|
Deze
maand moet het kabinet een besluit nemen over de toekomst van het omroepbestel.
Houden we twee of drie televisiezenders en wat wordt dan hun taak? In de
media concentreerde de discussie zich rond de vraag of Lingo al dan geen
amusement is en of zo'n programma wel bij de publieke omroep hoort. Het zou
jammer zijn als de politieke discussie daartoe beperkt blijft. Een verstandig
mediabeleid omvat veel meer dan de vraag hoe het in Hilversum aan toe gaat.
De WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) adviseerde het kabinet
dit voorjaar om tot een fundamenteel ander informatiebeleid te komen. Het
volstaat niet langer om apart beleid te voeren voor de pers en voor de publieke
omroep. De veranderingen in het mediagebruik nopen tot een bezinning op de
vraag hoe het democratische publieke debat levend kan worden gehouden, ook
voor jongeren die aan de 'oude'media geen boodschap meer hebben. De feiten
zijn zonneklaar; jongeren lezen steeds minder kranten. Ze nemen informatie
niet meer tot zich op de vaste tijden dat krant en omroep het aanbieden.
Misschien pakken ze een Metrootje of een Spits gratis mee als ze tot de ochtendreizigers
behoren. Thuis op het bureau of op kantoor stroomt uit de PC radio binnen.
Tussen het werken door kunnen ze het laatste nieuws van een favoriete website
oppikken; ondertussen kan ook via een van de elektronisch beschikbare kanalen
op de mobiele telefoon, lap top of PC een bericht worden verstuurd en ontvangen
of via een koptelefoon met iemand ergens op de wereld via internet worden
getelefoneerd. 's Avonds gaat de televisie aan, een zapmachine met steeds
meer programma's. Er staan bovendien meer toestellen in een huishouden, zodat
er binnen een woning uiteenlopende zap patronen zijn. Bij de hoger opgeleiden
en ouderen is er inmiddels ook een klepperend geluid bij de brievenbus waargenomen,
omdat daar een, meestal allochtone, bezorger een krant naar binnen heeft
gewurmd. Bovendien is het niet ondenkbaar dat er in de avonduren een aanzienlijke
tijd is opgegaan met eigen informatieproductie: iedereen kan een eigen website
en web log starten om informatie over welk onderwerp dan ook openbaar te
maken. De Duitse kunstenaar Joseph Beuys sprak in de jaren zeventig de gevleugelde
woorden 'Iedereen is een kunstenaar. Misschien moeten we nu zeggen: iedereen
is journalist. Achter dit
patroon gaan sterk verschillende organisatievormen schuil. Bij
papieren media is een grote loonintensieve
staf specialisten dagelijks bezig de kwaliteit en samenstelling van het eindproduct
te controleren. Interventie van de overheid wordt geweerd met een beroep
op de vrijheid van drukpers. Aangezien
de pers door het abonnementensysteem een mooie cash flow heeft, is zij voor
beleggers aantrekkelijk. In de markteconomie, waar ze uit is voortgekomen,
is ze ideologisch ontworteld geraakt. Het oorspronkelijke emancipatiekapitaal
dat de liberale, confessionele en socialistische pers stichtte heeft plaats
gemaakt voor investeringskapitaal van meer of minder durfachtige beleggers.
Niet alleen is krantenuitgever PCM in handen van een Britse investeringsmaatschappij,
ook Wegener, uitgever van veel regionale kranten, mag zich in de belangstelling
van Britse beleggers verheugen.
Op het oude televisiescherm en via
de oude radio-ontvanger komt 'omroep' de woonruimte binnen. Het aanbod van
de landelijke publieke omroep is zwaar gesubsidieerd door de nationale overheid.
De organisatie berust op een ideologisch model (de zuilen) dat niet meer
bestaat in de samenleving. De commerciële omroep maakt over het algemeen
deel uit van nationaal of internationaal geconcentreerde ondernemingen. Een
steeds groter deel van het publiek dat nog wel van de omroep gebruik maakt,
keert zich af van de publieke zenders en richt zich tot de commerciële
omroep.
Het internet en daarmee gerelateerd
aanbod vertoont geen van deze kenmerken. Het verzorgt de informatiebehoefte
van een steeds grotere groep in de samenleving, kent geen van de waarborgen
van de pers of de omroep, ontvangt geen overheidsgeld en is niet gereguleerd.
De organisatiestructuur is voor de gebruiker laagdrempelig maar volkomen
ondoorzichtig: internet is immers geen media organisatie, maar een verzameling
dienstverleners van diverse pluimage. De kwaliteit van het informatie aanbod
(in termen van betrouwbaarheid en selectie) is niet controleerbaar. De consumptie
van media waar de overheid zich niet mee bemoeit neemt toe en de belangstelling
voor informatieaanbod dat door de overheid wordt gereguleerd en gefinancierd
neemt af. Het gat daartussen wordt steeds groter. De WRR stelt daarom terecht
dat wij niet langer een informatiebeleid moeten voeren dat aan een specifiek
medium is gebonden. Bij het overheidsbeleid moeten we de nadruk leggen op
de functie die informatie vervult. Kortgezegd moeten we eerst vaststellen
van welk soort informatie we het aanbod willen stimuleren (en niet uitsluitend
aan de markt overlaten). Pas daarna komt de vraag aan de orde via welk medium
die informatie moet worden aangeboden Ik trek daaruit de conclusie dat omroep
- en persbeleid als categorieën van beleid verouderd zijn, niet omdat
omroep en pers achterhaald zijn (dat is niet zo, zoals ik hierna hoop uit
te leggen), maar omdat zij onderdeel moeten zijn van een breder beleid van
elektronische informatievoorziening, waarin zij als specifieke media een
gelijkwaardige plaats moeten krijgen. Wanneer de
overheid zich de vraag stelt of zij in de informatiemarkt moet interveniëren,
heeft zij over het algemeen twee vragen te beantwoorden: waarom, en hoe.
In het nieuwe beleid blijven die twee vragen hetzelfde, al zijn ze moeilijker
te beantwoorden. Het nieuwe is dat zij worden losgekoppeld van het medium
(van oudsher: pers en omroep). Waarom intervenieert
de overheid in de informatiemarkt? Over het algemeen doet de overheid dat,
omdat zij wil dat er een voldoende verscheiden aanbod van goede kwaliteit
beschikbaar is, ongeacht de vraag in de markt. In de culturele sector subsidieert
zij daarom openbare bibliotheken, podiumkunsten, musea en andere activiteiten
waarbij culturele informatie wordt overgedragen. Bij de pers kan steun uit
het Bedrijfsfonds voor de Pers een corrigerende maatregel zijn om een pluriform
aanbod dat dreigt te verdwijnen gedurende zekere tijd overeind te houden.
Het grote geld gaat van oudsher naar de publieke omroep. De historische redenen
zijn dat de overheid de democratische controle over het schaarse goed van
radio en televisiefrequenties wilde verzekeren door alleen organisaties met
een algemeen belang daarin toe te laten. Omdat omroep ontstond in de tijd
van de emancipatie van politieke bewegingen in de jaren twintig dienden deze
ook toegang te hebben tot dit voor de publieke meningsvorming belangrijk
geachte medium. Zo ontstonden in Nederland de verzuilde omroepverenigingen. Gaandeweg
zijn de redenen voor financiële steun zich meer gaan richten op de kwaliteit
van het aanbod. Publieke omroep moet zorgen voor hoogwaardige achtergrondinformatie
die het publieke debat op peil kan houden en moet zorgen voor cultuur. Dat
ziet ook de WRR als de enige twee overgebleven functies. Bij een aanbod van
zeven algemene commerciële televisiezenders en een veelvoud van commerciële
radiozenders lijkt dat inderdaad onontkoombaar. Kort nadat Medy van der Laan
had aangekondigd dat 'Kopspijkers' het soort amusementsprogramma was dat
wel op de publieke omroep kon blijven, tekende Spijkerman een contract met
John de Mol. De vraag
wie de informatie moet aanbieden berust op overwegingen van mededinging en
op democratische selectiecriteria. De overheid heeft in Nederland altijd
het beleid gevoerd waarbij een waterscheiding tussen publieke omroep en pers
werd gehandhaafd. Verder heeft zij de toegang van de Pers tot de markt van
commerciële omroep ontmoedigd door beperkende cross ownership en anticoncentratie
regels. De toegang tot de publieke omroep is gekoppeld gebleven aan het ledenstelsel
van de omroepverenigingen. De klassieke ideologische omroepverenigingen hebben
hetzelfde probleem als de politieke partijen, namelijk dat de gebruikers
zich niet langer groeperen langs bestaande politieke of ideologische lijnen.
Net als bij de lezers van de opiniepers veroudert daardoor de achterban.
Als democratisch selectiecriterium om vast te stellen wie door de overheid
gefinancierd informatie-aanbod moet verzorgen voldoet het dus niet meer.
Het ligt meer voor de hand om partijen te selecteren op kwalitatief inhoudelijke
criteria omtrent het informatie aanbod dat ze voor een bepaalde periode kunnen
verzorgen, zoals dat in de culturele sector al lang gebruikelijk is. Dit
sluit bestaande omroepverenigingen niet bij voorbaat uit, maar het geeft
ze wel een geheel andere functie in het omroepbestel. Denkbaar is immers,
zoals de WRR suggereert, dat je naar een open aanbestedingsprocedure gaat
waarin samenwerkingsvormen van uitgevers/media organisaties/omroepverenigingen
een bepaald pakket van het door de overheid gefinancierd aanbod in de omroep
voor hun rekening gaan nemen. In een nieuw
informatiebeleid vallen pers en omroep niet weg. Als de overheid informatie-
aanbod via internet wil stimuleren heeft zij die partijen zelfs nodig, maar
wel allebei. Het kwalitatief hoogwaardige informatieproduct van de toekomst
heeft een multimediaal karakter en kent veelvormige communicatievormen, soms
gelijkend op de gelijktijdige consumptie van de oude massamedia, soms in
groepsvorm, soms individueel. Ik stel mij een toekomst voor waarin een dagblad
radiokanalen heeft, journalisten bloggen, tekst en beeld op papier en elektronisch
worden aangeboden, cross overs bestaan tussen gespecialiseerde bijlagen van
kranten en bepaalde omroepprogramma's en websites. Zo'n plaatje
valt ook van de kant van de omroep te maken. Tenslotte berustte de binding
van de omroepverenigingen met hun leden door middel van het programmablad
van oudsher op een stevige koppeling tussen omroep en print. Omroep en pers
kunnen dus een spilfunctie vormen in een niet meer aan geprogrammeerde tijd,
plaats en medium gebonden informatieconsumptie. Ze kunnen wel de kwaliteit
in al die verschillende media blijven bewaken. Er is veel voor te zeggen
om deze vorm van overheidsinterventie te kiezen, omdat regulering van internet
wel eens een moeilijk op te lossen probleem zou kunnen zijn. Het is daarvoor
een te veelkoppig medium. Je kunt het beter zoeken in de stimulering van
kwalitatief goed aanbod dan het weren van kwalitatief slecht aanbod dat je
gezien de veelkoppigheid toch niet kunt weren.
Wanneer de overheid het gigantische
organisatorische probleem van Hilversum, waarmee zij zichzelf heeft opgezadeld
door jaren niet van een oud beleidspad af te wijken, heeft opgelost, komt
dus pas de eigenlijke vraag aan de orde. Die vraag is dat heel veel 'omroepgeld'
niet langer 'omroepgeld' zou moeten zijn, maar geld voor nieuw informatiebeleid.
De selectie van de partijen die dat beleid moeten gaan uitvoeren moet op
geheel andere gronden gaan plaatsvinden dan voorheen, waarbij niet meer een
onderscheid gemaakt kan worden naar het soort medium. Zal dat ook
gebeuren? De WRR zegt ergens in zijn rapport dat 'beleidsbeëindiging'
moeilijker is dan het maken van nieuw beleid. Als Den Haag blijft hangen
in zijn oude omroep beleidspad, ziet de toekomst er ongeveer als volgt uit
(ik zeg dat op basis van extrapolatie van gegevens uit het verleden). Het
ingewikkelde kader van regels over de organisatie van Hilversum (de Europese
Grondwet is in vergelijking daarmee een wonder van eenvoud) wordt aangevuld
met nog meer ingewikkelde regels. De publieke opdracht van de publieke omroep
wordt nog mooier in goud omrande wetsteksten opgeschreven dan nu reeds het
geval is. De selectiecriteria worden in een moeilijk te doorgronden compromis
versleuteld die net niet bereiken wat is beoogd, omdat teveel gevestigde
belangen worden gesauveerd. Er komt extra geld voor nieuwe media, maar het
gaat alleen naar de omroep. Het resultaat is dat het hele bestel dat op alle
markten in volledige concurrentie met de commerciële sector opereert
verder wordt opgetuigd met concurrentievervalsende elementen. Op papier wordt
het publieker, maar in de praktijk wordt het commerciëler. Maar bovenal:
het blijft omroep beleid. Mijn boodschap
is niet nieuw. Zij is aan de orde bij iedere nieuwe omwenteling in de communicatietechniek
en de communicatiepatronen die daarvan het gevolg zijn. De boodschap is misschien
wel urgenter. De uitstroom van jonge gebruikers uit de media die de kwaliteit
hebben om het democratische publieke debat te onderhouden neemt dramatische
vormen aan. Daarvoor in de plaats treedt een horizontale geïndividualiseerde
communicatie op internet en mobiele media dat mooie en nieuwe vormen kent.
Maar zonder de ruggengraat van de oude media die de hoekssteen van de democratie
vormen kan het nooit een volwaardig medium van opinievorming worden.
|