Mein Kampf en de Koran
Forumpagina De Volkskrant, 6 september 2007.

E.J. Dommering


Op 8 augustus 2007 heeft de Volkskrant een opinie geplaatst van Geert Wilders waarin deze de Koran vergelijkt met Mein Kampf en bepleit dat de Koran ('dit ellendige boek') wordt verboden 'zoals ook Mein Kampf verboden is'. Naar aanleiding daarvan is op de Forumpagina een reeks artikelen verschenen van de hand van historici die zich niet zozeer op de door Wilders gemaakte manke vergelijking tussen de twee boeken concentreerden, als wel op de wenselijkheid van het al dan niet (blijven) verbieden van Mein Kampf (Jan Blokker Jr., 20 augustus 2007, Meindert Fennema 22 augustus 2007, Houwink ten Cate 24 augustus 2007, Meindert Fennema 27 augustus 2007). In die discussie blijven twee belangrijke punten onderbelicht. Wilders en de wetenschappers schijnen er voetstoots van uit te gaan dat de Nederlandse overheid de bevoegdheid en de juridische middelen heeft om, als zij dat zou wensen, door middel van een wettelijke of bestuurlijke maatregel een boek te verbieden. Het tweede punt is dat onze parlementariër en historici verzuimd hebben enig onderzoek te doen naar hoe het ook weer zat met het niet verspreiden van Mein Kampf op Nederlands grondgebied.

Het eerste punt is het eenvoudigst. Artikel 7 van de Grondwet kent een censuurverbod, dat het de overheid verbiedt een publicatie vooraf op grond van de beoordeling van de inhoud te verbieden. Het geeft daarin een sterkere bescherming dan artikel 10 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens dat op Europees niveau de vrijheid van meningsuiting regelt. Dat censuurverbod verhindert dus dat de overheid vooraf door middel van wettelijke of bestuurlijke maatregelen een boek verbiedt. De rechter kan achteraf een concrete publicatie (gedeeltelijk) onrechtmatig achten, maar dat is een andere zaak. Dat hij dat van gedeelten van de Koran zou vinden, lijkt niet erg waarschijnlijk, want dan zijn er nog wel een paar andere bloeddorstige godsdienstige teksten (het Oude Testament om dicht bij huis te blijven) te vinden waar hij mee aan de slag kan. De stelling dat de Koran nu maar eens verboden moet worden kan dus gekwalificeerd worden als juridische onzin.

Het tweede punt is iets ingewikkelder omdat het een auteursrechtelijke kant en een strafrechtelijke kant heeft. De auteursrechtelijke kant zit als volgt in elkaar. Het auteursrecht van Hitler op Mein Kampf werd in Duitsland na WO II door de Beierse Staat geconfisqueerd. Beieren ging op basis van dat auteursrecht iedere heruitgave in binnen- en buitenland tegen. In Nederland gebeurde na de Tweede Wereldoorlog hetzelfde met de vertaalrechten (een afzonderlijk auteursrecht) van de in 1939 uitgegeven Nederlandse vertaling van de NSB-er Steven Barends. Op basis van dat auteursrecht verbood de Nederlandse overheid nog in 1975 de verspreiding van een illegale Belgische herdruk. Over dit oneigenlijke gebruik van het auteursrecht schreef in dat jaar D.W.F. Verkade (nu Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad) in de Volkskrant: “Het auteursrecht wordt nu gebruikt als stok om de hond mee te slaan; het wordt gebruikt als censuurmiddel terwijl het daar nooit voor is bedoeld.”

Nu het strafrechtelijke punt. Wij kennen in ons Wetboek van Strafrecht een artikel 137 e dat het verspreiden van racistische en voor bevolkingsgroepen beledigende publicaties verbiedt. Dat artikel is een uitvloeisel van het Verdrag tegen rassendiscriminatie dat Nederland heeft geratificeerd. Op grond van dat artikel heeft de Hoge Raad in 1987 een boekverkoper veroordeeld die Mein Kampf (een Belgische uitgave van de Nederlandse vertaling) in de etalage had liggen. Dat werd gedaan op grond van de kwaadaardige strekking van het boek, ongeacht of de verkoper kwade bedoelingen had, en ongeacht de wijze van aanprijzing. Dat is dus iets anders dan een algemeen verspreidingsverbod. Het wil alleen zeggen dat de rechter in dat concrete geval de verspreiding van de oude vertaling strafbaar achtte.

De Nederlandse Staat kan zich nog tot zeventig jaar na de dood van de Nederlandse vertaler op het auteursrecht van de oude vertaling blijven beroepen om verspreiding daarvan tegen te gaan. Tegen nieuwe vertalingen kan zij niet optreden (anders dan door strafrechtelijke vervolging). De Beierse Staat kan zich theoretisch nog tot 2015 (70 jaar na 1945) op het auteursrecht van Hitler beroepen om nieuwe vertalingen tegen te gaan, maar betwijfeld moet worden of dat een behoorlijke uitoefening van auteursrecht is (het Hof Den Haag achtte in 2003 het gebruik van het auteursrecht om het verspreiden van geheime geschriften van de Scientology kerk tegen te gaan, oneigenlijk). Naar mijn mening zou een wetenschappelijk becommentarieerde editie van Mein Kampf niet onder de discriminatie strafbepalingen van het Wetboek van Strafrecht vallen. Een publicatie die een belangrijke historische bron op een wetenschappelijk verantwoorde manier beoogt te ontsluiten ontbeert het kwaadaardige karakter dat het origineel misschien wel had.

Kortom, laten de historici van een dergelijke uitgave nu maar eens werk van maken.


Geplaatst 12.09.2007