|
Het Wetsontwerp
strafbare verheerlijking
Op 12
juli van dit jaar, twee dagen voor de quatorze juillet, heeft minister Donner
een wetsontwerp ter consultatie het land in gestuurd dat een nieuw artikel
aan de beletterde reeks van artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht wil
toevoegen. Het is een ongure reeks want van a tot en met g worden achtereenvolgens
strafbaar gesteld: belediging van mensgroepen op grond van ras, godsdienst,
levensovertuiging of seksuele gezindheid, het aanzetten tot discriminatie
of geweld tegen deze mensgroepen, het verspreiden van openbare mededelingen
met gelijke strekking, het verschaffen van stoffelijke steun aan deze handelingen
en het in de uitoefening van een beroep opzettelijk discrimineren van deze
mensgroepen. Als je van het plegen van deze delicten een beroep of gewoonte
maakt of het samen met iemand anders doet, leidt dit tot strafverdubbeling,
behalve als het om hulpverlening gaat. Het nieuwe artikel 'h' in deze reeks
moet strafbaar gaan stellen het in het openbaar “verheerlijken, vergoelijken,
bagatelliseren of ontkennen” van in een aantal internationale verdragen omschreven
terroristische misdrijven als de betrokkene weet of moet vermoeden dat deze
uitingen de openbare orde ernstig zullen of kunnen verstoren. Beroep of gewoonte,
of gezamenlijk plegen leidt weer tot strafverdubbeling, maar je kunt nu ook
uit de uitoefening van je beroep worden gezet als je de delicten c tot en
met h in je beroep begaat. Dat punt wordt in het voorgestelde artikel 'i'
gemaakt. Blijkens de Toelichting is deze bijkomende straf toegevoegd, omdat
het “van groot belang is dat personen die een gezaghebbend beroep hebben
en in de uitoefening daarvan invloed hebben op mensen, ingescherpt krijgen
dat zij op rechtmatige wijze met hun verantwoordelijkheid moeten omgaan (…).
Dat geldt in het bijzonder geestelijke leidsmannen, zoals dominees, pastoor
en imams.”
De artikelen
a tot en met g zijn om allerlei hierna te bespreken redenen niet populair
geworden, en voor het nieuwe 'h' heeft de minister, behalve in het hoofdredactionele
commentaar van De Telegraaf,
nog niet veel handen op elkaar gekregen. Maar wat niet is kan nog komen,
wanneer de coalitie partners aangesterkt en gebruind van het zomerreces zijn
teruggekeerd.
In de toelichting lezen wij dat de
Nederlandse samenleving de laatste jaren ingrijpend is veranderd, omdat het
“islamistisch terrorisme” en de angst voor aanslagen een realiteit zijn geworden
en radicalisering binnen autochtone en allochtone bevolkingsgroepen een blijvend
probleem vormen. “In de verhouding tussen de bevolkingsgroepen heeft het
bindende element, het gemeenschappelijke, terrein verloren ten opzicht van
het onderscheidene, het verschillende,” lezen wij in de Memorie, die vervolgt
met het uitspreken van “de zorg voor het publieke debat”. Dat debat moet
ook gaan over “de factoren die tot radicalisering en uiteindelijk terrorisme
leiden.” Een dergelijk publiek debat kan wel tot binding en wederzijds respect
leiden, maar ook een averechts effect hebben. Kwetsende uitlatingen, aldus
nog steeds de toelichting, kunnen ertoe leiden dat de verhouding tussen de
bevolkingsgroepen verslechtert en radicalisering wordt bevorderd. De regering
heeft er niet alleen voor gekozen om met dit wetsontwerp het terrorisme te
bestrijden, maar ook om uitlatingen over internationale misdrijven en misdaden
in de Tweede Wereldoorlog (lees: holocaust ontkenningen) “te beteugelen”.
Het wetsontwerp staat niet op zich
zelf, maar heeft een Europese context. Op 16 mei van dit jaar nam de Raad
van Europa een verdrag over de preventie van terrorisme aan, dat de “public
provocation to commit a terrorist offence” verbiedt.
Artikel 5 van de Conventie verstaat daar onder: “the distribution, or otherwise
making available, of a message to the public, with the intent to incite the
commission of a terrorist offence, where such conduct, whether or not directly
advocating terrorist offences, causes a danger that one or more such offences
may be committed.” In het ontwerp artikel 4 stond
een ruimere formulering, namelijk “including where the message, although
not directly advocating such acts, would be reasonable interpreted to have
that effect, inter alia
, by presenting an act of terrorism as necessary and justified”, maar dat
vond zelfs de Raad te gortig. Aanvankelijk heette het delict 'apologie van
het terrorisme', maar dit leidde tot Europese spraakverwarring, omdat de
term in de verschillende talen betekenisnuances heeft die lopen van excuus,
zelfverdediging, naar opwekking tot. Er is ook een politieke Europese achtergrond.
Na de Londense aanslag worden steeds meer radicaal geachte imams uit Europese
landen gezet.
Wat is terrorisme? De VN heeft in
een verklaring van de Assemblee van 9 december 1994 gesteld dat terrorisme
ziet op misdrijven die bedoeld zijn het algemene publiek, een groep van personen
of specifieke personen om politieke redenen in een angst toestand te brengen.
Het wetsontwerp legt een koppeling met de specifieke misdrijven als genocide,
misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven, maar ook met de in
artikel 83 Sr als terroristisch betitelde misdrijven uit het Wetboek van
Strafrecht (zoals aanslagen op personen in openbare ambten). Onder een terroristisch
motief verstaat artikel 83 a het oogmerk om de bevolking of een deel daarvan
ernstige vrees aan te jagen, een overheid of een internationale organisatie
wederrechtelijk tot iets te dwingen, dan wel de fundamentele, politieke,
constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale
organisatie te ontwrichten of te vernietigen.
Wat is verheerlijking, enz? De Toelichting
stelt dat het wetsontwerp beoogt een glijdende schaal aan te pakken: Verheerlijken
en goedpraten getuigt van een hoge waardering voor het misdrijf, bagatellisering
beoogt de ernst van het misdrijf te ontkennen of te relativeren. Ontkenning
is de negatie van een voorgevallen feit. Verheerlijken, vergoelijken en bagatelliseren
kunnen ook zien op nog niet gepleegde feiten. Al met al
bestaat de kern van de delictsomschrijving uit twee waarde oordelen: één
over bepaalde vormen van politiek geweld en één over de appreciatie
van die vorm van geweld.
Vrijheid
van Meningsuiting
Zowel
op nationaal niveau als op Europees niveau putten de overheden zich uit in
toelichtingen dat deze strafbepalingen niet ingrijpen in de vrijheid van
meningsuiting. Alle jurisprudentie van het EHRM wordt obligaat aangehaald.
Toch ligt hier de zwakte (en ook het gevaar) van het ontwerp. Het is mijn
stelling dat er in de toepassing in de praktijk vrijwel geen geval denkbaar
zal zijn waar er niet een conflict ontstaat met deze vrijheid. Ter illustratie
kunnen we eerst kijken naar de toepassingspraktijk onder de discriminatie
bepalingen. Veel discriminatoire uitingen worden gerechtvaardigd met een
beroep op niet voor rationele discussie vatbare geloofsovertuigingen. Het
Hof Den Haag
sprak de imam
El Moumni vrij
van discriminatie van
homoseksuelen, na twee
deskundige Arabisten te
hebben gehoord die
verklaarden dat El
Moumni zich op
de Koran 'kon'
baseren. Er zijn dominees die hetzelfde beweren op basis van de bijbel. Een
daarvan werd door de
HR vrijgesproken van
discriminatie omdat hij
uiting gaf aan
een godsdienstige overtuiging. De inbedding van discriminerende uitlatingen
in een godsdienstige of politieke overtuiging is eerder regel dan uitzondering.
Zo is Ayaan Hirsi Ali een campagne begonnen tegen de Koran als de vermeende
bron van de vrouwendiscriminatie onder de Islam, terwijl er evenzeer een
groep Islamkenners is die vindt dat dit allemaal op verkeerd begrip van de
Koran in het algemeen en de Islam in het bijzonder berust en die zich door
de atheïstische uitleg beledigd en gediscrimineerd acht. Hier staan
gelovige atheïsten tegenover gelovige moslims. De rechtse politicus
Janmaat werd jaren geleden weliswaar tot in hoogste instantie wegens haatzaaien
en discriminatie veroordeeld, maar achteraf vinden we dat 'politiek rechts'
met die uitspraak in het politieke debat werd gediscrimineerd en daarvan
ten onrechte werd uitgesloten. De haatzaai discussie die we na de moord op
Fortuyn hebben gehad, had een voornamelijk politiek karakter en om die reden
heeft het Openbaar Ministerie er zijn vingers niet aan willen branden, al
vinden de klagers achter de haatzaai klachten dat verwerpelijke politieke
laksheid en een discriminatie van de Fortuyn beweging. De strafbepalingen
drukken dus wel een waarde uit die wij willen verdedigen, maar zadelen ons
tegelijk op met een moeilijk te operationaliseren juridisch instrument omdat
het ons vrij snel in een politieke of geloofsdiscussie brengt. Met dit wetsontwerp
gaan we een stap verder in die richting. Gesteld al dat wij er in zouden
slagen de term 'terrorisme' voldoende nauwkeurig af te bakenen, dan blijven
wij zitten met niet te bewijzen waarde oordelen. Het EHRM heeft in een constante
reeks arresten negatieve of positieve waarde oordelen over politieke fenomenen
en personen verwezen naar het domein van de politieke retoriek van onbewijsbare
vrije uitspraken. Dat zal bij deze strafbepalingen ook zo zijn omdat zij
onvermijdelijk een discussie over politieke doelen en middelen tot gevolg
zullen hebben. Het negatieve gevolg is echter dat iedereen die iets zegt
ten gunste van een politieke beweging die terreurmiddelen gebruikt in de
verdachtenbank van de verheerlijkers wordt geplaatst. Wat te denken van het
Palestijnse vlagincident enige jaren geleden in Amsterdam Zuid ten huize
van de familie Duisenberg? Het uitsteken van de Palestijnse vlag was een
politieke symbolische bewering, maar kwaadwillenden zouden er met deze strafbepaling
een daad van verheerlijking, vergoelijking, bagatellisering of ontkenning
van het Palestijnse terrorisme van kunnen maken. Wie onder de nieuwe wet
de aanslagen in Londen in verband brengt met een illegale interventie in
Irak, kan ook een dagvaarding tegemoet zien. En hoe moet een advocaat die
zich specialiseert in terreurcliënten eigenlijk nog zijn beroep uitoefenen?
Iedere verdediging waarin het terroristische karakter van de daad wordt ontkend,
vergoelijkt of gebagatelliseerd (en dat is de taak van een advocaat) is een
vervulling van de delictsomschrijving, en, aangezien het beroepshalve gebeurt,
zal dat bovendien nog kunnen leiden tot ontzetting uit het beroep.
In de eerste
reacties op het wetsontwerp werd er op gewezen dat de strafbepaling niet
nodig is. Holocaustontkenningen zijn ook thans strafbaar geacht en zulke
strafbepalingen worden door het EHRM gerespecteerd. Ernstige vormen van bedreiging
met geweld zijn ook thans vervolgbaar. Daaraan valt toe te voegen dat de
effectiviteit van een verbod door het Internet zeer beperkt is. De daders
die de terreur websites samenstellen bevinden zich voor een groot deel buiten
Nederland, en zullen dus voortgaan het verkeerde gedachtegoed aan de Mohammed
B.'s in de Hoofdstad of de Hofstad te voeden, tenzij de Nederlandse overheid
er in navolging van de Chinese in zal slagen het Web door effectieve censuur
nationaal te vergrendelen. Of misschien is het toch gewoon een anti imam
wet en zijn de dominee en de pastoor voor de vorm aan het rijtje van geestelijke
raadsmannen toegevoegd.
De kwaliteit
van het openbare debat
De Memorie
van Toelichting schetst een somber beeld van de kwaliteit van het openbare
debat. Daar is inderdaad iets mee aan de hand, maar ik heb er een andere
visie op dan de huidige regering. De confrontatie tussen een op een christelijke
cultuur georiënteerde samenleving en andere godsdiensten is nooit probleemloos
geweest, maar heeft een geleidelijke secularisatie van de Westerse samenleving
gebracht waarin geloofsbeleving een persoonlijke ervaring werd. Op dit moment
is er zowel in politiek als cultureel opzicht een voortdurende confrontatie
ontstaan met de Islam die echter vooral in cultureel-ethische
termen wordt vertaald. Laten we de Memorie van Toelichting er nog eens bij
nemen. Hierin is de Staat als paternalistische zedenmeester weer helemaal
terug ( terug, want hij
was na de provorevolutie van de jaren zeventig,
weg ). De Memorie schetst een beeld van bevolkingsgroepen
die door radicale openbare uitingen tegen elkaar worden opgehitst en daardoor
de verkeerde dingen gaan doen. Er moet normbesef worden
ingescherpt en de zinnen moeten worden
beteugeld . Er moeten
centrale en gedeelde
waarden worden aangeleerd. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
signaleerde in zijn rapport van 2003 Waarden en
Normen en de last van het gedrag dat al in 1994
in christelijke kring werd gewaarschuwd tegen cultureel pluralisme. De Raad
verwoordde het aldus (p. 143 van zijn Rapport): ”Men erkent de veelheid van
waarden en overtuigingen, maar tegelijk vreest men een bijkomend verlies
van 'centrale' en 'gedeelde' waarden”. Exact dezelfde benadering vinden wij
in de Memorie. Dit zelfde wereldbeeld past ook bij een beleid waarin vreemdelingen
moeten inburgeren om
de centrale waarden te leren delen en bij een beleid waarin uit de verschillende
Marokkaanse en Turkse gemeenschappen geassimileerde personen naar voren moeten
komen met een positief rolmodel
om het goede voorbeeld te geven. Door de op drift geraakte radicalen aan
de culturele teugel te nemen, zal uiteindelijk alles weer goed komen. Het
verlangen om het debat in de eigen christelijke cultuurtermen te voeren zagen
we ook terug komen bij het monsterlijke compromis dat de regeringspartijen
begin deze zomer over de publieke omroep sloten. 'Nieuws' en 'opinie' moeten
weer in handen komen van de omroeporganisaties zelf om de wereld door de
bril van de eigen, maar ook gedeelde, waarden te kunnen beschrijven. Dat
kan niet in een neutrale publieke organisatie zoals de NPS, die daarom maar
moet worden opgeheven. Nu zou men
verwachten dat een dergelijke benadering een tegenreactie in het debat oproept,
maar niets is minder waar. Leidinggevende progressieve intellectuelen hebben
de mislukking van de
integratie uitgeroepen en een beleid dat gericht is op de vorming van een
multiculturele samenleving als laks en onrealistisch afgewezen. Ook zij bepleiten
dat de teugels weer moeten worden aangehaald, maar zij doen dat op andere
gronden dan vanuit christelijk-politieke kring. Het 'multi culturele drama'
in de grote steden moet hard worden aangepakt via een met gestrenge hand
uitgevoerde assimilatie en dus gedragsverandering van onaangepaste vreemdelingen.
Vanuit een andere invalshoek voert Ayaan Hirsi Ali, gesteund door onder meer
Paul Cliteur en Herman Philipse, een neo Verlichting beweging aan die de
oorzaak van het kwaad zoekt in het feit dat de Islam nu juist geen Verlichting
heeft gekend, zoals - de inmiddels als superieur uitgeroepen - christelijke
cultuur, wel. Maar ook dit stelt het probleem in culturele termen voor. Nieuw
rechts dat al evenzeer is voor beteugeling van de toevloed van vreemdelingen
en verdediging van de eigen nationale cultuur spint bij dit alles zijde.
En had Pim ons niet geleerd dat we het beestje bij de naam moesten noemen? De focus
op de cultureel ethische aspecten van het probleem kleurt het debat, waarin
inmiddels termen als 'multi-culti' en 'allochtoon' als pejoratieve sjablonen
zich hebben vastgezet. Gerard Mak heeft in zijn pamflet
Gedoemd tot kwetsbaarheid de verandering in het
taalgebruik op dit moment vergeleken met de verandering van het taalgebruik
in de jaren dertig. Hij baseert zich daarbij voornamelijk op de dagboeken
van Victor Klemperer over het Duitsland in de Nazitijd die als vast aandachtspunt
in zijn dagboek de verandering van dat taalgebruik signaleert. Een verandering
die Klemperer noteert is dat er in de media steeds meer het gebruik 'istisch'
opduikt: bijvoorbeeld, niet 'liberaal', maar 'liberalistisch'. De Memorie
bij het wetsontwerp is er een fraai voorbeeld van. Er staat niet 'islamitisch
terrorisme', maar 'islami s
tisch terrorisme', zoals ik onlangs in een Duitse krant zag dat gesproken
werd over 'islamisme'. 'Istisch' duidt op het behoren tot een ideologie die
andere 'ismen'moet bestrijden. Deze sjablonen vormen de grenspaaltjes waarbinnen
de verbale culturele gevechtshandelingen kunnen plaatsvinden. Misschien zouden
wij het eens kunnen proberen met de uitdrukking dat wij 'allochtonisten'
meer 'autochtonistisch' moeten leren denken (en natuurlijk: zich gedragen!). Terreurbestrijding
niet op deze manier
Het antwoord
zal zijn dat ik er niets van heb begrepen, en dat met dit wetsontwerp een
nieuw wapen aan het groeiende arsenaal, noodzakelijke anti terreur maatregelen
wordt toegevoegd. Het zal duidelijk zijn dat ik daar een andere opvatting
over heb. Ik vat mijn argumenten daarvoor in drie punten samen.
Mijn eerste
bezwaar richt zicht tegen het feit dat het ontwerp past in een trend van
maatregelen die steeds dichter aan de gedachtenvrijheid van de burgers raken,
waarvan ik vroeger op de colleges strafrecht heb geleerd dat die de absolute
grens voor de toepassing van het strafrecht vormt. De overheid wil steeds
meer weten over de communicatiehandelingen van de burgers en de duizelingwekkende
ontwikkeling van de communicatietechnologie stelt haar daartoe in staat.
De wet strafvorderlijke vordering gegevens en de invoering van wettelijke
verplichtingen tot langdurige opslag van in - en uitbel gegevens die inzicht
geven in individueel communicatiegedrag via vaste en mobiele apparatuur,
geven de overheid vergaande bevoegdheden veel over de communicatiepatronen
van haar burgers te weten te komen. Dit wetsontwerp gaat nog verder doordat
het rechtstreeks ingrijpt in de inhoud van de uitingen van personen die een
politiek voorstaan die buiten de reguliere kanalen van de democratische besluitvorming
opereert.
Mijn tweede
bezwaar ligt in het verlengde hiervan. Ik constateerde al dat het Internet
een wereldwijd netwerk is dat nationale overheden niet meer kunnen reguleren
zoals zij dat met traditionele media gewend waren. Daardoor verschuift de
aandacht steeds meer in de richting van toegangscontrole: de Internet Service
Providers die de burger de toegangsdiensten aanbieden. Het adagium is:
Get the Gate keeper . De wetten die zien op het
verzamelen van persoonsgegevens richten zich primair tot hen. De anti verheerlijkingswetgeving
lijkt zich te richten tegen de uiters, maar aangezien die zich buiten Nederland
bevinden, zal het voornamelijk een instrument worden om Service Providers
te dwingen op eerste vordering van het Openbaar Ministerie de doorgifte van
bepaalde sites te staken. Justitie is reeds doende een geoliede
notice and take down (zoals het in het Internet
jargon heet) te organiseren, en deze wetgeving is een welkome aanvulling
om Service Providers te beteugelen.
Mijn laatste bezwaar betreft de toon
en de inhoud van het openbare debat, zoals ik het voorgaande reeds heb toegelicht.
Pogingen het huidige probleem van de integratie en assimilatie politiek en
economisch te duiden, pogingen een toekomstige samenleving te schetsen van
gelijkwaardige burgers met verschillende etnische en culturele achtergrond
die leven in verschillende graden van assimilatie, worden al vrij snel verketterd.
Maar we zijn de Mohammed B's niet kwijt geraakt omdat de Koran gevaarlijker
is dan de Bijbel. Wij zijn deze tweede generatie in het Westen opgevoede
jongeren, die naar radicale imams gaan luisteren en de verkeerde websites
bezoeken, maar met glans hun inburgeringexamen zouden halen, kwijtgeraakt
omdat zij een identiteit in de politieke islam zoeken die houvast biedt in
een samenleving waarin zij zich niet thuis voelen. Zij zijn de nieuwe Baader
Meinhof daders, alleen zijn ze talrijker en internationaal verspreid. Dat
heb ik niet zelf bedacht, maar gelezen in L'Islam
mondialisé van Olivier Roy. Misschien had
ik dat boek niet moeten lezen en heeft het wel een funeste invloed op mij
gehad. Ik ben daardoor wellicht geschikt geworden voor de vervulling van
de delictsomschrijving van artikel 137 h. Dit had voorkomen kunnen worden
als een nieuw artikel 137 j mij had verhinderd van dit boek kennis te nemen.
Maar dan had ik misschien weer een ander denkbeeld tot mij laten doordringen
dat mij in een eerdere fase op het verkeerde pad zou hebben gebracht. Dat
had wellicht voorkomen kunnen worden door een nieuw artikel 137 k, maar…
Men zal, om het verderfelijke wanbegrip voor gemeenschappelijke en gedeelde
Westerse waarden aan de wortel aan te pakken, tot het eind van het alfabet
moeten gaan. En dan nog is er geen zekerheid.
|