt. Wij kennen dit al als het
programmaformat uit de omroepwereld. Dit is de show of
het spel waarvan de volgorde van de handelingen ongeveer
bekend is en waarbinnen voldoende herkenbare
vormelementen aanwezig zijn om het binnen de soort te
onderscheiden (Het Rad van Avontuur, Big Brother).
Formats zijn op het Internet echter moeilijker te
beschermen, omdat er geen reeks handelingen binnen een
bepaalde tijdseenheid plaatsvindt: de gebruiker kiest
vanuit de home page zijn eigen pad. Er zullen steeds
meer formats komen waarin de gebruiker een actieve rol
speelt, waardoor het 'werk' (net als bij een spel in de
sport) telkens weer een individueel verloop heeft. [18]
Hoe zijn die te beschermen? Ik acht het niet uitgesloten
dat hier een fusie tussen merkenrecht, octrooirecht en
auteursrecht plaatsvindt, waardoor een product ontstaat
met duidelijke uitwendige merkonderscheidingstekens en
auteursrechtelijke expressies en interne algoritmische
kenmerken die het als geheel van soortgelijke producten
beoogt te onderscheiden.
Technische
beveiliging
Individueel exclusief
gebruik in een telecommunicatie-afrekenmodel, vergt in
toenemende mate technische beveiliging en we zien dan
ook in hoog tempo normen ontstaan die de technische
beveiliging een zelfstandige juridische status beogen te
geven, omdat 'oude eigendomsrechten' ontoereikend zijn.
Arkenbout vraagt er in zijn bijdrage terecht
afzonderlijke aandacht voor (zie zijn artikel onder 7).
Bovendien zal techniek worden ingezet om
gebruiksbeperkingen op verstrekte informatie af te
dwingen en om registratie en encryptietechnieken in
elkaar te laten opgaan, zodat individueel gebruik kan
worden getraceerd en afgerekend.
Informatievrijheid
Wij zagen reeds dat het
gebruik van informatie in de privé-sfeer meer en meer
door contractuele normen zal worden geregeerd en met
behulp van techniek zal worden beperkt en geregistreerd.
Daarmee lijkt de beperking op het auteursrecht bestaande
in de vrijheid informatie voor eigen studie en gebruik
op te slaan en te reproduceren geen grote toekomst te
zijn beschoren, en is de vraag van het privé-gebruik
meer een kwestie van privacybescherming geworden.
In de openbare sfeer
blijft de informatievrijheid een belangrijke waarde, die
van oudsher in het auteursrecht op verschillende
manieren erkenning heeft gevonden. Hoe zal het gaan met
citeer- en nieuwsexcepties in een digitale wereld, de
wereld van hypertext, waar het met elkaar
verbinden, ophalen en mengen van informatie de regel
vormt? Het auteursrecht zal in de digitale wereld aan
deze kernvrijheden een nieuwe inhoud moeten geven.
Geeft de richtlijn
Auteursrecht in de Informatiesamenleving een antwoord op
al deze vragen? Ik betwijfel het ten zeerste, omdat de
richtlijn nog sterk vasthoudt aan de oude aan media
gebonden exploitatieconcepten uit het verleden. Er is
veel voor te zeggen om een Europese Auteurswet te
ontwerpen, maar dan zal over de rol die het auteursrecht
in de 21e eeuw speelt een langere en fundamentelere
discussie moeten plaatsvinden dan het triviale lobbywerk
rond de totstandkoming van deze richtlijn. Arkenbout
wijst er in zijn artikel op en maant de wetenschap
alerter te zijn.
Terugkerend tot het
uitgangspunt Napster: Heeft Napster de
auteursrechtelijke wereld veranderd als gevolg van de
'spectaculaire afname van de transactiekosten en de
spectaculaire toename van netwerkeffecten'? Niet in de
zin dat Napster-kopiëren geen inbreuk zou zijn, want
dat is het duidelijk wel. Ook niet in de zin dat het
vrij gebruik op Internet zou moeten worden toegelaten in
verband met de positieve externe netwerkeffecten. Het
argument dat vrij overnemen alleen maar bijdraagt aan de
beroemdheid van de auteur waardoor zijn werk
uiteindelijk meer zal verkopen is veel gebruikt in het
auteursrecht, en het wordt tegenwoordig door
auteursrechtgeleerden met het hoongelach van het 'déjà
vu' begroet. Wel in de zin dat de digitalisering tot een
herpositionering van het auteursrecht noopt. Het
auteursrecht heeft in de 20e eeuw carrière gemaakt van
de miskende Assepoester tot de Koningin van het bal. In
deze eeuw past het dat het afstand doet van de troon en
dat zichzelf begint te zien als een van de vormen van de
exploitatie van informatie. Arkenbout doet een oproep
aan de academici zich meer met de lobby van de
auteursrechtelijke wetgeving te bemoeien. Moge ik een
oproep doen aan de academici om het auteursrecht aan de
Universiteit meer te onderrichten in de context van de
economie van informatiemarkten.
|