|
Het kabinet
heeft op de valreep voor de verkiezingen aangekondigd een wetsvoorstel te
zullen indienen dat het dragen van boerka's (een het gehele lichaam bedekkende
gewaad met slechts een reepje gaas voor de ogen) in de openbare ruimte gaat
verbieden. Hiermee geeft het kabinet uitvoering aan een vorig jaar in december
aangenomen motie Wilders, die een kamermeerderheid behaalde door steun van
het CDA, de VVD, de LPF en de groep Nawijn. Wilders had deze motie gemotiveerd
met het argument dat het dragen van de boerka 'middeleeuws en vrouwonvriendelijk'
is. Het kabinet meent dat er geen juridische belemmeringen tegen het invoeren
van een dergelijk verbod zijn. Uitvoering van dit voornemen leidt naar mijn
mening tot een in de praktijk niet toe te passen regeling, tast een fundamenteel
recht op anonimiteit van de burger aan en levert geen bijdrage aan de emancipatie
van de vrouw die al dan niet vrijwillig een vorm van Islam aanhangt die tot
dit kledingvoorschrift leidt. Al met al is het, na de door politici aangestuurde
discussie wie wanneer wie een hand moet geven, een nieuw voorbeeld van een
afnemend klimaat van tolerantie, een rechtsgoed waarop Nederland zich eeuwen
heeft laten voorstaan en waar het in het buitenland om was geroemd.
Het kabinet
heeft in een toelichting meegedeeld dat er geen juridische belemmeringen
zouden zijn als een verbod 'godsdienstneutraal' wordt geformuleerd. Dat wordt
nog een heel juridisch kunststuk, want er zijn tal van situaties waarin personen
zich in het openbaar in min of meer verhulde vorm vertonen. Het kabinet kwam
bij de presentatie van het plan al meteen met de uitzondering van het carnaval.
Die uitzondering herstelt een tientallen jaren geleden afgeschafte traditie
in het vaderlandse staatsrecht, omdat wij in jaren zestig van de vorige eeuw
een processieverbod kende dat alleen gold buiten van oudsher katholieke gebieden
in Nederland. Maar het is ingewikkelder dan dat, te beginnen bij grote zonnebrillen,
hoofddeksels die over de ogen vallen, sjaals tot over de neus, geverfde haren,
naakt zonnen op het strand met een handdoek over het hoofd, en, niet te vergeten,
Sinterklaas en Zwarte Piet. En dan zijn er natuurlijk de auto's met zwarte
geblindeerde ramen, de gemotoriseerde boerka's waarmee de (tijdelijk) rijken
en de maffia door het verkeer rollen. De toepassing van dit verbod in de
praktijk wordt voor juristen dus een hilarische bezigheid, zoveel is wel
zeker.
Het gaat echter om een veel fundamentelere
vraag. In deze tijd waarin slechts terreurbestrijding telt, wordt anonimiteit
alleen gezien als middel om criminaliteit te bedrijven. Vermomming en het
aannemen van valse hoedanigheden zijn inderdaad veel toegepaste wapens bij
de misdaad. Anonimiteit is echter een tweesnijdend zwaard. Het is ook een
middel van de burger om zich tegen (overheids)macht en opdringerigheid van
derden te beschermen. Zo heeft de burger recht op een geheim telefoonnummer
en blokkering van caller identification bij telefoneren, en kan hij zich
van schuilnamen en geheime adressen bedienen. Op internet is de alias een
geliefkoosd middel om vrij te kunnen communiceren. Een abstracte definitie
van een boerka loopt het gevaar ook deze virtuele boerka's te treffen, want
op internet kan een vrouw zich daarmee niet alleen geheel afschermen, maar
zich zelfs als man voordoen, 'middeleeuwser en vrouwonvriendelijker' dan
dat is niet denkbaar. Het is duidelijk dat de boerka in de Islamitische kring
waarin zij wordt voorgeschreven die afschermfunctie heeft, zoals de lichaambedekkende
kledingvoorschriften voor vrouwen in orthodox-christelijke kring. Het boerkaverbod
als onderdeel van een algemene aanval tegen anonimiteit van de burger past
in de sluipende trend van de controlestaat die in Europa, gedekt door parlementaire
meerderheden, zonder slag of stoot wordt ingevoerd: de burger moet in alle
omstandigheden een snel en efficiënt te identificeren object worden. De vrouw
die in Nederland een boerka draagt is het onmiddellijke slachtoffer, zoveel
is ook wel zeker. De vrouw die een boerka draagt doet dat omdat zij er zelf
in gelooft of onder druk van sociale controle of dwang van haar echtgenoot.
We weten dat verboden mensen niet van hun geloof afhelpen, ze daar juist
in sterkt. Als er enigerlei vorm van dwang in het spel is, zal dat een klimaat
van huisarrest stimuleren. In alle gevallen is het effect van het verbod
dat de betrokkene in haar bewegingsvrijheid wordt beperkt, zonder dat enig
zichtbaar of op termijn te incasseren voordeel van een integratie of emancipatie
voor de Westerse samenleving wordt behaald.
In Nederland
hebben wij tot dusver een redelijk compromis bereikt in het gebruik van de
openbare ruimte waarin, behalve allerlei varianten van het christelijke geloof,
ook allerlei varianten van de Islam moeten participeren. Aan het eerste zijn
wij wel gewend, aan het tweede nog niet. We stellen voorschriften ten aanzien
van de kleding in openbare ambten en verbieden bepaalde vormen van kleding
(waaronder de boerka) die de voortgang van het onderwijs belemmeren. Voorts
gelden er beperkingen in situaties waarin legitimatie verplicht is. We zijn
daarin belangrijk veel flexibeler dan bijvoorbeeld Frankrijk dat door zijn
rigide traditie van laïcisme op een verkrampte manier met de openbare
ruimte omgaat. De Nederlandse opstelling past ook in de traditie van de handelsnatie
die internationaal georiënteerd is (de 'VOC mentaliteit') en tolerant
tegenover ander religieuze en levensbeschouwelijke opvattingen. Dit imago
is in het buitenland de laatste twee jaar behoorlijk beschadigd. De aankondiging
van het kabinetsvoornemen alleen al heeft, volgens de eerste berichten, nieuwe
schade aan dat beeld in het buitenland toegebracht.
|