|
|
|
|
|
|
De Nederlandse
publieke discussie en de politionele akties in
Indonesië
NJB 1994, p. 277
E.J.
Dommering
|
| |
"Ce sont les
termes et non les choses qui révoltent l'esprit
humaine "
Voltaire [1]
Op 17 november 1993
gelastte het Gerechtshof te Leeuwarden naar aanleiding van
een klacht van een oud-militair die na WO II in Indonesië
in het Nederlandse leger heeft gevochten een
strafvervolging wegens smaad van Graa Boomsma, schrijver
van de roman "de Laatste Tyfoon" die de
politionele akties tot onderwerp heeft. Dit moet volgens
het Hof gebeuren omdat de schrijver in een interview van 6
maart 1992 in het Nieuwsblad van het Noorden onder meer
over Nederlandse militairen in die politionele akties
heeft gezegd " Ze waren geen SS-ers, nee, ook al
konden ze door de dingen die ze deden er wel degelijk mee
worden vergeleken".
Hoe moet zo'n
uitlating worden beoordeeld in het licht van de de
Nederlandse dekolonisatiegeschiedenis en het vrije
openbare debat daarover? Een onderzoek naar
"verboden" metaforen en de vrijheid van
meningsuiting.
De advocaat-generaal bij
het Leeuwarder Hof moet op de raadkamerzitting in oktober
1993 behoorlijk tegen Boomsma te keer zijn gegaan over
diens, in zijn ogen voor Nederlandse militairen
beledigende, opmerkingen in het interview in het
Nieuwsblad van het Noorden. Daarbij viel ook de term
"onze jongens" die toch alleen maar
pacificatie-akties hadden uitgevoerd. [2]
Wat bijna 45 jaar na de afsluiting van de tweede
politionele aktie een klucht leek te zijn, werd een
serieus drama toen de raadkamer van het Hof oordeelde dat
er een vervolging moest plaatsvinden. Het Hof achtte de
vergelijking met SS-ers een opzettelijke aanranding van de
eer en goede naam van de militairen die in Indonesië
gevochten hebben, want "een telastelegging van -mede
door hun omvang, systematiek en ideologische achtergrond-
als onvoorstelbaar onmenselijk ervaren feiten". De
volledige -in het kader van een beklag ingevolge art 12 Sv
nogal stellig geformuleerde- tekst van de beschikking is
te vinden in Mediaforum. [3]
Door de beslissing van het Hof wordt de affaire Boomstra
geplaatst in een recente reeks van incidenten die de nog
steeds (althans aan Nederlandse zijde) beladen relatie met
Indonesië in het licht stellen. De reeks begint met de nu
bijna twee jaar geleden door Indonesië beëindigde
ontwikkelingshulp-relatie naar aanleiding van de
interventie van minister Pronk bij de Indonesische
regering waarin een koppeling werd gelegd tussen het
optreden van het Indonesische leger in Aceh en Oost-Timur
en voortzetting van de ontwikkelingshulp. De dreiging met
het wapen van de beëindiging of opschorting van
ontwikkelingshulp viel bijzonder slecht aan Indonesische
zijde. Daar heeft men genoeg van een ruilhandel in goed en
kwaad waarvan de termen worden geijkt door de Nederlandse
staat, ja... met name als dat gebeurt door de Nederlandse
staat . Het volgende incident is het in de zomer van
1993 door het ministerie van Buitenlandse Zaken aan Poncke
Princen geweigerde bezoekersvisum. Princen is een luis in
de pels van de Nederlanders en de Indonesiërs, een tussen
twee pelzen heen en weer springende luis als het ware. Als
dienstplichtige uitgezonden tijdens de politionele akties
liep hij over naar het Indonesische republikeinse kamp,
omdat hij geen ordehersteller in een Nederlandse kolonie
wilde zijn, maar participant in wat hij -terecht- zag als
historisch de juiste vrijheidsstrijd: de stichting van een
onafhankelijke souvereine Indonesische staat. De
"onze jongens" kunnen hem om die daad, in hun
ogen verwerpelijke desertie, wel vreten. Een
dienstplichtige CPN-er die onderdook voor zijn opkomst
voor de diensplicht en die later vocht aan de kant van de
Republiek, maar door de Nederlanders werd gepakt, kreeg
maar liefst zeven jaar gevangenisstraf. [4]
Tijdens de akties circuleerden er gruwelijke sprookjes
onder de Nederlandse militairen dat Princen vaderlanders
had helpen neerschieten. Ger Vaders, oud-hoofdredakteur
van het Nieuwsblad van het Noorden en oud-gegijzelde van
de Molukse treinkaping in Wijster, heeft dit in het boekje
"De Verliezers" in kaart proberen te brengen. In
een gesprek met Princen zegt hij: "Het populaire
verhaal in die tijd over jou (Princen) is dat jij in
Nederlands uniform langs de kant van de weg op de Puncak
stond te liften, met een Lee Enfield aan je schouder, en
dat als er iemand stopte, er een strot vuur van de
verborgen TNI (het Indonesische republikeinse leger) kwam.
Zelfs ver weg op Midden-Java, waar ik toen zat, hoorde je
dergelijke horror-stories". Princen antwoordt dat het
niet erg voor de hand lag om langs de weg te staan liften
als het hele Nederlandse leger je zocht. [5]
In de Indonesische pels (Princen woont sedert zijn
overstap naar de republikeinse kant in Indonesië) is
Princen de mensenrechten voorvechter geworden die stelling
neemt tegen bijvoorbeeld het gewelddadig ingrijpen van het
Indonesische leger in Oost Timur en Aceh en daarvoor op
het internationale forum van de VN (met succes) aandacht
vraagt.
Bij zijn visumaanvrage
voor Nederland sprong hij bekwaam tussen beide pelzen heen
en weer. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken weigerde
onder druk van de oud-Indiëstrijders een bezoekersvisum
(tijdens de vakantie van de minister die later liet
uitlekken dat het bij zijn aanwezigheid wel zou zijn
verleend, maar de beslissing niet meer had durven
terugdraaien wegens de te verwachten maatschappelijke
repercussies). Het bezoek van de delegatie van het
Nederlandse parlement in januari van dit jaar leidde tot
een discussie of dat, ethisch gezien, wel was toegestaan
in verband met de Aceh en Oost Timur kwestie. Er moest in
elk geval met Princen worden gesproken. Daar had de
delegatie niet onmiddellijk oren naar, maar zij moest tot
haar verbazing bevinden dat de Indonesische Minister van
Buitenlandse zaken Alatas, die ("waarachtig",
zou de schrijver A. Alberts zeggen) nog vloeiend
Nederlands bleek te spreken, op eigen initiatief over het
onderwerp begon. De parlementariërs verklaarden achteraf
verrukt aan de pers dat Alatas "een groot kenner van
de materie" was, en dat ze op een "bijna
filosofische manier" over het onderwerp van gedachten
hadden gewisseld. Het geluid van Princen klonk wat heser.
Hij vond dat hij het visum voor het bezoek aan Nederland
alsnog moest krijgen; dat zou dan tevens een erkenning
door de Nederlandse regering zijn dat zij bij de
politionele akties fout zou zijn geweest. [6]
Wat waren de politionele
akties precies en hoe moeten zij in een historische
contekst worden geplaatst? Om de lading in de
Nederlands-Indonesische relatie te kunnen peilen, zullen
wij de thermometer wat dieper in het vat van de
geschiedenis moeten steken. Dat geeft ons dan ook de
gelegenheid om de maatschappelijke en historische contekst
van de gewraakte uitlating van Boomsma beter te
beoordelen.
De twee politionele
akties; een kort historisch overzicht [7]
De politionele akties
zijn geen orde- of politiemaatregelen geweest maar een
omvangrijke guerrilla oorlog die een voorafschaduwing
vormden van hetgeen ons in de jaren zestig van deze eeuw
nog in Vietnam te wachten stond.
Uitroepen van de
Republiek Indonesia
Japan capituleerde op 15
augustus 1945, kort nadat twee atoombommen boven Japans
grondgebied tot ontploffing waren gebracht. De theorie
over de enorme hoeveelheid vrijkomende energie bij
kernfusie bleek te kloppen: In een worp werd een hele stad
weggevaagd. Twee dagen later in Jakarta, proclameerden
twee kopstukken uit de revolutionaire beweging, Sukarno en
Hatta, in de vroege morgen de Indonesische republiek.
Sukarno voerde de daad uit door een de avond daarvoor
opgestelde tweeregelige tekst voor te lezen: "Wij,
het volk van Indonesië, roepen hierbij de
onafhankelijkheid van Indonesië uit. Zaken betreffende de
overdracht van de macht, enzovoort, zullen zo spoedig
mogelijk en met de nodige zorg worden uitgevoerd".
Boomsma laat daarna in zijn boek een massa in gejuich
uitbarsten. De Australische historicus, Ricklefs,
schrijver van het gezaghebbende "A History of Modern
Indonesia", heeft het over een relatief kleine groep
ten overstaan van wie die verklaring werd voorgelezen. Wel
zongen zij na het lezen van de verklaring het volkslied
"Indonesia raya" en hesen zij de verboden
rood-witte vlag van de republiek. [8]
Het is niet erg waarschijnlijk dat Hatta en Sukarno (door
velen lang gezien als een collaborateur die met de
Japanners tijdens de bezetting had samengewerkt) op dat
tijdstip reeds grote massa's op de been konden brengen.
Los daarvan, vind ik dramatischer een proclamatie van twee
regels die s'ochtends vroeg in een voortuintje met enkele
getrouwen erbij wordt uitgesproken. Voor de Indonesiërs
begint bij die "non- gebeurtenis" de jaartelling
van hun republiek: 17 augustus is de nationale feestdag.
Niet 27 december, wat in de Nederlandse jaartelling de
datum in het jaar 1949 is van de
"souvereiniteitsoverdracht" van Nederland aan de
Indonesische republiek. Aan deze datum komt in de
Indonesische geschiedsbeleving geen bijzondere betekenis
toe, omdat daar, waar geen souvereiniteit was, geen
souvereiniteit behoefde te worden overgedragen.
Dramatischer nog is
wellicht de tweede zin van de verklaring: "Zaken
betreffende de overdracht van de macht, enzovoort, zullen
zo spoedig mogelijk en met de nodige zorg worden
uitgevoerd." Stond de eerste zin voor de stichting
van een republiek van volken die over duizenden eilanden
verspreid wonen (Multatuli's gordel van smaragd), de
tweede staat voor die ruim drie jaar durende guerrilla
oorlog die in de Nederlandse geschiedenis wordt aangeduid
als "de politionele akties".
De eerste politionele
aktie
Nadat de Japanners hadden
gecapituleerd, begon voor de Nederlanders en andere
Europeanen die door de Japanners tijdens de bezetting van
Indonesië in kampen waren geïnterneerd ("de
Jappenkampen"), de vermoedelijk afschuwelijkste
periode van hun leven. In de militaire termen van WO II
waren zij "bevrijd", maar in de politieke termen
van de bevrijding van Indonesië waren zij de potentiële
(immers voortgezette) overheersers. De Japanse gevangenis
waarin zij gedurende een aantal jaren psychisch en
lichamelijk waren uitgeput, vaak ook mishandeld en
vernederd, werd -inclusief de gehate "Jap"- hun
beste bescherming tegen de Indonesische bevolking die zich
van de Europese aanwezigheid wilde ontdoen. Het
slachtoffer zocht bij de beul bescherming tegen de
rechter. Deze periode staat bekend als de bersiap periode,
de periode van de revolutie (bersiap betekent zoiets als
"wees paraat") waarin geen enkele Europeaan zijn
of haar leven in Indonesië zeker kon zijn. In dit
machtsvacuüm hebben, na de Japanners, korte tijd de
Engelse bezettingstroepen voorzien. Die hadden echter hun
eigen problemen in India en Maleisië. En zo hernam
Nederland geleidelijk de macht in de weer in bezit genomen
kolonie.
Aan Nederlandse zijde
bestond niet het inzicht dat Indonesië een zelfstandige
staat zou moeten worden, al gloorde al wel het besef (dat
later zou uitgroeien tot de "uniegedachte") dat
Indonesië een eigen positie binnen een Nederlands
"Common wealth" moest krijgen. In de bekende 7
december toespraak in 1942 van de koningin was een
voorzichtige passage van die strekking opgenomen, nadat
het kabinet Gerbrandy de onafhankelijkheid had afgestemd. [9]
In die gedachtengang moest allereerst de orde in de
kolonie worden hersteld en diende deze te worden bevrijd
van wat door een meerderheid (politiek links en met name
de CPN dacht daar geheel anders over) werd gezien als een
verzameling communisten, collaborateurs met de Japanse
bezetter, en rampokkers (oproerkraaiers). Nederland diende
de in nood verkerende kolonie zo spoedig mogelijk "te
hulp" te snellen [10]
, en daarvoor werden in Nederland direct na de bevrijding
van de Duitse bezetter oorlogsvrijwilligers (de zogenaamde
OVW- ers) geworven met affiches waarop de Nederlandse
leeuw in soldaten-uniform met een trompetje boven op de
wereldbol staat ("zie de wereld, pak aan in Indië,
neem dienst"). Voorts werd de wederopbouw van het
Koninklijke Nederlandse Indische Leger (KNIL) ter hand
genomen. Al in maart 1946 arriveerden de eerste OVW- er
bataljons op Java. [11]
De eerste dienstplichtige divisie, naar de toespraak van
de koningin, 7 december divisie genaamd (de naam geeft aan
met welke hooggestemde hulpverleningsgedachten de
Nederlandse overheid was bezield), landde eind 1946. In
diezelfde periode was een ontwerp akkoord in een
schoolgebouwtje in Linggajati (niet ver van de Noordkust
van Java) met de republiek gesloten dat een wapenstilstand
afkondigde, de Unie vorm gaf, en een zelfstandig
Indonesië in een Nederlandse federatief koninkrijk in
1949 voorzag. [12] De
republiek heeft de uitvoering van dit akkoord dat niet de
gewenste onafhankelijkheid bevestigde van meet af aan
gesaboteerd, en er voornamelijk een adempauze in gezien om
krachten te verzamelen. Aan Nederlandse zijde lag het
akkoord politiek zwaar op de maag; voor de rechterzijde
was het onaanvaardbaar. [13]
Toch werd het 25 maart 1947 in geamendeerde vorm in
Batavia in paleis Rijswijk ondertekend.
Geleidelijk aan
escaleerde de situatie en toen de economische belangen van
de Nederlandse ondernemingen ernstig gevaar begonnen te
lopen viel het besluit van het Kabinet Beel om een
politionele aktie te starten. Dat werd de eerste
politionele aktie, een jungle-veldtocht die van 21 juli
1947- 5 augustus 1947 plaatsgreep." Politioneel"
is een fantastische omschrijving voor de troepenmacht die
toen aan Nederlandse zijde stond opgesteld: inclusief het
KNIL, meer dan 120.000 man. De historicus Fasseur stelt
terecht dat de historische vraag waarom de reconstructie
van het oude koloniale rijk is mislukt, achteraf minder
interessant is dan die "hoe ontredderd en verwoest
Nederland in zo korte tijd tot een ongekende
krachtsinspanning in zijn vroegere kolonie bereid en in
staat was". [14]
De aktie had een beperkt doel, namelijk om de Nederlandse
economische belangen veilig te stellen en zij heette
daarom Operatie Produkt. Dat was zeker niet de wens van de
militaire bevelhebber generaal Spoor die de meer
omvangrijke akties "Amsterdam" en
"Rotterdam" die tot beëindiging van de macht
van de republiek konden leiden, had willen uitvoeren. De
politieke en militaire leiding van de republiek zetelde in
Yokyakarta, en naar het voorbeeld van de Romeinse senator
Cato riep Spoor voortdurend "Ceteram censeo
Djocjakartum delendum esse". Korte tijd heeft er nog
een alternatief aktieplan Cato gecirculeerd, maar de
militairen kregen, zoals zo dikwijls (generaal
Schwartzkopf had in de Golfoorlog ook wel willen
doorstoten naar Baghdad) van de politici niet hun zin: het
bleef Produkt. [15]
De tweede politionele
aktie
Mede onder internationale
politieke druk werd op op 18 januari 1948 in de haven van
Batavia aan boord van het Amerikaanse schip
"Renville" een nieuw bestand gesloten. De aktie
had -met beperkt verlies van manschappen [16]
wel de beoogde produktveiligheid gebracht, maar niet de
gehoopte orde en rust. Het liet Nederland in Indonesië
achter met een enorme troepenmacht en een gefrusteerde
legerleiding die het gevoel had dat het karwei niet was
afgemaakt. Ook in Nederland had het de rechterzijde niet
behaagd dat Yokyakarta niet was bezet, en was er al in
augustus 1947 (in de periode dat het aktieplan Cato
opkwam) druk op de regering uitgeoefend door te zetten. De
Jong meldt dat oud- premier Gerbrandy in die periode zelfs
een staatsgreep heeft overwogen. [17]
De regering bleef heftig verdeeld om de eerste politionele
aktie af te maken en vreesde vooral dat de politieke druk
op het forum van de VN om de republiek te erkennen en
militaire interventies te staken, te groot zou worden. De
onderhandelingen met de republiek vlotten echter niet. Wel
werd de gouverneur-generaal Van Mook, die te eigenmachtig
optreden in de onderhandelingen met de republiek werd
verweten en die door sommigen zelfs als de verkwanselaar
van de kolonie aan de Indonesiërs werd gezien, vervangen
door Beel die eerder als "gedelegeerde van het
opperbestuur" naar Indonesië was afrgevaardigd.
Hoewel Beel aanvankelijk tegen hernieuwd militair optreden
was, veranderde hij radikaal van standpunt, toen op 18
september 1948 een communistische opstand op Midden Java
in Madiun uitbrak en een volksfront regering werd
uitgeroepen. Beel vreesde een erkenning van de
communistische volksfront-regering door Moskou, en drong
in een vertrouwelijke brief van 20 september aan minister
Sassen aan op militaire aktie. [18]
Dit speelde zich af tegen de zich internationaal
aftekenende koude oorlog: wanneer Nederland te velde zou
trekken tegen het oprukkend rode gevaar, zou haar dat een
uitstekende militaire legitimatie op het internationale
forum verschaffen. Dit politieke wapen sloeg de republiek
de Nederlandse regering uit handen door de communistische
opstand snel te onderdrukken. Fasseur noemt de Madiunse
opstand achteraf een politiek "godsgeschenk"
voor de republiek. [19]
Maar psychologisch was er een barrière genomen. En er
werd ook nog wat geblunderd. Op de meeste dramatische
momenten in het verloop der gebeurtenissen gaan menselijke
fouten onderdeel uitmaken van de grote causale keten van
de geschiedenis. Een laatste Nederlands ultimatum in de
onderhandelingen met de republiek gericht aan het adres
van Hatta werd op 16 december door Den Haag naar Beel
getelegrafeerd met het verzoek dat ogenblikkelijk door te
geven. Deze wachtte er mee tot 17 december, laat in de
middag. Wel verbond hij toen de korte termijn van 24 uur
aan het aflopen van het ultimatum. Dat was een onredelijk
korte termijn vond de toenmalige premier Drees. Er kwam
geen reactie meer. Het kabinetsbesluit was niet meer terug
te draaien [20] : Op
19 december 1948 startte de tweede politionele aktie die
tot 5 januari 1949 zou duren. Dit werd Operatie Kraai die
in Spoor's dagorder van 18 december 1948 werd aangeduid
als het voltrekken van de "laatste acte". [21]
Militair was zij even
omvangrijk als de eerste, maar aanzienlijk grimmiger omdat
zij, meer nog dan de eerste, het karakter had van een
politieke guerrilla waarin er niet twee partijen (de
legers), maar drie partijen zijn (de legers en de politiek
vijandige bevolking). Het militaire doel: het innemen van
Yokyakarta, werd vlot, nl. op 19 december, bereikt. De
regeringsleiders weden gevangen genomen en afgevoerd naar
Brastagi op Sumatra, gelegen niet ver van Medan, en
vrijwel in elk touroperator programma van Sumatra
opgenomen omdat er een mooi oud plantershotel ligt. Maar
de guerrilla woedde voort. Er werden aanzienlijk meer
verliezen geleden.
Politiek was zij een
catastrofe. De tactiek was om te profiteren van het
kerstreces van de Veiligheidsraad en in de tussentijd een
snel militair succes te behalen, om vanuit een fait
accompli internationaal te kunnen onderhandelen. [22]
Daar kwam geen spaan van terecht. De Veiligheidsraad, die
op dat moment in Parijs vergaderde, was op 17 december met
kerstreces gegaan, maar hij zat op 22 december 1948 mooi
weer op het podium van de grote theaterzaal van het Palais
Chaillot aan de Seine-oever in vergadering bijeen in een
zitting, die de diplomaat De Beus er een om nooit te
vergeten noemt [23] :
"Er viel een doodse stilte toen de president van de
Raad de Nederlandse delegatie uitnodigde de voor haar
gereserveerde plaats in te nemen. Voor ons als
niet-raadslid was overeenkomstig het gebruik een plaats
gereserveerd aan de uiterste rechterpunt vanuit de zaal
gezien, waar we dus helemaal in het (verdom)hoekje van het
toneel zaten met het gevoel dat we er bijna afgedrukt
werden. Deze fysieke omstandigheden verhoogden de indruk
dat Nederland daar op het wereldtoneel in het
bekaagdenbankje zat. Dat werd in de komende dagen nog
erger, toen het ene na het andere Aziatische land als
belanghebbende partij/niet-lid van de Raad het woord
vroeg". Alle leden spraken een vernietigende
veroordeling van de aktie uit, die algemeen als een
schending van het Renville-bestand werd gezien. Tot
heftige verontwaardiging van de Nederlandse delegatie, en
ook wel de leden van de Raad, ging de Australische
afgevaardigde zo ver om te zeggen dat hetgeen Nederland
tegen de republiek had gedaan erger was dan hetgeen Hitler
tegenover Nederland had gedaan. [24]
Neen, dat was niet netjes van de Australische
afgevaardigde.
Van januari 1948 tot mei
1949 werd er onderhandeld over een politiek akkoord. In de
tussentijd ging -in een militaire patstelling tussen TNI
en het Nederlandse leger- de guerrillastrijd voort. In mei
1949 kwam het Van Rooijen-Roem akkoord tot stand waarmee
de onafhankelijkheid van Indonesië werd bezegeld. Op 27
december 1949 vond in het Paleis op de Dam de
souvereiniteitsoverdracht plaats. Daarmee kwam een einde
aan Nederland als koloniale wereldmacht en een einde aan
de vermoedelijk meest omvangrijke militaire operatie die
dat land ooit op eigen kracht tot stand had gebracht: een
politionele aktie, een ordemaatregel.
De politionele akties
en het recht; de uitzending van dienstplichtigen,
desertie, en de Excessennota
Ik kan in het kader van
dit artikel niet bogen op een uitputtend onderzoek naar de
verschillende juridische aspecten van de politionele
akties. Een steekproef van de jaargangen 1946-1950 van een
algemeen juridisch forum zoals het NJB leert dat de
politionele akties daarin nauwelijks aan de orde zijn
geweest. Men schreef over Duitse oorlogsmisdrijven en de
Noodwet Indonesië die van een voortgezette staatkundige
relatie uitging.
Hoe is het juridisch
mogelijk geweest dat Nederland een dienstplichtig leger
van 100.000 man in minder dan een jaar op de been kon
brengen om in de Indische archipel een politiek
uitzichtloze en militair afschuwelijke guerrilla oorlog te
gaan voeren? Het ging niet zonder slag of stoot. De
periode kenmerkte zich door manifestaties pro (het door
Gerbrandy aangevoerde, vooral in de zomer 1947 roerige
Comité Rijkseenheid) en contra (b.v. de grote algemene
werkstaking van 25 september 1946 bij het scheep gaan van
de eerste troepen). De linker en de rechterzijde in de
politiek stonden scherp tegen over elkaar.
Er stapte een groot
aantal vrijwilligers (de OVW-ers) blijmoedig van de ene
oorlog in de andere: in totaal werden het er ruim 25.000.
Hoewel aanvankelijk werd gedacht dat het OVW-er aantal
voldoende zou zijn, moest spoedig een beroep op
dienstplichtigen worden gedaan: dat werden er zo'n 95.000.
[25] En die gingen
niet vrijwillig. Het verhaal van de dienstweigeraars en
deserteurs is terug te vinden in de in bleke drukletter
gestelde brochure nr. 33 uit 1977 van de Bond van
Dienstplichtigen, geschreven door B. Dankbaar onder meer
aan de hand van een onderzoek in het Militair Rechterlijk
Tijdschrift. Ik volg mede deze studie. [26]
Uitzending van troepen
Allereerst moet
geconstateerd worden dat de wettelijke basis voor de
uitzending en het voortgezet verblijf van de
dienstplichtigen in Indonesië bijzonder wankel is
geweest. Bij de Grondwetsherziening van 1887 werd de
regeling van de krijgsmacht uit de Grondwet naar de wet
overgebracht, maar werden wel enige regels ter waarborging
van de belangen van de dienstplichtigen in de Grondwet
opgenomen. Art 184 hield in dat dienstplichtigen niet
zonder hun toestemming naar de koloniën mochten worden
gezonden. De regering had een ander voorstel gedaan, nl.
dat dienstplichtigen krachtens een wet naar de koloniën
konden worden gestuurd, maar deze bevoegdheid (door de
staatsrechtgeleerde Buijs een "buitengewoon
recht" genoemd) stuitte op grote weerstand in de 2e
Kamer, en het voorstel haalde het niet. [27]
Dat grondwetsartikel, dat dus een bijzondere bescherming
van de belangen van de dienstplichtigen beoogde, kon in
1944, aldus de staatsrechtgeleerde Kranenburg "de
Londense regering niet weerhouden een K.B. uit te
vaardigen, krachtens hetwelk dienstplichtigen naar de
overzeese gebieden konden worden uitgezonden". [28]
"Staatsnoodrecht!" zet Kranenburg er met een
uitroepteken bij, en inderdaad: Kon dat besluit nog een
basis zijn om, na de capitulatie van Japan, een
omvangrijke troepenmacht te zenden naar Indonesië, dat na
diezelfde capitulatie, de onafhankelijkheid had
uitgeroepen? In de staatsrechtsliteratuur wordt die vraag
niet beantwoord. [29]
In 1946 vond de regering zelf het kennelijk een
onvoldoende basis, want toen werd alsnog het
oorspronkelijke Grondwetsartikel voorgesteld dat
uitzending "niet dan krachtens een wet" mogelijk
was. Nadat die wijziging van de Grondwet was aangenomen,
werd de noodzakelijke wet op 4 augustus 1947 in het
Staatsblad (H 239) gepubliceerd, dus ruim nadat de
dienstplichtigen in Indonesië waren gelegerd; zij werd
van kracht precies op de dag dat de eerste politonele
aktie was voltooid. In het slotartikel III van deze wet
staat namelijk de hoofdregel dat de wet alleen voor de
toekomst verbindt en wordt tegelijkertijd het K.B.van 22
juni 1944 ingetrokken. Ergo: de periode vanaf de eerste
uitzending tot aan 5 augustus 1947 is staatsrechtelijk
slechts gedekt geweest door een dubieuze toepassing van
een Londens besluit in strijd met de Grondwet. Er was in
de periode van de uitzending van de eerste troepen een
aktievoerder Johan W. Pootjes, uitgever van het blad
"de Vredestichter", die dienstplichtigen op de
ongrondwettigheid van het Londense besluit opmerkzaam
maakte [30] , maar
tot ernstige juridische verwikkelingen voor de regering
heeft het klaarblijkelijk niet, ook niet achteraf, geleid.
Dat is een opmerkelijk feit als je dat vergelijkt met het
bataljon advocaten dat tegenwoordig in stelling wordt
gebracht, wanneer de overheid iets in strijd met de
Grondwet dreigt te doen.
Desertie
Veel dienstplichtigen
gingen niet vrijwillig en velen trachtten zich te
onttrekken, hetzij door onder te duiken hetzij door een
beroep te doen op gewetensbezwaren. De familiedrama's, de
protest bijeenkomsten, de scherpe reakties van de
overheid- zij roepen het beeld op van de protesten van de
Amerikaanse dienstplichtigen die niet naar Vietnam
uitgezonden wilden worden. Naar schatting zijn er 2600
deserteurs tot vier á vijf jaar gevangenisstraf
veroordeeld, maar in feite zijn er veel meer ondergedoken
geweest. [31] Degenen
die zich trachtten te onttrekken werden opgesloten in het
grimmige "depôt Schoonhoven", en -als ze zich
niet alsnog bedachten- door de Rotterdamse Krijgsraad
berecht. In hun verdediging werd voorzien door de
reserve-officier dr.mr.dr. W Schuurmans Stekhoven, later
een markant lid van de Haagse balie (waar hij zonder
uitzondering met zijn volledige titelatuur werd
aangeduid), die nog enige psychologisch-juridische
analyses het licht heeft doen zien, waarin hij onder meer
het streekgebonden karakter van de deserties meende te
kunnen aantonen. [32]
Na hun berechting werden ze dikwijls overgebracht naar
gevangenissen waar ook NSB-ers en Duitse
oorlogsmisdadigers hun straffen uitzaten.
Excessen
Van generaal Spoor is de
uitspraak bekend: "Ik stel er nog steeds prijs op
commandant van een leger te zijn, en geen directeur van
een schiettent". [33]
Dat neemt niet weg dat in Indonesië het geweld
losbarstte, niet alleen door het militaire optreden op
zichzelf genomen, maar ook in de contekst van een
revolutionaire strijd. Het leger bevond zich in een
schiettent. De schattingen van de militaire verliezen aan
Nederlandse zijde over de hele periode vanaf de
bersiap-periode variëren, maar het zullen er ettelijke
duizenden zijn geweest. De Jong noemt een schatting voor
de verliezen van de TNI (het republikeinse leger) in de
periode 1945-1949 van 100.000 betrouwbaar. [34]
In de bersiap-tijd zijn er onder de Nederlands(-indische)
bevolking vele duizenden slachtoffers gevallen. Onder de
Indonesische burgerbevolking moeten het er in de periode
1945-1949 tienduizenden zijn geweest, het zij herhaald
niet alleen door militair optreden maar ook als gevolg van
een gewelddadige revolutionaire situatie. [35]
Voorts zijn er door Nederlandse Bijzondere Krijgsraden
tegen gevangen genomen "terroristen" en TNI
soldaten een onbekend aantal doodvonnissen gewezen. [36]
Het Nederlandse leger was
in deze revolutionaire oorlog niet alleen met een
militaire operatie bezig maar ook met een politieke
zuiveringsaktie. [37]
De TNI paste de tactiek van de verschroeide aarde toe, het
Nederlandse leger brandde politiek verdachte kampungs
plat. De militaire eenheden werden vergezeld van speciale
troepen die politieke krijgsgevangen maakten waarop
derdegraads verhoren werden toegepast; derdegraads is een
nette term voor fysieke geweldpleging, inclusief de
brandende sigaret in de huid en de stroom in de
geslachtsdelen. De militairen die dit, en ander soort
geweld, zoals de executies van burgers zonder enige vorm
van proces ("op de vlucht neergeschoten"),
verkrachtingen (en in navolging van de tweede zin van de
onafhankelijksverklaring gelezen door Sukarno zou ik er
aan toe kunnen voegen: enzovoorts) hadden meegemaakt,
konden dat verhaal niet kwijt bij hun terugkeer in
Nederland. Van Doorn en Hendrix vertellen dat zij het
manuscript voor hun studie over het geweld bij de
politionele akties al in 1952 gereed hadden, maar het niet
gepubliceerd konden krijgen. En hun getuigenis staat niet
op zich zelf. Binnenskamers werd er wel door
oud-dienstplichtigen tegenover hun familieleden over
gepraat. Boomsma had zo'n vader in de huiskamer zitten en
dat is ook de inspiratie voor zijn boek geweest. [38]
In januari 1969 barstte
de bom toen de psycholoog Hueting zijn ervaringen in de
VARA uitzending "Achter het Nieuws" vertelde.
Het was de periode van de Vietnamdemonstraties met de
leuzen "Johnson moordenaar" (met de door de
Groningse filosoof Delfgaauw aangebrachte verfijning
"volgens de normen van Neurenberg"), door het
Nederlandse Openbare Ministerie geschikt geacht voor een
vervolging wegens de belediging van een bevriend
staatshoofd. Het was in de woorden van Anil Ramdas in de
Den Uyl lezing van 1993 voor Nederland een "koloniaal
rampjaar", wegens de zich in dezelfde periode
voordoende politieke onrust in Suriname en de Antillen. [39]
Bovendien: het Nederlandse moralisme werd, aldus Van Doorn
en Hendrix, in het hart getroffen. [40]
De regering moest volgens het parlement opening van zaken
geven. Dat werd de zogenaamde Excessennota, die al op 3
juni 1969 aan de Tweede Kamer werd aangeboden. [41]
De Excessennota
De Excessennota bevat een
nauwgezette weergave van hetgeen er uit de archieven
omtrent het Nederlandse militaire geweld kon worden
opgediept, inclusief een overzicht van de beslissingen die
door Krijgsraden werden genomen en de artikelen die in de
betrokken periode in de Nederlandse pers zijn verschenen.
Het is een omvangrijk overzicht, maar Van Doorn en Hendrix
concluderen in hun kort nadien gepubliceerde studie (waar
ineens belangstelling voor was) dat het overzicht zeer
onvolledig was. [42]
De discussie in de Kamer zou zich dan ook voor een deel
concentreren op de vraag of dit "het topje van de
ijsberg" was. De regering vond van niet. Premier de
Jong bood de Nota aan met een voor de militairen
verzoenende toelichting volgens het adagium "à la
guerre comme à la guerre": in de oorlog gaat het er
hard aan toe, en gegeven dat feit was het optreden
natuurlijk niet altijd even fraai geweest, maar niet
excessief. [43] De
discussie concentreerde zich voor een deel op wat bekend
is geworden als de "Zuid-Celebes affaire", de
periode van december 1946-februari 1947 dat kolonel
Westerling (bijgenaamd "de Turk", omdat hij uit
een Turkse vader was geboren) aldaar naar eigen inzichten
de orde had hersteld, waarbij tienduizenden slachtoffers
waren gevallen. Dat verhaal was niet nieuw, omdat al in
1947 door een commissie onder voorzitterschap van mr
K.J.L. van Enthoven aan de regering had gerapporteerd. Dat
rapport was toen in de Tweede Kamer besproken. Hoewel de
Commissie een aantal geweldsexcessen constateerde, is haar
eindoordeel dat de, toen in dit gebied bestaande, situatie
van rebellie en terreur effectief was onderdrukt. De
Tweede Kamer leerde uit de Excessennota voor het eerst dat
er nadien in 1954 een tweede rapport was aangeboden door
een commissie, die al in 1949 aan de slag was gegaan, en
die bestond uit Mr C.v. Rij, mr W.H.J. Stam, en mr F.A.
Groeninx van Zoelen (die later niet meetekende). De
Commissie kwam tot andere conclusies en had scherpe
kritiek op de rol van de verantwoordelijke hoogste
autoriteiten in Nederlands-Indië, die standrechtelijke
excecuties door militairen hadden toegelaten. In de
woorden van de Commissie: "dat deze autoriteiten
tenslotte hebben toegelaten en goedgekeurd, zoal niet
bevolen, dat een duidelijk niet-militaire, in een
rechtsstaat met waarborgen omringde, taak onder het begrip
"militaire aktie" werd gebracht". [44]
De Zuid-Celebes affaire
is echter niet de enige zaak waarover de Nota rapporteert.
De uit de archieven opgediepte zaken beslaan 58 pagina's,
het overzicht van beslissingen van Krijgsraden in
Nederland en Indonesië 75 pagina's. [45]
Uit het overzicht van berechtingen blijkt dat de
plunderingen van "lichte aard" waren geweest,
geweldpleging was voorgekomen bij "individueel (niet
organiek)" optreden bij fouilleringen, huiszoekingen
en verhoren, en ernstige geweldsmisdrijven (inclusief
moord en doodslag) bij vluchtpogingen van een verdachte,
"optreden tegen een zich in de verboden tijd op
straat bevinden, zulks om een voorbeeld te stellen",
en "optreden te midden van min of meer chaotische
toestanden tegen extremisten, terwijl de schuldige
verstoken was van afdoende instructie". [46]
In de Kamer voelde een
meerderheid niet voor nader onderzoek. De ergste feiten
waren bestraft, zij het vaak mild (zeker vergeleken bij de
desertie). Men moest toch begrip hebben voor de moeilijke
omstandigheden waaronder het leger had moeten opereren en
achteraf niet te streng oordelen. Het kamerlid Diepenhorst
geraakt tot deze slotconclusie nadat hij blijkens de
Handelingen gezegd heeft: "De daden zijn soms
afschuwelijk. Als een jongetje van zeven jaar zijn vader
ziet neerknallen vergeet hij dat nooit meer. Het is
pijnlijk te lezen dat met behulp van elektrische stroom is
verhoord. Verruwing trad onloochenbaar op.(...) De
gehanteerde strafmaat kan buitenstaanders soms
verbijsteren. De stafmaat in een enkele zaak kan
deskundigen zelfs bevreemden". [47]
Het CHU kamerlid Mellema zag een lichtpunt in het feit dat
een drietal mariniers ( met een onberispelijke staat van
dienst), die wegens insubordinatie waren veroordeeld,
omdat zij geweigerd hadden een dienstbevel om een kampung
in brand te steken op te volgen, aangezien zij de
militaire noodzaak daarvan niet inzagen, uiteindelijk toch
maar gratie hadden gekregen. [48]
Het gaat hier om een affaire die destijds de publieke
opinie nogal in beroering heeft gebracht. Het Hoog
Militair Gerechtshof had, met bevestiging van wat het de
"brandstichtingssententie" van de Krijgsraad
noemt, de beklaagden tot twee en een half jaar
gevangenisstraf veroordeeld, omdat "juist onder de
huidige tijdsomstandigheden de uiterste discipline en
tucht in de militaire dienst geëist mag worden".
Annotator Röling trekt in zijn noot een vergelijking met
het platbranden van woningen in Putten door de Duitsers in
WO II, maar vindt dit geval uiteindelijk niet
vergelijkbaar, en de beslissing van het HMG
gerechtvaardigd. Dat vindt ook een commentator in het NJB.
[49] Er heeft altijd
een grote kloof bestaan tussen juridische
ongehoorzaamheids-theorie en juridische
ongehoorzaamheids-praktijk. De publieke opinie dacht er
anders over. Onder druk daarvan werden de veroordeelden op
30 december 1948 in vrijheid gesteld. Op 22 april 1949
werd hen gratie verleend. [50]
Volgens het kamerlid Mellema (t.a.p.) konden "met dit
voorbeeld de beschuldigingen van het niet diligent zijn
van het parlement zonder meer worden weerlegd". Toch
mooi, als je op 11 augustus 1947 (het tijdstip van de
daad) midden op Oost Java weigert de huizen van burgers in
brand te steken, en op 1 juli 1969 (het tijdstip van de
Kamerzitting) neemt een CHU kamerlid in Den Haag het voor
je op.
In de Tweede Kamer is ook
het punt van de oorlogsmisdrijven aan de orde geweest.
Daarover kon de Regering kort zijn. Het door de regering
op dat moment voorbereide wetsontwerp tot aanpassing van
het oorlogsstrafrecht (en de verlenging van de
verjaringstermijn) had alleen betrekking op tijdens WO II
begane feiten, en voor het overige slechts betrekking op
de toekomst. [51]
Voorts was daar de Amnestie ordonnantie, ter uitvoering
van het Van Royen/Roem akkoord, waardoor degenen die
werden vervolgd of reeds waren veroordeeld voor misdaden
die een duidelijk uitvloeisel waren van het politieke
conflict tussen Nederland en de Republiek, buiten
vervolging werden gesteld, of van straf werden ontheven.
De regering had een ruime uitleg aan de ordonnantie
gegeven. [52] Die
uitleg was overigens niet zo ruim dat ook de bestrafte
deserteurs er onder vielen, want dat voorbeeld moest
blijvend worden gesteld, omdat, in de woorden van de
Minister van Justitie in 1950, "deze uitzending
buiten Nederland best weer kon gebeuren". [53]
Op 3 juli 1969 werd de
Excessennota door de Tweede Kamer "voor kennisgeving
aangenomen" zoals dat in het jargon heet. De moties
van links waarin om meer onderzoek werd gevraagd, werden
verworpen.
De politionele akties
en de vrijheid van meningsuiting: veheerlijking,
verzwijging, protest, en repressie
Deze inleiding, die
misschien wat lang lijkt, maar, gelet op de omvang van de
geschiedenis en het bronnenmateriaal daarover nog heel
beknopt is, stelt ons al beter in staat de SS- zinsnede
die het Hof Leeuwarden in het verkeerde keelgat is
geschoten, van de juiste historische lading te voorzien.
Hoe ging de publieke opinie met dit stuk geschiedenis om?
Dit is een gecompliceerd verhaal. Laat ik niettemin een
poging wagen, zonder enige volledigheid te pretenderen.
Uiteraard zal daarbij het accent liggen op wat ik in mijn
inleiding "de verboden metafoor" heb genoemd.
Ook zullen de verschillende vormen van repressie speciale
aandacht krijgen.
Repressie in de
kolonie
De politionele akties
hebben in zoverre een verbinding met de vooroorlogse
geschiedenis van de kolonie dat de staatsorde aldaar in de
twintigste eeuw gekenmerkt werd door een toenemende
politieke repressie. En als je verder terug wilt grijpen
zijn dat de Aceh oorlogen, waar het KNIL haar
guerilla-kennis heeft opgedaan. [54]
Wat de meningsuitingen betreft, kende de toenmalige
Indische strafwet een art.153 bis dat uitingen van
gezagsondermijning strafbaar stelde, een bepaling die
volgens Mohammed Hatta (lid van de latere Republikeinse
regering) voornamelijk tegen Indonesiërs werd gebruikt.
Toen hij in maart 1928 in Nederland voor de Haagse
Rechtbank (die hem overigens vrijsprak) terecht stond
wegens het oproepen tot geweldadig verzet in Indonesië,
hield hij een redevoering (in druk honderd pagina's
beslaand) waarin hij over de toepassing van dit artikel
zeg: "Zegt een Indonesiër dat Spanje in 100 jaar
voor de Filipijnen meer heeft gedaan dan Holland in 300
jaar voor Indonesië", dan zegt de justitie: kip ik
heb je. Dit heet: "gevoelens van vijandschap, haat of
minachting opwekken tegen de regering van
Nederlands-Indië, althans Nederland". [55]
Sukarno werd in 1930 door een Rechtbank in Bandung op
grond van deze bepaling tot een gevangenisstraf van vier
jaar veroordeeld. [56]
Van ingrijpender aard was
de bevoegdheid van de gouveneur-generaal om in het belang
van de openbare rust en orde iemand zonder enige vorm van
proces te verbannen naar een plek ver weg in de archipel.
De Arabist Snouck Hugronje, in Nederlands Indië werkzaam,
had al in 1923, bij de herdenking van het 25 jarig
ambtsjubileum van Koningin Wilhelmina, tegen een
exorbitante toepassing van die bevoegdheid als reaktie op
een geweldadige opstand in Tjilegon in het sultanaat
Banten, ook 25 jaar geleden, gefulmineerd in een beroemd
geworden artikel in de Gids "Vergeten Jubilés".
Hij schrijft: "De Europese maatschappij in Indië,
die in haar overgrote meerderheid naast, maar geheel
buiten de Inlandse leeft, pleegt van die onverwachte
barbaarse reactie geweldig op te schrikken. Zij wordt dan
opeens vervuld van wraakzucht, van een generaliserend
wantrouwen tegen de gehele wereld der Inlanders, die zij
gewend was te beschouwen als een kudde makke schapen, maar
waarvan zij nu een aantal zag optreden als dolle wolven.
De aldus ontstane raspsychose beinvloedt de militairen die
het verzet onderdrukken, de rechters die de opstandelingen
vonnissen, de bestuurders, die maatregelen nemen tot
vezekering van der orde in de naaste toekomst". [57]
De verbanningsplaats werd in de jaren twintig Boven Digul,
gelegen in Nieuw Guinea, een infectiehaard van malaria. De
NRC redakteur Dr Van Blankenstein die Boven Digul in 1927
bezocht, noemde het letterlijk een hel en trok de
vergelijking: "Toen ik in het ver afgelegen kamp der
veertien afgezonderden aankwam, kon ik mij verplaatst
geloven in een der vreselijke strafkampen van de Franse
deportatie-kolonie in Cayenne". [58]
Dat was nog heilig bij hetgeen Sjahir (later lid van de
Republikeinse regering en geïnterneerd geweest in Boven
Digul) in zijn overigens zo gematigde en filosofische
"Indonesische Overpeinzingen", die in 1945 bij
de Bezige Bij in Amsterdam verschenen, er over had te
zeggen. Hij schrijft in 1936: "De wetten hier in dit
land kennen trouwens het instituut
"concentratiekamp" nog niet officieel. Wat dat
betreft is er hier nog een grote achterstand bij
Duitsland, hoewel aan de andere kant Duitsland, voor wat
betreft de inrichting van dit instituut nog veel had
kunnen leren van de praktijken van Boven Digoel". [59]
De vooroorlogse kolonie
had dus al een voorproefje van scherpe stellingname en
repressie laten zien. Hoe ging dat tijdens en na de
politionele akties? Ik zou ruwweg vier lijnen willen
onderscheiden: het soldatenverhaal, het anti-
soldatenverhaal, het politieke verhaal en het
burgerverhaal. Zoals alle indelingen is het arbitrair,
maar we kunnen er mee uit de voeten. Beginnen wij met het
eerste.
Het soldatenverhaal
De Nederlandse bevolking
stond in overgrote meerderheid achter de politionele
akties. De berichtgeving werd gecensureerd om maar het
positieve beeld van de hulpvaardige "jongens
overzee" te benadrukken. [60]
Oppositiekranten zoals De Groene, De Waarheid, Het Parool
mochten niet onder de militairen worden verspreid. [61]
Het Polygoon Wereldjournaal liet mooie filmfragmenten
zien, waarbij die vertrouwenwekkende stem die nu in de
Amsterdamse Metro op een bandje het volgende station
aankondigt, zoiets zei als: "De stoere Nederlandse
soldaten, die er opgewekt uitzagen hadden veel
bekijks", als ze een desa binnen marcheerden. De
correspondent van de katholieke De Maasbode laat een door
hem in de kolonie geïnterviewde aalmoezenier over de
familieleden die in Nederland naar dit journaal zaten te
kijken, zeggen: "..het biddende thuisfront dat
onzichtbaar steeds over al deze jongens waakt en de Zegen
afsmeekt over het werk van de aalmoezeniers". Maar
als de Indonesische generaal Sutomo zijn radiopropaganda
verspreidt, schrijft De Maasbode: "Ha! "Soetomo
spricht!" Soetomo, volgens de heren aanhangers van de
blindemannetjespolitiek een charlatan. (...) Minstens eens
in de week spreekt de grote Boeng Tomo.(...) Het geheel
herinnert sterk aan de "Nazi-Kundgebungen".
Herinnert u zich? Alleen is het koperen schallende koor
der bazuinen: "Der Führer spricht! vervangen door de
opwindendste Krontjongmuziek die ik ooit hoorde. (...) Hij
doet mij aan Goebbels denken". [62]
In "Op wacht in de Dessa" (dat ook tot de eerste
golf gerekend kan worden) komen we de de angst voor de
Oosterse dolle wolven van Snouck Hurgonje tegen: "Hij
(de vaandrig) gaf later een uiteenzetting van de tactiek
der opgezweepte fanatici en verklaarde hun blindelings
geloof in hun onkwetsbaarheid. De soldaten luisterden en
trachtten iets van dit Oosten te begrijpen. Het was anders
dan zij zich hadden voorgesteld". De soldaten in dit
boek lezen elkaar met instemming OVW-er versjes voor met
regels als: "Den Mof in Holland achterna gezeten, de
schoften bleken fel op ons gebeten (...) Toen wij in
Holland afgerekend waren, had de Jap een rekening bij ons
staan (...) Ik heb de rimboe en het sawahveld, doorploegd
achter terroristenbenden (...)". [63]
En dan is er het verslag van Luitenant Generaal Mr H.J.
Kruls die in 1947 een militaire inspectiereis langs de in
de kolonie opgestelde troepenmacht onderneemt, dat zich
als het eerste het beste reisverslag van een ex-planter
die in de jaren zeventig zijn terugkeerreis naar
Indonesië onderneemt, laat lezen: "Nu gaat het de
bergen in, naar het gebied van het Irenebataljon. Een
schitterende tocht over de hellingen van de Poentjak. Wat
is Indië toch een prachtig land". Aan het slot van
dit zoetsappige reisverhaal vat hij evenwel de kern van
zijn inspectie, niet van het landschap, maar van de troep
samen: "HOED AF VOOR ONZE MANNEN IN INDIE". [64]
Kruls had er goed aan gedaan om te lezen wat Hatta in 1927
in "Recht en Vrijheid" over het
Preangerlandschap had geschreven: "En zal het weder
op het Preanger-bergland zijn, waar het eerste
ochtendgloren der Indonesische Vrijheid zichtbaar zal
worden?" [65]
Dan had hij in zijn reisverslag de jongens kunnen
waarschuwen wat hen nog te wachten stond.
Deze eerste golf wordt
gevolgd door een vloed militaire herinneringsliteratuur.
J.M.Verhoog, die er in 1989 een studie van heeft gemaakt,
vermeldt honderden titels, vaak in eigen beheer en in
kleine oplage uitgegeven. [66]
Er rijst het beeld op van Hollandse streken die over de
sawah's patrouilleerden. Er waren "het Amsterdamse
bataljon", "De Tukkers", Het Haagse
bataljon "de Valken", het Veluwebataljon
"de Haantjes", en ga zo maar door. [67]
De hypothese dat de desertie streekgebonden was, was
misschien niet de sterkste, de troep te velde was stellig
wel regionaal georganiseerd. Deze militaire memorabilia
leveren titels op als "Wij waren in Jokja",
"Friesland was hier", "Tussen Assen en
Lahat".
In 1969 verschijnen
tegenpublicaties tegen de negatieve stroom publiciteit die
als gevolg van de Vara uitzending op gang komt, om de
"ware" geschiedenis te beschrijven. [68]
"Beschrijven" is zacht uitgedrukt;
"beschermen" is beter. Dat brengt mij op de
frustaties van de oud-militairen en het stilzwijgen
waarmee zij werden geconfronteerd. Men zou dit het eerste
soort stilzwijgen kunnen noemen. De oud KNIL soldaten en
overige Indië-veteranen hebben in Nederland moeten
strijden voor erkenning. Het heeft jaren geduurd voordat
zij voor pensioenen in aanmerking konden komen. Deze groep
heeft zich als het ware moeten "invechten" op
het Monument voor de gevallenen in WO II op de Dam. Een
eigen monument werd pas in 1988 in Roermond opgericht. En
dat herdenken is niet louter ceremonie: "Het
herdenken van gesneuvelden is voor veteranen meer dan een
eerbewijs. Het betekent het herbeleven van het verleden.
Hierbij speelt de vraag of de gebrachte offers zin hebben
gehad een grote rol". [69]
Vanuit deze achtergrond is men ook aktie gaan voeren tegen
wat gezien werd als de verguizing van de geschiedenis, en
met juridische middelen het eigen geschiedenisbeeld als
het enige juiste gaan opeisen. Zo is er het Comité
Geschiedkundig Eerherstel Nederlands Indië dat stelling
heeft genomen tegen de eerste kritische Indië-delen (deel
11a) van de Jong, en zelfs aan de rechter heeft gevraagd
uit te spreken dat de publicatie daarvan onrechtmatig was.
Ook tegen deel 12, tweede helft, dat de politionele akties
bespreekt is door oud-strijders geageerd. Met een beroep
op de Wet Openbaarheid van Bestuur verlangden zij inzage
in nog niet gepubliceerde delen van het manuscript
proberen te krijgen. [70]
Uit deze groep kwamen de protesten tegen de visumverlenig
aan Poncke Princen. Vanuit deze emotionele achtergrond
moet ook de klacht van de oud-strijder bij het Leeuwarder
Hof worden verklaard.
Het
anti-soldatenverhaal
In juli 1947 liet de
soldaat Koster in de Generaal Bons-kazerne te Grave op de
WC een stapeltje van het blaadje "Een" achter
dat ging over de geweldsexcessen op Zuid Celebes. Op de
voorpagina stond een kop:"Maak van onze jongens geen
SS-ers". En in de tekst: "Verzet je ertegen dat
onze kamaraden in Indië tot beesten worden
verlaagd". Wegens ondermijning van de krijgstucht
ging Koster natuurlijk meteen de bak in, maar aangezien
het OM toen al slordige dagvaardingen maakte werd hij in
hoger beroep wegens een ontoereikende tenlastelegging
vrijgesproken. [71]
Het krantenoverzicht bij de Excessennota laat zien dat er
in die periode veel in de oppositiepers werd geschreven.
De "locus classicus" is wat dit betreft de brief
van de reserve officier, die op 26 februari 1949 in de
Groene schrijft over het platbranden van kampungs (hetgeen
hij vergelijkt met de Duitse represaillemaatregelen te
Putten) en andere excessen. [72]
Maar daarna bleef het dus
betrekkelijk stil tot de Vara uitzending in 1969. Dit is
het tweede soort stilzwijgen waar een groep mee werd
geconfronteerd die zich juist de omgekeerde vraag als de
eerste groep stelde: wat heeft het allemaal voor zin
gehad? In 1969 kwam deze groep aan het woord. Genoemd werd
al de studie van Hendrix en van Doorn waarin
geweldsexcessen werden beschreven, maar waarin de
schrijvers de geweldsexcessen vooral ook sociologisch
proberen te analyseren en te verklaren. Zij beschrijven
een represaillemaatregel waarbij 21 Indonesische
gevangenen naar een plaats, waar Nederlandse soldaten
waren neergeschoten, worden gebracht, om aldaar als
voorbeeld te worden gefusilleerd: "In het begin had
men weinig kritiek op de represaille. Later toonden
enkelen minachting voor de genomen maatregel. Er werd
gesproken over "moffenmethoden" (bedoeld:"
nazimethoden"). [73]
In 1969 verscheen het boek van J. Zwaan "Soldaat in
Indië", een harde kritische soldaten-roman, met veel
dialogen tussen militairen die de het verraad der politici
aan de kaak stellen, en met veel beschrijving van geweld.
Bij het neerschieten van een zieke inlander door een
Nederlandse sergeant: "Dit is moord! Wat voor
barbaren zijn jullie eigenlijk? Hebben jullie dan niets
geleerd van de Duitsers?". Maar even verder wordt het
aan stukken snijden van een Nederlandse soldaat door de
Indonesirs beschreven. Een majoor, verontwaardigd over het
optreden van Nederlandse soldaten :"...laat die
kerels op rapport komen. Zijn ze gek geworden? Commandeer
ik soms een comp. SS-ers?" En elders zegt een van de
personages: "Jullie met je gezwam over de oorlog; al
dat gezwets over verzet en concentratiekampen begint me
ellenlang de keel uit te hangen. Als je die OVW-ers hoort,
zijn ze tijdens de bezetting allemaal helden geweest. Na
de oorlog gedroegen ze zich even beroerd als de moffen en
gingen in dienst om in Indië de beest uit te
hangen.(...)Ik heb ze meegemaakt hier, hoor, die
Glasgowfascisten". En dat laatste was een kennelijk
rondzingende uitdrukking voor het OVW-er kader dat in
Glasgow was opgeleid. [74]
De Walgvogel van Jan
Wolkers uit 1974, dat deels over de lotgevallen van de
hoofdpersoon in de politionele akties handelt, bevat voor
de liefhebber fors aangezette vergelijkingen tussen
Nederlandse politici uit die tijd en Duitse politici uit
WO II, meestal komend uit de mond van communisten.
Nadien volgt, wat Van
Doorn de "weg terug" heeft genoemd. [75]
Dit zijn egodocumenten en radio- en televisiereportages,
waarin oorlogsveteranen schuldbewust naar de plaats des
onheils terugkeren: Reportages over de oud-militair in de
sawah, veertig jaar later, die bekent dat daar het
vreselijke feit, waarvan hij mededader was, is
voorgevallen. [76] In
zekere zin behoort "De laatste Tyfoon" van
Boomsma tot dit genre, omdat de hoofdpersoon de weg terug
in de geschiedenis maakt in het voetspoor van de vader
(oud-strijder).
Het politieke verhaal
De politieke discussie
over dit onderwerp was in 1945-1948 in Nederland hevig en
dat was de repressie ook. Enkele voorbeelden. De
Vereniging Indonesië (de vereniging van de Indonesische
studenten in Nederland) organiseerde in de maanden na de
onafhankelijkheidsverklaring in 1945 manifestaties in
Nederland. Daarbij werd de Indonesische vrijheidsstrijd,
tot verontwaardiging van Europese toehoorders, vergeleken
met de Nederlandse vrijheidsstrijd tegen de Duitsers.
Sommige manifestaties eindigden in gevechten tussen
Nederlandse en Indonesische studenten. [77]
In maart 1948 werd de opvoering van het anti-koloniale
toneelstuk Jan Pieterszoon Coen van J.J. Slauerhoff door
de Amsterdamse burgemeester d'Ailly met instemming van de
Amsterdamse gemeenteraad verboden. [78]
Maar er was ook repressie van uitingen van de
rechterzijde. We zijn reeds het Comité Rijkseenheid
tegengekomen. Haar woordvoerder Gerbrandy had in de zomer
1947 voor de NCRV radio opgeroepen om de republiek een
kopje kleiner te maken. De regeringscommissaris voor de
radio legde daarna Gerbrany in september van dat jaar een
twee maanden durend spreekverbod op. [79]
Dat waren nog eens tijden: Een gerespecteerde ex-premier
van de Londense kabinetten werd als een
anti-revolutionaire oproerkraaier gewoon een paar maanden
de mond gesnoerd!
Daarna volgt een
constante stroom publikaties, eerst de politieke memoires
en dagboeken, dan de evaluerende en analyserende studies,
steeds dedetailleerder. Dit is het minst gepolariseerde
deel van de openbare discussie, al blijft er de
verschillende invalshoek tussen links en rechts. Het
interessante van de parlementaire discussie over de
Excessennota is dat dezelfde breuklijn in de discussie
tussen links en rechts uit de jaren veertig nog steeds
waarneembaar is. De christelijke partijen vinden de
excessen erg, maar aanvaardbaar. De CPN fulmineert, en
schreeuwt het uit dat ze het altijd al heeft gezegd. De
PvdA is kritisch en verontwaardigd, maar torst een
regeringsverantwoordelijkheid voor de betrokken periode
met zich mee.
Gezwegen is er in dit
verhaal niet. Er is door de meerderheid, geconfronteerd
met de feiten, geen politieke verantwoordelijkheid
genomen.
Het verhaal van de
burgers
Hieronder versta ik het
verhaal waarin het militaire ingrijpen niet het
hoofdonderwerp is, om maar eens met een juridische volzin
te beginnen. Het gaat om zo te zeggen over de literatuur,
al gaat het natuurlijk niet alleen daarover. [80]
In de eerste lijn zijn een aantal markante voorbeelden te
noemen, hoewel ik hier eigenlijk in de vooroorlogse
koloniale periode met het "Land van Herkomst"
van Eddy Du Perron, in het bijzonder het hoofdstuk over de
Acehstrijder Arthur Hille, zou moeten beginnen. Toch maar
een citaat uit dat hoofdstuk waarin de Acehcommandant de
troep toespreekt:"Kinderen, morgen krijgen wij onze
kans; bedenk dat een mens maar een mens is en een klewang
maar een klewang. Wij hebben onze mensen en onze klewangs,
en degenen van jullie die van zijn karabijn geen gebruik
maakt en alleen klewang voor klewang stelt, daar zal ik
tevreden over zijn. Maar degeen die ook zijn klewang in de
schee laat en zijn vijand met de blote hand wurgt of de
strot afbijt, daar zal ik trots op zijn en die zal zich
eerst met recht mijn kind mogen noemen". [81]
Dolle Westerse wolven tegenover dolle Oosterse wolven. Het
geweld was al bekend uit de Acehoorlogen, en voor WO II
beschreven zonder aanstootgevende historische
vergelijkingen: juridisch niets op aan te merken.
"Ik ben de
bruidegom zoete boeroeboedoer
hoeveel wreekt de bruidegom de bruid
als op Java plassen bloed zij stuiptrekt
uitbuiters hun buit haar ogen oesters inslaan en
uitbuit",
dat dichtte Lucebert in
een gedicht dat gedateerd is 19 december 1948, het begin
van de tweede politionele aktie. [82]
Hij vertolkte daarmee de afschuw van links over de
dekolonisatie-politiek van de Nederlandse regering.
Poëzie, ongevaarlijk.
In datzelfde jaar
verscheen Oeroeg van Hella Haasse. Het is het weemoedige
verhaal van de jeugd in de tropen, de herinnering aan de
vriendschap met de Indonesiër ("Oeroeg was mijn
vriend"), en het uit elkaar groeien van die
vriendschap door de externe politieke omstandigheden, die
worden aangeduid met "de wanordelijke toestand
aldaar". De hoofdpersoon zegt geen koloniale
gevoelens te koesteren, maar gevoelens van saamhorigheid.
Ook hier het Preanger landschap, aanmerkelijk beter in
beeld gebracht dan door generaal Kruls ("de blauwe
wolkenschaduwen over het laagland"). Het is de
terugtocht naar de Indische jeugd, vervuld van gevoelens
van vriendschap voor land en volk, maar Oeroeg is een
vijand geworden. Veel natuur en weinig politiek. Mooi en
ongevaarlijk.
In 1953 kwam "Het
laatste uur" van Albert van der Hoogte uit dat met
grote instemming door de vaderlandse literaire kritiek
werd begroet. Een Officier van Justitie werkzaam op Java,
in de periode 1945-1950, tobt over zijn lotsbestemming
waarover hij veelvuldig met de pastoor van gedachten
wisselt. "De wereld van vroeger is voorbij. Het oude
Indië bestaat niet meer; wat er nu is, is alleen een
ravage, een triest skelet. Waarom leef ik nog? Alles is
vergaan en ineen gestort. Niet alleen mijn eigen leven,
maar de hele wereld". En passant vinden er enige
executies van doodstraffen plaats. Zoals die van de
Madoerees Pak Romat, verdacht van moord. Het gaat om een
ordentelijke procedure, zodat er eerst een verhoor plaats
vindt waarin de verdachte tot volle tevredenheid van de
Officier aan de waarheidsvinding meewerkt: "De
antwoorden kwamen rustig, ondubbelzinnig, zonder sluwheid.
De oermens gaf zich zoals hij was. Wat hij zei was waar.
Niet uit liefde voor de waarheid, maar omdat hij de leugen
niet kende. Evenmin als het dier". [83]
In de jaren vijftig in Nederland een literair succes.
Dat gaat goed, denkt de
lezer. Alle visies komen in die periode vrijelijk aan bod.
Mis! In 1951 was de roman "Ik heb altijd gelijk"
van W.F.Hermans verschenen. Dat boek begint met de kater
van de thuiskomende Indië-dienstplichtige Lodewijk
Stegman. Hij behoort tot de categorie voor wie het
allemaal geen zin heeft gehad. Een van de personen zegt in
eerste hoofdstuk: "Zes jaar geleden had iedereen een
grote mond dat ze in Duitsland moesten werken. En nou ben
je er op uitgestuurd door je eigen regering, voor Piet
Snot. Altijd een grote smoel over Hitler hadden ze! In
Nederland zou geen Hitler mogelijk zijn!" Het
gefulmineer gaat nog een tijdje door, maar dan ontlaadt de
walging van de dienstplichtigen tegenover dit Nederland,
dat hen op een zinloze tropenmissie heeft gestuurd, zich
in volle omvang: "De katholieken! Dat is het meest
schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel
van ons volk! Maar die naaien er op los. Die planten zich
voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen. Die
emigreren niet! Die blijven wel zitten in Brabant en
Limburg met puisten op hun wangen en rotte kiezen van het
ouwels eten". [84]
Het eerste hoofdstuk verscheen in het literaire
tijdschrift Podium. Het veroorzaakte grote
verontwaardiging in de katholieke pers, die voor de
gelegenheid ook obscure literaire blaadjes las. Aan de
schandpaal ermee! En jawel: die passage was dus goed voor
een strafvervolging, gelast door de katholieke Minister
van Justitie. [85] De
Officier vroeg en verkreeg vrijspraak die later door het
Hof Amsterdam werd bevestigd. Het loopt met schrijvers in
Nederland meestal beter af dan met tuchtondermijnende
dienstplichtigen.
Er is in dit verband nog
de laatste categorie van zwijgen te vermelden. Dat betreft
de burgerslachtoffers die uit de Jappenkampen kwam.
Evenals de oorlogsveteranen liepen zij tegen de muur op in
een samenleving die maar een soort oorlogsleed kende: de
oorlog met Duitsland. De schrijver Alberts heeft dat fraai
onder woorden gebracht: "Wanneer men -en dat kwam
heus vaak genoeg voor- zo vriendelijk was een vandaarginds
teruggekeerde landgenoot naar zijn Japanse kampervaringen
te vragen, dan hoefden we alleen maar ons gebrek aan eten
te vermelden of ze zaten een paar minuten van onze
hongerzomers in hun winter". [86]
Evenals de oorlogsveteranen hadden zij niet hun
"lieux de mémoire". Met veel moeite heeft de
stichting Nationaal Indië monument in 1988 in Den Haag
een monument geplaatst gekregen. Het staat op een grasveld
bij een vijver, niet op een typische monumentenplaats,
zoals op een plein. De plek heeft iets van: zet het dan
daar maar neer. Toch onderscheidt het zich van alle andere
WO II monumenten in Den Haag doordat er het hele jaar door
grote hoeveelheden bloemen liggen.
Deze categorie verdient
in het kader van dit verhaal vermelding omdat de
vergelijking tussen de Duitse en de Indische situatie
terugkeert als gevolg van de laatste jaren loskomende
herinneringsliteratuur over Japanse kampen, ook in de
literatuur ("Bezonken rood" van Jeroen
Brouwers). Het is wat ik de "ergheids" discussie
zou willen noemen. Wat was nu erger: het Duitse
concentratiekamp of het Jappenkamp? Rudy Kousbroek heeft
zich als de discussieleider over dit onderwerp opgeworpen.
[87] Je vraagt je af
wat het uit maakt: de Japanse kampem waren geen
vernietigings fabrieken, zoals de Duitse, degenen die er
het beste deel van hun leven hebben doorgebracht hebben er
niettemin groot leed en schade van ondervonden. [88]
En toch is dat het interessante. Kennelijk hebben wij er
in openbare discussie's behoefte aan om dit soort
vergelijkingen te maken.
Vrijheid van
meningsuiting; pluralisme en het spook van de geschiedenis
Het spook van de
geschiedenis
Wij lezen opnieuw de zin
"Zij waren geen SS-ers, maar zij konden door wat zij
deden er wel mee worden vergeleken", en kunnen haar
nu beter in het geschiedsverhaal plaatsen. Zij die aan de
politionele aktie's meededen werden geconfronteerd met
iets wat zij kenden uit het naaste Europese verleden en
zij maakten dan ook voortdurend vergelijkingen tussen de
twee historische perioden. Die vergelijking lag in de
jaren veertig letterlijk voor de hand. Ook toen werd zij
als pijnlijk ervaren. Illustratief is de
omgehoorzaamheidsdaad van de drie mariniers die weigerden
een kampung in brand te steken, en illustratief is de
soldaat die over dit soort feiten in de Groene schreef. De
stelling was: Wat daar gebeurde was net zoiets als de
Duitse represaille maatregelen in Putten. Neen, zeiden
Nederlandse juristen die op dat moment over niets anders
nadachten dan de ethische houdbaarheid van het
"Befehl ist Befehl": wat daar gebeurde was niet
te vergelijken met Putten, dat daar was oorlog
(gezagsherstel in de kolonie), en dan dien je als militair
te gehoorzamen. We moeten de dingen niet met elkaar
verwarren.
Wij zijn inmiddels wat
verder in de geschiedenis, maar grootgebracht met een aan
de bezettingstijd ontleende buiten proportie opgeblazen
"goed/fout" conceptie over hoe mensen dienen te
handelen, waarbij WO II het ijkpunt is gebleven. WO II
maakt meer deel uit van het nationale geschiedsverhaal dan
de koloniale periode en zelfs meer dan de zoveel
aktuelere, maar verweg gebleven Vietnamoorlog. Toch is ook
die oorlog aan het arsenaal van morele categorieën
toegevoegd. De verfilming van Oeroeg in 1993 liet
verbrandingsscenes van kampungs zien met een duidelijke
verwijzing naar de Amerikaanse Vietnam-film Apocalypse
Now. De vergelijking "My Lai" viel. [89]
Toch komt dat minder hard aan. Het platbranden van huizen
in Putten is "hier" gebeurd, de politionele
aktie's vallen "buiten" de Nederlandse
geschiedenis, en My Lai is op de televisie gebeurd, tussen
twee soapseries. Amerikaanse mariniers komen ons te hulp,
zoals het Nederlandse leger in 1946 de kolonie in nood te
hulp snelde. Bij de term SS-ers slaan alle stoppen van een
door onze Europese ervaringen geconditioneerd moreel
afweersysteem door.
In de post-koloniale
verhoudingen krijgt de vergelijking nog de extra lading
van de omkering van het historische perspectief. De
volkeren die zich ontdeden van het koloniale bewind
bestookten de Westerse overheerser met hun eigen morele
maatstaven. Hatta, Sjahir en Sukarno citeren Nederlandse
progressieve schrijvers, zoals Henriette Roland Holst, en
andere Europese schrijvers "tegen" de
Nederlanders. Vooral Sjahir, geschoold in de West Europese
culturele traditie, is er een boeiend voorbeeld van. In de
huidige literatuur, met name de Angelsaksische, is die
omkering steeds duidelijker waarneembaar. De hoogleraar
vergelijkende literatuurwetenschap Edward W. Said heeft
dat genoemd "the empire writes back". [90]
Je zou dit een draai van 180 graden in de geschiedenis
kunnen noemen: de (ex)kolonies die de Westerse
(cultuur)geschiedenis in het dekolonisatieproces tegen het
Westen uitspelen. Maar dan is er het moment dat de
geschiedenis als het ware nog eens 180 graden draait:
nazis beroepen zich op de wandaden begaan in de Westerse
kolonisatiegeschiedenis om bestraffing voor hun eigen
misdrijven te ontgaan. Dat gebeurde in het Klaus Barbie
proces in Frankrijk.
De Nazi kampbeul Klaus
Barbie stond in 1987 in Frankrijk terecht. Hij werd
verdedigd door de half-Vietnamese advokaat Jacques
Vergès, een van de beroemde Franse strafpleiters. Er
waren meer uit de derde wereld afkomstige advocaten in dit
proces betrokken. In dat proces in Lyon werd de Franse
koloniale geschiedenis door de verdiging ten tonele
gevoerd tegen de Europese geschiedenis. "Stel U
voor", schrijft de Franse filosoof Alain Finkelkraut,
"dat de advocaten van Göring, Frank en Kaltenbrunner
in Neurenberg, de "Voyage au Congo" van Gide
citerend, hun clienten hadden vrij gepleit door een
verwijzing naar de misdrijven door de Westerse wereld
begaan in hun koloniale geschiedenis. Die groteske scene
is onvoorstelbaar, maar zij deed zich in Lyon voor als
gevolg van de spectaculaire botsing tussen advocaten met
een derde wereld ervaring en een Nazibeul". [91]
Inderdaad: daarmee vergeleken is de opmerking van de
Australische afgevaardigde over Hitler, toen Nederland in
1948 in de Veiligheidsraad in de beklaagdenbank zat, nog
maar kinderspel.
Pluralisme en vrijheid
van meningsuiting
Je kunt een historisch
feitencomplex op verschillende manieren beschrijven en
interpreteren. Dan kun je doen door de stijl en door de
keuze van de substantieven en de adjectieven (in de
gegeven voorbeelden o.a.: Du Perron, Snouck Hurgonje).
Vervolgens kun je er een moreel waarde-oordeel over
uitspreken. Gaat het over politiek en geschiedenis dan kun
je vergelijkingen gaan maken: dat is net zoiets als. Dat
is het punt waar de verontwaardiging opvlamt en de
meningen beginnen te botsen. Het spook van de geschiedenis
neemt dan bezit van onze aktuele discussie en de morele
plaatsbepaling van de deelnemers. Met Voltaire: het zijn
niet de feiten maar de termen die de menselijke geest
mobiliseren. Nee, ze kunnen niet worden vergeleken met
SS-ers. Ja, ze kunnen wel worden vergeleken met SS-ers.
In Europa wordt aan de
vrijheid van meningsuiting inhoud gegeven door de
uitspraken van het Hof voor de Rechten van de Mens in
Straatsburg. Het Hof interpreteert Art. 10 EVRM niet
alleen vanuit een pluralistisch conceptie, maar ook vanuit
de opvatting dat de vrijheid dient om in zaken van
openbaar belang de meningen te mobiliseren. Meningen zijn
niet alleen positief. In de terminologie van het Hof dient
de vrijheid van meningsuiting er ook voor om meningen te
uiten "that offend, shock or disturb". [92]
In dat kader heeft het Hof ook steeds duidelijker gemaakt
dat waarde-oordelen herleidbaar zijn tot iemands
overtuigingen, maar niet kunnen worden bewezen, en daarom
in de discussie vrij moeten worden gelaten. [93]
Die jurisprudentie is wel bij uitstek van toepassing op de
oordelen over ons post-koloniale verleden. [94]
De vergelijking waar het hier over gaat
"schokt", omdat zij een kortsluiting veroorzaakt
tussen verschillende geschiedsbeelden.
Het Hof oefent in dit
gebied een integrale controle uit op de belissingen van de
nationale rechters. Meestal wordt de verdagsschennis van
art 10 EVRM door de nationale overheden begaan in
smaadzaken. Maar in het geval Castells (de Baskische
politicus die de Spaanse regering had beledigd) ging het
om een Spaanse strafbepaling die veel leek op art. 153 bis
van het Indische Wetboek van Strafrecht, als ik mij eens
een ongepaste vergelijking mag veroorloven. [95]
Slot
Dit stuk ging niet over
het mooie in het voormalige Nederlands Indië en het goede
dat daar tot stand is gekomen. Dit stuk ging ook niet over
de problemen die de assimilatie van Indische Nederlanders
en Nederlandse Indiërs, in de eerste en tweede generatie
heeft opgeleverd. Dit stuk ging tenslotte ook niet over de
huidige politieke en staatkundige toestand in Indonesië,
en over de manier waarop de Indonesische regering, net
zoals de Nederlandse koloniale overheid destijds met
dissidenten is omgegaan. De positie van de schrijver
Pramudya Ananta Tur is voldoende bekend. [96]
Dit stuk ging over het Nederlandse dekolonisatieverleden
en de krampachtige manier waarmee sommigen daar nog steeds
mee omgaan.
In januari 1994 bewoog
een Nederlandse parlementaire delegatie zich behoedzaam
door Jakarta om de beschadigde betrekkingen weer op te
poetsen. De Indonesiërs hebben zich ontdaan van de
historische last van het verleden en vinden dat dat ook
van Nederlandse zijde zou moeten gebeuren. Zij zijn
daarvoor best bereid om met parlementariërs een
filosofische discussie over grondrechten te voeren. Of het
Nederlandse domineesland zich zo gemakkelijk van het
verleden kan bevrijden, is de vraag. Na verdringing komt
schuld. Maar voor wat de grondrechten betreft, zou ik
zeggen: breng de filosofie eerst maar eens in eigen land
in de praktijk!
|
De schrijver is
hoogleraar-direkteur van het Instituut voor
Informatierecht aan de Juridische Fakulteit van de
Universiteit van Amsterdam en compagnon bij Buruma Maris,
advocaten, belastingadviseurs en notarissen te Den Haag.
[1]Brief
aan Charles Marie de la Condamine, 22 juni 1734, Voltaire
Correspondance choisie, brief XXXIII, Livre de Poche 1990.
[2]Volkskrant
14 oktober 1993.
[3]Mediaforum/Bijlage
[6] 1994-1, B8.
[4]L.
de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede
Wereldoorlog, deel 12, Tweede helft, p. 806.
[5]Ger
Vaders, De Verliezers, Uitgeverij Jan Mets, Amsterdam
1993, p. 65.
[6]Berichten
in de Volkskrant en NRC-Handelsblad op 10, 11, 12 januari
1994.
[7]Er
bestaan zeer uitvoerige historische monografieën en
overzichtsstudies die diep ingaan op zowel de politieke
als de militaire aspekten van deze akties, waarvan ik er
hierna enkele zal aanhalen. L. de Jong, Het Koninkrijk der
Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, Deel 12, Tweede
Helft, bevat een uitstekend samenvattend verhaal van de
akties, dat op deze bronnen is gebaseerd.
[8]M.C.
Ricklefs, A History of Modern Indonesia, Macmillan Asian
Histories Series, The Macmillan Press Ltd. 1981, p. 198.
[9]L.
de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede
Wereldoorlog, Deel 12, tweede helft, p. 698.
[10]J.A.A.
van Doorn en W.J. Hendrix, Ontsporing van geweld, over het
Nederlands/Indisch/Indonesisch conflict, Universitaire
Pers Rotterdam 1970, p. 74, laten aan de hand van de
propaganda in de Nederlandse kazernes zien dat het ging om
een "kolossale humanitaire missie".
[11]P.M.H.
Groen/D.W. Staat, Inzet in Nederlands Indië 1945-1950,
Van Soeren & Co, Amsterdam 1992, p. 25.
[12]Voor
de geschiedenis van dit akkoord o.a C. Smit, Het Akkoord
van Linggadjati, Elsevier Amsterdam 1959.
[13]L.
de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede
Wereldoorlog, Deel 12, tweede helft, p. 778-p. 787.
[14]C.
Fasseur, Het verleden tot last. Nederland in de tweede
wereldoorlog en de dekolonisatie van Indonesië, in:
1940-1945, Onverwerkt verleden, Hes Uitgevers, Utrecht
1985, p.144. Overigens is het getal 120.000 van De Jong,
L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede
Wereldoorlog, Deel 12, p. 806. Fasseur geeft op gezag van
A. Verhoog voor 1947 een sterkte van 170.000, t.a.p. noot
57.
[15]P.M.H.
Groen, Marsroutes en dwaalsporen, Het Nederlands
militair-strategisch beleid in Indonesië 1945-1950, SDU
Den Haag 1991, p. 77-115.
[16]L.
de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede
Wereldoorlog, Deel 12, tweede helft, p. 843 geeft het
getal van 169 Nederlandse militairen.
[17]L.
de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede
Wereldoorlog, Deel 12, tweede helft, p. 792 e.v.
[18]Ronald
Gase, Beel in Batavia, Anthos 1986, p. 192.
[19]Fasseur
a.w. p. 149.
[20]Ronald
Gase, Beel in Batavia, Anthos 1986, p. 270-271; zie ook
J.G.de Beus, Het laatste jaar van Nederlands-Indië, Ad.
Donker, Rotterdam 1987, Het zogenaamde ultimatum aan de
Republiek, p. 37 e.v.
[21]P.M.H.
Groen, a.w. p. 115.
[22]P.M.H.
Groen a.w., p. 152-153.
[23]J.G.de
Beus, Het laatste jaar van Nederlands-Indië, Ad. Donker,
Rotterdam 1987, p. 52.
[24]De
Beus a.w., p. 60.
[25]P.M.H.Groen/D.W.
Staat a.w., p. 25, p. 27.
[26]B.
Dankbaar, Soldatenverzet, politionele akties Indië
'48-'49, nr. 33 Bond van Dienstplichtigen, Amsterdam 1977.
L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede
Wereldoorlog, Deel 12, tweede helft, p.805 e.v. baseert
zich vrijwel uitsluitend op deze studie zoals vergelijking
van de teksten leert.
[27]J.T.
Buijs, De Grondwet, Toelichting en Kritiek van de
wijzigingen in 1887 uitgevoerd, deel III, Gouda Quint,
Arnhem 1888, p. 352-353.
[28]K.B.22
juni 1944, Stbl. E 45; R. Kranenburg, Het Nederlandse
Staatsrecht, deel I, 6e druk, H.D. Tjeenk Willink, Haarlem
1946, p. 435. Het KB was bedoeld voor de herrovering van
Nederlands Indië in WO II, zie J.C.E. van den Brandhof,
De besluitwetgeving van de kabinetten De Geer en
Gerbrandy, Kluwer Deventer 1986, p. 388.
[29]In
de literatuur is die vraag niet onderzocht. Van de
Brandhof a.w. p. 388 zegt dat het besluit geen rol heeft
gespeeld bij de herrovering van Nedelands Indië, vanwege
de capitulatie van Japan. Hij voegt er zonder commentaar
aan toe: "Daarentegen is het besluit na de oorlog wel
van betekenis geweest voor het herstel van het gezag in
Nederlands Indië". E.T. Brainich von Brainich Felth,
Staatsnoodrecht, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1993
bespreekt het besluit en de toepassing ervan na WO II
niet.
[30]B.
Dankbaar, a.w., p. 5.
[31]L.
de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede
Wereldoorlog, Deel 12, tweede helft, p.805.
[32]W.
Schuurmans Stekhoven, Nota inzake de berechting der
Indië- "deserteurs", besproken in: MRT 1948,
p.353 e.v., en een latere brochure die bij Dankbaar a.w.
p. 21 wordt vermeld.
[33]J.C.
Bijkerk, De laatste Landvoogd, Van Mook en het einde van
de Nederlandse invloed in Indië, A.W. Sijthoff, Alphen
a/d Rijn 1982, p. 248.
[34]L.
de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede
Wereldoorlog, Deel 12, tweede helft, p. 843 noot 2.
[35]L.
de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede
Wereldoorlog, Deel 12, tweede helft, p. 989.
[36]L.
de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede
Wereldoorlog, Deel 12, tweede helft, p. 905, noot 1.
[37]J.A.A.
van Doorn en W.J. Hendrix, Ontsporing van geweld, over het
Nederlands/Indisch/Indonesisch conflict, Universitaire
Pers Rotterdam 1970, p. 165 e.v.
[38]J.A.A.
van Doorn en W.J. Hendrix, Ontsporing van geweld, over het
Nederlands/Indisch/Indonesisch conflict, Universitaire
Pers Rotterdam 1970, p. XIV en p. 277.
[39]Anil
Ramdas: Ethiek als vitaal belang, Vrij Nederland 25
december 1993, p. 137.
[40]J.A.A.
van Doorn en W.J. Hendrix, Ontsporing van geweld, over het
Nederlands/Indisch/Indonesisch conflict, Universitaire
Pers Rotterdam 1970, p. 276.
[41]Excessennota,
TK 1968-1969, 10008.
[42]J.A.A.
van Doorn en W.J. Hendrix, Ontsporing van geweld, over het
Nederlands/Indisch/Indonesisch conflict, Universitaire
Pers Rotterdam 1970, p. 210.
[43]Excessennota,
TK 1968-1969, 10008, nr 3, Nota p. 3-9.
[44]Excessennota,
TK 1968-1969, 10008, 3, bijlage 3, p. 7.
[45]Excessennota,
TK 1968-1969, 10008, bijlagen 4 t/m 8, bijlage 17.
[46]Excessennota,
TK 1968-1969, 10008, bijlage 6, p. 3.
[47]Handelingen
TK 1968-1969, p. 3576.
[48]Handelingen
TK 1968-1969, p. 3581.
[49]Krijgsraad
bij de Zeemacht in Oost-Indië 5 januari 1948, NJ 1949, nr
168; HMG 2 apil 1948 NJ 1949, nr 147, m.o. B.V.A.R. W.H.
Vermeer, Misdrijf tegen de mensheid en
gehoorzaamheidsplicht, NJB 1948, p.533.
[50]Excessennota,
TK 1968-1969, 10008, bijlage 4, p. 16-17.
[51]Handelingen
TK 1968-1969, p. 3641.
[52]Excessennota,
TK 1968-1969, 10008, 3, p. 6.
[53]B.
Dankbaar a.w., p. 28.
[54]J.A.A.
van Doorn en W.J. Hendrix, Ontsporing van geweld, over het
Nederlands/Indisch/Indonesisch conflict, Universitaire
Pers Rotterdam 1970, p. 113.
[55]Mohammed
Hatta, Verspreide Geschriften, C.P.J.van der Peet,
Jakarta, Amsterdam, Surabaja, 1952, p. 241.
[56]L.
de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede
Wereldoorlog, deel 11a, Eerste Helft, Den Haag 1984, p.
339-342.
[57]C.
Snouck Hurgonje, Verspreide Geschriften, Deel IV (tweede
reeks), Kurt Schroeder, Bonn und Leipzig, 1924, p. 424.
[58]Geciteerd
bij Hatta a.w. p. 540.
[59]Sutan
Sjahir, Indonesische Overpeinzingen, Kwadraatpocket 27, De
Bezige Bij, Amsterdam 1966, 4e druk, p. 85.
[60]L.
Zweers, "Een juiste weergave van de troepen in de
tropen", fotoreportages van de dekolonisatie van drie
geïllustreerde weekbladen, in: Jaarboek 4,
Mediageschiedenis, Stichting Mediageschiedenis, Amsterdam
1992, p. 115-144.
[61]B.
Dankbaar a.w., p. 11.
[62]J.W.
Hofwijk, De Hitte van de dag, onze soldaten in Indië, De
Toorts, Heemstede 1947, p. 155, p. 238.
[63]A.C.de
Gooyer, Op wacht in de dessa, Bosch en Keuning, Baarn, p.
35, p. 73.
[64]H.J.
Kruls, Op inspectie, Elsevier, Amsterdam/Brussel 1947, p.
59, p. 102.
[65]Hatta
a.w., p. 511.
[66]J.M.Verhoog,
Herinneringsliteratuur betreffende het Nederlands Militair
optreden te land in Indonesië, 1945-1950, Sectie
Militaire geschiedenis , Den Haag 1989.
[67]P.M.H.
Groen/D.W. Staat a.w. p.76-86.
[68]S.A.Lapré,
Nederlands-Indië in kort bestek 1940-1950, in eigen
beheer uitgegeven.
[69]J.W.M.
Schulten, Het afgeschreven leger, De Indiëveteranen en
hun strijd om erkenning, in: "De politionele akties,
Afwikkeling en verwerking, De Bataafse Leeuw 1990, p. 91
e.v.
[70]Vz.
ARRS 17 september 1986, KG 1986, nr 427; zie ook, J.J.A.
van Doorn, Om een plaats in de Indische geschiedenis, in:
De Gids, november 1988,p. 801-806.
[71]Krijgsraad
te Velde Zuid 20 april 1948 MRT 1948, p.457. HMG 23
november 1948, MRT 1949, p.289, m.o. J.M.v.B.
[72]Excessennota,
TK 1968-1969, 10008, bijlage 15, p. 16.
[73]J.A.A.
van Doorn en W.J. Hendrix, Ontsporing van geweld, over het
Nederlands/Indisch/Indonesisch conflict, Universitaire
Pers Rotterdam 1970, p. 203.
[74]J.
Zwaan, Soldaat in Indië, Erven Tijl, Zwolle 1969, p. 79,
p. 81, p. 129.
[75]J.J.A.
van Doorn, De verwerking van het einde van Indië, in: De
politionele akties a.w., p. 125.
[76]Jan
Glissenaar, Terug naar Java, In het spoor van de
politionele acties, DABAR/ Boekmakerij Luyten, Aalsmeer,
1992, p. 42.
[77]Harry
A. Poeze e.a, In het Land van de Overheerser I,
Indonesiërs in Nederland 1600-1950, Foris Publications,
Dordrecht-Holland 1986, p. 345.
[78]Het
verhaal is recentelijk opgetekend door Martin van
Amerongen, De Groene 5 januari 1994, p. 23.
[79]L.
de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede
Wereldoorlog, Deel 12, tweede helft, p. 792.
[80]Deze
selectie is natuurlijk verre van volledig, omdat zij niet
ingaat op de Bersiap en kampliteratuur, en ook geen
volledige beschrijving van de literatuur over de
politionele akties pretendeert; voor een overzicht, zie
Gerard Termorshuizen, Nederlands-Indië na 1940, in:
Nederlandse Literatuur, een geschiedenis, M.A.
Schenkeveld-v. Dussen e.a. (red.), p. 715.
[81]E.
Du Perron, Het Land van Herkomst, tweede druk, Qerido's
uitgeverij, Amsterdam 1935, p. 348.
[82]Lucebert,
Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia, in:
"Ongebundelde gedichten", tweede druk, De Bezige
Bij Amsterdam 1983, p. 9.
[83]Albert
van der Hoogte, Het laatste uur, Een kroniek uit het
naoorlogse Indonesië, Uigeverij Contact,
Amsterdam-Antwerpen 1953, 2e druk, p. 66.
[84]W.F.
Hermans, Ik heb altijd gelijk, Van Oorschot, Amsterdam
1962, p. 31.
[85]Frans
A. Janssen, Het proces rond W.F. Hermans' roman Ik heb
altijd gelijk, in: M.A. Schenkeveld-van der Dussen
e.a.(red.), Nederlandse Literatuur, een geschiedenis,
Martinus Nijhoff, Groningen 1993, p. 728.
[86]A.
Alberts, Een kolonie is ook maar een mens, Van Oorschot
Amsterdam 1989, p. 59.
[87]Rudy
Kousbroek, zie o.a. Het tomatenketchup-Tjideng van Jeroen
Brouwers, in: Het Oostindisch Kampsyndroom, Meulenhoff,
Amsterdam 1992, p. 445.
[88]Deze
passage is ten opzichte van de eerste versie van dit
artikel aangepast, omdat die kennelijk tot misverstanden
omtrent hetgeen ik bedoelde, leidde. Zie Rudy Kousbroek in
het Cultureel Supplement van 29 april 1994, en mijn
reactie op 6 mei 1994 in datzelfde blad.
[89]Hans
Beerekamp in zijn kritiek van de film, NRC Handelsblad 6
juni 1993.
[90]Edward
W. Said, Culture & Imperialism, Chatto & Windus,
Londen 1993, passim.
[91]Alain
Finkelkraut, La mémoire vaine, Du crime contre
l'humanité, Editions Gallimard, Parijs 1989, p. 52.
[92]Zaak
Lingens, EHRM 8 juli 1986, NJ 1987, 901, m.o. EAA; Zaak
Oberschlick, EHRM 23 mei 1991, NJ 1992, 456, m.o. EJD.
[93]Behalve
de geciteerde beslissingen: de zaak Schwabe, EHRM 28
augustus 1992, series A, volume 242-B, binnenkort te
publiceren in De NJ.
[94]Aldus
ook J.M. de Meij,
NRC-Handelsblad 1 december 1993, naar aanleiding van de
beschikking van het Leeuwarder Hof.
[95]Zaak
Castells, EHRM 23 april 1992, Series A, volume 236,
binnenkort te publiceren in de NJ.
[96]De
schrijver werd op 23 juli 1947, tijdens de eerste
politionele aktie door Nederlandse militairen
gearresteerd, geïnterneerd en mishandeld. Hij zat
gevangen tot december 1949, onder meer tezamen met de in
Jakarta woonachtige schrijver-jurist G.J. Resink die de
zijde van de republiek had gekozen. Op 13 oktober 1965
werd hij door de regering Suharto gearresteerd en jaren
lang als politieke gevangene vastgehouden. Ook thans leeft
hij in een status van huisarrest, zie A. Teeuw, Pramoedya
Ananta Toer, De verbeelding van Indonesië, De Geus Breda
1993, p. 13-46.
|
|
|
Geplaatst
18.05.2001
|
|
|
|