| De institutionele
vormgeving van netwerken door middel van
publiekrechtelijke en privaatrechtelijke regels vergt
een weloverwogen aanpak van de Nederlandse overheid.
Juist nu de overheid nieuwe telecommunicatierichtlijnen
uit Brussel moet implementeren, zou een (her)overweging
van de regels op zijn plaats zijn. Egbert Dommering
schetst het kader waarbinnen een discussie over die
regels kan plaatsvinden.
Zowel het
wetenschappelijk onderzoek dat zich met telecommunicatie
bezighoudt als de politieke agenda die het beleid in de
telecommunicatie moet bepalen, heeft de afgelopen
decennia onvoldoende oog gehad voor de bijzondere
kenmerken van netwerken. Mede daardoor is het
privatiserings- en liberaliseringsproces in de
telecommunicatie, in tegenstelling tot hetgeen in de
Nederlandse politiek wel wordt beweerd, niet 'klaar'.
Juist nu de Nederlandse overheid een geheel nieuw kader
voor de telecommunicatieregelgeving afkomstig uit
Brussel moet implementeren, zou een geduchte
(her)overweging van de regels op zijn plaats zijn. Ook
zou de vraag aan de orde moeten zijn of Europa er wel
goed aan heeft gedaan de verticaal (met het netwerk)
geïntegreerde telecommunicatiestaatsmonopolies geheel
te privatiseren. Die discussie vindt helaas niet plaats.
In het navolgende zullen eerst de algemene kenmerken van
netwerken (energie, water, transport, telecommunicatie)
in het algemeen en de overeenkomstige institutionele
benadering waarom dat vraagt, worden behandeld. Daar
komt aan de orde: de bijzondere problematiek van
technische en economische convergentie, de complexiteit
van de marktstructuur (zowel ten opzichte van de
gebruikers als tussen de aanbieders) en de nieuwe
transactiemodellen die telecommunicatienetwerken in
toenemende mate zullen veroorzaken.
De overheid legt
zich toe op netwerken
In de negentiende en de
eerste helft van de twintigste eeuw zijn met de uitbouw
van het industrialisme – al of niet op initiatief van
de overheid – infrastructurele netwerken aangelegd die
onontbeerlijk zijn geweest voor de ontwikkeling van
nijverheid, industrie en handel. De rol van de overheid
is in Europa en de door Europa beheerste gebieden (de
kolonies) een andere, actievere geweest dan die in de
Verenigde Staten. In Europa werden de grote
infrastructurele werken meestal gerealiseerd door middel
van in concessie aan particulieren uitgegeven
werken. De concessie onderscheidt zich van de vergunning
doordat het niet alleen een publiekrechtelijke
toestemming van de overheid is bepaalde werken uit te
voeren die een (over)last op de samenleving leggen, maar
tevens een verplichting behelst een werk te realiseren
(en eventueel ook te exploiteren) waarmee een algemeen
belang is gemoeid.
Aldus kwamen deels
achtereenvolgens, deels gelijktijdig de volgende zaken
tot stand: de autowegen (een uitbouw van het
wegenstelsel dat in Europa op grote schaal in de
achttiende eeuw was begonnen), de binnenlandse
vaarroutes (centraal aangestuurd door Rijkswaterstaat,
'de staat in de staat', nog een Napoleontische creatie),
de spoorwegen, de telegraaf en telefoon (in de aanleg
van de bovengrondse verbindingen, de aanleg van
spoorrails volgend), de moderne waterleiding en riolen,
gas en elektriciteit en de luchthavens om
luchtverbindingen mogelijk te maken.
De rechtsvorm van de exploitatie was aanvankelijk in
handen gelegd van particuliere, geconcessioneerde
bedrijven die in hun werkterrein in Nederland de
staatkundige afbakening van gemeente en provincie
volgden, nadat met de grondwet van Thorbecke van 1848 de
driekringenleer (staat, provincie en gemeente), met
ieder een autonome invloedssfeer, was geïntroduceerd.
Met name gemeentelijke overheden vervulden van oudsher
een sleutelpositie, omdat de fysieke infrastructuur
moest worden aangelegd in en op de openbare
gemeentegrond. En over die grond oefende de
gemeentelijke overheid zowel als privaatrechtelijk
eigenaar als in de hoedanigheid van hoeder van de
(ruimtelijke) ordening in het publieke territoir
toegerust met publiekrechtelijke bevoegdheden, de
zeggenschap uit.
De diensten die met
behulp van deze infrastructuur werden aangeboden,
beschouwde men over het algemeen als een
nutsvoorziening. Hierdoor was er geen duidelijk
onderscheid tussen dienst en infrastructuur. Bij energie
en telecommunicatie ging het om verticaal geïntegreerde
ondernemingen die de infrastructuur hadden aangelegd en
vervolgens beheerden, maar die ook de dienst aanboden.
Het ging om een nutsvoorziening omdat diensten als gas,
licht, water, openbaar vervoer en persoonlijke
communicatie als een primaire levensbehoefte werden
gezien. Dus moesten ze op gelijke voorwaarden en tegen
aanvaardbare prijzen beschikbaar en toegankelijk zijn en
als collectief goed (bijvoorbeeld de openbare
straatverlichting) door de overheid in exploitatie
worden genomen.
De verticaal geïntegreerde bedrijven beschikten over
monopolies in bovengenoemde gebieden. Deze monopolies
werden soms in verband gebracht met de op empirie
stoelende theorie van het natuurlijk monopolie.
Dit laatste houdt in dat alleen één aanbieder in staat
is tegen de laagste kosten de diensten aan te bieden.
Soms ook werden monopolies in verband gebracht met de
normatieve theorie van de universele dienst. Dat wil
zeggen: het monopolie is gerechtvaardigd omdat de
monopolist de verplichting heeft de dienst ook in de
niet-rendabele delen van de markt aan te bieden. De
meerkosten daarvan moet hij kunnen terugverdienen door
als enige de inkomsten uit het rendabele deel van de
markt te trekken.
Al spoedig ontstonden
er tegenstellingen tussen de belangen van particuliere
exploitatie (de tendens om alleen het rendabele deel van
de markt te zoeken) en de eisen van de nutsdienst om
iedereen, ook in de onrendabele delen van de markt,
gelijk te bedienen. Veel van de nutsbedrijven werden dan
ook genaast (onteigend ten algemene nutte of opgekocht
door de overheid) en kwamen daarmee in handen van
gemeente, provincie of staat. De geschiedenis van deze
naastingsprocessen heeft in de verschillende sectoren en
de verschillende landen van Europa niet hetzelfde
verloop of dezelfde historische uitkomst gehad. Voor
Nederland valt ruwweg het volgende beeld te schetsen.
Ten aanzien van de land- en waterwegen is de eigendom
van oudsher als domain public voor een belangrijk
deel in handen van de overheid gelegd. Toch zijn er tal
van privaatrechtelijke beheersvormen blijven bestaan die
tot ingewikkelde openbaarheidswetgeving hebben geleid.
Daardoor kon de algemene toegankelijkheid tot de
infrastructuur worden verzekerd met behoud van
privaatrechtelijke eigendomsstructuur. Ook zijn er
concessieconstructies in stand gebleven die tot
gecompliceerde regelingen hebben geleid. De discussie
over de inhoud van de nutsvoorziening bij de land- en
waterwegen heeft zich in het algemeen toch beperkt tot
de diensten en ging dus over openbaar vervoer te land en
te water en de eisen die daaraan moesten worden gesteld.
Klaarblijkelijk stond de openbaarheid en daarmee het
nutskarakter van de infrastructuur niet ter discussie.
De aanleg en uitbouw van het land- en waterwegennet is
daardoor als vanzelfsprekend onderdeel geworden van een
publiekrechtelijke planologisch instrumentarium en
financiering.
In de andere sectoren ging het om verticaal
geïntegreerde bedrijven, al verschilde de mate van
integratie al naar gelang de technologie en de sociale
behoefte van de sector. Zo heeft de Nederlandse overheid
in de jaren zeventig van de vorige eeuw via een
planologisch instrument van de Waterleidingwet getracht
de versnipperde structuur van de gemeentelijke en
provinciale waterleidingbedrijven institutioneel vorm te
geven. Dat deed zij door een gedwongen reorganisatie in
verticaal geïntegreerde bedrijven waarbij winning,
productie en distributie in één hand kwamen. Het lijkt
voor de hand te liggen dat ook mogelijk te behalen
schaal- en spreidingsvoordelen aan de productiezijde
hierbij een rol hebben gespeeld. Tegelijkertijd kwam er
vanuit de gemeenten de behoefte op gas, water en licht
op distributieniveau horizontaal te integreren en zo een
voor de burger aantrekkelijk one stop shopping
model te realiseren.
En zo zijn er nog meer voorbeelden van
naastingsprocessen te noemen. In de energiesector
ontstonden in de elektriciteit provinciale bedrijven,
landelijk samenwerkend in een productiepool. Bij gas
ontstond een landelijk staatsbedrijf en een
geconcessioneerd bedrijf voor winning en productie,
distributie kwam meestal bij de gemeenten terecht. De
aanleg van de luchthaven begon als een gemeentezaak op
gemeentegrond (Luchthaven Amsterdam), maar werd een
staatsaangelegenheid, de zeehavens bleven een
gemeentezaak (zo legde de gemeente Amsterdam in 2000 een
met Rotterdam concurrerende containerhaven aan). In de
telecommunicatiesector werden geleidelijk aan de (door
naasting ontstane) gemeentelijke telefoniebedrijven
samengevoegd tot een landelijk staatsbedrijf. De
Rijkstelegraaf, voorloper van de telefoon, was altijd
een staatszaak geweest. Telefonie ontwikkelde zich
aanvankelijk als faciliterend op distributieniveau
daarvan (het doorbellen van telegrammen). Bij de aanleg
van de draadomroepinrichting (de kabel) in de jaren
zeventig van de vorige eeuw zien we een herhaling van de
geschiedenis: gemeenten gebruiken de publiekrechtelijke
en privaatrechtelijke bevoegdheden ten aanzien van grond
en burger om een gemeentelijk kabelnet aan te leggen dat
óf door henzelf óf door een geconcessioneerd bedrijf
wordt geëxploiteerd. Dit wordt in het one stop
shopping model van de gemeentelijke energiebedrijven
geschoven en als een nutsdienst aan de burger
aangeboden. Door privatisering ontstonden er eind jaren
negentig drie grote regionale private energiebedrijven.
Gemeenschappelijke
kenmerken van netwerken
De infrastructurele
netwerken vertonen in hun functie en exploitatievorm
onderlinge verschillen. Het gaat er hier om
gemeenschappelijke kenmerken te benoemen.
• Netwerken kenmerken
zich door hoge verzonken kosten. Daarmee wordt bedoeld
dat al het graafwerk zeer loonintensief is, vooral door
de fijnmazige structuur, die het noodzakelijk maakt dat
iedere straat en ieder huis/kantoor moet worden
aangesloten. Het aansluiten van huizen in afgelegen
gebieden is niet meer terug te verdienen. Vooral voor
dat deel van het netwerk dat de fijnmazige structuur
heeft waarmee de gebruikers worden aangesloten aan het
net (dat dan ook het aansluitnet wordt genoemd)
wordt verdedigd dat van een natuurlijk monopolie kan
worden gesproken. De praktijk heeft uitgewezen dat het
niet lonend is een tweede aansluitnet neer te leggen. Of
dat voor iedere sector opgaat valt nog te bezien, maar
feit is dat de exploitant van het aansluitnet een
voordeel heeft dat niet gemakkelijk door andere
markttoetreders kan worden overwonnen.
• Netwerken kenmerken
zich door een gelaagde structuur die in de
telecommunicatie wordt beschreven als het OSI-model
(Open Systems Interconnection model). In sterk
vereenvoudigde vorm kan dit worden weergegeven door de
volgende drie lagen:
| Toepassingen
in gebruikersomgeving
|
| Technische,
ondersteunende diensten
|
| Netwerken
|
Het OSI-model bestaat
uit zeven lagen, maar is in de hier gebruikte
vereenvoudigde vorm voor telecommunicatie als volgt weer
te geven:
| Particuliere
diensten zoals 800-900, e-commerce, e-mail en
webpagina's; nutsdiensten
|
| Tele-
en netwerkdiensten: navigatie, adressering,
communicatieprotocollen, beveiliging,
interoperabiliteit
|
| Vaste
en mobiele netwerken
|
Toepassing van dit
lagenmodel buiten de telecommunicatie levert het
volgende beeld op. Bij het transport ziet dat er
ongeveer als volgt uit:
| Private
en openbare vervoersdiensten
|
| Verkeers-
en verkeersafwikkelingsystemen (seinen,
verkeersleiding, dienstregeling, time slots,
laad- en losfaciliteiten)
|
| Wegen,
havens, spoorwegen, stations, luchtroutes,
luchthavens
|
Toepassing bij energie
levert ongeveer het volgende beeld op:
| Private
dienstverlening aan het publiek; nutsdiensten
|
| Winning,
productie en distributie
|
| Gas-,
elektriciteit- en waterleidingnetten
|
De lagen zijn van uit
een oogpunt van mededinging niet gelijkwaardig. De
onderste laag is de fysieke laag met de hoogste
verzonken kosten. Sturing en inrichting van de middelste
laag vraagt om objectief overheidstoezicht. De bovenste
laag vormt de vrije markt.
• Netwerken kenmerken
zich, voor wat hun fysieke infrastructuur betreft, door
een groot beslag op de openbare ruimte. Wegen, geulen,
kanalen, bruggen, tunnels, pijpen, putten, goten,
opstelplaatsen van hulpapparatuur, het zijn even zovele
objecten of ingrepen in de ruimtelijke omgeving, onder-
en bovengronds. Dit betekent dat de aanleg en
instandhouding ervan een belangrijke component van
ruimtelijke ordening hebben.
• Netwerken kenmerken
zich door schaalvoordelen. Bij energienetwerken doet
zich dat met name voor bij de aanbiederskant. Bij
netwerken die verkeer van, naar en tussen aangesloten
gebruikers verwerken doen schaalvoordelen zich soms of
vooral ook aan de gebruikerskant voor. Hier spelen netwerkeffecten
een rol, waarmee wordt bedoeld dat de waarde van een
netwerk groter wordt naar mate er meer gebruikers op
zijn aangeloten. In de telecommunicatie noemt men dat
het any to any beginsel. Een belangrijk element
van netwerken is daarom ook dat zij niet ophouden bij de
landsgrenzen, maar internationale verbindingen aangaan.
• Netwerken kenmerken
zich door de noodzaak van toegang tot het netwerk
en de noodzaak van koppeling van verschillende
netwerken. Dat vloeit ook voort uit de noodzaak
netwerkeffecten te behalen: dienstenaanbieders moeten
toegang hebben tot 'het' netwerk om hun diensten aan
gebruikers te kunnen aanbieden. Toegang betekent vanuit
het perspectief van de individuele gebruiker een
aanspraak op toegang op gelijke voorwaarden. Dit is het
perspectief van de universele dienstverlening .
Vanuit het belang van de dienstverlener of beheerder van
een net betekent het dat toegang op redelijke
voorwaarden verzekerd moet worden op andere punten in
het net dan het punt waar de gebruiker is aangesloten.
Vanuit het belang van de netwerkbeheerder betekent dit
echter dat er gestandaardiseerde koppelvlakken op
geschikte plaatsen in het net beschikbaar moeten zijn
waar op redelijke voorwaarden de koppeling tot stand kan
worden gebracht. Ook moeten toegangsregels voorzien in
de mogelijkheid capaciteit op het net te huren (in de
telecommunicatie: huurlijnen).
• Netwerken kenmerken
zich door het gecombineerd gebruik door
dienstenaanbieders, gekoppelde netwerkbeheerders en
gebruikers. Dit stelt gelijksoortige vragen omtrent de
verdeling van de kosten over deze categorieën aan de
orde. Hierbij is met name de vraag welk deel de
gebruiker in een abonnement betaalt, en als het om een
netwerk in beheer bij de overheid gaat (wegen): welk
deel betaalt de overheid uit de algemene middelen of
specifieke heffingen.
• Netwerken kenmerken
zich door een gelijksoortige kostenstructuur, een
historische monopolistische oorsprong in de sfeer van de
overheid en een verticaal geïntegreerde
bedrijfsorganisatie. Dit stelt twee (groepen van) vragen
aan de orde met betrekking tot de kosten die de andere
dienstverleners en gekoppelde netwerkbeheerders voor het
gebruik van het net moeten betalen. De eerste vraag
heeft betrekking op de noodzaak van scheiding van
boekhouding tussen het netwerkbedrijf en het
dienstenbedrijf (voorzover een geïntegreerde structuur
wordt gehandhaafd) opdat de kostprijs transparant
kan worden gemaakt en aan het netwerk toe te rekenen
kosten kunnen worden doorberekend. De tweede vraag
betreft de maatstaf voor de kostencalculatie. Wordt een historische
kostprijs in rekening gebracht, dan bestaat de kans
dat de historische inefficiënties van een monopolist
worden doorberekend. Dat probleem kan worden ondervangen
door een forward looking element in te bouwen,
zodat van state of the art en optimale efficiëntie kan
worden uitgegaan. Deze laatste methode houdt echter
wellicht weer onvoldoende rekening met de beschikbare
kennis over wat de meest efficiënte oplossing was op
het moment dat de investeringsbeslissing is genomen.
Institutionele
instrumenten
Institutionele
instrumenten zijn wetgevende en bestuurlijke
maatregelen, privaatrechtelijke instrumenten en
financieringsinstrumenten. Bij de hantering van deze
instrumenten kan de overheid een aantal doelstellingen
nastreven. Het laatste decennium is de bevordering van
marktwerking met flankerende privatiseringen van
voormalige nutssectoren op de voorgrond getreden.
Daarnaast is de borging van gewichtige maatschappelijke
belangen die bij het bestaan en gebruik van netwerken
zijn betrokken een belangrijk thema. Tenslotte zijn
bevordering van innovatie en andere industriepolitieke
doeleinden steeds in het overheidsbeleid aanwezig
gebleven.
De verschillende instrumenten worden hierna besproken,
waarbij telkens de hiervoor benoemde gemeenschappelijke
kenmerken van netwerken zullen worden belicht.
Allereerst komende de wetgevende en bestuurlijke
maatregelen aan bod.
• Aansluitnet en
lagenmodel
Terugkijkend op de verschillende privatiseringsoperaties
die achter de rug zijn of nog gaande (telecommunicatie,
gas en elektriciteit, spoorwegen, Schiphol) valt een
ding op: de overheid heeft zich bij het nastreven van
marktwerking onvoldoende de vraag gesteld of
privatisering van alle lagen, met name de
infrastructurele laag (in het bijzonder het
aansluitnet), de juiste oplossing is. Anders gezegd:
concurrentiebevordering in de hogere lagen hoeft niet
steeds te betekenen dat op de lagere niveaus
privatisering geboden is. Dit kan betekenen dat de
overheid kiest voor een gedeeltelijke verticale
ontvlechting, al hoeft dit niet in iedere netwerksector
hetzelfde te zijn. Kiest de overheid wel voor
privatisering van de hele kolom, dan zal ook langs
wettelijke en bestuurlijke weg de borging van
maatschappelijke belangen en het scheppen van
randvoorwaarden voor innovatie verzekerd moeten zijn. Om
een voorbeeld uit de telecommunicatie te gebruiken:
wanneer de overheid ervoor kiest om de infrastructuur te
privatiseren, zal zij ervoor moeten zorgen dat
maatschappelijke veiligheid en grondrechten in de nieuwe
privaatrechtelijke rechtsverhoudingen zijn veilig
gesteld. Ook zal zij over bestuurlijke instrumenten
moeten beschikken om zo nodig de state of the art van de
infrastructuur te waarborgen. Dat is in de
Telecommunicatiewet niet gebeurd.
• Ruimtelijk
beslag
Hierboven werd reeds geconstateerd dat de aanleg en
instandhouding van het wegennet als vanzelf een plaats
heeft gekregen in de publiekrechtelijke ruimtelijke
ordening. Het ruimtelijke beslag van elektriciteit
(masten en draden) en gas (pijpen) heeft zijn regeling
gekregen in de Belemmeringenwet Privaatrecht en
de Belemmeringenwet Publiekrecht . Bij
telecommunicatie is dit voor een deel in de
Telecommunicatiewet geregeld, maar als geheel is deze
regeling lacuneus. Een duidelijke regeling voor de
ondergrondse ruimtelijke ordening ontbreekt. De
circulerende ontwerpen voor de nieuwe wetgeving laten de
kans liggen om thans de in de afgelopen jaren ontstane
problemen op dit gebied institutioneel vorm te geven.
• Netwerkeffecten,
toegang en koppeling
De toegang op gebruikersniveau vergt van de overheid een
bestuurlijk en wetgevend beleid om ervoor te zorgen dat
gestandaardiseerde aansluitpunten aanwezig zijn. Dat is
bij de huidige stand van zaken het geval voor energie,
water, telefonie (en smalbladig dataverkeer) en omroep.
De breedbandige en interactieve toegang tot datanetten
vormt echter nog geen onderdeel van het standaardpakket
en beperkt zich tot innovatieprojecten waarin soms de
(plaatselijke) overheid participeert.
Op het niveau van de dienstverleners en de concurrerende
netwerkbeheerders staat de overheid (in een
geprivatiseerde omgeving) voor een keuze. Laat zij deze
vraagstukken aan de markt over laat en reguleert zij
deze ex post door het mededingrecht? Of kiest zij
voor een ex ante benadering waarvoor een
sectorspecifiek raamwerk van toegangsregels wordt
opgetrokken? Men spreekt ook wel van negociated of
regulated access. Over het algemeen wordt het
mededingingsrecht ontoereikend geacht omdat de concepten
van misbruik van een dominante positie en toegang tot
een essential facility (een faciliteit die je
absoluut nodig hebt om je klant te bereiken, zoals een
aansluitnet) vaak een te onduidelijk aanknopingspunt
zijn, temeer daar er veel tijd verloren gaat met het
definiëren van de dominante positie op de relevante
product- en geografische markt. Wanneer de overheid
kiest voor ex ante toegangsregulering is het niet alleen
zaak het materiële kader duidelijk te schetsen, maar
ook de procesregulering in te richten om
toegangsgeschillen slagvaardig te kunnen beslechten. Dit
is niet alleen een kwestie van regulering, maar ook van
vormgeving van bestuursorganen, bevoegde
geschilinstanties en de bemensing en opleiding daarvan.
Juist op dit punt zien we hoe de publieke discussie over
de nieuwe regulering van de telecommunicatie volledig
langs de zaak heen gaat. De regulering van het proces is
wezenlijk, maar die blijft achterwege.
•
Kostentoerekening
De keuze van het juiste kostentoerekeningmodel heeft
vooral bij het telefoonnetwerk en de daarvoor
ontwikkelde Open Network Provisions (ONP-regels) tot tal
van vragen geleid. Er is gekozen voor een systeem van
kostentoerekening gebaseerd op het causaliteitsbeginsel,
waarbij alleen die kosten worden toegerekend die door de
afgenomen interconnectie of bijzondere toegangsdienst
worden veroorzaakt. De daarvoor gehanteerde methode was
de door de EG Commissie aanbevolen LRIC (Long Run
Incremental Costs) methode. De al spoedig doorgevoerde herbalansering
van de telefoontarieven leidde tot een aanpassing van de
abonnementstarieven van de gebruiker die daarin de
kosten van het aansluitnet verwerkt zag. Bij nieuwere
telecommunicatienetwerken bleek de berekening van deze
kostprijs minder eenvoudig omdat de ONP-regels niet zijn
geschreven voor datanetten, terwijl bij de kabel een
intransparante mix van media- en telecommunicatiebeleid
de totstandkoming van een doorzichtig
kostentoerekeningsmodel verhinderde.
• Tot slot zijn er de
private en financieringsinstrumenten.
De overheid staat, binnen zekere grenzen, het gebruik
van privaatrecht ten dienste om doeleinden van algemeen
belang te realiseren. Zo kan de overheid een
samenwerkingsverband vormen waarin zij via
privaatrechtelijke rechtspersonen participeert of dat
zij uit publieke middelen financiert. In het kader van
de privatisering heeft zij er dikwijls ook voor gekozen
langs vennootschappelijke weg 'een vinger in de pap' te
houden om bepaalde algemene belangen te bewaken. Deze golden
share constructie (een aandeel met bijzondere
zeggenschapsrechten) bleek in de praktijk tot ongewenste
belangenverstrengeling tussen vennootschappelijk en
algemeen belang te kunnen leiden.
De grenzen waarbinnen de overheid dient te opereren zijn
die van het mededingingsrecht dat waakt tegen
concurrentievervalsing (discriminatie en ongeoorloofde
staatssteun).
Telecommunicatienetwerken
Telecommunicatienetwerken
dragen alle kenmerken die hiervoor zijn beschreven in
zich, maar zijn veel complexer. Ze bestaan in hun basis
uit een fysieke vaste of draadloze infrastructuur waarop
een logische, softwarematige, dienstenstructuur is
gebouwd die wij onder meer door het OSI-model logisch
kunnen structureren. Historisch zijn deze netwerken
ontworpen voor een specifiek dienstenaanbod. Zo is het
geschakelde, hiërarchisch opgebouwde vaste net
ingericht voor vaste spraaktelefonie en in de
samenleving verworteld via het dubbeladerige koperen
aansluitnet. De breedbandige kabel werd aangelegd voor
eenrichtingtransport van audiovisuele programma's naar
de gebruiker, zonder schakelfaciliteiten. Draadloze
radio- en televisienetten zijn ook alleen op dat
dienstenaanbod ingericht. De mobiele netten beschikken
pas sinds kort over breedbandige capaciteit om beeld te
communiceren.
Al deze netten zijn de laatste decennia aan het
convergeren, in die zin dat zij zich ontwikkelen in de
richting van gelijksoortige gebruikstoepassingen. De
verwachting eind jaren zeventig dat isdn een belangrijke
stoot aan deze ontwikkeling zou geven is niet
bewaarheid. Met name de brede toepassing in de tweede
helft van de jaren negentig van het tcp/ip-protocol van
het internet en het daarop gebouwde world wide web
hebben geleid tot netwerkeffecten die het naar elkaar
toe groeien van de gebruikstoepassingen op verschillende
netten in gang hebben gezet.
De institutionele beheersvragen van
telecommunicatienetten kennen dezelfde vragen als
netwerken in het algemeen (en doen zich daar zelfs in
versterkte mate voor), maar kennen ook een eigen
problematiek. Alvorens daar op in te gaan is het zinvol
erop te wijzen dat de draadloze communicatie een eigen
institutioneel vraagstuk kent: de overheid moet het
beschikbare aanbod van schaarse frequentiebanden
verdelen.
Institutionele
vragen
Telecommunicatie is
gebonden aan de technologie en de historische
gebruikstoepassingen waar ze uit is voortgekomen en dat
geldt ook voor de regulering. Dat maakt de technische
omslagmomenten moeilijk te begeleiden (om het simpel te
zeggen: door een gaspijp blijf je gas blazen, maar door
een telecommunicatiepijp blaas je telkens op andere
manier gemanipuleerde elektronen). De opeenvolgende
gebruikstoepassingen zijn veel diverser en dat leidt tot
allerlei problemen op het niveau van het aanbod en het
gebruik en de regulering daarvan. De gelaagde structuur
van het net maakt de marktregulering moeilijk. Bij
telecommunicatie doen zich bovendien eigen schaarste
vraagstukken voor.
• Historisch
verschillende oorsprong van verschillende netten
De verzonken kosten van het telefoonaansluitnet en de
kabelnetten blijken een onneembare barrière te vormen
bij het ontwikkelen van concurrentie in de local loop
. Alle regulatoire maatregelen gericht op de unbundling
van de local loop sorteerden in termen van
concurrentie weinig effect. Maar ook bemoeilijkte de
historische verschillende technische inrichting van het
telefoonnet enerzijds en de kabel anderzijds, dat in de
local loop concurrentie tussen de twee netten ontstond.
De fiber to the home bleef daardoor tot dusver
toekomstmuziek. ADSL over koper en breedbandig internet
over glas bleven op hun beurt nauwelijks substitueerbare
alternatieven.
Het voortbestaan van het monopolie op het aansluitnet en
de historisch gegroeide hiërarchische structuur van het
vaste geschakelde net bleven ook een obstakel om
concurrerende interconnectie en bijzondere toegang in de
hogere lagen te realiseren. Veel concurrerende
netwerkbedrijven kwamen daardoor in financiële
problemen, terwijl de dienstenaanbieders de smalle
marges van de internationale telefonie opzochten. De
Nederlandse overheid zag daardoor haar doelstelling om
in vijf jaar een volledig concurrerende
telecommunicatiemarkt te realiseren in rook opgaan.
Slechts op bepaalde segmenten werd concurrentie
gerealiseerd.
De vraag zou moeten worden gesteld of de overheid er wel
juist aan heeft gedaan het aansluitnet en de kabel (op
deze wijze) te privatiseren en of de overheid wel een
duidelijke beleidsdoelstelling voor ogen had: wilde zij
de concurrentie institutioneel vormgeven door
concurrentie op diensten of op infrastructuur? Deze
kwesties zouden hoog op de agenda moeten staan, maar
zijn geheel afwezig. De Nederlandse overheid is bezig
een geheel nieuw stelsel van regels te ontwerpen, zonder
de geldigheid van de premisse waarop het stelsel is
gebouwd te toetsen.
• Switching costs
en standaardisatie
Applicaties op telecommunicatienetten kunnen alleen
functioneren met op het net aangesloten randapparatuur
en de daarmee verbonden software. Gebruikers die eenmaal
voor een bepaalde randapparatuur en (toegangs)software
hebben gekozen, zullen niet gemakkelijk op andere
apparatuur overgaan. Dit zorgt ervoor dat de toegang tot
de netten en het convergerend gebruik daarvan mede
beheerst wordt door de markt van toegangsapparatuur en
software en de interoperationaliteit daarvan. De
Microsoft-zaak (de strijd om de browser, en daarmee de
toegangsstandaard voor content op internet) laat zien
dat de markt van pc's, pc-software en
telecommunicatienetten wezenlijk met elkaar verbonden
raken en een integrale institutionele aanpak
noodzakelijk maken.
Anderzijds maakt het bestaan van verschillende netten
met historisch verschillende functionaliteit dat er
verschillende randapparaten en softwarestandaarden naast
elkaar bestaan. En gebruikers, eenmaal ingesloten door
een gekozen gebruikersapplicatie, zullen niet
gemakkelijk switchen, hetgeen substitutie en
convergentieprocessen vertraagt. De mogelijkheden van de
overheid om dit proces te beïnvloeden zijn gering.
Wellicht kan zij deze problematiek aanpakken door de
vormgeving van intellectuele eigendomsrechten op
standaarden en door een proactieve rol te spelen in
standaardisatieprocessen, zoals ITU, ETSI, CENELEC en
ISO. De overheid zal moeten volstaan met het geven van
regels voor open non-discriminatoire toegang,
geflankeerd door mededingingsrecht.
• Gelaagde
structuur en de verbinding van markten
De gelaagde structuur is bekend bij alle netwerken, maar
heeft bij telecommunicatie de bijzondere dimensie dat
diensten, netwerken en eindapparatuur steeds moeilijker
uit elkaar zijn te houden. De verschillende lagen
verhouden zich echter tot elkaar als up stream en
down stream markten (de ene markt levert de
grondstof voor het product op de andere markt). De
terminologie 'upstream/down stream' is bij
telecommunicatie minder gelukkig, omdat dat een richting
/ volgorde impliceert, terwijl er hier juist sprake is
van volstrekte wederkerigheid tussen complementen:
slechts tezamen vormen zij een consumabel eindproduct.
Er is dus ook geen 'product op de andere markt', maar
een andere 'grondstof'. Een beter alternatief voor '
up stream en down stream markten' is wellicht
de term 'complementaire markten'. Dit kan
betekenen dat dominante posities op de ene markt kunnen
worden aangewend om een dominante positie op een andere
(complementaire) markt te verwerven of te behouden. De
overheid zal daar bij haar beleid ter dege rekening mee
moeten houden en de technische en economische
ontwikkeling op de markt nauwgezet moeten volgen.
• Verdeelvraagstukken
De bijzondere problematiek van de verdeling van schaarse
hulpbronnen die zich bij netwerken in het algemeen
voordoet in het fysieke beslag op de openbare ruimte,
heeft in de telecommunicatie de bijzondere dimensie van
de verdeling van schaarse hulpbronnen als frequenties en
de inrichting van de 'logische' ruimte die noodzakelijke
adressering van een signaal tot stand brengt (nummers,
domeinnamen). De overheid staat een aantal
verdeelmechanismen ten dienste ( first come, first
served , loting, vergelijkende toets, veiling). In
het beleid dat in de afgelopen tien jaar is ontwikkeld
is de veiling als verdeelinstrument populair geworden.
De overheid heeft zich daarbij onvoldoende gerealiseerd
dat de veiling als instrument de aandelen- en
kapitaalmarkt met elkaar verbindt. Datzelfde geldt voor
de schaarstefactoren: ze zijn op die markten evenzeer
bepalend voor de ontwikkeling van nieuwe
telecommunicatiemarkten, wanneer de toetreding tot die
markten aan een hoge veilingprijs wordt gebonden. Het is
onder andere daardoor dat de ontwikkeling van de markt
voor breedbandige mobiele diensten (umts) stagneert. Ook
kunnen overspannen inschattingen van de technische
mogelijkheden delen van het spectrum braak laten liggen.
Denk bijvoorbeeld aan het debacle van de wireless
local loop : er was een veiling voorzien, maar
uiteindelijk bleek er geen belangstelling voor te
bestaan.
• Algemene
maatschappelijke belangen
Het vraagstuk van de borging van de algemene belangen
raakt bij telecommunicatie aan het gehele
informatievoorzieningsproces van de samenleving. In een
convergerende omgeving raken beleidsterreinen van het
verzekeren van vrije meningsuiting, een pluriform
openbaar informatie aan bod, intellectuele eigendom,
privacy en beveiliging steeds meer met elkaar verweven.
Gelet op het sterk technische karakter van de
telecommunicatieomgeving vergt dit ook een toenemend
inzicht van de overheid hoe communicatieprocessen op het
niveau van de telecommunicatie verlopen.
• Technolologiespecifieke
regulering
Telecommunicatieregulering kampt meer dan andere
netwerkregulering met het feit dat de overheid op basis
van een beproefde technologie een wetgevingsgebouw
optrekt dat niet geschikt is voor nieuwe technische
ontwikkelingen. Op het moment dat de ONP-regels in
werking traden, tekende zich reeds de doorbraak van
internet af. De term 'internet' komt in die hele
Europese en nationale regelgeving niet voor. De
verdeling van frequenties in kavels met bijbehorende
exclusieve gebruiksrechten is een ander voorbeeld: dit
veronderstelt bij diensten gekoppeld aan een
frequentieband om ze voor de gebruiker herkenbaar te
maken (zoals omroep) dat het gebruik ook werkelijk
daaraan is gekoppeld, terwijl de stand van de techniek
dat niet meer dicteert (zie bijvoorbeeld de op de
802.11-standaarden gebaseerde technologieën voor WiFi).
Parlementaire wetgeving heeft eveneens hoge switching
costs (door hoge verzonken kosten, schaal- en
spreidingsvoordelen aan de productiezijde en
netwerkeffecten) en is daarom niet zo gemakkelijk aan te
passen.
Toch worden normen nog steeds technologiespecifiek
geredigeerd, hetgeen een flexibele en slagvaardige
reactie op nieuwe situaties bemoeilijkt, zoals vijf jaar
telecommunicatieregulering leert. Een recent voorbeeld
daarvan is dat in het circulerende voorontwerp tot
wijziging van de Telecommunicatiewet wordt vastgehouden
aan 'communicatienetwerken' uit de richtlijnen, dat een
niet meer aan diensten gebonden definitie van een
netwerk is, en aan het in de Nederlandse wetgeving
gebruikte begrip 'omroepnetwerken'.
Convergentie
Het telecommunicatienet
heeft zich van een centraal gestuurd, hiërarchisch
opgebouwd aan landsgrenzen gebonden geëxploiteerd net
ontwikkeld tot een verzameling met elkaar verbonden
virtuele netwerken die volgens het internetprotocol –
dat zich feitelijk in de markt als standaard heeft
vastgezet – communiceren. Ook de cellulaire structuur
van mobiele draadloze netten onderscheidt zich door deze
middelpuntloze structuur. De kanteling naar een
horizontaal model heeft tot gevolg dat de overheid de
'oude' institutionele, aan het nationale territoir
gebonden aanknopingspunten voor regulering verliest, en
dat een verschuiving naar een private personalistische
aanknopingspunt optreedt. Dit kan tot nieuwe
publiek/private en bovennationale instituties leiden.
Hoe stabiel die zijn, moet nog maar worden afgewacht,
zoals de discussie rond ICANN leert: zullen de
essentiële adresseerfuncties van het internet niet
onder beheer van de Amerikaanse overheid komen, en zal
het anarchistische wereldwijde internet in de
beheersstructuur van de essentiële functies niet een
door de Amerikaanse regering gecontroleerd
telecommunicatienet blijken te zijn? Het is een
antagonistische strijd tussen belangengroepen, de
VS-regering en de Europese Commissie, die zich nu
afspeelt en die nationale overheden voor nieuwe vragen
stelt. Moeten er alternatieven komen voor de op
nationale verticaal geïntegreerde ondernemingen
gebaseerde Internationale Telecommunicatie Unie ?
De horizontalisering van het institutioneel concept
stelt ook nieuwe vragen van zelfregulering, omdat
normatieve sturing al dieper in het model op technisch
niveau plaatsvindt (filtering, encryptie), waardoor
gebruiksmogelijkheden op hoger niveau worden beperkt of
onmogelijk gemaakt. Dit raakt aan alle aspecten van het
informatievoorzieningsproces en de maatschappelijke
veiligheid.
Nationale publiekrechtelijke regelgeving is daardoor
niet meer een vanzelfsprekend instrument van
institutionele vormgeving, maar wat er voor in de plaats
moet komen is nog niet duidelijk.
Convergentie treedt op
bij de techniek: breedbandige netwerken kunnen steeds
beter alle soorten communicatiepatronen verwerken.
Telecommunicatienetten veranderen ook
transactiepatronen, verbinden voorheen gescheiden
markten en laten steeds meer informatie-uitwisseling
tussen gebruikers toe zonder intermediair, waardoor het
traditionele afrekeningsysteem van het auteursrecht
onder druk komt te staan. De exploitatie van content en
distributie raken meer dan ooit op elkaar betrokken.
Maar ook: onder de oppervlakte van deze grillige
communicatieprocessen ligt een steeds machtiger super
high way die zich onttrekt aan traditionele verticale
reguleringsvormen door nationale staten.
• Content en
distributie
Convergentie van netten op technisch niveau is, zo zagen
wij, door de historische gegroeide toepassingen een
moeilijke zaak. Het zal nog lang duren voordat de
gebruiker van de fysieke infrastructuur niets meer merkt
en zijn gebruikersapplicatie inplugt op een virtueel
netwerk dat hem alle gewenste toepassingen verschaft. De
beperkingen in bandbreedte en toepassingen zullen
bovendien maken dat het dienstenaanbod nauw verweven
raakt met de telecommunicatieconfiguratie. Mobiele
portals voor internet zullen zich met de inhoud gaan
bezighouden omdat de capaciteit van de bandbreedte of de
applicatie beperkingen stelt. Content en netwerken leven
al sedert de uitvinding van de film in strijd met
elkaar, en dat zal in de nieuwe telecommunicatieomgeving
niet anders worden, eerder worden versterkt. De
entertainmentindustrie en de
telecommunicatienetwerkindustrie zullen dus altijd in
een dodelijke omstrengeling met elkaar verbonden
blijven.
Omdat de waarde voor de gebruiker afhangt van de
gelijktijdige beschikbaarheid (met andere woorden:
complementariteit) van content en distributienetwerken
(inclusief eindapparatuur), strijden leveranciers van
content en netwerken 'van nature' continu met elkaar om
de onderlinge verdeling van deze koek.
• Transacties en
verplaatsing
De nieuwe ontwikkeling ligt in het feit dat het
telecommunicatienetwerk zich zal ontwikkelen tot een
volwaardig transactienetwerk. Dit is een ontwikkeling
die al werd ingezet door het systeem van de creditcards,
waarmee een lokale fysieke transactie verbonden raakte
met een onmiddellijke toepassing van de aan elkaar
gekoppelde netwerken van banken en creditcardaanbieders.
Met de volledig elektronische transactie raken alle
diensten en markten met elkaar verknoopt: via internet
kan (al dan niet gecombineerd met flankerende
toepassingen van massacommunicatieve diensten) elke
dienst of product worden afgenomen: auto's, reizen,
aandelen, goktransacties, you name it.
Dit heeft de discussie op gang gebracht dat de regels
die in de echte wereld gelden ook moeten gelden in de
wereld van de elektronische transacties (wat offline geldt,
moet ook online gelden). Het
telecommunicatienetwerk wordt daarmee van een de fysieke
werkelijkheid ondersteunend mechanisme tot een
vervangend mechanisme. Of dat werkelijk zo is, zoals de
Negraponte's van de vorige eeuw ons wilden doen geloven,
is maar de vraag. De relatie tot de fysieke
werkelijkheid is alleen maar veranderd. De
rationalisering van de logistiek van personen en
goederenbewegingen met behulp van
telecommunicatietechnieken toont dat afdoende aan. De
'romantiek' van reizen en transport verdwijnt er alleen
maar mee. Telecommunicatie heeft van de mensen
calculerende verplaatsers gemaakt zonder enige
verrassing bij het vertrek, het transport of de
aankomst. In verre landen altijd bereikbaar, nooit
zonder middelen van bestaan. Nomaden als insecten
gevangen in het rag van telecommunicatienetwerken.
• Peer to peer
Telecommunicatienetwerken en navigatiesoftware hebben de
mogelijkheden van de onderlinge uitwisseling van
persoonlijke en openbare informatie sterk vergroot. Napster
staat hier ten voorbeeld. Gebruikers kunnen
informatiebestanden (beeld, geluid) uitwisselen zonder
dat er nog een centrale distribuerende instantie aan te
pas komt.
Dit doorbreekt het traditionele model van de
intellectuele eigendom dat gebaseerd is op centrale
distributiepunten (bioscoop, radio, televisie, muziek in
openbare ruimten, spelen in stadions) en dat uitgaat van
homogene publieksgroepen, waartussen door een goede
marketing kan worden gediscrimineerd: In de traditionele
modellenhebben de aanbieders immers te maken met een
verschillende 'willingness to pay' bij het publiek. Het
publiek wordt dan verdeeld in groepen op een wijze die
vergelijkbaar is met het afpellen van de schillen van
een ui): bioscoop, video en televisie zijn te zien als
verschillende distributievormen voor dezelfde content.
Aan deze verschillende schillen van de ui was de
informatie volgens een vast te stellen
afrekeningsmaatstaf, gebaseerd op openbaarmaking
binnen een groep van een te bepalen omvang, te verkopen.
Dat model werkt in dit anarchistische onderlinge
uitwisselingsmodel niet meer. Dit leidt tot een strijd
tussen een free flow of information model tussen
gebruikers en een volledig op contactuele transacties
gebaseerd afrekenmodel tussen exploitanten en
gebruikers, waarbij techniek als middel van beheersing
niet wordt geschuwd. De discussie richt zich dan op de
vraag of het openbare informatievoorzieningsproces
binnen zo'n systeem van volledig geprivatiseerde
transacties nog wel voldoende is gewaarborgd. Hoe moet
de overheid daarmee omgaan? Een nieuw informatiebeleid
ontwikkelen voor de maatschappij gericht op uitwisseling
van elektronische informatie op individuele basis? Het
traditionele recht van intellectuele eigendom voorziet
er niet in.
Peer to peer betekent ook een toenemend
individualiserend gebruik in de elektronische
informatie, omdat de gebruikers (zoals in het uienmodel)
niet langer anoniem zijn. Dat betekent dat
privacyregulering een betrekkelijk universeel probleem
wordt.
• Breedband
Tot slot nog de organisatie van het breedbandige
netwerk. Er zullen zich nieuwe breedbandige digitale
netwerken ontwikkelen. Draadloze toepassingen die nu nog
hangen aan het gebruik van een frequentieband, zullen
gedeeld gebruik in een afwisseling van nanoseconden
mogelijk maken. De techniek is hier alweer jaren verder
dan de maatschappelijk toepassingen. De institutionele
vraag die overheden zich zullen moeten stellen
(nationaal zullen ze het in hun eentje niet meer voor
elkaar krijgen) is hoe de beheersstructuur van deze
meganetwerken er uit moet zien. Als er enkele
transnationale dominante spelers zullen overblijven
(zoals in het transport in de lucht, ter zee of over
land), hoe zullen dan de spelregels zijn? Dit is de
grote structurele vraag die ligt onder de turbulente
markten van elektronische toepassingen die zich boven op
deze megastructuren zullen ontwikkelen. Misschien toch
nieuwe nutsvoorzieningen? Maar wie gaat die beheren?
Werk aan de winkel
De institutionele
vormgeving van netwerken door middel van
publiekrechtelijke en privaatrechtelijke regels vergt
een weloverwogen aanpak van de overheid. Maar die aanpak
is meestal ver te zoeken.
De gemeenschappelijke kenmerken van netwerken leiden
allereerst tot de vraag of bij privatisering ook het
laatste deel van het netwerk (het aansluitnet)
geprivatiseerd moet worden, en zo nee, wat daarvan dan
de beheersstructuur moet zijn. Het achterblijven van de
concurrentie in de geliberaliseerde
telecommunicatiemarkt is mede te wijten aan de overheid,
die op dit punt geen juiste keuze heeft gemaakt.
Dezelfde vragen keren echter terug bij de liberalisatie
van de gas- en elektriciteitsmarkt, de spoorwegen en de
nationale luchthaven Schiphol. Bij privatisering doet de
overheid er goed aan de gelaagde structuur van
netwerk/technische diensten/gebruikerstoepassingen in
het oog te houden. Dat betekent dat de vraag of er op
het niveau van het fysieke netwerk moet worden
geprivatiseerd, de vraag wat de mate van
overheidsinterventie op het niveau van de technische
diensten moet zijn en het aanbod in de lagen daarboven,
verschillend moet worden behandeld.
De vragen van toegang, koppeling en kostentoerekening
van het gebruik van het netwerk vergen een effectief
sectorspecifiek toezicht. Het is hier niet een vraag van
overgang van monopolie naar marktwerking, maar de
onderkenning van de bijzondere kenmerken van netwerken.
Het is van belang dat de overheid optreedt als procesbegeleider
die de voorwaarden schept voor snel en effectief
toezicht. Ook hier zien wij dat de overheid
achterblijft. De regeling van het toezicht verzandt al
snel in competentiegeschillen en door
vrijemarktideologie bepaalde standpunten in plaats van
analyse van de bijzondere kenmerken van door netwerken
gestructureerde markten.
De problematiek van de ruimtelijke ordening doet zich
bij alle netwerken voor, maar is bij het modernste
netwerk, de telecommunicatie, het slechtst geregeld.
De overheid is bij de regulering van netwerken bezig met
de regulering van technologie, maar zou moeten kiezen
voor regels die niet aan een bepaalde stand van de
techniek zijn gebonden, omdat dat het inspelen op nieuwe
ontwikkelingen ernstig bemoeilijkt. Zo hebben de grote
veranderingen in de afgelopen vijf jaar plaats gehad op
het 'internet', een term echter die in de
telecommunicatieregulering niet is terug te vinden. Het
maken van een verkeerde keuze heeft hoge switching
costs, zoals de ambtelijke voorstellen van de wijziging
van de Telecommunicatiewet leren. Er wordt nog
vastgehouden aan het begrip 'omroepnetwerk', terwijl er
al bij de tot standkoming van de Telecommunicatiewet in
1998 voor werd gewaarschuwd dat dat een technologisch
achterhaald begrip was. Juist de telecommunicatie, waar
we te maken hebben met netten waarvan de aanleg en
toepassing bepaald is door een historisch dienstenaanbod
(omroep, telefoon), zou een alerte institutionele aanpak
van de overheid moeten laten zien, teneinde vorm te
geven aan het convergerend gebruik. Ook dat zien wij in
het overheidsbeleid helaas niet terug.
Telecommunicatienetten
zijn complexer dan andere netten. De nieuwe
ontwikkelingen waaraan de overheid vorm moet geven
vragen om een eigen aanpak. Zo blijkt het
verdeelvraagstuk (verdeling van schaarse natuurlijke
hulpbronnen zoals het spectrum) complexer dan gedacht.
Veiling leek een mooi objectief verdeelmechanisme, maar
bleek bij umts tot onneembare toegangsbarrières te
leiden, doordat er ook schaarstefactoren op de
kapitaalmarkt in het spel zijn.
De complexiteit van het lagenmodel in de
telecommunicatie waarin iedere laag functioneert als een
complementaire markt zonder welke de andere niet kan
bestaan, verlangt van de overheid een voortdurende fine
tuning van het mededingingsbeleid. Daarbij komt dat
de randapparatuur en software een essentiële
toegangsfactor wordt die niet meer los kan worden gezien
van het netwerk.
De convergentie van content en distributie,
telecommunicatie en transactie en peer to peer
gebruik van informatie dwingen de overheid traditionele
regel- en toezichtskaders te verlaten. De
horizontalisering en internationalisering van
meganetwerken vragen om een nieuwe internationale aanpak
die binnen de International Telecommunicatie Unie nog
niet is gevonden. Er is dus belangrijk veel meer werk
aan de winkel dan een snelle implementatie van nieuwe
telecommunicatierichtlijnen uit Brussel. |